Strafrecht overig

Het hof veroordeelt verdachte ter zake van mishandeling van zijn echtgenote tot een gevangenisstraf voor de…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 juli 2026

Zaakgegevens

Op 24 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
24 juli 2026
Datum publicatie
24 juli 2026
Zaaknummer
21-005138-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:4865
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het hof veroordeelt verdachte ter zake van mishandeling van zijn echtgenote tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van voorarrest en waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan de op te leggen straf te verbinden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005138-25

Uitspraakdatum: 24 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 3 december 2025 met parketnummer 08-315281-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-126121-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 juli 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de hem tenlastegelegde mishandeling van zijn echtgenote tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de advocaat-generaal oplegging van bijzondere voorwaarden, inhoudende een meldplicht bij de reclassering en deelname aan de gedragingsinterventie BORG. Ook heeft de advocaat-generaal toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. K. Meijer, is aangevoerd.

Het vonnis


De politierechter in de rechtbank Overijssel heeft verdachte ter zake van mishandeling van zijn echtgenote veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft aan voornoemde voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden verbonden van een meldplicht bij de reclassering en deelname aan de gedragsinterventie BORG of een andere gedragsinterventie die is gericht op het voorkomen van huiselijk geweld. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tenuitvoerlegging toegewezen.

Het hof legt aan verdachte een (deels) andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 november 2025 te [plaats] , [gemeente] [slachtoffer] , heeft mishandeld, door:

- die [slachtoffer] (krachtig) bij de keel vast te pakken/grijpen en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of (enige tijd) dichtgeknepen te houden en/of

- die [slachtoffer] met een hondenriem, althans enig voorwerp, tegen het gezicht, de benen en/of de rug, althans tegen het lichaam te slaan en/of te stompen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat naast de verklaring van aangeefster geen steunbewijs in het dossier aanwezig is. Van het gestelde letsel aan haar nek of keel bevat het dossier geen foto’s, terwijl het knijpen in haar keel zichtbaar letsel opgeleverd zou moeten hebben. In ieder geval voor dit deel van het tenlastegelegde dient vrijspraak te volgen. Ten aanzien van de foto van de wang van aangeefster geeft verdachte aan dat hij haar niet heeft geslagen en dat dit letsel al eerder is ontstaan. Verdachte ontkent aangeefster te hebben mishandeld. Het is zijn woord tegen het woord van aangeefster.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder
zijn uitgewerkt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof hiertoe als volgt.

Uit de aangifte van [slachtoffer] (hierna: aangeefster) volgt dat zij een hondenriem doorknipte die verdachte om zijn nek had gebonden. Verdachte werd toen boos en kneep haar keel dicht. Daarna sloeg hij haar met de hondenriem. Het hof acht de aangifte voldoende concreet en duidelijk. De waarnemingen van verbalisanten ondersteunen hetgeen aangeefster heeft verteld over haar letsel. Dat geldt ook (deels) voor hetgeen [verbalisant] verdachte heeft horen verklaren, namelijk dat hij aangeefster heeft geslagen. Na het verhoor zijn foto’s gemaakt van het zichtbare letsel bij aangeefster. Naar het oordeel van het hof passen de verwondingen bij de aangifte zoals die door aangeefster is gedaan.

Het standpunt van de verdediging, voor zover inhoudende dat ten aanzien van het dichtknijpen van de keel naast de aangifte onvoldoende (steun)bewijs in het dossier aanwezig is, volgt het hof niet. Artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige (dan wel één bewijsmiddel). Het gaat daarbij om tenlastelegging als geheel en ziet niet op een onderdeel daarvan, zodat niet elk afzonderlijk deel van de tenlastelegging dient te steunen op minimaal twee bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande acht het hof het aan verdachte tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder weergegeven.

Bewijsmiddelen

1.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 21 november 2025, nummer PL0600-2025564005-5, opgenomen op pagina 31 tot en met 34 van het dossier met nummer 2025564005, voor zover inhoudende:

als verklaring van [slachtoffer]

Ik doe aangifte van mishandeling door mijn man [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ).

(…)

Vandaag, donderdagavond 20 november 2025, was ik op de eerste verdieping van de woning. Ik woon samen met [verdachte] aan [straat] te [plaats] .

(…)

Ik hoorde dat [verdachte] naar mij schreeuwde en boos werd. (…) Ik zag dat [verdachte] ondertussen was weggelopen uit de slaapkamer. (…)

Ik zag dat [verdachte] een hondenriem had vastgemaakt aan het hekje op de zolder. [verdachte] had de hondenriem al om zijn nek. Ik heb de hondenriem, een dik touw, door de open

zoldertrap, doorgeknipt. [verdachte] was woest en stormde mijn slaapkamer binnen. Ik

voelde en zag dat hij mij bij de keel greep. Ik kreeg bijna geen adem meer, zo hard

kneep hij mijn keel dicht. Dit deed mij pijn (…).

Hierna ging [verdachte] helemaal door het lint. (…) [verdachte] sloeg mij helemaal lens. [verdachte] viel mij aan op mijn slaapkamer. Ik lag op bed. Hij sloeg mij met de hondenriem. Ik voelde dat [verdachte] mij met de hondenriem sloeg in mijn gezicht op mijn benen en op mijn rug.

(…)

U heeft foto's gemaakt van het letsel op mijn armen en gezicht.

als relaas van verbalisant

Ik, verbalisant, zag bij het slachtoffer het volgende letsel:

Aangever had zichtbaar letsel op haar rechter kaak/wang/keel. Hier waren rode

striemen zichtbaar. Verder had aangever een rode rechter hand en blauwe plekken op

haar beide armen.

2. Een schriftelijk bescheid, inhoudende als bijlage bij het onder 1 genoemde proces-verbaal van aangifte opgenomen foto’s, opgenomen op pagina 35 van het onder 1 genoemde dossier.

De foto’s tonen de rechterzijkant van het hoofd van aangeefster. Te zien is dat aangeefster een rode striem op haar kaak/wang heeft.

3.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2025, nummer PL06002025564005-23, opgenomen op pagina 28 tot en met 30 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:

als relaas van verbalisant [verbalisant]

Op donderdag 20 november 2025, was ik, [verbalisant] , belast met een streettriage

dienst voor de [regio] . (…)

Diezelfde dag, om 21:00 uur was ik, samen met de GGZ verpleegkundig van [gezondheidszorginstelling]

en betrokkene [verdachte] in een wachtruimte van [psychiatrisch centrum]

gelegen aan de [straat] te [plaats]

aanwezig.

Verder waren er nog 3 personen aanwezig van [gezondheidszorginstelling] , die betrokkene [verdachte] zouden

beoordelen om te bekijken of hij voor een crisismaatregel in aanmerking zou komen.

Tijdens de beoordeling hoorde ik, dat betrokkene [verdachte] verklaarde dat zijn vrouw,

te weten: betrokkene [slachtoffer] vandaag aan het schreeuwen was tegen hem, dat hij

boodschappen moest halen. Hij verklaarde dat hij niet accepteerde dat zij aan het

schreeuwen was. Na drie keer gewaarschuwd te hebben dat zij normaal tegen hem moest

praten en niet moest schreeuwen, verklaarde hij dat hij haar geslagen had!

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 20 november 2025 te [plaats] , [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer] (krachtig) bij de keel vast te grijpen en (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en

- die [slachtoffer] met een hondenriem tegen het gezicht, de benen en de rug, althans tegen het lichaam, te slaan, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich op 20 november 2025 schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote. Met zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Bovendien vond de mishandeling plaats in de (toenmalige) gezamenlijke woning van het slachtoffer en verdachte, waar het slachtoffer zich juist veilig zou moeten kunnen voelen.

Uit het strafblad van verdachte van 8 juni 2026 blijkt dat hij wel eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar niet voor van soortgelijke feiten. Het hof weegt dit niet in het nadeel van verdachte mee.

Uit het reclasseringsrapport van het Leger des Heils van 2 december 2025 volgt het advies om onderhavige zaak af te doen zonder reclasseringsinterventies, aangezien verdachte alleen openstaat voor interventies die op zijn voorwaarden worden ingericht en een hoog risico wordt gezien op het onttrekken aan eventueel opgelegde voorwaarden.

Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw namens verdachte naar voren gebracht dat verdachte en aangeefster inmiddels niet meer samenwonen en dat de scheiding in gang is gezet. Daar gaat enige tijd overheen, onder meer omdat zowel verdachte als aangeefster het financieel moeilijk hebben. Verdachte heeft gevraagd om geen bijzondere voorwaarden opgelegd te krijgen. Vanwege zijn financiële situatie ziet hij geen mogelijkheid om ergens op locatie te komen. Hij heeft geen rijbewijs en kan het openbaar vervoer niet betalen.

Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van voorarrest en waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en noodzakelijk. Het hof ziet, gelet op voornoemd rapport van het Leger des Heils, geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan de op te leggen straf te verbinden.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 16-126121-23 is verdachte op 24 november 2023 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke straf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.

Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.


Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 46 (zesenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 november 2023, parketnummer 16-126121-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:

een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. G.A. Versteeg en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 juli 2026.