Belastingrecht
Art. 228a Gemeentewet en art. 3, lid 1, onderdeel a, Verordening rioolheffing Den Haag 2021. Belanghebbende…
Gerechtshof Den Haag, 18 augustus 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2801 · Gerechtshof Den Haag · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2801
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 september 2026
- Zaaknummer
- BK-25/1107
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2801
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 228a Gemeentewet en art. 3, lid 1, onderdeel a, Verordening rioolheffing Den Haag 2021. Belanghebbende is eigenaar van een woonboot. Wegens verzakkingen aan de kade heeft het perceel sinds 2017 geen directe aansluiting meer op het rioolsysteem. Sindsdien wordt het afvalwater noodgedwongen geloosd in het open water waarin de woonboot is gelegen. De Heffingsambtenaar maakt niet aannemelijk dat belanghebbende indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering voor de afvoer van afvalwater. De Rechtbank heeft de aanslag rioolheffing eigenaren terecht vernietigd.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 19 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:26058Gerechtshof Den Haag · 18 augustus 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2801
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/1107
Uitspraak van 18 augustus 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 november 2025, nummer SGR 25/3202.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2025 een aanslag in de rioolheffing eigenaren opgelegd ter zake van het perceel [adres] te [woonplaats] ten bedrage van € 191,15 (de aanslag).
Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 53. De Rechtbank heeft als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de aanslag rioolheffing betreft;
- vernietigt de aanslag rioolheffing;
- draagt de verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.”
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 augustus 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van het perceel. Het perceel betreft een woonboot.
Wegens verzakkingen aan de kade heeft het perceel sinds 2017 geen directe aansluiting meer op het rioolsysteem. Sindsdien wordt het afvalwater noodgedwongen geloosd in het open water waarin de woonboot is gelegen.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“6. Op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet kan onder de naam rioolheffing een belasting worden geheven. Met de verordening heeft de raad van de gemeente Den Haag van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
7. In de verordening is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
(…)
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
(…)
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
1. De belasting wordt geheven:
a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en
b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.
(…)”
8. Ter zitting heeft eiser de huidige situatie nader toegelicht. Sinds 2017 is de woonboot van eiser als gevolg van verzakkingen van de kade en achterstallig onderhoud daaraan, niet meer direct aangesloten op het riool; die aansluiting is kapot. Als gevolg daarvan loopt het afvalwater dat vanaf de woonboot wordt geloosd, rechtstreeks in het open water waarin de woonboot is gelegen. Eiser ervaart daardoor al jaren een verslechtering van de woonsituatie aangezien deze lozingen tot vervuiling en verval leiden. Meldingen hiervan en verzoeken aan rioolbeheer voor reparatie hebben nog niet tot enige actie geleid. Verweerder heeft dit niet betwist zodat vaststaat dat de woonboot niet beschikt over een directe aansluiting op de riolering. Verweerder heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat er wel sprake is van een indirecte aansluiting. Verweerder betoogt dat het enkele feit dat eiser huishoudelijk afvalwater loost in het open water, hetgeen volgens verweerder kwalificeert als een gemeentelijke watergang, voldoende is voor de conclusie dat sprake is van een indirecte aansluiting op de gemeentelijke riolering.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op wie de bewijslast rust, met deze stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt dat het betreffende open water een gemeentelijke riolering betreft zoals is gedefinieerd in artikel 1 van de verordening, te weten een voorziening in eigendom, beheer of onderhoud bij de gemeente. Onduidelijk is of op dit open water sprake is van inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater door de gemeente. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij van het Hoogheemraadschap brieven ontvangt waarin hij er op wordt gewezen het open water schoon te houden en er boetes dreigen bij het lozen van afvalwater vanaf zijn woonboot. Dit duidt er op dat het beheer, eigendom en/of onderhoud, zo er al sprake is van een voorziening als vorenbedoeld, in handen is van het Hoogheemraadschap. Het voorgaande leidt ertoe dat geen sprake is van een belastbaar feit in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van de verordening en de aanslag rioolheffing daarom ten onrechte
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de aanslag terecht is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of het perceel van belanghebbende indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
De Heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend en belanghebbende ontkennend.
De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Regelgeving
Het op 1 januari 2008 in werking getreden artikel 228a, lid 1, van de Gemeentewet, Wet van 28 juni 2007, Stb 2007, 276 en 277 (Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken) luidt voor zover van belang, als volgt:
“1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.”
Op grond van dit artikel heeft de Raad van de gemeente Den Haag (de Gemeente) de Verordening rioolheffing Den Haag 2021 (de Verordening) vastgesteld. Daarin is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
(…)
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
(…)
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
1. De belasting wordt geheven:
a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en
b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.
(…)”
Beoordeling van het hoger beroep
De aanslag die aan belanghebbende is opgelegd ziet uitsluitend op het eigenarendeel van de rioolheffing, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Verordening. Niet in geschil is dat belanghebbende eigenaar is van het perceel. Het belastbare feit van het eigenarendeel is ingevolge voornoemd artikel dat het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Het belastbare feit van het eigenarendeel ziet niet op de afvoer van water op de gemeentelijke riolering zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel b, van de Verordening; daarvoor kan aan de gebruiker van het perceel een aanslag worden opgelegd. In dit geval is dat echter niet gebeurd.
Onder gemeentelijke riolering wordt blijkens artikel 1 van de Verordening verstaan een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente.
De Heffingsambtenaar betoogt dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, doordat het perceel van belanghebbende indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De Heffingsambtenaar voert daartoe aan dat het water waarin de woonboot ligt eigendom is van en in beheer en onderhoud is bij de Gemeente. Daarmee staat, naar de Heffingsambtenaar betoogt, vast dat dat water onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke riolering. Verder voert hij aan dat ter plaatse van de ligplaats van de woonboot en de bijbehorende grond sprake is van afvoer van hemelwater. Bovendien loost belanghebbende afvalwater in dat water, aldus de Heffingsambtenaar.
Belanghebbende bestrijdt dat zijn perceel indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering en dat zuivering van afvalwater plaatsvindt. De Gemeente laat al sinds 2017 na – ondanks dat daar een- en andermaal om is verzocht – hem (weer) op de gemeentelijke riolering aan te sluiten. Hij stelt dat het afvalwater daarom in het open water waarin zijn woonboot ligt wordt geloosd en niet wordt gezuiverd.
Het Hof stelt voorop dat op grond van artikel 228a, lid 1, van de Gemeentewet onder de naam rioolheffing een belasting kan worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan (a) “de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater” en (b) “inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken”. Een gelijkluidende bepaling is opgenomen in artikel 2 van de Verordening.
In de memorie van toelichting bij de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken is toegelicht dat de tweedeling is terug te voeren op de afvalwaterzorgplicht als onderdeel van de waterketen (sub a) enerzijds en de hemelwaterzorgplicht als onderdeel van het watersysteembeheer (sub b) anderzijds (Kamerstukken II, 2005/2006, 30578, nr. 3, p. 7-8 en 22). Bij de afvalwaterzorgplicht heeft in grotere steden zoals Den Haag als uitgangspunt te gelden dat stedelijk afvalwater door middel van een systeem van leidingen (rioolsysteem) wordt opgevangen en afgevoerd teneinde het in te zamelen en te zuiveren (Kamerstukken II, 2005/2006, 30578, nr. 3, p. 9). De hemelwaterzorgplicht heeft betrekking op de afvoer van op een perceel verzameld hemelwater (van daken en verharde oppervlakken) en omvat in beginsel niet meer dan het door de gemeente aanbieden van een voorziening waarin het hemelwater geloosd kan worden. (Kamerstukken II, 2005/2006, 30578, nr. 3, p. 11-12).
In artikel 3, lid 1, van de Verordening komt de tweedeling uit artikel 228a, lid 1, Gemeentewet tot op zekere hoogte tot uiting doordat daarin voor het belastbare feit wordt aangesloten bij enerzijds het direct of indirect aangesloten zijn op de gemeentelijke riolering (sub a) en anderzijds het direct of indirect op de gemeentelijke riolering afvoeren (sub b). Het Hof leidt daaruit af dat bij sub a de afvalwaterzorgplicht voorop staat, en bij sub b de hemelwaterzorgplicht. Daarvan uitgaande geldt als uitgangspunt dat de aansluiting op de gemeentelijke riolering uit sub a uiteindelijk ertoe moet strekken afvalwater in te zamelen en te zuiveren. Van omstandigheden die nopen tot afwijking van dat uitgangspunt is in dit geval niet gebleken.
Dat belanghebbende sinds 2017 niet meer direct is aangesloten op het rioolsysteem, is niet in geschil. Gelet op de betwisting door belanghebbende, ligt het op de weg van de Heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat niettemin van een aansluiting als hiervoor bedoeld in sub a sprake is. Naar het oordeel van het Hof is de Heffingsambtenaar daarin niet geslaagd. Gesteld noch gebleken is dat het afvalwater van het perceel van belanghebbende vanuit open water wordt opgevangen en afgevoerd teneinde het in te zamelen en te zuiveren.
Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het perceel direct noch indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel a, Verordening.
Nu een belastbaar feit ontbreekt, heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de aanslag ten onrechte is opgelegd.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten.
Aangezien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard wordt van de Heffingsambtenaar een griffierecht van € 596 geheven.
Beslissing
Het Gerechtshof:
-
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
-
verstaat dat van de Heffingsambtenaar een griffierecht van € 596 wordt geheven.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en M.B Weijers, leden in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door T.A. de Hek.
De griffier, de raadsheer,
D.W. Renes T.A. de Hek
De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.