Belastingrecht
Art. 225 Gem.wet. Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Verschuldigdheid van parkeerbelasting was ter plaatse…
Gerechtshof Den Haag, 16 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2930 · Gerechtshof Den Haag · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2930
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 25 september 2026
- Zaaknummer
- BK-25/762
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2930
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 225 Gem.wet. Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Verschuldigdheid van parkeerbelasting was ter plaatse middels bebording en aanwezigheid parkeerapparatuur voldoende duidelijk. Hoger beroep Heffingsambtenaar gegrond.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 19 september 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:19692Gerechtshof Den Haag · 16 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2930
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/762
Uitspraak van 16 september 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 september 2025, nummer SGR 25/1375.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft aan de kentekenhouder een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Leiden opgelegd ter zake van het parkeren door belanghebbende op 21 december 2024 van een voertuig met het kenteken [kenteken] (het voertuig) aan de [straat 1] te [woonplaats 1] , ten bedrage van € 98, bestaande uit € 28 parkeerbelasting en € 70 aan kosten van de naheffing (de naheffingsaanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het door belanghebbende, als feitelijk parkeerder van het voertuig, tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 53. De Rechtbank heeft als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 41,50;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53,- aan belanghebbende te vergoeden.”
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft, hoewel daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend. De Heffingsambtenaar heeft op verzoek van de griffier op 3 juli 2026 en op 6 juli 2026 een aantal in het dossier ontbrekende stukken ingezonden. Afschriften hiervan zijn aan belanghebbende gezonden.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 juli 2026. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 april 2026 aan belanghebbende op het adres [adres] te [woonplaats 2] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit gegevens van PostNL blijkt dat de brief, nadat deze op 24 april 2026 niet bezorgd kon worden op voormeld adres omdat de besteller van Post NL geen gehoor heeft gekregen, tot 10 mei 2026 naar een PostNL-punt ( [winkel] [woonplaats 2] ) is gegaan. De brief is niet door belanghebbende afgehaald. Op 11 mei 2026 heeft belanghebbende telefonisch contact opgenomen met de griffie met de vraag naar de aard van de brief die aan hem is gezonden door het Hof. De griffier heeft hem in dat gesprek medegedeeld dat het een uitnodiging voor de zitting op 8 juli 2026 om 12.15 uur betrof. Op 12 mei 2026 is de enveloppe waarin de vorenbedoelde brief is verzonden, ongeopend ter griffie terugontvangen. Uit de - kennelijk door medewerkers van PostNL - geplaatste aantekeningen op die enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt het Hof af dat de brief tot 10 mei 2026 op het PostNL-punt kon worden afgehaald en dat PostNL de enveloppe op 11 mei 2026 heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier. Blijkens door de griffier van de [gemeente] ontvangen inlichtingen, die in het dossier zijn gevoegd, staat belanghebbende sinds 9 april 2020 in de basisadministratie personen ingeschreven op het eerderbedoelde adres. Vervolgens heeft de griffier op 12 mei 2026 de brief bij gewone post aan belanghebbende verzonden op dat adres. Het Hof gaat er daarom vanuit dat belanghebbende op correcte wijze is uitgenodigd om ter zitting te verschijnen.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op 21 december 2024 om 21.13 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de locatie [straat 1] te [woonplaats 1] . Genoemde locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden aangewezen als parkeerplaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. De locatie valt binnen de zogenoemde zone A, waar parkeren voor vergunninghouders geldt en geparkeerd kan worden met een dagkaart (zonecode […] ). Op genoemde datum en tijdstip stond het voertuig geparkeerd zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting voor zone A op enigerlei wijze was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag aan de kentekenhouder van het voertuig opgelegd.
Belanghebbende heeft, als feitelijk parkeerder van het voertuig, tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2025 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft bij zijn beroepschrift een screenshot gevoegd van de (parkeer)applicatie Flitsmeister, van het gebied waarin hij heeft geparkeerd. Op deze screenshot is geen parkeerzone vermeld.
In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar bij zijn hoger beroepschrift een aantal bijlagen overgelegd:
-
een plattegrond met daarop de locatie van parkeerautomaten rondom de parkeerlocatie [straat 1] ;
-
foto’s van de onder a bedoelde parkeerautomaten afkomstig van de webapplicatie Street Smart van Cyclomedia (zogenoemde straatniveau-beelden), die zijn gemaakt op de data 21 april 2024 en 28 april 2025;
-
een plattegrond van de straten rondom de parkeerlocatie [straat 1] , waarop de Heffingsambtenaar in verschillende kleuren de locatie van de bebording ter plaatse heeft omcirkeld;
-
foto’s van de onder c bedoelde locaties (per gekleurde cirkel) van de bebording ter plaatse afkomstig van de webapplicatie Street Smart van Cyclomedia (zogenoemde straatniveau-beelden), die zijn gemaakt op de data 21 april 2024 en 28 april 2025.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“6. De rechtbank stelt voorop dat de verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd parkeren van een voertuig, zodanig kenbaar dient te zijn gemaakt dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de verschuldigdheid daarvan. Dat sprake is van betaald parkeren kan blijken uit bebording, parkeerapparatuur of andere aanwijzingen in de directe omgeving van de parkeerplaats (de informatieplicht). Daarbij komt dat een parkeerder een onderzoeksplicht heeft in die zin dat hij zich, voordat hij parkeert, op de hoogte moet stellen van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften, komt naar vaste jurisprudentie voor rekening en risico van de parkeerder.[1]
7. Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat zijn parkeerapp het gebied niet herkende als betaald-parkeren gebied overweegt de rechtbank dat het vaste rechtspraak is dat het gebruik van een parkeerapplicatie voor rekening en risico komt van de parkeerder. Een parkeerder kan niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de parkeerapplicatie. Zijn onderzoeksplicht houdt ook in dat hij controleert of deze informatie juist is, bijvoorbeeld aan de hand van de aanwezige parkeerautomaten en bebording. Ter zitting stelt belanghebbende dat hij aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Hij stelt dat er in de omgeving van de locatie geen parkeerautomaten en borden aanwezig waren met daarop het geldende parkeerregime. De heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbende, dat er geen parkeerautomaten in de omgeving van de locatie zijn, niet kunnen weerleggen. Ten aanzien van de bebording heeft de heffingsambtenaar een foto overlegd waarop is te zien dat aan het begin van [straat 1] (vanuit de [straat 2] ) een bord staat waarop de zone ‘parkeren vergunninghouders’ is aangegeven en een zonecode […] staat vermeld. Belanghebbende kan dit bord alleen hebben gezien als hij de [straat 1] is ingereden vanuit de [straat 2] . Ter zitting heeft belanghebbende echter aangegeven dat hij de [straat 1] is ingereden vanuit aan andere weg dan de [straat 2] . Het is de rechtbank niet gebleken dat de locatie niet via een andere route kan worden bereikt, zodat het mogelijk is dat belanghebbende niet langs het bedoelde bord is gereden. Op basis van het dossier en het verhandelde op zitting kan verder niet worden vastgesteld dat op of rondom het terrein waarop belanghebbende heeft geparkeerd borden zijn geplaatst die wijzen op betaald parkeren, dan wel dat dit uit de aanwezigheid van een betaalautomaat zou kunnen worden afgeleid. De heffingsambtenaar heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het ter plaatste voldoende kenbaar was dat aldaar alleen kon worden geparkeerd met een vergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond.
9. Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding van € 335,- in verband met gemiste inkomsten door de tijd die belanghebbende heeft besteed aan het behandelen van de zaak. De rechtbank merkt dit aan als een verzoek om vergoeding van verletkosten. De omvang van verletkosten wordt bepaald door de duur van het tijdsverzuim in verband met het bijwonen van de zitting en de reistijd van en naar de zitting. Overig tijdverzuim voor bijvoorbeeld het opstellen van processtukken of het opvragen van informatie vallen hier niet onder en komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.[2] Het verzoek om verletkosten die geen verband houden met het bijwonen van de zitting van de rechtbank wordt daarom afgewezen.
10. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van € 14,50 aan reiskosten, € 105,- aan verletkosten en € 4,96 aan portkosten. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten vast op een bedrag van € 14,50, op basis van openbaar vervoer 2e klas. Het bedrag aan verletkosten baseert belanghebbende op een uurtarief van € 35,- en op basis van drie uur. Belanghebbende heeft zijn uurtarief niet met stukken onderbouwd. Daarom stelt de rechtbank de verletkosten vast tegen het minimumtarief van € 9,- per uur. De voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten worden daarmee vastgesteld op € 27,- (3 x € 9,-). De door belanghebbende verzochte portokosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat die niet behoren tot de limitatief in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgesomde kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
[1] Gerechtshof Den Haag 9 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2020.
[2] Vgl. Gerechtshof Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:311 (onder 5.4.4.).”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend.
De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar en tot handhaving van de naheffingsaanslag.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
De Heffingsambtenaar stelt – kort samengevat – dat uit de door hem bij het hogerberoepschrift overgelegde bijlagen (zie 2.4) blijkt dat op 21 december 2024 (de datum van de naheffingsaanslag) rondom de locatie waar belanghebbende zijn voertuig heeft geparkeerd (de [straat 1] ) parkeerautomaten aanwezig waren en dat uit die bijlagen voorts blijkt dat op iedere toegangsweg naar de [straat 1] , die toegankelijk is voor auto’s, op 21 december 2024 bebording aanwezig was waaruit de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse bleek. Belanghebbende zal volgens de Heffingsambtenaar op weg naar zijn parkeerplaats dan ook bebording en parkeerautomaten zijn gepasseerd. Daarmee was, aldus de Heffingsambtenaar, op 21 december 2024 voldoende kenbaar dat ter plaatse alleen geparkeerd mocht worden met een vergunning of tegen betaling van parkeerbelasting door middel van aankoop van een dagkaart.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is
opgelegd. Hij heeft gebruikgemaakt van de parkeerapplicatie Flitsmeister, die geen specifieke parkeerzone aangaf. Daarom ging belanghebbende ervan uit dat ter plaatse geen betaald parkeren van toepassing was. Uit voorzorg heeft hij navraag gedaan bij een andere persoon die daar parkeerde. Die persoon bevestigde dat “parkeren op die locatie mogelijk was”. In het donker en met weinig zichtbare informatie, dacht belanghebbende in goede trouw te handelen. Belanghebbende stelt dat onvoldoende kenbaar was dat hij in een zone voor betaald parkeren geparkeerd stond. Belanghebbende is niet de [straat 1] ingereden op de plaats die de Heffingsambtenaar in de beroepsfase stelde. Op de plaats waar hij de [straat 1] is ingereden heeft hij geen bebording of parkeerautomaten gezien.
Het is aan de parkeerder die gebruik wil maken van een parkeerplaats zich steeds te vergewissen van de plaatselijke parkeervoorschriften. Het had op de weg van belanghebbende gelegen zich, alvorens zich naar de [locatie] (voor hem onbekend terrein, naar hij stelt) te begeven, (eerst) goed te vergewissen van het parkeerbeleid in de gemeente Leiden alvorens hij het voertuig ging parkeren (de onderzoeksplicht). Dit laat onverlet dat het parkeerbeleid ter plaatse kenbaar moet zijn (de informatieplicht). De Rechtbank heeft op basis van het dossier zoals dit voorlag in eerste aanleg geoordeeld dat niet is vast te stellen dat door de gemeente Leiden aan die informatieplicht ter plaatse was voldaan en heeft geoordeeld dat niet aannemelijk was dat ter plaatse voldoende kenbaar was dat aldaar uitsluitend kon worden geparkeerd met een vergunning of tegen betaling van parkeerbelasting (door middel van aankoop van een dagkaart). Dit ligt nu ter beoordeling voor aan het Hof. Het Hof acht in hoger beroep, gelet op de onder 2.4 benoemde, door de Heffingsambtenaar overgelegde stukken, waarin de locaties van de aanwezige parkeerautomaten en bebording bij de toegangswegen en in de straten in de richting van de [straat 1] duidelijk zijn weergegeven, en de daarover gegeven toelichting in het hogerberoepschrift en ter zitting, aannemelijk dat de verplichting om parkeerbelasting te betalen op een zodanige wijze (ter plaatse) kenbaar is gemaakt, dat omtrent de verschuldigdheid daarvan redelijkerwijs geen misverstand kon bestaan.
Nu vaststaat dat belanghebbende het voertuig heeft geparkeerd in zone A, waarvoor hij niet over een vergunning beschikte en op de bewuste avond ook niet een dagkaart heeft aangekocht, is de verschuldigde belasting terecht nageheven.
De (afwijkende) informatie omtrent parkeren die belanghebbende heeft gekregen van een andere parkeerder ter plaatse en heeft gezien in de door hem gehanteerde parkeerapplicatie Flitsmeister, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Gelijk de Rechtbank terecht in overweging 7 heeft overwogen is het vaste rechtspraak dat het gebruik van een parkeerapplicatie voor rekening en risico komt van de parkeerder en dat deze niet zonder meer mag uitgaan van de juistheid van de parkeerapplicatie. Ditzelfde geldt voor de van de andere parkeerder verkregen informatie. Deze verkregen informatie ontslaat belanghebbende niet van zijn onder 5.3 omschreven onderzoeksplicht.
Op de locatie waar belanghebbende zijn voertuig heeft geparkeerd mag uitsluitend worden geparkeerd met een vergunning, waarover belanghebbende niet beschikte, of na aankoop van een dagkaart, die niet is aangekocht. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase nog gesteld dat hij bereid is voor de geparkeerde drie uren te betalen, maar niet het volledige tarief voor de dagkaart. Daarvoor geldt dat de Heffingsambtenaar het ter plaatse geldende tarief (vermeerderd met de kosten van de naheffing; in 2024 € 70) mag naheffen. Dit tarief bedraagt op basis van de Tarieven- en kostentabel behorend bij de Verordening parkeerbelastingen 2024, onderdeel II, lid 1, het dagtarief van € 28.
Slotsom
Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is gegrond.
Proceskosten
6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
Het Gerechtshof:
-
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
-
bevestigt de uitspraak op bezwaar, en
-
handhaaft de naheffingsaanslag.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, P.J.J. Vonk en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen W. de Wit
De beslissing is op 16 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.