Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door de aangever met een hardhouten…
ECLI:NL:GHDHA:2024:1825 · Gerechtshof Den Haag · 12 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2024-1825
Zaakgegevens
Op 12 september 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 september 2024
- Datum publicatie
- 10 oktober 2024
- Zaaknummer
- 22-000558-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1825
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door de aangever met een hardhouten hockeystick tegen de zijkant van zijn hoofd te slaan. Aangever heeft hierdoor zeer ernstig hersenletsel opgelopen. Beroep op noodweer verworpen. Toewijzing vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 12 september 2024deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2024:1825
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 juli 2026
ECLI:NL:PHR:2026:677Hoge Raad · 25 augustus 2026
ECLI:NL:HR:2026:1363
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-000558-22
Parketnummer: 09-224567-21
Datum uitspraak: 12 september 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in het jaar 1973,
adres: [woonadres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 20 augustus 2021 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met kracht met een hockeystick, althans een zwaar voorwerp, meermalen op het hoofd en/of de rug, althans het lichaam, van die [het slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 20 augustus 2021 te Delft aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten zeer ernstig en blijvend hersenletsel door meerdere bloedingen en kneuzingen van de hersenen, heeft toegebracht door meermalen met kracht met een hockeystick, althans een zwaar voorwerp, op het hoofd en/of de rug, althans het lichaam, van die [het slachtoffer] te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
5 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. En voorts dat er op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contactverbod zal worden opgelegd met [het slachtoffer] (hierna: aangever) en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) voor de duur van 3 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op of omstreeks 20 augustus 2021 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met kracht met een hockeystick, althans een zwaar voorwerp, meermalen op het hoofd en/of de rug, althans het lichaam, van die [het slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever. De raadsman stelt primair dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood en subsidiair dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachte aangever eenmaal met een hockeystick op diens hoofd heeft geslagen. Aangever heeft hierdoor zeer ernstig hersenletsel opgelopen met meerdere bloedingen en kneuzingen van de hersenen, waarvoor acuut een neurochirurgische operatie nodig was.
Hoewel het hof in natuurkundige zin niet kan vaststellen wat de kracht is geweest waarmee is geslagen, is het hof van oordeel dat uit de aard en omvang van het geconstateerde letsel valt af te leiden dat de verdachte met aanzienlijke kracht met de hardhouten hockeystick moet hebben geslagen. Dat wordt tevens ondersteund door het NFI-rapport, waarin wordt geconcludeerd dat het waargenomen letsel bestaande uit breuken van de schedel en een bloeduitstorting onder de schedel, passend is bij de inwerking van een hevige uitwendige botsende geweldinwerking op de schedel door een hard voorwerp.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd, en met name de zijkant van het hoofd waar aangever geraakt is, bij uitstek een kwetsbaar en vitaal deel van het lichaam is, waarin zich weke en zeer kwetsbare delen bevinden. Het hof overweegt dat door met kracht tegen deze plek op het hoofd te slaan met een hardhouten hockeystick, de aanmerkelijke kans bestaat dat iemand ten gevolge van dat handelen dodelijk letsel oploopt en komt te overlijden. Het handelen van verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg ook heeft aanvaard. Van enige contra-indicatie is het hof niet gebleken. Derhalve kan worden bewezen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever.
Conclusie
Het hof acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Kwalificatie
Het primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman – overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen – aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweerexces, en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Toedracht van het incident
De verdachte heeft verklaard dat hij de hockeystick pas heeft gepakt nadat hij klappen had gekregen met een ijzeren stok van de vriendin van de aangever, [betrokkene] , en daarna met een houten stok van de aangever zelf. De verdachte heeft verklaard dat hij, toen aangever naar buiten kwam stormen, om hem heen kon lopen en uit zijn eigen woning de hockeystick heeft kunnen pakken.
De door de verdachte gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt naar het oordeel van het hof haar weerlegging in het meldkamergesprek, waaruit volgt dat aangever tegen de meldkamer zegt: “hij loopt met een hockeystick te slaan hierzo”. Uit het meldkamergesprek volgt dat de verdachte op het moment dat aangever 112 belde met een hockeystick voor de deur stond en niet dat de verdachte - zoals hij zelf heeft verklaard - deze hockeystick op een later moment heeft gepakt nadat hij door (de vriendin van) aangever werd aangevallen. Uit de camerabeelden blijkt bovendien niet dat de aangever een houten stok in zijn handen had op het moment dat hij naar buiten liep. De alternatieve lezing van de verdachte is daarom niet aannemelijk geworden.
Noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.
Gelet op het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat de verdachte met de hockeystick voor de woning van aangever is gaan staan, waarna [betrokkene] de deur open heeft gedaan en naar buiten is gekomen met een aluminium stok, een uitschuifstuk van een visnet. De verdachte is volgens zijn verklaring van die confrontatie weggelopen. Vervolgens is aangever naar buiten gerend richting de verdachte. Op de camerabeelden is te zien dat aangever zijn vuist omhoog doet en een vechthouding aanneemt. Gelet op het lange en grote postuur van aangever (in vergelijking tot het kleine postuur van verdachte) en op de door aangever aangenomen houding was er naar het oordeel van het hof op dat moment sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte.
Het hof moet de vraag beantwoorden of de tenlastegelegde gedraging geboden is geweest door de noodzakelijke verdediging tegen de dreigende, ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte. Er is geen noodweer-situatie als de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Hiervan is sprake als hij zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Daarvan is geen sprake wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
Naar het oordeel van het hof had de verdachte zich in het onderhavige geval kunnen en moeten onttrekken aan de dreigende aanranding, door weg te lopen. Daartoe bestond voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid en dit kon ook van hem worden gevergd. Dat het onttrekken aan de dreigende aanranding een reële en redelijke mogelijkheid was, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep met zoveel woorden bevestigd. Hij heeft verklaard dat hij tijdens de confrontatie met aangever twee meter van zijn voordeur vandaan was, dat zijn voordeur open stond en dat hij inderdaad weg had moeten lopen en daartoe ook wel de mogelijkheid had. In zo’n situatie geldt dat de verdediging tegen de dreigende aanranding – door aangever met de hockeystick te slaan - niet noodzakelijk was. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.
Noodweerexces
Noodweerexces kan in beeld komen bij een ‘overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’, wanneer aan alle eisen voor noodweer is voldaan.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het beroep daarop wordt daarom eveneens verworpen.
Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door de aangever met een hardhouten hockeystick tegen de zijkant van zijn hoofd te slaan. Aangever heeft hierdoor zeer ernstig hersenletsel opgelopen. Er was sprake van meerdere bloedingen en kneuzingen van de hersenen, waardoor aangever met spoed geopereerd moest worden. Hij heeft hierna drie dagen in coma gelegen. Uit de slachtofferverklaring die namens hem ter terechtzitting in hoger beroep is voorgelezen volgt dat hij na het incident niet kon lopen, niet rechtop kon zitten en nauwelijks kon praten. Op dit moment – 3 jaar later – is aangever nog steeds bezig met het revalidatietraject. Hij ondervindt nog altijd veel lichamelijke problemen en kan zijn werk en hobby’s niet meer uitoefenen.
De verdachte heeft door zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Daarnaast draagt dergelijk geweld, zeker als het op straat wordt gepleegd, bij aan gevoelens van onveiligheid en onbehagen in de samenleving.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat aangever zich ook niet onbetuigd heeft gelaten. Er was al langer sprake van een burenconflict, waarbij zich over en weer ongeregeldheden hebben voorgedaan.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
15 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, doch niet recent, onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies van 25 november 2021. Hieruit volgt dat de verdachte zijn leven voorafgaand aan het incident over het algemeen redelijk op orde leek te hebben. Zijn leefomstandigheden kunnen niet in verband worden gebracht met het delict. Er lijkt sprake te zijn van een oplopend burenconflict dat is geëscaleerd. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte uitgesproken dat – terugkijkend - dit nooit had mogen gebeuren en dat hij oprecht spijt heeft van zijn actie. Het hof neemt dat van hem aan en heeft dat mede in de overwegingen betrokken.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij inmiddels op een beperkt beveiligde afdeling (BBA) van de penitentiaire inrichting (PI) verblijft en een enkelband heeft. Hij heeft een vaste baan buiten de PI waar hij ook na zijn detentie kan blijven werken. Hij heeft verklaard dat hij een positieve toekomst tegemoet wil gaan en dat hij tijdens zijn detentie veel trajecten heeft bewandeld om aan zichzelf te werken.
Redelijke termijn
Het hof constateert voorts dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, nu het hof niet binnen 16 maanden na het instellen van het hoger beroep arrest wijst.
Namens de verdachte is immers op 2 maart 2022 hoger beroep ingesteld. Nu het hof arrest wijst op 12 september 2014, is de redelijke termijn in hoger beroep met circa 14 maanden overschreden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat.
Strafmaat
Gelet op de ernst van het feit acht het hof in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden. Het hof zal echter een lagere straf opleggen dan in eerste aanleg is opgelegd en dan door de advocaat-generaal is gevorderd, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en omdat het hof daarbij rekening houdt met de rol die ook aangever in het geheel heeft gehad.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met aangever en [betrokkene] op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht ziet het hof geen aanleiding. Het feit heeft ruim 4 jaar geleden plaatsgevonden en aangever en [betrokkene] zijn inmiddels verhuisd en wonen niet meer in de buurt van de ex-vrouw en het kind van de verdachte. Het opleggen van een dergelijke maatregel heeft naar het oordeel van het hof geen toegevoegde waarde meer.
Beslag
Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp (hockeystick) zoals dit vermeld is onder 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal het hof de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de op de beslaglijst onder 2, 3 en 4 genummerde voorwerpen.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 25.273,80, bestaande uit € 273,80 aan materiële schade en
€ 25.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering gehandhaafd en ter zake van de materiële schade, verhoogd tot in totaal € 164.485,52, bestaande uit € 517,95 aan totaal gemaakte taxikosten en € 164.211,72 aan inkomensschade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 25.273,80, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de immateriële schade substantieel te matigen, gelet op de eigen schuld van aangever. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover de vordering in hoger beroep die van de eerste aanleg overstijgt.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 273,80 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de in hoger beroep meer gevorderde taxikosten en de nieuw in hoger beroep gevorderde inkomensschade overweegt het hof dat gelet op het bepaalde in artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht een benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep kan voegen. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep geen schadeposten mag opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945). De benadeelde partij kan derhalve in zoverre niet in de vordering worden ontvangen. Het hof zal de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde inkomensschade en de meer gevorderde taxikosten niet-ontvankelijk verklaren.
Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het hof overweegt hierbij dat het bewezenverklaarde feit fors hersenletsel en tot op heden voortdurende fysieke beperkingen bij aangever hebben veroorzaakt. Blijkens zijn slachtofferverklaring wordt hij nog altijd ernstig beperkt in zijn functioneren, op zowel lichamelijk als cognitief gebied.
Anders dan de verdediging heeft gesteld is het hof van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld. Onder verwerping van het noodweerverweer is het hof van oordeel dat de schade niet mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend.
De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente wat de immateriële schade betreft toewijzen met ingang van 20 augustus 2021, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Wat de materiële schade betreft wordt de wettelijke rente toegewezen met
ingang van de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, te weten 21 januari 2022, omdat de datum waarop deze schade (het totaal van de eigen bijdragen in de kosten van taxiritten van en naar het ziekenhuis en het revalidatiecentrum) is ontstaan onduidelijk is.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 25.273,80 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Hockeystick.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2. 1 STK Onderdeel van;
3. 1 STK Onderdeel van;
4. 1 STK Onderdeel van.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.273,80 (vijfentwintigduizend tweehonderddrieënzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 273,80 (tweehonderddrieënzeventig euro en tachtig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.273,80 (vijfentwintigduizend tweehonderddrieënzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 273,80 (tweehonderddrieënzeventig euro en tachtig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 161 (honderdeenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 januari 2022 en van de immateriële schade op 20 augustus 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, als voorzitter, en mr. B. Vogel en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M. van Hoevelaken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 september 2024.
Mr. I.M. van Hoevelaken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.