Strafrecht overig

Huiselijk geweld. Het hof veroordeelt de verdachte wegens bedreiging en mishandeling. Het slachtoffer is een…

Gerechtshof Den Haag, 7 mei 2026

Zaakgegevens

Op 7 mei 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
7 mei 2026
Datum publicatie
19 mei 2026
Zaaknummer
22-000479-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:1751
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Huiselijk geweld. Het hof veroordeelt de verdachte wegens bedreiging en mishandeling. Het slachtoffer is een 52-jarige vrouw die zich over de verdachte had ontfermd en die hem, vanwege zijn problematiek, had opgenomen in haar gezin.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 30 januari 2024

    ECLI:NL:RBROT:2024:702
  2. Gerechtshof Den Haag · 7 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:1751

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Rolnummer: 22-000479-24

Parketnummers: 10-266341-23 en 10-156008-22

Datum uitspraak: 7 mei 2026

VERSTEK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1994,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het in de zaak met parketnummer 10-266341-23 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-266341-23 subsidiair en het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 161 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder oplegging van dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is namens de verdachte beperkt ingesteld.

Het hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep alleen gericht tegen het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde. Het voorgaande brengt mee dat het hof – nu in eerste aanleg ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-266341-23 subsidiair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde één hoofdstraf is uitgesproken – op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering hierna alsnog een straf voor het in eerste aanleg onder parketnummer 10-266341-23 subsidiair bewezenverklaarde zal bepalen.

Waar hierna wordt gesproken van ‘de zaak’ of ‘het vonnis’, wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis, voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:


Zaak met parketnummer 10-156008-22:

1.
hij op of omstreeks 1 januari 2022 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [het slachtoffer] (middels een spraakbericht via Whatsapp) dreigend de woorden toe te voegen "Maar ik zweer ik knal jullie allemaal kapot. Ik knal jullie allemaal dood. Allemaal dood, allemaal een voor een. Een voor een,", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 12 december 2021 te Rotterdam [het slachtoffer] heeft mishandeld door haar een kopstoot te geven en/of meerdere malen, althans eenmaal, met zijn vuist op/tegen het achterhoofd te slaan.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de aan de verdachte opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld een contactverbod en een locatieverbod als - dadelijk uitvoerbaar te bevelen - bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de straf ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 10-266341-23 subsidiair bewezen verklaarde feit zal worden bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 111 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld een contactverbod en een locatieverbod als – dadelijk uitvoerbaar te bevelen – bijzondere voorwaarden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.
hij op of omstreeks 1 januari 2022 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [het slachtoffer] (middels een spraakbericht via Whatsapp) dreigend de woorden toe te voegen "Maar ik zweer ik knal jullie allemaal kapot. Ik knal jullie allemaal dood. Allemaal dood, allemaal een voor een. Een voor een,", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 12 december 2021 te Rotterdam [het slachtoffer] heeft mishandeld door haar een kopstoot te geven en/of meerdere malen, althans eenmaal, met zijn vuist op/tegen het achterhoofd te slaan.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging feit 2

Met de rechtbank overweegt het hof als volgt.

De aangeefster heeft verklaard dat zij vanuit het niets een kopstoot van de verdachte tegen haar voorhoofd kreeg en dat zij vervolgens een vuistslag op haar achterhoofd kreeg. Nadat zij in elkaar zakte op de grond, kreeg zij nog een tweede vuistslag. De verklaring van de aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van haar huisarts, die letsel heeft geconstateerd, passend bij een kopstoot en vuistslagen en welk letsel niet kan worden verklaard door een enkele klap met een vlakke hand.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafbepaling ex artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering

Nu in eerste aanleg ter zake van de in de zaak met parketnummer 10-266341-23 subsidiair en in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten één hoofdstraf is uitgesproken, zal het hof op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een hoofdstraf voor het in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 10-266341-23 subsidiair bewezenverklaarde bepalen, en wel op een gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof merkt met het oog op de executie op dat het onvoorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf reeds volledig ten uitvoer is gelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, door het slachtoffer een kopstoot te geven en meerdere malen met zijn vuist tegen haar achterhoofd te slaan. Aldus handelende heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook heeft hij het slachtoffer bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door middel van een spraakbericht via Whatsapp. Daarmee heeft de verdachte ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Uit de aangifte van het slachtoffer blijkt dat zij het gedrag van de verdachte als zeer bedreigend en beangstigend heeft ervaren en blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaring hebben de gedragingen van de verdachte nog altijd een enorme impact op het leven van het slachtoffer en haar gezin. Het slachtoffer had de verdachte in haar gezin opgenomen en probeerde hem juist te helpen. Haar gevoelens van veiligheid en vertrouwen zijn hierdoor ernstig geschaad.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Rekening houdend met de veroordeling door de rechtbank voor de zaak met parketnummer 10-266341-23 en voort alles afwegende is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof zal aan de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf na te melden bijzondere voorwaarden verbinden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen. Gelet op de omstandigheid dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde misdrijven zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten [het slachtoffer] , overweegt het hof dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof betrekt hierbij de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.664,39, bestaande uit € 6.664,39 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.240.39, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade voor de bril van € 325,- zal de vordering

worden afgewezen, nu niet is vastgesteld dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de

in de zaak met parketnummer 10-156008-22 bewezen verklaarde strafbare feiten.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade voor de camerabel van € 99,- zal de

vordering eveneens worden afgewezen, nu niet is vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden. Zij heeft aangegeven dat deze camerabel niet door haar, maar door een ander is aangeschaft en betaald.

De overige gevorderde materiële schade, die door de benadeelde partij uitvoerig is toegelicht, bestaat uit kosten voor een diversiteit aan behandelingen en therapieën voor klachten van lichamelijk en psychische aard. De benadeelde partij heeft aangegeven dat sprake is van een zeer complexe medische situatie. Naar het oordeel van het hof is voor de beantwoording van de vraag of en zo ja, in hoeverre de gevorderde kosten voor vergoeding door de verdachte in aanmerking komen, nader onderzoek van deze medische situatie noodzakelijk. Een nadere gelegenheid geven voor een dergelijk onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Aan de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij –onder andere – ten grondslag gelegd dat het gepleegde feit fysiek letsel tot gevolg heeft gehad en dat het handelen van de verdachte een dusdanige impact op haar heeft gehad, dat zij zich onder behandeling heeft laten stellen. Het hof is – gelet op de gevolgen van het handelen van de verdachte – van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Nu de bewezen verklaarde feiten waaruit de immateriële schade voortvloeit hebben plaatsgevonden op verschillende momenten, te weten op 12 december 2021 en 1 januari 2022 heeft het hof de aanvangsdatum voor de wettelijke rente bepaald op het midden van deze periode. Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dit bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte:

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1969;

- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de wijk [de wijk] te Capelle aan den IJssel.

Beveelt dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 10-266341-23 subsidiair bewezenverklaarde op:

een gevangenisstraf voor de duur van 151 (honderdeenenvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 40 (veertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 424,00 (vierhonderdvierentwintig euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-156008-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 december 2021.

Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, en mr. G.C. Haverkate en mr. R. Brand, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M. van Hoevelaken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 mei 2026.