Strafrecht overig
Diefstal in vereniging van laptops uit schoolgebouw. Vernieling van een auto. Oplegging vier maanden…
Gerechtshof Den Haag, 16 maart 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2513 · Gerechtshof Den Haag · 16 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2513
Zaakgegevens
Op 16 maart 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 maart 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 22-001331-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2513
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Diefstal in vereniging van laptops uit schoolgebouw. Vernieling van een auto. Oplegging vier maanden gevangenisstraf. Toewijzing schadevergoeding.
Wetsartikelen: 311 en 350 Sr
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 26 april 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:6014Gerechtshof Den Haag · 16 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2513
Uitspraak
Rolnummer: 22-001331-23
Parketnummers: 09-053070-21 en 09-058415-22
Datum uitspraak: 16 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 april 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummers 09-053070-21 en 09-058415-22 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
onder parketnummer 09-053070-21:
hij op of omstreeks 24 november 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 16 HP laptops en/of 31 Microsoft Surfaces, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam school] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
onder parketnummer 09-058415-22:
hij op of omstreeks 16 november 2021 te Wassenaar, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
onder parketnummer 09-053070-21:
hij op of omstreeks 24 november 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 16 HP laptops en/of 30 Microsoft Surfaces, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden, te weten aan [naam school] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
onder parketnummer 09-058415-22:
hij op of omstreeks 16 november 2021 te Wassenaar, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd onder parketnummer 09-053070-21. Daartoe voert de raadsvrouw aan dat niet buiten redelijke twijfel kan worden bewezen dat de verdachte, samen met een ander, de diefstal heeft gepleegd.
Het hof overweegt het volgende.
Er is aangifte gedaan van diefstal van 46 laptops uit een lokaal in een pand van [naam school] , gepleegd op 24 november 2020. Rond het tijdstip waarop de laptops naar alle waarschijnlijkheid zijn weggenomen, zijn op camerabeelden twee mannen te zien die, volgens de aangever, verdacht kunnen worden van de diefstal. De camerabeelden tonen dat op 24 november 2020 omstreeks 18.46 uur een man, aangeduid als ‘man 1’, de deur van de fietsenkelder opent en een andere man, aangeduid als ‘man 3’, binnenlaat. Op de beelden zijn twee mannen met lege tassen te zien. Een kwartier laten verschijnen de mannen weer in beeld, ditmaal met de tassen gevuld. Een van de tassen is duidelijk meer gevuld dan voorheen en beweegt minder snel, terwijl de andere tas een vervorming vertoont. Het lijkt erop dat er vierkante, dan wel rechthoekige objecten in de tas zitten. Vervolgens lopen de twee mannen via de fietsenkelder richting het schoolplein. Omstreeks 19.36 uur laat man 1 man 3 weer het gebouw binnen en is man 1 te zien met een sporttas die niet volledig is gevuld. Twee minuten later is te zien dat de mannen zich afzonderlijk van elkaar in het gebouw begeven. Omstreeks 19.44 uur is te zien dat man 1 een sporttas bij zich heeft, die groter van volume is dan daarvoor en dat man 3 twee grote boodschappentassen bij zich heeft, die geheel gevuld lijken te zijn. Met deze tassen lopen ze weer via de fietsenkelder het gebouw uit. De inhoud van de tassen lijkt - gelet op het volume en de vorm - te passen bij de buit die is weggenomen.
Gezien de bovengenoemde camerabeelden is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat man 1 en man 3 de daders zijn van de diefstal van de laptops. Deze mannen waren aanwezig in het pand op het moment van de diefstal, terwijl hun handelingen precies passen bij het wegnemen van laptops. Het hof gaat er dan ook van uit dat zij de tassen, die eerder leeg waren en later duidelijk gevuld zijn met rechthoekige objecten, hebben gebruikt om de laptops weg te nemen. Dat andere personen dan deze twee mannen deze laptops zouden hebben meegenomen, zoals de raadsvrouw heeft gesuggereerd, acht het hof niet aannemelijk geworden. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt.
De vraag is vervolgens of de verdachte een van de daders is. Het hof stelt vast dat de verdachte die dag aanwezig was in het pand van [naam school] en dat hij een van de vier mannen is die te zien is op de camerabeelden, getiteld “verdachten op loopbrug 2e etage ovaal naar strip”. De verdachte heeft namelijk ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, op een still van dit filmpje (foto 1 in het dossier, p. 194), de persoon is die rechtsachter (voor de kijker linksachter) loopt. Het hof heeft op deze beelden waargenomen dat de verdachte een zwarte trainingsbroek draagt, met witte verticale strepen aan de zijkant en een wit logo op de linkerbroekspijp, en een zwarte trui met witte letters, een zwarte bodywarmer en een capuchon.
Het hof stelt vast dat deze kleding overeenkomt met de kleding die wordt gedragen door de persoon die te zien is op foto’s 3 (p. 196), 6 (p. 199) en 7 (p. 200) (op foto 6 en 7 zonder een bodywarmer) (in het dossier aangeduid als ‘man 1’) en die – zoals het hof hiervoor heeft overwogen – een van de daders is van de diefstal. De kleding komt níet overeen met de kleding die wordt gedragen door de andere mannen op de camerabeelden. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte een van de daders is.
Het hof betrekt bij zijn oordeel nog het volgende. Op de telefoon van de verdachte zijn chatgesprekken aangetroffen waarin de verdachte op 25 en 26 november 2020, dus kort na de diefstal, foto's verstuurt van een HP Laptop en een Surface met serienummers die overeenkomen met serienummers van laptops die uit het pand van [naam school] zijn weggenomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit inderdaad (een deel van) de gestolen laptops betreft, maar dat hij slechts achteraf is benaderd om de laptops door te verkopen. Het hof acht dit laatste echter niet aannemelijk, nu de verdachte geen enkel aanknopingspunt heeft verschaft voor dit alternatieve scenario, het dossier daarvoor evenmin aanknopingspunten bevat en de verdachte deze verklaring ook eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, hetgeen niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid daarvan.
Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte degene is geweest, die samen met een ander de laptops heeft weggenomen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder parketnummer 09-053070-21 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Het onder parketnummer 09-058415-22 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van 46 laptops uit een schoolgebouw. De verdachte was ten tijde van de diefstal student op de betreffende school en had daarom toegang tot het gebouw. De manier waarop de verdachte de diefstal heeft gepleegd getuigt van brutaliteit. De buitgemaakte laptops vertegenwoordigden een aanzienlijke financiële waarde. De verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Op geen enkele wijze heeft hij zich rekenschap gegeven van de impact die de diefstal voor de (studenten van de) school kon hebben. Bovendien heeft hij op geen enkel moment – ook niet ter terechtzitting in hoger beroep – ook maar enige verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, of kenbaar gemaakt het kwalijke van zijn handelen in te zien.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een auto. Door aldus te handelen heeft de verdachte financiële schade veroorzaakt en daarnaast overlast en hinder voor het slachtoffer veroorzaakt. Bovendien veroorzaakt dergelijk handelen veelal gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en bij andere verkeersdeelnemers, temeer nu zich dit heeft afgespeeld op de openbare weg naar aanleiding van een verkeersruzie.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer dergelijke feiten te plegen.
Gelet op de ernst van – met name – de bewezenverklaarde diefstal, zoals hiervoor omschreven, de houding van de verdachte ten opzichte van dat feit en zijn strafblad, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een vrijheidsbenemende straf. Het hof acht de gevangenisstraf die door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd in beginsel een passende straf.
Het hof stelt echter vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden. Deze termijn bedroeg in beide instanties twee jaar. In eerste aanleg ving die aan op 29 december 2020, toen de verdachte in verzekering werd gesteld. De rechtbank heeft echter eerst eindvonnis gewezen op 26 april 2023. Het dossier van de verdachte is vervolgens niet binnen acht maanden na het instellen van het hoger beroep op 1 mei 2023 bij het hof binnengekomen, doch na bijna dertien maanden. Voorts wijst het hof eerst na bijna drie jaren na het instellen van het hoger beroep eindarrest. Het hof zal vanwege de overschrijding van de redelijke termijn een lagere straf opleggen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tot schadevergoeding [naam school]
In het onderhavige strafproces heeft [naam school] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder parketnummer 09-053070-21 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 44.355,09.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.
Naar het oordeel van het hof is de gestelde schade een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Nu de vordering niet gemotiveerd is betwist, zal de vordering hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag, vanaf 24 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam school]
Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 44.355,09 aansprakelijk is voor de schade die door het onder parketnummer 09-053070-21 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen, ten behoeve van het slachtoffer [naam school] .
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder parketnummer 09-058415-22 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.573,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Naar het oordeel van het hof is de gestelde schade een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Nu de vordering niet gemotiveerd is betwist, zal de vordering worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag, vanaf 16 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]
Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.573,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder parketnummer 09-058415-22 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] .
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 09-053070-21 en parketnummer 09-058415-22 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummer 09-053070-21 en 09-058415-22 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [naam school]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam school] ter zake van het onder parketnummer 09-053070-21 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 44.355,09 (vierenveertigduizend driehonderdvijfenvijftig euro en negen cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam school] , ter zake van het onder parketnummer 09-053070-21 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 44.355,09 (vierenveertigduizend driehonderdvijfenvijftig euro en negen cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 206 (tweehonderdzes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 november 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder parketnummer 09-058415-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.573,00 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder parketnummer 09-058415-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.573,00 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 november 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, als voorzitter, mr. R. Brand en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 maart 2026.