Strafrecht overig

Doodslag. Hoge celstraf mede gelet op gedrag dader na de dood van het slachtoffer. Voorts TBS dwangverpleging…

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
22-003003-22
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2556
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Doodslag. Hoge celstraf mede gelet op gedrag dader na de dood van het slachtoffer. Voorts TBS dwangverpleging mede gebaseerd op de verklaringen van deskundigen afgelegd ter zitting.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 12 oktober 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:10386
  2. Gerechtshof Den Haag · 13 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2556

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-003003-22

Parketnummers: 09-837305-20 en 09-062660-20 (TUL)

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2022 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

thans gedetineerd in de [naam P.I.] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Tevens is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en is bevolen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 20 september 2020 tot en met 19 oktober 2020 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk [het slachtoffer]

- met zijn, verdachtes, hand(en) bij de nek en/of keel en/of hals vastgepakt en/of

- ( vervolgens) (met kracht) de nek en/of keel en/of hals dichtgeknepen en/of dichtgehouden, waardoor [het slachtoffer] is overleden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren en 6 maanden. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd voor een ongemaximeerde duur.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet volledig verenigt.

Bewijsoverwegingen

Het hof overweegt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting als volgt.

Op 24 oktober 2020 is het levenloze lichaam van [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ) in haar woning aan de [adres 1] in Den Haag gevonden. Haar stoffelijk overschot verkeerde in een staat van ontbinding. [het slachtoffer] lag op de bank in de woonkamer onder een stapel dekens, kussens en andere goederen.

Uit het pathologieonderzoek blijkt dat inwendig in de hals, in de spieren gelegen voorwaarts rechts op het schildkraakbeen, een bloeduitstorting was. Er was verder een breuk van het rechter bovenste hoorntje van het schildkraakbeen met ter plekke een bloeduitstorting. In de bindvliezen van de oogleden waren enkele puntvormige bloeduitstortingen. Volgens de forensisch patholoog is de breuk van het rechter bovenste hoorntje van het schildkraakbeen ontstaan door een stomp-botsende en/of (samen)drukkende krachtsinwerking, zoals verwurgen. Het overlijden kan verklaard worden door verwikkelingen van (samen)drukkend geweld op de hals. De bloeduitstortingen in de bindvliezen van de oogleden passen goed bij dit type krachtsinwerking. Er is geen andere doodsoorzaak gebleken, aldus de forensisch patholoog.

Het moment van overlijden van [het slachtoffer]

Deskundigen Wiltshire en Hawksworth hebben onderzoek gedaan naar het postmortale tijdsinterval op basis van de op de foto’s zichtbare schimmels op de huid van [het slachtoffer] . Volgens de deskundigen was [het slachtoffer] , toen zij werd aangetroffen op 24 oktober 2020, reeds tenminste twee weken overleden, mogelijk zelfs drie weken of nog langer, waarbij zij expliciet hebben aangegeven dat twee weken echt het minimum is geweest. Op grond van het voorgaande stelt het hof – uitgaande van het minimum van twee weken – vast dat [het slachtoffer] in elk geval op 10 oktober 2020 niet meer in leven was.

Op basis van het onderzoek van de politie zijn er echter aanwijzingen dat [het slachtoffer] al eerder is overleden.

Uit de banktransacties blijkt namelijk dat [het slachtoffer] (vrijwel) dagelijks gebruikmaakte van haar bankpas. Op 20 september 2020 hebben de laatste pinbetalingen plaatsgevonden met haar bankpas waarbij gebruik is gemaakt van de juiste pincode. Volgens de bank stond op de bankpas van [het slachtoffer] het contactloos betalen uit, derhalve diende er altijd een pincode ingevoerd te worden. De laatste pinbetaling vond in de avond van 20 september 2020 plaats, om 21:11 uur. Daarna vinden er geen pinbetalingen meer plaats. Er worden dan alleen nog door middel van automatische incasso’s bedragen van haar bankrekening afgeschreven, alsmede worden er verschillende malen met het account en de daaraan gekoppelde bankrekening van [het slachtoffer] aankopen gedaan bij [bedrijfsnaam] . Verder blijkt uit de bankgegevens dat [het slachtoffer] vrijwel dagelijks inlogde op haar mobiel bankieren app. De laatste succesvolle inlogactiviteit was op 21 september 2020 om 12:12 uur.

Op 21 september 2020 om 11:29 uur heeft [het slachtoffer] nog met haar moeder gebeld. [het slachtoffer] belde haar moeder niet dagelijks, maar wel zeer regelmatig. Na 21 september 2020 zijn er met het telefoonnummer van [het slachtoffer] geen uitgaande telefoongesprekken meer geregistreerd naar haar moeder. Tot en met 21 september 2020 maakte de telefoon van [het slachtoffer] nog verbinding met een basisstation gelegen aan de [adres 2] in Den Haag. De woning van [het slachtoffer] is gelegen in het dekkingsgebied van dit basisstation. Om 23:37 uur die dag is er voor het laatst met de telefoon van [het slachtoffer] gebeld. Dit was een gesprek van 201 seconden met de moeder van de verdachte, die heeft verklaard dat zij [het slachtoffer] nog nooit heeft gezien of gesproken. Het lijkt er daarom op dat [het slachtoffer] dit telefoongesprek niet zelf heeft gevoerd. Om 23:41 uur maakte de telefoon van [het slachtoffer] voor het laatst een dataverbinding. Na 21 september 2020 schakelde de telefoon van [het slachtoffer] steeds door naar de voicemail.

Verder kwam [het slachtoffer] eens per twee weken haar medicatie ophalen op het kantoor van [naam ggz-instelling] en zij heeft dit op 8 september 2020 voor het laatst gedaan. Op 23 september 2020 heeft een medewerker van [naam ggz-instelling] de medicatie in haar brievenbus gedaan, omdat [het slachtoffer] haar medicatie op 22 september 2020 niet had opgehaald. Ook op 8 oktober 2020 is haar medicatie in de brievenbus gedaan.

Op grond van het voorgaande ziet het hof sterke aanwijzingen dat [het slachtoffer] al op of vrij kort na 21 september 2020 niet meer in leven was. Gelet op het feit dat zij in elk geval op 10 oktober 2020 niet meer in leven was, stelt het hof vast dat [het slachtoffer] op enig moment in de periode van 21 september 2020 tot en met 10 oktober 2020 om het leven is gebracht.

De volgende vraag is dan of het de verdachte is geweest die [het slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Heeft de verdachte in de periode waarin [het slachtoffer] is overleden en daarna, in haar woning verbleven?

Op basis van diverse bevindingen stelt het hof vast dat de verdachte in de periode van 21 september 2020 tot en met 17 oktober 2020 heeft verbleven in de woning van [het slachtoffer] . Daarbij stelt het hof voorop dat de verdachte heeft verklaard dat hij de sleutels van het huis van [het slachtoffer] had gekregen en dat hij die op 18 oktober 2020 nog steeds had. De verdachte had daarmee in de genoemde periode in elk geval feitelijk de mogelijkheid om in de woning van [het slachtoffer] te verblijven. Dat hij daar ook daadwerkelijk heeft verbleven, stelt het hof vast op basis van het volgende.

Zo blijkt uit onderzoek van de politie dat de verdachte gebruikmaakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Uit de historische verkeersgegevens volgt dat dit nummer gedurende de periode van 23 april 2020 tot en met 2 oktober 2020, ook in de voor de nachtrust bestemde tijden, voornamelijk verbinding maakte met het basisstation, gelegen op de [adres 2] in Den Haag. Zoals ook hiervoor overwogen, is de woning van [het slachtoffer] gelegen in het dekkingsgebied van dit basisstation.

Verder blijkt uit onderzoek dat de verdachte rekeninghouder was van een bankrekening bij de [naam bank] en dat hij in de periode van 24 september 2020 tot en met 14 oktober 2020 vrijwel dagelijks heeft ingelogd op (mobiel)bankieren, waarbij gebruik werd gemaakt van het IP-adres [het IP-adres] (hierna ook: het IP-adres). Dit IP-adres behoorde toe aan de bovenbuurman van [het slachtoffer] . Toen [het slachtoffer] nog in leven was, heeft zij ook gebruikgemaakt van ditzelfde IP-adres. In de periode van 24 september 2020 tot en met 14 oktober 2020 is voor het inloggen op (mobiel)bankieren door de verdachte gebruikgemaakt van een Samsung Galaxy S7. Dit telefoontoestel was in gebruik bij [het slachtoffer] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [het slachtoffer] is een lege verpakking van de Samsung Galaxy S7 aangetroffen met daarop een sticker waarop stond dat de kleur van het toestel ‘Gold Platinum’ was. De broer van de verdachte heeft verklaard dat hij samen met de verdachte op 28 september 2020 heeft gegeten bij restaurant [naam restaurant] in Scheveningen (Den Haag) en dat de verdachte toen een goudkleurige Samsung telefoon bij zich had.

De verdachte maakte vanaf 24 september 2020 om 12:03:24 uur voor het eerst een aantal malen gebruik van een Samsung Galaxy S7 – eenzelfde type toestel als ook door [het slachtoffer] werd gebruikt – om in te loggen op zijn (mobiel)bankieren. Hij maakte daarbij gebruik van het IP-adres. Ook tijdens de nachtelijke uren van 25 september 2020, om 02:16 uur, heeft de verdachte met een Samsung Galaxy S7 vanaf het IP-adres ingelogd op zijn (mobiel)bankieren. Dit was kort na de (mislukte) poging tot het resetten van het wachtwoord van de bankrekening van [het slachtoffer] , welke poging tot het resetten vanaf hetzelfde IP-adres is geprobeerd en plaatsvond om 01:27 uur. Later op de dag heeft de verdachte nog drie keer met een Samsung Galaxy S7 vanaf het IP-adres ingelogd op zijn (mobiel)bankieren. En ook op 27 september 2020 heeft de verdachte wederom vier keer gebruikgemaakt van het IP-adres, onder andere om 19:37 uur. Dit is kort voor het moment waarop is gepoogd geld op te nemen met de pinpas van [het slachtoffer] . Om 20:02:48, 20:02:58 en 20:03:18 uur is bij een geldautomaat in de buurt van de woning van [het slachtoffer] met de pinpas van [het slachtoffer] telkens een verkeerde pincode ingevoerd, waarna de bankpas automatisch 24 uur is geblokkeerd. De verdachte heeft om 20:04 uur, dus ongeveer een minuut daarna, bij dezelfde geldautomaat geld van zijn eigen bankrekening opgenomen. Uit de banktransacties blijkt verder dat de verdachte dagelijks gebruik heeft gemaakt van zijn bankpas en dat een groot gedeelte van de transacties tot en met 17 oktober 2020 rondom de leefomgeving van [het slachtoffer] in Den Haag, in de nabijheid van haar woning, is gedaan. Vanaf 18 oktober 2020 werden nagenoeg alle transacties in of in de buurt van Zoetermeer gedaan en niet meer in Den Haag. Deze datum is extra opvallend, omdat de voordeur van de woning van [het slachtoffer] op 17 oktober 2020 door de politie is verzegeld. Dit past bij het beeld dat de verdachte na de verzegeling in elk geval niet meer in de woning van [het slachtoffer] is geweest.

De woning van [het slachtoffer] aan de [adres 1] in Den Haag is op 17 en op 24 oktober 2020 door de politie onderzocht. De woning maakte een onverzorgde indruk, hetgeen volgens de familie van [het slachtoffer] niet strookte met de leefwijze van [het slachtoffer] , omdat zij erg netjes was. Zij had een soort van smetvrees. Ook op de laatste selfies die [het slachtoffer] maakte op 12, 13 en 16 september 2020, is volgens de politie te zien dat de woning van [het slachtoffer] er netjes en niet rommelig uitziet. Verbalisanten zagen echter op 17 en 24 oktober 2020 door de hele woning op de vloer diverse goederen/voorwerpen liggen, waaronder kledingstukken, gebruikt servies met en zonder etensresten dan wel vloeistoffen, lege blikjes en flessen drank, benodigdheden voor drugsgebruik, gebruikte condooms en verpakkingen hiervan. Aan de andere kant van de bank waarop [het slachtoffer] is aangetroffen, was een chaise longue, een plek om te zitten of liggen. Op de leuning daarvan lagen een blikje bier, een gebruikt condoom en een etensbord met een mes en een kleine vork. Op diverse voorwerpen is DNA van de verdachte aangetroffen, waaronder op een deken die bovenop [het slachtoffer] lag; op het vorkje van het bord op de leuning van de bank; op een bierblikje in de woonkamer; op een drinkglas in de woonkamer; op een blikje, een wit kopje en een vork die op de salontafel van de woonkamer lagen; op twee vorken die onder het matras/de deken in de woonkamer lagen; op een bierflesje in het toilet; op twee drinkglazen in de slaapkamer; op een sieradendoosje in de slaapkamer en op verschillende condooms.

Tevens is in een slaapkamer met een bed in de woning van [het slachtoffer] een tas van de [naam supermarkt 1] aangetroffen met daarin twee kassabonnen van de [naam supermarkt 2] . Op de kassabonnen stonden twee zichtbare data: 5 oktober 2020 en 12 oktober 2020. De gegevens van beide kassabonnen komen overeen met de transactiegegevens op de bankrekening van de verdachte. Verder is in dezelfde tas van de [naam supermarkt 1] een brief zonder envelop van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat aangetroffen met als datum 6 oktober 2020. De brief was gericht aan de bewoners van de [adres 1] in Den Haag. Op de brief zijn twee vingerafdrukken van de verdachte aangetroffen. Bovendien was in de woning van [het slachtoffer] een briefje aangetroffen van DHL met daarop de tekst: ‘We hebben je gemist’. Daarop was met pen aangekruist dat het pakketje bezorgd was bij de buren op nummer [nummer] . De bewoonster van de [adres 3] heeft verklaard dat de man die veel bij [het slachtoffer] thuis was en die zij ‘de vriend’ van [het slachtoffer] noemde, het pakketje dat door DHL bij haar was afgegeven, de volgende dag, woensdag 14 oktober 2020, bij haar heeft opgehaald. In één van de kamers in de woning van [het slachtoffer] lag een kapot getrokken kartonnen doos met een adressticker van DHL en de datum 13 oktober 2020, wat aansluit bij de verklaring van de bewoonster van nummer [nummer] dat het pakje op 13 oktober 2020 is bezorgd en op 14 oktober 2020 door ‘de vriend’ van [het slachtoffer] bij haar is opgehaald.

Daarnaast hingen in de gang van de woning van [het slachtoffer] aan de kapstok meerdere kledingstukken, onder andere een herenjas en een herentrui. Op de vloer lagen een paar herenschoenen en een heren T-shirt. Op een kastje in de badkamer lag een honkbalpetje van de Chicago Bulls en op de vloer lag een herentrui. Op camerabeelden van 12, 13, 14, 15 en 16 oktober 2020 is door de politie gezien dat de verdachte een pet van het merk Chicago Bulls op had en op camerabeelden van 15 en 16 oktober 2020 is door de politie gezien dat de verdachte een blauwe jas met emblemen op de borst en bovenarm droeg. Precies zo’n pet en zo’n jas zijn tijdens de doorzoeking in de woning van [het slachtoffer] aangetroffen.

Voorts is er onderzoek gedaan naar het Google account van [het slachtoffer] . Als hersteltelefoonnummer stond het telefoonnummer van de verdachte vermeld en niet het telefoonnummer van [het slachtoffer] zelf. Dit bleek op 27 september 2020 om 02:46 uur zo te zijn ingesteld. De verdachte is zelf op screenshots zichtbaar als gebruiker van de telefoon met het account [e-mailadres] . Verder zijn er op 24 september 2020, 2 oktober 2020, 8 oktober 2020 en 9 oktober 2020 foto’s van goederen, die vermoedelijk van [het slachtoffer] waren, gemaakt. Deze goederen bleken op 24 oktober 2020 niet meer aanwezig in de woning van [het slachtoffer] . Op 10 oktober 2020 is er een foto gemaakt van een oven/grill. De oven/grill die op deze foto te zien is, komt overeen met de oven/grill die in de keuken op een plank naast de afzuigkap is aangetroffen. Opvallend is dat op 10 oktober 2020 op Marktplaats een advertentie is opgemaakt betreffende een oven/grill waarbij deze foto te zien is. Uit de gegevens die zijn ontvangen van Marktplaats blijkt dat bij deze advertentie als IP-adres [het IP-adres] , het eerdergenoemde IP-adres dus, staat vermeld. Uit de Google Takeout gegevens van het account ‘ [e-mailadres] ’ is gebleken dat de app van Marktplaats werd geïnstalleerd op 4 oktober 2020.

Tussen 2 oktober 2020 en 16 oktober 2020 is regelmatig gebruik gemaakt van de Canal Digitaal TV App: live tv kijken. Alleen de verdachte had een eigen account voor Canal Digitaal. Bij de doorzoeking van de woning van [het slachtoffer] is ook ongeopende post van Canal Digitaal aangetroffen met de verdachte als geadresseerde op het adres van [het slachtoffer] .

Meerdere buurtbewoners hebben verklaard over de ‘man’ bij de woning van [het slachtoffer] dan wel de ‘vriend’ van [het slachtoffer] . In de kern komt het signalement van deze man overeen: licht getint, donker haar en een baardje en ook het dragen van een petje wordt genoemd. De verdachte voldeed ten tijde van zijn aanhouding aan dit signalement. Getuige [naam getuige] heeft bovendien verklaard dat zij, vlak nadat de politie op 17 oktober 2020 voor de eerste keer bij de woning van [het slachtoffer] was geweest, hoorde dat het slot van de voordeur van [het slachtoffer] twee keer werd omgedraaid, waarna ze ‘de man’ de trap af hoorde en zag lopen. Vervolgens zag ze door het ruitje in haar voordeur dat hij het portiek via de deur verliet en de straat opliep. Daarna is ze naar het raam aan de voorzijde van haar woning gelopen, waarvandaan ze de straat kon zien, en toen zag ze dat ‘de man’ richting de [straatnaam] liep. ‘De man’ had volgens getuige [naam getuige] op dat moment een bol model beige pet met een kleine klep op. Blijkens camerabeelden van 16:03 uur die dag van coffeeshop [naam coffeeshop] heeft de verdachte een dergelijke pet op.

Uit de getuigenverklaringen komt verder nog naar voren dat [het slachtoffer] eerst altijd de deur opendeed voor de ‘vriend’/‘man’, omdat hij geen sleutel had van de woning, maar dat hij de laatste weken deze wel had, dat hij toen steeds zelf de deur opendeed met de sleutel en dat hij toen ook regelmatig bij de woning is gezien en door sommige buren zelfs is gesproken. Ook hebben de buren verklaard dat zij geen andere mensen bij de woning hebben gezien of gehoord. In dit kader is de eerder genoemde verklaring van de verdachte van belang dat hij in elk geval tot en met 18 oktober 2020 een sleutel van de woning van [het slachtoffer] had.

Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de getuigen met de ‘man’ bij de woning van [het slachtoffer] dan wel de ‘vriend’ van [het slachtoffer] de verdachte hebben bedoeld. Dat één van de getuigen er niet helemaal zeker van was of de man op de foto die haar van de verdachte werd getoond, wel de ‘man’ of de ‘vriend’ van [het slachtoffer] was die zij bedoelde, doet daaraan niet af: er zijn immers ook geen concrete aanwijzingen dat het om een andere man dan de verdachte zou kunnen gaan.

Het hof weegt ten slotte nog mee dat er voor de periode van 21 september 2020 tot en met 17 oktober 2020 ook niet is gebleken van een ander adres waar de verdachte heeft verbleven.

Op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat de verdachte in de periode van 21 september 2020 tot en met 17 oktober 2020 (vrijwel) dagelijks heeft verbleven in de woning van [het slachtoffer] .

Heeft de verdachte [het slachtoffer] om het leven gebracht?

Het gegeven dat de verdachte in de genoemde periode (vrijwel) dagelijks in de woning van [het slachtoffer] heeft verbleven, samen met het feit dat [het slachtoffer] op enig moment in de periode van 21 september 2020 tot en met 10 oktober 2020 om het leven is gekomen door verwurging, zij op haar bank in haar woonkamer is aangetroffen en het feit dat er DNA van de verdachte is aangetroffen op verschillende plekken van het lichaam van [het slachtoffer] , waaronder op haar hals, levert naar het oordeel van het hof een dusdanig zwaarwegende verdenking op jegens de verdachte dat sprake is van een situatie die schreeuwt om een verklaring van de verdachte. De verdachte heeft op 18 oktober 2020 en 22 oktober 2020, toen nog als getuige, weliswaar verklaard dat hij [het slachtoffer] twee à drie weken daarvoor was tegengekomen bij de [naam supermarkt 2] , dat hij toen met haar een blow heeft gerookt bij haar thuis en dat dat de laatste keer is geweest dat hij haar heeft gezien en gesproken, maar het hof schuift deze verklaring van de verdachte, gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden, als ongeloofwaardig terzijde. Ook overigens heeft de verdachte geen redelijke verklaring gegeven die de redengevendheid voor het bewijs van de vastgestelde feiten en omstandigheden kan weerleggen.

Dit weegt nog zwaarder, omdat het niet anders kan dan dat de verdachte, die dus (vrijwel) dagelijks in de woning van [het slachtoffer] verbleef, tenminste moet hebben gemerkt dat [het slachtoffer] op enig moment zelf niet meer thuiskwam. Als je met iemand samenwoont, is dat sowieso al vreemd – zeker in coronatijd, omdat mensen toen niet zo makkelijk zo maar ergens anders verbleven – maar dat wordt nog eens versterkt op het moment dat meerdere mensen haar blijken te zoeken. Bij zijn verklaringen, afgelegd als getuige op 18 en 22 oktober 2020 in verband met haar vermissing, heeft de verdachte echter op geen enkel moment bij de politie aangegeven dat ook hij het vreemd vond dat ze niet meer naar haar woning kwam en dat ook hij zich daarover zorgen maakte. Integendeel, hij beweerde dat hij helemaal niet in de woning verbleef.

Naar het oordeel van het hof kan het dan ook niet anders dan dat de verdachte [het slachtoffer] door verwurging opzettelijk om het leven heeft gebracht. De conclusie van het meest recente NFI-rapport van 29 juni 2026 – namelijk dat de resultaten van het DNA-onderzoek gegeven de in het rapport genoemde hypothesen, de vermelde aannamen en de overige relevante contextinformatie, ‘iets waarschijnlijker’ zijn wanneer de verdachte [het slachtoffer] heeft gewurgd (hypothese 1) dan wanneer een onbekende haar heeft gewurgd (hypothese 2) – sluit ook niet uit dat de verdachte haar heeft gedood. Het hof acht het tenlastegelegde feit derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Door de raadsman zijn ter terechtzitting in hoger beroep alternatieve scenario’s aangedragen en hij heeft hiertoe – verkort en zakelijk weergegeven – betoogd dat [het slachtoffer] ook overleden zou kunnen zijn als gevolg van een uit de hand gelopen (seks)date of een woninginbraak met fatale afloop. Het hof overweegt dat voor beide alternatieve scenario’s het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt. Ten aanzien van het aangedragen scenario van een uit de hand gelopen (seks)date overweegt het hof dat weliswaar uit het dossier blijkt dat [het slachtoffer] eerder, in maart 2020, via Tinder met een andere man bij haar woning heeft afgesproken, maar dat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat diezelfde of een andere man in de periode van september tot en met oktober 2020 in haar woning is geweest. Het mogelijke scenario dat [het slachtoffer] in de woning een inbreker heeft overlopen, is eveneens onaannemelijk. Zoals vermeld, verbleef de verdachte in die periode in haar woning. Als [het slachtoffer] dan op enig moment door een inbreker zou zijn gewurgd en onder de bank van haar eigen woning is verstopt, dan had het de verdachte op zijn minst moeten zijn opgevallen dat de woning opeens overhoop was gehaald en ook daarover heeft hij niets bij de politie verklaard. Daarnaast heeft de advocaat van de verdachte ook nog het scenario aangevoerd, dat de verdachte alleen kwam douchen in de woning van [het slachtoffer] . Niet alleen heeft de verdachte dat zelf nooit beweerd en verklaart dat ook niet waarom hij op meerdere tijdstippen per dag in de woning aanwezig is geweest, maar ook geldt dan evenzeer dat het vreemd is dat hij dan niets daarover heeft verklaard bij de politie, terwijl het hem dan op enig moment moet zijn opgevallen dat de woning overhoop gehaald was.

Gelet op het voorgaande acht het hof de alternatieve scenario’s dan ook niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt derhalve de verweren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 21 20 september 2020 tot en met 10 19 oktober 2020 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk [het slachtoffer]

- met zijn, verdachtes, hand(en) bij de nek en/of keel en/of hals vastgepakt en/of

- (vervolgens) (met kracht) de nek en/of keel en/of hals dichtgeknepen en/of dichtgehouden, waardoor [het slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft het slachtoffer, zijn (ex-)partner [het slachtoffer] , van het leven beroofd door haar te verwurgen en hij heeft haar lichaam vervolgens op haar eigen bank in haar eigen woning verstopt onder een berg met dekens en andere spullen. Daarna is hij gebruik blijven maken van haar woning, heeft hij de woning behoorlijk uitgewoond en overhoop gehaald, en uiteindelijk zo ook achtergelaten. De verdachte heeft gedurende langere tijd verbleven in de woning van [het slachtoffer] , terwijl haar levenloze lichaam op de bank onder een berg spullen naast hem lag. Hier komt nog bij dat de verdachte ook spullen van [het slachtoffer] , zoals haar laptop en telefoon, uit de woning heeft meegenomen en dat hij spullen van haar op Marktplaats heeft gezet om te verkopen. Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd om geld te pinnen met haar bankpas en om toegang te krijgen tot haar rekeningnummer. Dat is hem niet gelukt, maar hij heeft wel via [bedrijfsnaam] vouchers besteld op haar [bedrijfsnaam] account, die vouchers betaald door middel van automatische incasso’s van haar bankrekening – wat wel bleek te kunnen – en deze vouchers ook daadwerkelijk gebruikt. Voorts zijn er aanwijzingen dat de verdachte, nadat hij [het slachtoffer] om het leven had gebracht, haar moeder door valse appjes heeft bewogen om 50 euro contant in de brievenbus van de woning van [het slachtoffer] te stoppen en dat hij dat geld heeft opgemaakt. Deze handelwijze van de verdachte is ronduit schokkend en schofferend. Hij heeft [het slachtoffer] haar kostbaarste bezit, namelijk haar leven, ontnomen en vervolgens na haar dood ook nog eens ongegeneerd van haar geprofiteerd, waarbij hij tegenover de buitenwereld de schijn heeft opgehouden dat zij nog in leven was. Daarnaast heeft hij de nabestaanden van [het slachtoffer] een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Dit is ook tot uitdrukking gekomen in de verklaringen die de zussen van [het slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep hebben voorgelezen. De verdachte heeft door te zwijgen over wat zich heeft afgespeeld in de woning, de nabestaanden in onzekerheid gelaten over de precieze feitelijke toedracht en zijn beweegredenen, waardoor zij onder meer ook de daadwerkelijke sterfdatum van [het slachtoffer] niet weten, hetgeen hun verwerking van het gebeurde kan bemoeilijken. In het algemeen geldt dat levensdelicten, zeker wanneer die zijn begaan tegen een (ex-)partner (‘femicide’), de samenleving doen schokken en bij diegenen die daarvan kennis krijgen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengen. Juist bij een partner en in je eigen woning zou je je immers veilig moeten kunnen voelen.

Strafblad van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor geweldsdelicten en meer in het bijzonder ook voor huiselijk geweld. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een geweldsdelict te plegen.

Oplegging tbs-maatregel

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit geen terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging opgelegd dient te worden.

Het hof heeft ter beantwoording van de vraag of een tbs-maatregel moet worden opgelegd onder meer acht geslagen op de zich in het dossier bevindende rapporten en de verhoren van de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep. De volgende overwegingen en conclusies zijn van belang.

Psychiater C.A.M. van der Meijs (hierna: Van der Meijs) en GZ-psycholoog I. Schilperoord (hierna: Schilperoord) hebben naar aanleiding van een observatie van de verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) in 2021, op 10 december 2021 een rapport over de verdachte opgesteld. Hierin staat dat er bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Verder hebben zij aangegeven dat de verdachte beperkingen heeft in verstandelijke zin, dat hij op zijn intelligentie is getest en dat daarbij zwakbegaafdheid naar voren kwam. De rapporteurs hebben aangegeven dat niet viel uit te sluiten dat het forse alcoholgebruik in de jaren daarvoor mede heeft bijgedragen aan het mindere functioneren van het werkgeheugen van de verdachte. Uit verder onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte problemen heeft op het gebied van impulscontrole en emotie- en agressieregulatie. De andere gespecifieerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, de ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en de ernstige stoornis in het gebruik van cannabis waren in combinatie met de zwakbegaafdheid ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig.

Op basis van het diagnostisch onderzoek werd een rol van de geconstateerde psychische beperkingen in de totstandkoming van het tenlastegelegde verondersteld. De beperkingen van de verdachte hebben volgens de rapporteurs ongetwijfeld een grote rol gehad in het tot stand komen van het tenlastegelegde. Ook al was hij onder invloed van middelen, door zijn verslavingsziekte en het feit dat middelengebruik een functie heeft binnen de geconstateerde problematiek, was hij dan niet handelingsvrij in het gebruiken hiervan. De rapporteurs hebben aangegeven dat het feit de verdachte echter wel deels kan worden toegerekend omdat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte ernstig oordeels- en kritiekgestoord was ten tijde van het tenlastegelegde. Alles overziende hebben de rapporteurs geadviseerd om de verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Volgens de rapporteurs is het risico op recidive van partnergeweld in algemene zin hoog, voortvloeiend uit de genoemde constellatie van zijn behoeften en beperkingen. Hij is verhoogd impulsief en komt zo relatief snel tot agressie. Het forse middelengebruik is daarbij een risicoverhogende factor, maar de verdachte komt ook zonder middelengebruik tot agressie. Er zijn nagenoeg geen beschermende, recidive verlagende factoren aanwezig, wat betekent dat de verdachte zonder behandeling afhankelijk is van extern toezicht en structuur.

Bij een bewezenverklaring adviseren de rapporteurs behandeling van de verdachte binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging te laten plaatsvinden. Vanwege het hoge risico op een ernstige recidive vanuit de vastgestelde psychische problematiek achten de rapporteurs het noodzakelijk dat de verdachte een langer durende klinische behandeling krijgt voor zijn beperkingen. De zwakbegaafdheid zal in engere zin niet behandelbaar zijn, in de zin dat deze zal verminderen, maar op het terrein van de persoonlijkheidsstoornis en verslaving is behandeling zeker mogelijk, aldus de rapporteurs. Te denken valt aan het verwerven van meer zelfinzicht (inzicht in de eigen kwetsbaarheden, zowel emotioneel als verstandelijk), het versterken van het zelfgevoel, het aanleren van oplossingsgerichte vaardigheden en mogelijkheden om met spanningen om te gaan, en uiteindelijk resocialisatie (leren van een vak, huisvesting, signaleringsplan). Vooralsnog heeft de verdachte te weinig inzicht in zijn problematiek om zich te kunnen committeren aan voorwaarden. Met name het risico op terugval in middelengebruik wordt als hoog ingeschat, waarmee er een groot risico is dat hij zich niet aan de voorwaarden zal houden. Gelet op dit alles adviseren de rapporteurs behandeling van de verdachte binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging te laten plaatsvinden.

In hoger beroep hebben zowel psychiater J. van der Meer (hierna: Van der Meer) als klinisch psycholoog W.J.L. Lander (hierna: Lander) in 2024 en 2025 rapporten over de verdachte uitgebracht.

In het rapport van psychiater Van der Meer van 6 september 2024 staat het volgende. Bij de verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale persoonlijkheidskenmerken. Er is daarnaast sprake van op zijn minst matige stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis. Een stoornis in het gebruik van cocaïne en een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis kunnen niet worden aangetoond, maar ook niet met zekerheid worden uitgesloten. De genoemde stoornissen zullen ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig zijn geweest. Of de stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte beïnvloedde ten tijde van het tenlastegelegde is volgens de rapporteur niet duidelijk geworden, omdat de motivatie voor het delictgedrag door de ontkenning van de verdachte niet kon worden geëxploreerd. Volgens de rapporteur is er de mogelijkheid dat bij een bewezenverklaring de psychopathologie van invloed is geweest op het tenlastegelegde en dat sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid, maar er zijn ook delictscenario’s denkbaar waarin de motivatie van de verdachte voor het tenlastegelegde meer instrumenteel was (bijv. financieel gewin) en het tenlastegelegde wel aan hem kan worden toegerekend. Gelet op het voorgaande heeft de rapporteur aangegeven geen antwoord te kunnen geven op de vraag hoe hoog het risico op recidive is en welke interventies het recidivegevaar kunnen beperken. Blijkens het aanvullende rapport van 25 september 2025 van Van der Meer zijn de stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis op dat moment inmiddels in detentie in gedwongen remissie gegaan. Voor het overige blijft Van der Meer (in elk geval op hoofdlijnen) bij zijn conclusies in het rapport van 6 september 2024.

In het rapport van klinisch psycholoog Lander van 17 september 2024 staat het volgende. Bij de verdachte is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, van een ernstige stoornis in alcoholgebruik (in remissie tijdens detentie) en van een matige stoornis in cannabisgebruik (niet in remissie tijdens detentie). De stoornissen bestonden ook al ten tijde van het tenlastegelegde. Gezien de ontkennende houding van de verdachte kan een delictscenario vanuit psychologisch oogpunt niet geformuleerd worden. Om deze reden kan volgens de rapporteur niet worden bepaald of de stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hebben beïnvloed. Nu er geen zicht is gekregen op de doorwerking van de stoornissen in het tenlastegelegde is een advies met betrekking tot de mate van toerekenen niet te geven. Volgens de rapporteur is ook een interventieadvies vanuit gedragskundig oogpunt ter voorkoming van recidive niet te geven. Wel heeft de rapporteur het risico op (‘enkel’) gewelddadig gedrag als matig-hoog beoordeeld en heeft hij aangegeven dat de mogelijkheid om behandeling, begeleiding en toezicht te krijgen in ogenschouw genomen moet worden. Met behulp van een adequate behandeling, begeleiding en toezicht zou in elk geval het risico op gewelddadig gedrag volgens de rapporteur verlaagd kunnen worden. Blijkens het aanvullende rapport van 29 september 2025 van Lander is de enige verandering ten opzichte van zijn rapport van 17 september 2024 dat de stoornis in het cannabisgebruik in remissie is tijdens de detentie.

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn psychiaters Van der Meijs en Van der Meer en klinisch psycholoog Lander als deskundigen gehoord. Van der Meijs heeft daarbij verklaard dat hij, ook na het lezen van de rapportages van Van der Meer en Lander, volhardt in de overwegingen en conclusies van het rapport van 10 december 2021 en daarmee in het advies om behandeling van de verdachte binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging te laten plaatsvinden. Als toelichting op de vastgestelde borderline trekken, die door Van der Meijs en Schilperoord wel zijn vastgesteld en door Van der Meer en Lander niet, heeft Van der Meijs aangegeven dat hij de verdachte langer heeft kunnen observeren dan Van der Meer en Lander. Uit die observatie heeft Van der Meijs ook een voorbeeld gegeven op grond waarvan hij de borderline trekken aan zijn diagnose heeft kunnen toevoegen. Zo heeft hij aangehaald dat, toen de verdachte tijdens de observatie in het PBC vernam dat zijn broer tegen de milieuonderzoeker had gezegd dat de verdachte verslaafd was aan crack, de verdachte behoorlijk van slag was en een paar dagen nodig heeft gehad om dit te verwerken. Verder heeft hij nog ter toelichting aangehaald dat de verdachte verlatingsangst heeft en dat er bij hem sprake is van verharding. Dergelijke voorbeelden uit de observatie van de verdachte hebben gemaakt dat Van der Meijs en Schilperoord ook de borderline trekken in hun diagnose hebben opgenomen. Zowel Van der Meer als Lander hebben verklaard dat zij de borderline trekken zelf niet hebben kunnen vaststellen, zodat zij die ook niet in hun diagnose hebben kunnen opnemen. Zij hebben daarbij aangegeven dat het feit dat zij de borderline trekken niet hebben kunnen constateren, mede te maken kan hebben met het feit dat hun eigen onderzoeken beperkingen kenden. Zo waren hun observaties van de verdachte aanzienlijk korter dan de observaties die in het PBC hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd hebben zij desgevraagd aangegeven dat zij de borderline trekken ook niet helemaal kunnen uitsluiten. Verder hebben zij aangegeven dat zij, mede door de ontkenning door de verdachte, te weinig inzicht hebben gekregen om een gefundeerd antwoord te kunnen geven op de vraag of de stoornissen een rol hebben gespeeld bij het tenlastegelegde, hoe hoog het recidiverisico is en welke interventie passend is. Daarbij hebben zij aangegeven dat zij het advies van Van der Meijs en Schilperoord, uitgaande van hun diagnose dat ook sprake is van borderline trekken, wel kunnen volgen en van mening zijn dat dat advies verder goed is onderbouwd. Enkel omdat Van der Meer en Lander de borderline trekken niet zelf hebben kunnen vaststellen, kunnen zij uit hoofde van hun professionaliteit het advies van TBS met dwangverpleging zelf niet geven, zo hebben zij ter zitting uitgelegd.

Gelet op de verklaringen van Van der Meer en Lander dat hun eigen onderzoeken beperkingen kenden en het feit dat Van der Meijs na het lezen van de rapporten van Van der Meer en Lander op de zitting in hoger beroep gemotiveerd heeft aangegeven dat en waarom hij van mening is dat zijn eerdere advies nog altijd juist en van toepassing is, zal het hof het rapport van Van der Meijs en Schilperoord als uitgangspunt nemen. Weliswaar is dat rapport ouder dan 1 jaar en heeft de verdediging tegen de gebruikmaking daarvan bezwaar gemaakt, maar in samenhang gelezen met de rapporten van Van der Meer en Lander, hun toelichting ter zitting in hoger beroep en de toelichting en aanvulling van Van der Meijs ter zitting in hoger beroep, is het hof van oordeel dat het advies van Van der Meijs in het PBC-rapport van 10 december 2021 kan worden gezien als een voldoende recent en actueel advies. Het rapport en het advies zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en de conclusies volgen logisch uit de onderbouwing en uit de nadere toelichting door de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof neemt gelet hierop de conclusies over en maakt die tot de zijne.

Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit bij de verdachte sprake was van een andere gespecifieerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis en zwakbegaafdheid. Deze stoornissen hebben een rol gespeeld bij het plegen van het bewezenverklaarde feit. Het bewezenverklaarde feit zal daarom in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Bovendien eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, nu er een hoog risico is op ernstige recidive en vanwege dit hoge risico een langer durende klinische behandeling binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is. Uit het rapport en de nadere toelichting blijkt dat de verdachte niet in staat is om zich aan de voorwaarden te houden van een eventuele tbs-maatregel met voorwaarden. Bovendien zal de verdachte (zoals hierna zal blijken) ook worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstaf die de duur van vijf jaar te boven gaat, zodat oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden ook wettelijk is uitgesloten.

Gelet op het voorgaande zal het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten slotte overweegt het hof dat de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat de duur van de maatregel niet gemaximeerd is.

Straf

Het hof zal tevens, naast de genoemde maatregel, aan de verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Ten tijde van het bewezenverklaarde gold voor dit misdrijf als maximumstraf een gevangenisstraf van vijftien jaren. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf zowel de ernst van het feit als hetgeen is gebleken over de persoon van de verdachte in aanmerking genomen. De verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte werkt strafmatigend. Het hof komt echter gelet op de ernst van het feit, de handelingen van de verdachte na het feit en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, tot een hogere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd. Het hof is – alles overwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Het hof heeft evenwel vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in eerste aanleg van deze zaak dat de verdachte op 25 oktober 2020 in verzekering is gesteld en dat de redelijke termijn toen is aangevangen. De rechtbank heeft vervolgens op 12 oktober 2022 vonnis gewezen. Nu de verdachte daarmee langer dan 16 maanden in voorlopige hechtenis heeft verbleven, heeft naar het oordeel van het hof in deze zaak als uitgangspunt te gelden dat de behandeling op zitting moest zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 7 maanden overschreden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep van deze zaak dat namens de verdachte op 26 oktober 2022 hoger beroep is ingesteld, dat op 23 maart 2023 de stukken van het geding ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen en dat het hof arrest wijst op 13 augustus 2026. Nu de verdachte ook in hoger beroep langer dan 16 maanden in voorlopige hechtenis heeft verbleven, heeft naar het oordeel van het hof in deze zaak als uitgangspunt te gelden dat de behandeling op zitting moest zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat het hoger beroep is ingesteld. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 jaren en 5 maanden overschreden.

Het hof is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep matiging van de op te leggen straf tot gevolg moeten hebben. Het hof acht, alles afwegende en zoals hiervoor ook overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren passend en geboden, maar zal deze gevangenisstraf gelet op de overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren en 6 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij 1] , de moeder van het slachtoffer [het slachtoffer] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 24.777,20, bestaande uit € 7.277,20 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade in de vorm van affectieschade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen. Het hof stelt de verschillende ingangsdata voor de wettelijke rente als volgt vast:

- ten aanzien van de uitvaartkosten, een bedrag van € 7.013,70: wettelijke rente vanaf 2 november 2020, omdat op die dag de uitvaart van [het slachtoffer] plaatsvond;

- ten aanzien van de kosten van de bloemen op de uitvaart, een bedrag van € 241,50: wettelijke rente vanaf 30 oktober 2020, omdat de bloemen op die datum zijn

aangeschaft;

- ten aanzien van de kosten voor de sari voor [het slachtoffer] , het bedrag van € 49,00: wettelijke rente vanaf 27 oktober 2020, omdat de sari op die datum is aangeschaft.

Immateriële schade (Affectieschade)

Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor nabestaanden van overleden slachtoffers. Het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Uit artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt welke naasten recht hebben op een vergoeding van de affectieschade. De benoemde kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, de ouder van de overledene (artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder c, BW).

De benadeelde partij, de moeder van [het slachtoffer] , heeft vergoeding van affectieschade gevorderd tot een bedrag van € 17.500,00. Dit is tevens het bedrag dat op grond van het Besluit Vergoeding Affectieschade geldt voor een ouder, waarbij een meerderjarig, niet thuiswonend kind als gevolg van een misdrijf is komen te overlijden. Gelet op het hiervoor omschreven toetsingskader is de gevorderde vergoeding van € 17.500,00 aan affectieschade integraal toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Resumerend

Het hof zal de vordering tot schadevergoeding integraal toewijzen tot een bedrag van
€ 24.777,20, bestaande uit € 7.277,20 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 24.777,20, vermeerderd met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] .

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij 2] , de zus van het slachtoffer [het slachtoffer] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 690,25.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 februari 2021, zijnde de factuurdatum van de declaratie voor de verklaring van erfrecht, tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 690,25, vermeerderd met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] .

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 juni 2020 onder parketnummer 09-062660-20 is de verdachte (onder meer) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Naar het oordeel van het hof is toewijzing van de vordering niet opportuun gelet op de straf en maatregel die de verdachte in de onderhavige zaak opgelegd zal krijgen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren en 6 (zes) maanden (in totaal 162 maanden).

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 24.777,20 (vierentwintigduizend zevenhonderdzevenenzeventig euro en twintig cent) bestaande uit € 7.277,20 (zevenduizend tweehonderdzevenenzeventig euro en twintig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [naam benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 24.777,20 (vierentwintigduizend zevenhonderdzevenenzeventig euro en twintig cent) bestaande uit € 7.277,20 (zevenduizend tweehonderdzevenenzeventig euro en twintig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 140 (honderdveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 2
november 2020 voor een bedrag van € 7.013,70;

- 30 oktober 2020 voor een bedrag van € 214,50;
- 27 oktober 2020 voor een bedrag van € 49,00;

en voor de immateriële schade van € 17.500,00 op 10 oktober 2020.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 690,25 (zeshonderdnegentig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [naam benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 690,25 (zeshonderdnegentig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 februari 2021.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag van 28 januari 2021, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 juni 2020, parketnummer 09-062660-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit arrest is gewezen door mr. V.M. de Winkel, als voorzitter, en mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.A.M. Jansen, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 augustus 2026.