Strafrecht overig
Vrijspraak van het medeplegen van afpersing, medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging en het…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2644 · Gerechtshof Den Haag · 12 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2644
Zaakgegevens
Op 12 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- 22-001581-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2644
Samenvatting
Vrijspraak van het medeplegen van afpersing, medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging en het medeplegen van primair oplichting, subsidiair verduistering. Op grond van stills van camerabeelden kan het hof niet vaststellen dat daarop de verdachte is te zien. Nu de ontkennende verklaringen van de verdachte niet worden weerlegd door het overige in het dossier aanwezige bewijs en een bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van een inmiddels veroordeelde medepleger evenmin belastend is, kan niet onmiskenbaar worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Veroordeling voor mishandeling van ex-vriendin en vernieling van haar telefoon.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 26 mei 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:5536Gerechtshof Den Haag · 12 augustus 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2644
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-001581-21
Parketnummers: 10-017411-21 en 10-068011-20
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van parketnummer 10-017411-21 onder 1 en 2 impliciet primair en onder 3 subsidiair tenlastegelegde, en parketnummer 10-068011-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 10-017411-21:
1.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van
twee telefoons (beiden van het merk iPhone), een heuptas, een jas, een telefoonhoesje, een schoolpas, een bankpas, een identiteitsbewijs en/of de codes van die telefoons, in elk geval enig goed en/of gegevens, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorde,
door
- een vuurwapen, althans een voorwerp gelijkend op een vuurwapen, te tonen en/of op de buik, hoofd en/of slaap van die [slachtoffer 2] te richten en/of te zetten,
- de woorden toe te voegen “doe je jas uit en je tasje af” en/of “je wilt toch geen 25 cent in je lichaam. Dat is wat een kogel kost.”
- een mes te tonen en/of (met dat mes) tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan,
- tegen de kaak, althans het hoofd, van die [slachtoffer 1] te stompen,
- een vuurwapen, althans een voorwerp gelijkend op een vuurwapen, te tonen en/of op de buik, hoofd en/of slaap van die [slachtoffer 1] te richten en/of te zetten en/of
- de woorden toe te voegen “pak je telefoon”, “ik kan je nu ook shanken, geef je telefoon”, “je weet je code wel”, en/of “typ het wachtwoord goed in, anders krijg je een bullet";
2.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
twee bankpassen, oortjes en/of een oplader,
in elk geval enig goed,
dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] ,
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een mes te tonen en/of (met dat mes) tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan,
- tegen de kaak, althans het hoofd, van die [slachtoffer 1] te stompen en/of
- een vuurwapen, althans een voorwerp gelijkend op een vuurwapen, te tonen en/of op de buik, hoofd en/of slaap van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te richten en/of te zetten
- de woorden toe te voegen “je wilt toch geen 25 cent in je lichaam. Dat is wat een kogel kost”, "ik kan je nu ook shanken", "typ het wachtwoord goed in, anders krijg je een bullet", "als jullie terug komen, zullen jullie dat weten. Wij zullen jullie opzoeken. Wij hebben mensen hier in het flatgebouw en op het plein. Wij schieten jullie neer als jullie hier terug komen" en/of "hier gaan jullie naar rechts lopen en als ik één keer help hoor, krijgen jullie een bullet", althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten
een (gouden) ketting, door
- te reageren op de markplaatsadvertentie van die [slachtoffer 2] ,
- zich voor te doen als een bona fide koper van die ketting,
- met die [slachtoffer 2] af te spreken op de [adres] te Rotterdam (hetgeen niet het adres van verdachte en/of zijn mededader is),
- tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te zeggen dat hij nog moest pinnen,
- te vragen mee te lopen om te gaan pinnen en/of (vervolgens)
- niet te betalen voor die ketting;
subsidiair
hij op of omstreeks 13 november 2020 te Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een (gouden) ketting, in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,
en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als houder,
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
Zaak met parketnummer 10-068011-20:
1.
hij op of omstreeks 15 maart 2020 te Rotterdam
[slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3]
- tegen haar been te trappen en/of
- bij haar schouder vast te pakken;
2.
hij op of omstreeks 15 maart 2020 te Rotterdam
opzettelijk en wederrechtelijk
een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] toebehoorde,
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd ten aanzien van de bewezenverklaring en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 505 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar zonder oplegging van bijzondere voorwaarden en met opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Zaak met parketnummer 10-017411-21
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing, het medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging en het medeplegen van verduistering. Hiertoe is – kortgezegd – aangevoerd dat de bekennende verklaring van [medeverdachte] wordt ondersteund door de verklaringen van aangevers, die onder meer een signalement van verdachte hebben gegeven en verklaren over verbale bedreigingen en bedreiging met een vuurwapen. Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat op de camerabeelden die zijn gemaakt van vlak voor en vlak na de straatroof, mededader [medeverdachte] en een tweede persoon zijn te zien die voldoet aan het signalement van de verdachte. Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen dienen de feiten onder parketnummer 10-017411-21 aldus bewezen te worden verklaard.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten onder parketnummer 10-017411-21.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-017411-21 onder 1, 2, 3 primair en 3 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep vast dat aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op 13 november 2020 op straat zijn beroofd door twee personen. Beide aangevers zijn door twee personen verbaal en met een vuurwapen bedreigd en gedwongen tot afgifte van de gouden ketting en hun overige spullen. [medeverdachte] heeft een bekennende verklaring afgelegd die inhoudt dat hij één van deze twee personen is. De vraag die aan het hof voorligt is of de verdachte de andere persoon is geweest die de tenlastegelegde feiten samen met [medeverdachte] heeft gepleegd.
Het hof constateert dat er camerabeelden van de Adrianastraat en de Bajonetstraat beschikbaar zijn gesteld aan de politie. De politie heeft deze camerabeelden bekeken en aan de hand daarvan een omschrijving van de beelden gegeven en neergelegd in twee processen-verbaal. Uit de processen-verbaal blijkt niet duidelijk of de betreffende verbalisanten bewegende beelden hebben waargenomen, of uitsluitend de stills van de camerabeelden.
De beschrijving bij het camerabeeld van de Bajonetstraat , op 13 november 2020 om 18:56 uur, luidt dat de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] uit de portiek komen gelopen en dat één van de mannen een Marokkaans uiterlijk heeft, met lang haar tot in de nek. Deze beelden zijn van ongeveer een half uur na de beroving. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn eerdere afgelegde verklaringen, verklaard dat hij zichzelf herkent op deze beelden. Hij verklaart dat hij vlak daarvoor bij [medeverdachte] in huis heeft gezeten, en vervolgens samen met [medeverdachte] een ommetje is gaan lopen, hetgeen ook te zien is op dit camerabeeld. De constatering van de verbalisant dat verdachte op het beeld is te zien, komt aldus overeen met de verklaring van de verdachte ten aanzien van het tijdstip 18.56 uur.
De verbalisant heeft in hetzelfde proces-verbaal het camerabeeld van de Schietbaanstraat - Adrianastraat omschreven, van 13 november 2020 om 18:20 uur, vlak voor de beroving. De verbalisant beschrijft:
“De linker persoon is mogelijk verdachte [verdachte] die zijlings staat.
Op de rechtermouw is duidelijk een streep te zien.
De rechter persoon is mogelijk verdachte [medeverdachte] .
Je ziet dat verdachte [verdachte] een kop groter is dan [medeverdachte].”. Voorts is in het proces-verbaal beschreven dat verdachten [medeverdachte] en [verdachte] om 18:21 uur in een portiek in de Adrianastraat staan, dat ongeveer op 40 meter afstand is van [straatnaam] en [adres] . Nadat zij ongeveer vier minuten in het portiek hebben gestaan, komen [medeverdachte] en [verdachte] omstreeks 18:25 uur uit de portiek gelopen richting [adres] , aldus de beschrijving van de verbalisant bij de foto van het camerabeeld van 18.25 uur.
Ten aanzien van deze camerabeelden heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, eveneens overeenkomstig zijn eerder afgelegde verklaringen, dat hij zichzelf niet herkent op de laatstgenoemde beelden in de Adrianastraat vlak voor de straatroof en dat hij dus niet de persoon is geweest die samen met [medeverdachte] de straatroof heeft gepleegd. De verdachte verklaart dat hij die dag de hele tijd binnen in het huis van [medeverdachte] is geweest, tot het moment dat hij, de verdachte, om 18:56 uur een ommetje ging lopen, samen met [medeverdachte] .
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit deze twee foto’s en de beschrijving van de camerabeelden van de Adrianastraat , vlak voor de straatroof, niet eenduidig kan worden vastgesteld dat de verdachte de medepleger is geweest van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Het hof kan op grond van deze stills van de camerabeelden van 18.20 en 18.25 uur niet vaststellen dat het de verdachte is die daarop te zien is.
Voorts kan de verklaring van de verdachte zoals hij deze heeft afgelegd tijdens het politieverhoor, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij ten tijde van de straatroof binnen zat en rond 18:56 uur, na de straatroof, pas naar buiten is gegaan, niet worden weerlegd door het overige in het dossier aanwezige bewijs. Bovendien heeft [medeverdachte] op 5 april 2022 in het getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de verdachte binnen bleef toen hij even is weggegaan en dat hij dat weet omdat hij hem heeft achtergelaten en dat de verdachte nog binnen zat toen hij terugkwam van het hele gebeuren.
Het hof kan aldus niet onmiskenbaar vaststellen dat het de verdachte is geweest die samen met [medeverdachte] de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarom vrij van de feiten tenlastegelegd onder parketnummer 10-017411-21.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-068011-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 10-068011-20:
1.
hij op of omstreeks 15 maart 2020 te Rotterdam
[slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3]
- tegen haar been te trappen en/of
- bij haar schouder vast te pakken;
2.
hij op of omstreeks 15 maart 2020 te Rotterdam
opzettelijk en wederrechtelijk
een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] toebehoorde,
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 10-068011-20 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 10-068011-20 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin door tegen haar been te trappen. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan vernieling van haar telefoon door deze op de grond te gooien. De verdachte heeft door zo te handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar nodeloos pijn bezorgd. De mishandeling vond plaats op straat, waar meerdere getuigen het incident hebben gezien. Doordat de mishandeling is gepleegd in een openbare ruimte worden er in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd. Voorts heeft de verdachte het slachtoffer financiële schade berokkend door haar telefoon kapot te gooien en getuigt het van geen respect voor haar persoonlijke eigendommen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof stelt verder vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in hoger beroep is overschreden.
Op 3 juni 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof wijst arrest op 12 augustus 2026. Daarmee is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in hoger beroep met ongeveer drie jaar en twee maanden overschreden.
Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uur, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 797,50.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 432,50.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 432,50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder feit 1, 2 en 3 onder parketnummer 10-017411-21 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 265,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 200,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 200,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 200,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 200,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-017411-21 onder 1, 2, 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-068011-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-068011-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-068011-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-068011-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 maart 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, mr. Chr.A. Baardman en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Savans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 augustus 2026.