Strafrecht overig

Profijtontneming na veroordeling leiderschap criminele organisatie, bedrieglijke bankbreuk, belastingfraude…

Zaakgegevens

Op 10 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
10 september 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Zaaknummer
22-003115-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2832
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming na veroordeling leiderschap criminele organisatie, bedrieglijke bankbreuk, belastingfraude en gewoontewitwassen. Van diverse posten is niet aannemelijk geworden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel daadwerkelijk aan de betrokkene is toegekomen. Bedrag waarop wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aanzienlijk lager.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 9 oktober 2023

    ECLI:NL:RBROT:2023:9555
  2. Gerechtshof Den Haag · 10 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2832

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-003115-23 (PO)

Parketnummer: 10-996626-16

Datum uitspraak: 10 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2023 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1972,

adres: [woonadres] , [woonplaats] ,

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Rotterdam van 20 december 2018 is de betrokkene, voor zover hier van belang, onder meer ter zake van het in zijn strafzaak onder 1, 2 primair, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

misdrijven,

feitelijk leiding geven aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd,

feitelijk leiding geven aan:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het verstrekken van inlichtingen,

gegevens of aanwijzingen, deze opzettelijk onjuist verstrekken, terwijl het feit ertoe

strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd,

en

feitelijk leiding geven aan:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan,

en deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen,

terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

meermalen gepleegd,

feitelijk leiding geven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van gewoontewitwassen

veroordeeld tot een gevangenisstraf.

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 9 oktober 2023 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 3.298.792,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.293.792,-.

Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 4.494.322,47 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie deze vordering beperkt tot een bedrag van € 3.298.792,-.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, wordt vastgesteld op € 962.216,- en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 952.216,-.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in de voetnoten zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van dat voordeel.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op het onherroepelijke vonnis in de hoofdzaak staat vast dat de betrokkene leiding gaf aan een criminele organisatie en zich bezig heeft gehouden met onder andere – kort gezegd - bedrieglijke bankbreuk (faillissementsfraude), belastingfraude en gewoontewitwassen. Gebleken is dat de betrokkene door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.

De oorspronkelijke vordering is gebaseerd op het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht d.d. 6 februari 2020 (hierna: ontnemingsrapport). De berekening van de vordering van het Openbaar Ministerie bestaat uit verschillende posten die hieronder zullen worden besproken.

[bedrijfsnaam 1] (€ 586.650,-)

Uit de jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 2] (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 2] ’) blijkt dat in de periode van 9 maart 2012 tot en met 15 juni 2012 vanaf de bankrekening van [bedrijfsnaam 2] naar de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) een bedrag van in totaal € 586.650,- is overgeboekt, waarvan het grootste gedeelte met de omschrijving ‘dividend’. [bedrijfsnaam 2] is failliet verklaard op 18 maart 2014. Gelet op het vonnis in de hoofdzaak staat vast dat er geld is onttrokken aan de boedel van [bedrijfsnaam 2] in het zicht van het faillissement. De betrokkene was ten tijde van deze feiten (indirect) directeur-grootaandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] .

Vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, moet bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Het enkele feit dat de betrokkene directeur-grootaandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] was, is op zichzelf onvoldoende grond om te kunnen aannemen dat het voordeel van [bedrijfsnaam 1] ook voordeel voor de betrokkene heeft opgeleverd. Met de advocaat-generaal stelt het hof vast dat het dossier daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Dit betekent dat het bedrag van

€ 586.650,- niet als wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend.

Rekening-courant directie (€ 280.006.-)

Uit de jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 2] blijkt dat er een rekening-courant verhouding was met de directie, die een vordering van [bedrijfsnaam 2] op de directie inhield. De vordering op de directie bestond volgens de jaarrekeningen ook al in 2009, 2010 en 2011, maar in 2012 is die vordering ten opzichte van het vorige jaar met € 280.006,- toegenomen. Gelet op het vonnis in de hoofdzaak staat vast dat dit bedrag is onttrokken aan de boedel in het zicht van het faillissement en dat de betrokkene daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt verder dat de betrokkene tot 27 april 2012 de bestuurder was van [bedrijfsnaam 2] en dat hij ook na deze datum tot aan het faillissement de feitelijke leiding had.

De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden gesteld dat het niet anders kan dan dat het bedrag van € 280.006,- tot daadwerkelijk voordeel voor de betrokkene heeft gestrekt. Omdat de administratie van [bedrijfsnaam 2] over 2012 ontbreekt, kan niet worden geverifieerd dat deze geldstroom werkelijk richting de betrokkene is gevloeid.

Naar het oordeel van het hof is op basis van de bewijsmiddelen aannemelijk geworden dat de betrokkene uit de in de strafzaak bewezen verklaarde feiten een bedrag van € 280.006,- aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen; hij was immers de directie. Het door de verdediging gevoerde verweer daartegen is onvoldoende concreet en gemotiveerd. Zo is niet gesteld dat iemand anders dan de betrokkene in de relevante periode zeggenschap of beschikkingsmacht had over [bedrijfsnaam 2] of haar vermogen, waardoor die persoon het geldbedrag middels toename van de rekening-courantvordering op de directie naar zichzelf zou kunnen hebben laten toevloeien. Dat het verkrijgen van het wederrechtelijke voordeel door de betrokkene dient vast te staan naar de door de verdediging genoemde maatstaf die inhoudt ‘dat het niet anders kan dan dat dit tot zijn voordeel heeft geleid’ is een eis die het recht niet stelt. Ook maakt het ontbreken van de onderliggende administratie ter controle niet dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen belang kan worden gehecht aan de informatie in de jaarrekening over 2012, die volgens een brief van de boekhouder van [bedrijfsnaam 2] destijds is opgesteld op grond van door de betrokkene verstrekte stukken. Dat de onderliggende administratie bij het faillissement van [bedrijfsnaam 2] niet (meer) beschikbaar was, is bovendien een omstandigheid waarvoor de betrokkene als feitelijk leidinggever van [bedrijfsnaam 2] strafrechtelijk is veroordeeld in de hoofdzaak.

Het hof gaat daarom aan het verweer van de verdediging voorbij.

Valse facturen (€ 1.197.283,-) en valse voorschotformulieren (€ 1.198.303,-)

Gelet op het vonnis in de hoofdzaak staat vast dat er valse facturen van leveranciers over de jaren 2012 en 2013 in de boekhouding van [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3] ) zijn opgenomen. De rechtbank heeft in de hoofdzaak vastgesteld dat naar aanleiding van die facturen ongerechtvaardigde girale betalingen door [bedrijfsnaam 3] hebben plaatsgevonden aan de leveranciers die op hun beurt contant hebben terugbetaald aan [bedrijfsnaam 3] of aangewezen derden. Het gaat in totaal om een bedrag van € 1.197.283,-.

Voorts staat gelet op het vonnis in de hoofdzaak vast dat er voorschotformulieren (voor loon van werknemers van [bedrijfsnaam 3] ) zijn opgemaakt waarmee kasopnamen binnen [bedrijfsnaam 3] werden verantwoord, terwijl de gestelde contante voorschotten vrijwel niet aan in die formulieren genoemde werknemers zijn uitbetaald. Het gaat in totaal om een bedrag van € 1.198.303,-.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de contante geldbedragen die zijn verkregen door het gebruik van de valse facturen en de valse voorschotformulieren niet aan de betrokkene zijn toegekomen, maar zijn gebruikt voor de betaling van het zwarte loon van de uitzendkrachten, dan wel voor andere uitgaven ten behoeve van [bedrijfsnaam 3] . Dit standpunt heeft de verdediging uitgebreid onderbouwd met verwijzing naar onder andere getuigenverklaringen in het dossier. Ook de verklaring van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuige [getuige], destijds financieel manager van [bedrijfsnaam 3] , biedt daaraan steun.

Gelet daarop is het hof met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de valse facturen (€ 1.197.283,-) en de valse voorschotformulieren (€ 1.198.303,-) daadwerkelijk aan de betrokkene is toegekomen.

Contante stortingen (€ 645.660,-)

De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat de betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld wegens (kort gezegd) het feitelijk leidinggeven aan diverse vormen van fraude en tevens het leiding geven aan een criminele organisatie die het plegen van fraude tot oogmerk had. De advocaat-generaal stelt dat het een algemene ervaringsregel is dat dergelijke fraudes worden gepleegd om er financieel op vooruit te gaan. Dit geldt ook voor de fraude met de valse facturen en de valse voorschotformulieren. Bij gebrek aan concrete gegevens waarop het daadwerkelijk door de betrokkene verkregen wederrechtelijke voordeel kan worden gebaseerd, dient dit te worden geschat.

In dat verband heeft de advocaat-generaal verwezen naar een overzicht van contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene en [bedrijfsnaam 1] (AMB-025 in het dossier van de strafzaak), welk overzicht twee dagen voor de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak door hem in het geding is gebracht. Uit dit overzicht blijkt dat er in de jaren 2012 tot en met 2015 in totaal een bedrag van € 645.660,- aan contanten is gestort op deze bankrekeningen. De betreffende bedragen komen niet terug in de aangiften inkomstenbelasting van de betrokkene. De advocaat-generaal stelt dat onduidelijk is wat de herkomst is van de contante stortingen en meent dat deze moeten worden gezien als het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft verkregen uit de contante gelden die het gevolg zijn geweest van de valse facturen en voorschotformulieren. De betrokkene heeft deze bedragen voorhanden gehad om ze te kunnen storten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de contante stortingen niet afkomstig zijn van strafbare feiten. De verdediging heeft voor elk jaar concreet en gemotiveerd aangevoerd dat (in elk geval: een deel van) de contante betalingen niet uit fraude afkomstig is. Gelet op hetgeen de verdediging – in het korte tijdsbestek dat haar ter beschikking stond - naar voren heeft gebracht over de herkomst van de contante stortingen, acht het hof het proces-verbaal (AMB-025) niet bruikbaar om een redelijke schatting van het daadwerkelijk verkregen wederrechtelijke voordeel op te kunnen baseren. Ook andere aanknopingspunten om een dergelijke schatting te kunnen maken heeft het hof niet aangetroffen, terwijl gelet op de ouderdom van de zaak niet valt aan te nemen dat nader onderzoek nog nieuwe informatie oplevert. De advocaat-generaal heeft ook niet verzocht om een gelegenheid om dergelijk onderzoek nog te kunnen (laten) verrichten.

De slotsom luidt dat het bedrag van de contante stortingen niet als wederrechtelijk verkregen voordeel wordt aangemerkt.

Voorwaardelijk verzoek

Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de bedragen uit het proces-verbaal (AMB-025) die “nog niet verklaard zijn” als wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden aangemerkt, heeft de verdediging verzocht de zaak te heropenen ten einde de verdediging in de gelegenheid te stellen om aan de hand van nog aan haar te overleggen bankbescheiden (nader) aan te tonen dat deze contante stortingen een legale herkomst hebben.

Het hof komt niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk verzoek, omdat de voorwaarde niet is ingetreden.

Kasrondje [bedrijfsnaam 4] (€ 36.550,-)

Gelet op het vonnis in de hoofdzaak staat vast dat aan [bedrijfsnaam 3] een bedrag van € 36.550,- is onttrokken en vervolgens is doorbetaald aan [bedrijfsnaam 4] , de eenmanszaak van de betrokkene. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit bedrag afkomstig is van verduistering, welke verduistering is verhuld door het opmaken en gebruiken van valse facturen . Betrokkene is hiervoor wegens het samen met anderen feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift en witwassen veroordeeld. Derhalve kan dit bedrag naar het oordeel van het hof als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 316.556,-. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

Rekening-courant directie [bedrijfsnaam 2] € 280.006,-

Kasrondje [bedrijfsnaam 4] € 36.550,- +

Totaal € 316.556,-

Vaststelling van de betalingsverplichting

Draagkrachtverweer

De verdediging heeft een draagkrachtverweer gevoerd.

De draagkracht van de betrokkene dient in beginsel aan de orde te worden gesteld in de executiefase en wel op de voet van het bepaalde in artikel 6:6:26 Wetboek van Strafvordering. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en naar redelijkerwijs mag worden verwacht in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.

Het hof is van oordeel dat op dit moment niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene naar redelijke verwachting ook in de toekomst in het geheel geen draagkracht zal hebben. Hetgeen ter terechtzitting door de raadsvrouw naar voren is gebracht omtrent zijn financiële situatie maakt dit oordeel niet anders. Het hof ziet derhalve nu geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag wegens gebrek aan draagkracht van de betrokkene lager vast te stellen. Daar komt bij dat uit de stukken blijkt dat er conservatoir beslag is gelegd op voorwerpen die aan de verdachte toebehoren en waarvan de opbrengst na uitwinning naar de verwachting van het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel zal evenaren of zelfs overtreffen.

Het hof neemt ten slotte in aanmerking dat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid heeft de betrokkene gedurende de voor de ontnemingsmaatregel geldende verjaringstermijn uitstel van betaling dan wel betaling in termijnen toe te staan, alsmede de op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de betrokkene geboden rechtsgang, waarmee hij vermindering dan wel kwijtschelding van het door het hof vast te stellen bedrag kan verzoeken.


Overschrijding van de redelijke termijn

Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

Het hof stelt wat betreft de berechting in eerste aanleg vast dat op 31 januari 2017 conservatoir beslag is gelegd op goederen en geldbedragen onder de verdachte. Nu het ontnemingsvonnis in eerste aanleg is gewezen op 9 oktober 2023, is in eerste aanleg de redelijke termijn van berechting met 4 jaren en 8 maanden overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn van berechting overschreden met bijna 1 jaar, nu het hoger beroep op 20 oktober 2023 is ingesteld en het hof op 10 september 2026 arrest wijst.

Gelet op deze overschrijdingen acht het hof termen aanwezig om het door de betrokkene te betalen bedrag te verminderen met een bedrag van € 5.000,- per instantie, waardoor de betalingsverplichting wordt vastgesteld op een bedrag van € 306.556,-.

Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit rechtens geldt dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 316.556,00 (driehonderdzestienduizend vijfhonderdzesenvijftig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 306.556,00 (driehonderdzesduizend vijfhonderdzesenvijftig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit arrest is gewezen door, mr. M. Koole als voorzitter, en mr. W.J. van Boven en mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. S. Roos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 september 2026.

Rechtbank Rotterdam 20 december 2018 inzake parketnummer 10-996626-16. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e, 2e lid, Sr d.d. 6 februari 2020 opgemaakt en ondertekend door [naam] , alsmede de daarbij behorende bijlagen. Een proces-verbaal van ambtshandeling analyse jaarrekeningen en verkoop van [bedrijfsnaam 2] d.d. 26 februari 2017 (AMB-209), p. 6800 van het strafdossier. Een geschrift, zijnde een jaarverslag over 2009 betreffende [bedrijfsnaam 2] (DOC-674), p. 4415 e.v. Een geschrift, zijnde een jaarverslag over 2010 betreffende [bedrijfsnaam 2] (DOC-676), p. 4439 e.v. Een geschrift, zijnde een jaarverslag over 2011 betreffende [bedrijfsnaam 2] (DOC-678), p. 4463 e.v.