Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHAMS:2025:2252

Op 26 August 2025 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 23-001311-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2025:2252. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
23-001311-24
Datum uitspraak:
26 August 2025
Datum publicatie:
26 August 2025

Indicatie

Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt een 38-jarige man tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en TBS met dwangverpleging voor doodslag en een poging tot doodslag op twee van zijn onderburen. Onduidelijk is gebleven met welke intentie de verdachte dit heeft gedaan, zodat niet kan worden uitgesloten dat dit in een opwelling en niet met voorbedachte raad is gebeurd. Anders dan de rechtbank acht het hof de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar. Daarmee is er naast TBS met dwangverpleging ook ruimte voor een (beperkte) gevangenisstraf. Het hof wijdt verder overwegingen aan affectieschade in de situatie dat de levenspartner niet samenwoonde met het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001311-24

datum uitspraak: 26 augustus 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2024 in de strafzaak onder het parketnummer 13/192252-23, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

[adres 1] .

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juli en 26 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie en de verdachte hebben op respectievelijk 11 juni 2024 en 12 juni 2024 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Op 14 november 2024 heeft het openbaar ministerie het ingestelde hoger beroep ingetrokken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman, de benadeelde partijen en hun advocaten naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1.hij op of omstreeks 1 augustus 2023 te Amsterdam, [slachtoffer 1] , opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door hem meerdere malen met een mes in de halsstreek en/of borststreek en/of buikstreek en/of elders in het lichaam te steken;

feit 2.hij op of omstreeks 1 augustus 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, van het leven te beroven,- meerdere malen met een mes in de halsstreek en/of elders in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of- meerdere malen met een/dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voorvragen

De dagvaarding is geldig, het hof is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en het openbaar ministerie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Overwegingen

Bewijsoverwegingen

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor het opzettelijk en met voorbedachte raad doden van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte zich enige tijd heeft kunnen beraden en dus niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De advocaat-generaal wijst daartoe op de uitlatingen van de verdachte op X en tegen zijn moeder kort voor het moment dat hij [slachtoffer 1] van het leven beroofde, de uiterlijke verschijningsvorm van het gebeuren alsmede de uitlatingen van de verdachte nadien. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld voor de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het procesdossier in beide zaken geen wettig en overtuigend bewijs biedt voor het bestanddeel voorbedachte raad en heeft het hof daarom verzocht de verdachte vrij te spreken van de moord op [slachtoffer 1] en de poging moord op [slachtoffer 2] . Niet is vast te stellen wat er aan de geweldsuitbarsting vooraf is gegaan. Van een nadrukkelijk wilsbesluit van de verdachte en de gelegenheid daarover na te denken is niet gebleken; ook niet op grond van de uiterlijke verschijningsvorm. Daarnaast zijn er meerdere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad waaronder de korte tijdspanne.

Het oordeel van het hof

Het hof gaat, evenals de rechtbank, op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 1 augustus 2023 omstreeks 8:43 uur werden verbalisanten naar de woning aan de [adres 2] gestuurd. In deze woning zou een steekincident hebben plaatsgevonden. Ter plaatse gekomen zagen de verbalisanten de verdachte op het balkon van de woning staan met een groot keukenmes in zijn hand en een wit bebloed T-shirt aan. De verdachte maakte zwaaiende bewegingen met het mes en riep meermaals dat hij iemand had doodgestoken en dat die persoon dat verdiende. De verbalisanten werden door omstanders gewezen op een man die onder het bloed zat en die zich bevond in de bergruimte van de [adres 3] . Dit betrof [slachtoffer 2] . Hij verklaarde dat hij die ochtend in zijn woning op het adres [adres 2] was, hij zijn huisgenoot [slachtoffer 1] groette die die ochtend was teruggekomen van zijn vriendin en vlak daarna lawaai hoorde in een andere kamer. Toen hij ging kijken zag hij zijn huisgenoot [slachtoffer 1] op diens bed liggen met de bovenbuurman bovenop hem. De bovenbuurman had een keukenmes in zijn hand waarmee hij [slachtoffer 1] had gestoken. [slachtoffer 2] verklaarde verder dat [slachtoffer 1] hulp nodig had en dat hij zelf ook door de bovenbuurman was gestoken toen hij in een een-op-een-gevecht met de verdachte belandde. [slachtoffer 2] had een handdoek om zijn nek en verloor veel bloed. Kort daarna is de verdachte op het balkon van de woning verschenen en vervolgens naar beneden gekomen en door de verbalisanten aangehouden. Na de aanhouding van de verdachte zijn de verbalisanten de woning binnengegaan. Bij het betreden van de woning zagen zij [slachtoffer 1] in zijn slaapkamer lijkbleek en levenloos op bed liggen, omringd door grote hoeveelheden bloed. Na een poging tot reanimatie werd vastgesteld dat [slachtoffer 1] was overleden.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Evenals de rechtbank stelt het hof vast dat de verdachte [slachtoffer 1] meerdere malen met een keukenmes heeft gestoken en dat [slachtoffer 1] als gevolg daarvan is overleden. Het hof dient te beoordelen of de verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd en of daarbij sprake is geweest van voorbedachte raad.

Opzet op het doden van [slachtoffer 1]

Toen [slachtoffer 2] , nadat hij geschreeuw en gebonk hoorde, de slaapkamer van [slachtoffer 1] binnenging, zag hij de verdachte met een keukenmes in zijn hand bovenop [slachtoffer 1] liggen. [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] en de verdachte in gevecht waren en dat er erg veel bloed op het bed lag. Zoals blijkt uit het forensisch pathologisch onderzoek is door de verdachte meerdere malen met een keukenmes in de halsstreek, borststreek, buikstreek en andere plekken van het lichaam van [slachtoffer 1] gestoken. Dit heeft geresulteerd in meerdere steekletsels, waarbij ook vitale structuren van [slachtoffer 1] zijn lichaam zijn geraakt. Één van de steekletsels had een diepte van circa 10 centimeter. Gelet op de hoeveelheid letsels, de diepte van de diverse steekwonden en de plekken op het lichaam van [slachtoffer 1] waar die letsels door de verdachte zijn toegebracht, is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verdachte (vol) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , en dat zijn handelen daarop gericht was.

Geen voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De aanwezigheid van een psychische stoornis hoeft niet in de weg te staan aan het aannemen van voorbedachte raad.

Omdat de verdachte geen verklaring over de tenlastegelegde feiten heeft willen afleggen en daarmee geen inzicht kon worden verkregen in wat zich voorafgaand en gedurende de feiten in het hoofd van de verdachte afspeelde, dient het hof de vraag of sprake was van voorbedachte raad aan de hand van de uiterlijke verschijningsvorm en de overige bewijsmiddelen in het procesdossier te beoordelen.

Aan de hand daarvan kan het hof niet méér vaststellen dan dat de verdachte enkele minuten na het thuiskomen van [slachtoffer 1] boven op hem zat in diens slaapkamer. Hij had op dat moment [slachtoffer 1] reeds gestoken met een mes dat soortgelijk is aan messen die in de keuken van de verdachte zijn aangetroffen. Uit het voorgaande maakt het hof op dat de verdachte met een door hem meegebracht mes de woning en vervolgens slaapkamer van [slachtoffer 1] binnen is gekomen.

Onduidelijk is gebleven met welke intentie de verdachte dit heeft gedaan en wanneer hij besloten heeft [slachtoffer 1] (dodelijk) te gaan steken. De uitlatingen van de verdachte voorafgaand aan het feit jegens zijn moeder en op X zijn niet eenduidig te interpreteren en wijzen weliswaar op een opbouw in zijn agressie in het algemeen, maar niet op een concreet plan om [slachtoffer 1] te doden. De omstandigheid dat de verdachte - volgens zijn moeder - dacht dat [slachtoffer 1] hem stalkte, is daarvoor eveneens onvoldoende. Ook de uitlatingen van de verdachte na het feit, terwijl hij op het balkon stond, wijzen niet noodzakelijkerwijs op een dergelijk plan vooraf. Daarbij is ook niet duidelijk geworden hoe en wanneer de verdachte de woning van [slachtoffer 1] is binnengekomen. Het voorgaande maakt dat de tijd die de verdachte heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of al genomen besluit om [slachtoffer 1] te doden niet kan worden vastgesteld.

Het hof is van oordeel dat de ‘voorbedachte raad’ bij die stand van zaken niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het bestanddeel voorbedachte raad en daarmee van de moord op [slachtoffer 1] . Het hof acht de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 1] wel wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad geprobeerd heeft om [slachtoffer 2] om het leven te brengen. Het hof zal de verdachte vrijspreken van het bestanddeel voorbedachte raad en daarmee van de poging moord op [slachtoffer 2] . Het hof acht de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 2] wel wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1

hij op 1 augustus 2023 te Amsterdam, [slachtoffer 1] , opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door hem meerdere malen met een mes in de halsstreek en borststreek en buikstreek en elders in het lichaam te steken;

feit 2

hij op 1 augustus 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven,

- meerdere malen met een mes in de halsstreek en elders in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof acht de ten laste gelegde feiten en omstandigheden bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage, zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder feit 1 bewezenverklaarde levert op:

doodslag

Het onder feit 2 bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en om deze reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het openbaar ministerie conformeert zich in hoger beroep in dit opzicht aan de conclusies van de rechtbank hierover.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht het oordeel van de rechtbank over de strafbaarheid te volgen en de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging. In dit verband verwijst de raadsman ook naar het procesdossier, meer specifiek hetgeen daaruit blijkt omtrent het gedrag van de verdachte in aanloop naar de gebeurtenissen op 1 augustus 2023, de gebeurtenissen zelf, het gedrag van de verdachte nadien, de vele rapportages over de verdachte en het optreden van de verdachte ter zitting, zowel bij de behandeling in eerste aanleg, als in hoger beroep.

Oordeel van het hof

Juridisch kader

In het Nederlandse strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Een strafbaar feit kan daarom in beginsel aan de verdachte worden toegerekend. De uitzondering daarop is neergelegd in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In dat artikel is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend. Het gaat bij ontoerekenbaarheid om een exceptie, een uitzondering op het uitgangspunt dat iemand die zich schuldig maakt aan een strafbaar feit daarvoor kan worden gestraft. Een dergelijke uitzondering kan niet licht worden aanvaard. Indien en voor zover aan een verdachte zijn daden verminderd zijn aan te rekenen, zal dit bij de strafoplegging als strafverminderende omstandigheid gelden.

De vraag naar de toerekenbaarheid is een juridische vraag. Het gaat om het vaststellen van een strafuitsluitingsgrond en de vaststelling of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan is een juridisch oordeel dat voorbehouden is aan de strafrechter. Bij de beantwoording van die vraag kan de strafrechter gebruik kan maken van adviezen van gedragsdeskundigen.

Om (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen moet voldaan worden aan drie vereisten. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. In de tweede plaats moet er een causaal verband bestaan tussen deze stoornis, aandoening of handicap en het tenlastegelegde delict. Ten slotte moet deze stoornis, aandoening of handicap zodanig zijn dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staan. Wat die laatste eis betreft, stelt het hof vast dat alleen als de stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap van de verdachte tot gevolg heeft dat hij de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van het feit niet kan begrijpen of, als hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wél begrijpt, maar niet in overeenstemming met dat besef kan handelen, (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid aan de orde kan zijn.

Het advies van de gedragsdeskundigen

Het hof heeft (onder meer) kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van de deskundigen [deskundige 1] (psycholoog), [deskundige 2] (psychiater) en [deskundige 3] (psychiater) van het Pieter Baan Centrum (verder: PBC) van 10 april 2024. In deze rapportage wordt het navolgende geconcludeerd. De verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, die zich uit in de aanwezigheid van paranoïde wanen. De wanen en hallucinaties zijn bij de verdachte begonnen in zijn adolescentie en zijn sindsdien in meer en mindere mate aanwezig, waarbij de ernst hiervan in de loop der jaren is toegenomen. In het zeer uitgebreide waansysteem van de verdachte zijn onder andere justitie, politie, familie en onbekenden geïncludeerd. Daarnaast komt uit collaterale informatie naar voren dat de verdachte hallucinaties heeft (gehad). Duidelijk is dat de verdachte langer bestaande waanideeën heeft die daags voor de gepleegde strafbare feiten aanwezig waren. Dit leidde uiteindelijk tot de door hem gepleegde strafbare feiten. Het is volgens de deskundigen niet uit te sluiten dat de verdachte volledig vanuit de psychotische stoornis heeft gehandeld. Omdat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek is het de deskundigen niet bekend of de verdachte handelde uit angst en/of in opdracht van stemmen. Gelet op de ernst van de vastgestelde pathologie, is het klinisch aannemelijk dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde (mede) gestuurd werd door zijn psychotische belevingen, gezien de verdachte zijn sterke paranoïde overtuigingen. Omdat de verdachte zich vrijwel niet kan onttrekken aan de invloed die zijn psychotisch bepaalde gedachtewereld op zijn gedragingen heeft, ook ten tijde de ten laste gelegde strafbare feiten, adviseren de deskundigen om de verdachte de ten laste gelegde feiten ten minste in verminderde mate toe te rekenen.

Op de zitting op 26 april 2024, in eerste aanleg, heeft de psycholoog ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid aangegeven dat zij volledig ontoerekeningsvatbaarheid niet kan concluderen, omdat zij geen volledige delictanalyse heeft kunnen verkrijgen doordat zij de feiten niet met de verdachte heeft kunnen bespreken wegens zijn weigering om mee te werken aan het onderzoek. Zij acht de verdachte vanwege de ernst van de pathologie in ieder geval (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar.

Beoordeling

Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting, ziet het hof de verdachte als een persoon die onder invloed van zijn psychische stoornis in een andere, parallelle werkelijkheid leeft. Verdachte leefde al lange tijd, zowel in aanloop naar de gepleegde strafbare feiten als tijdens het plegen daarvan en ook in de periode daarna, in een zeer uitgebreide en continue waanwereld, waarin verschillende mensen, waaronder zeer waarschijnlijk ook zijn onderburen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , werden geïncludeerd. In het rapport van het PBC wordt uitgebreid beschreven hoe de verdachte in de loop der jaren (met enige betere periodes tussendoor) steeds meer is ontregeld en steeds meer psychotisch gedrag liet zien. Ook vertoonde de verdachte steeds meer dreigend en agressief gedrag. Zoals blijkt uit de verklaringen van zijn moeder, ging het de dag voor het tenlastegelegde erg slecht met de verdachte.

Hoewel er periodes bestaan waarin het beter lijkt te gaan met (de psyche van) de verdachte, zoals ook blijkt uit een recent schrijven van de casemanager van de Penitentiaire Inrichting waar de verdachte thans op een reguliere afdeling verblijft, heeft het hof op de terechtzitting van 29 juli 2025 waargenomen dat verdachte nog steeds in zijn waanwereld leeft. Verdachte verklaarde – evenals bij de rechtbank - in een complot te zijn beland, dat het strafproces bij de hof - net als bij de rechtbank - een schijnproces en het hof een ‘apartheidsrechtbank’ is. Hij vertelde te zijn ontvoerd en dat hij de afgelopen tien jaar steeds via zijn voedsel en tabak werd vergiftigd. Verdachte bleef op vragen van het hof herhalen dat alles al bij iedereen bekend was. Evenals de rechtbank, is het ook het hof niet gelukt om een inhoudelijk gesprek met de verdachte over de ten laste gelegde feiten te voeren.

Omdat verdachte zich vrijwel niet kan onttrekken aan de invloed die zijn psychotisch bepaalde gedachtewereld op zijn gedragingen heeft, adviseren de deskundigen om de verdachte de ten laste gelegde feiten ten minste in verminderde mate toe te rekenen. Met de deskundigen is het hof van oordeel dat het beantwoorden van de vraag over de toerekenbaarheid van verdachte wordt bemoeilijkt door zijn weigerachtige houding om mee te werken aan het onderzoek. Daarbij heeft het hof er oog voor dat die weigering (mede) kan zijn ingegeven door zijn pathologie. Het hof kan niet vaststellen of zijn proceshouding hierin ook een rol speelt. Het hof neemt de conclusie van de deskundigen over de aanwezigheid van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis (die zich uit in de aanwezigheid van paranoïde wanen) bij verdachte en de doorwerking daarvan ten tijde van de gepleegde strafbare feiten, over.

Naast de weigering om zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek in het [Naam van Centum] , stelt het hof vast dat de verdachte zich op geen enkel moment gedurende de procedure heeft uitgelaten over wat er in zijn visie gebeurd is op 1 augustus 2023.

Anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging vindt het hof in de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - en mede in het licht van het gegeven dat volledige ontoerekeningsvatbaarheid als een exceptie moet worden beschouwd - onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van de feiten in het geheel niet heeft kunnen begrijpen of, voor zover hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wél begreep, in het geheel niet in overeenstemming met dat besef heeft kunnen handelen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat ook het gedrag van de verdachte en zijn uitlatingen direct na het plegen van de feiten mede ondersteunt en dat er bij hem wel enig besef aanwezig was omtrent de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van zijn handelen.

Conclusie

Dit brengt het hof op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting tot het oordeel dat ten tijde van de door de verdachte gepleegde feiten bij hem sprake was van de bestaande stoornis, waardoor deze feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De op te leggen straf en maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van ter beschikking stelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting primair bepleit dat in geval het hof komt tot enige toerekenbaarheid wordt volstaan met het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de duur van een op te leggen gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest.

Oordeel van het hof

De ernst van de feiten

De verdachte heeft [slachtoffer 1] , in zijn eigen slaapkamer, onverhoeds en op zeer brute wijze van het leven beroofd door hem vele malen met een mes te steken/snijden, ook op vitale plaatsen. [slachtoffer 1] had nog een heel leven voor zich. Het staat buiten kijf dat het door de verdachte tegen hem gepleegde misdrijf buitengewoon schokkend is.

Toen [slachtoffer 2] verdachte met het keukenmes bovenop [slachtoffer 1] aantrof, heeft hij geprobeerd zijn vriend en huisgenoot te redden. Hij heeft toen moeten vechten voor het leven van [slachtoffer 1] en van zichzelf. De verdachte heeft geprobeerd om ook [slachtoffer 2] te doden door hem meermaals te steken, waaronder in zijn nek. [slachtoffer 2] heeft het geweld ternauwernood overleefd. Hij heeft uiteindelijk moeten vluchten, waarbij hij [slachtoffer 1] heeft moeten achterlaten. Dat dit toen en nog altijd verschrikkelijk voor [slachtoffer 2] is, blijkt uit zijn ter zitting in hoger beroep voorgedragen indrukwekkende spreekrechtverklaring. Alleen al door zijn blijvende letsel en littekens wordt hij hiermee nog iedere dag geconfronteerd.

Het handelen van de verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer 1] en het slachtoffer [slachtoffer 2] ernstig geschokt en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Aan hen is een onherstelbaar verlies, een groot verdriet en heel veel leed toegebracht. Dat blijkt ook uit de door de nabestaanden van [slachtoffer 1] ter zitting afgelegde verklaringen. Op indringende wijze hebben de partner van [slachtoffer 1] en zijn vader ter zitting naar voren gebracht wat de impact van deze gruwelijke feiten op hun leven is. Het heeft er overigens mede toe geleid dat de ouders van [slachtoffer 1] zich ten doel hebben gesteld meer maatschappelijke en politieke aandacht te vragen voor het maatschappelijke probleem en gevaar rondom verwarde personen. In dat verband valt te hopen dat gevolg zal worden gegeven aan aanbevelingen uit het - het aan het strafdossier toegevoegde - onderzoeksrapport “Onderzoek aanloop dodelijke steekincident Amsterdam” van de gemeente Amsterdam.

Straf en maatregel

Nu de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt verklaard, staat voorop dat hij (zo nodig zeer langdurig) zal moet worden behandeld in een beveiligde omgeving. Het hof is, met de advocaat-generaal, de verdediging en de rechtbank, van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte wordt behandeld binnen het kader van een terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a Sr (TBS met dwangverpleging). Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van de voornoemde rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de bijzondere ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof acht een dergelijke verpleging aangewezen, nu het gevaar voor herhaling groot is en het, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, niet verantwoord is de verdachte, zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd - waartoe klinische behandeling een bijdrage zou kunnen leveren - in de maatschappij te laten terugkeren.

De door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vanwege het ernstig gevaar van recidive, eist de oplegging van deze maatregel, waarvoor aan alle eisen die de artikelen 37a en 37b Sr stellen is voldaan.

Omdat de verdachte misdrijven heeft begaan gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van zijn slachtoffers is de termijn van de terbeschikkingstelling niet gemaximeerd tot vier jaren op grond van artikel 38e eerste lid Sr.

Nu het hof niet komt tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid is daarnaast een vorm van vergelding in verband met de ernst van de feiten naar het oordeel van het hof passend en geboden. Het hof is van oordeel dat, indien geen sprake was geweest van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, een gevangenisstraf van 15 jaren voor beide feiten passend en geboden zou zijn. Omdat de verdachte in veel mindere mate verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn gedrag en de TBS-maatregel ook reeds (langdurige) vrijheidsbeneming met zich zal brengen, is een substantieel lagere strafoplegging hier passend. Gelet op het voorgaande zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren (met aftrek van voorarrest) opleggen.

Beslag

De volgende goederen zijn in beslag genomen onder de verdachte en nog niet aan hem geretourneerd:

1 mes

1 stuk kleding (broek) en

1 stuk kleding (shirt).

De rechtbank oordeelde dat het mes dient te worden onttrokken aan het verkeer en de kleding verbeurd dient te worden verklaard.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat voornoemde goederen verbeurd worden verklaard.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de verdachte wenst dat deze goederen bewaard worden.

Het hof oordeelt als volgt.

Het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes. Dit mes behoort de verdachte toe. Het zal daarom verbeurd worden verklaard.

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen kledingstukken, een broek en een shirt, nu deze aan de verdachte toebehoren en het belang van strafvordering zich hier niet tegen verzet.

Vorderingen benadeelde partijen

De nabestaanden van [slachtoffer 1] en het slachtoffer [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd.

De nabestaanden van [slachtoffer 1]

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (de vader van [slachtoffer 1] )

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 55.623,72, bestaande uit € 13.123,72 aan materiële schade en € 42.500,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is als volgt samengesteld:

Materiële schade

Kosten van lijkbezorging € 10.999,04

Kosten kleding van [slachtoffer 1] € 244,27

Kosten voor psychologische ondersteuning € 1.565,79

Reis-en parkeerkosten € 314,62

Subtotaal € 13.123,72

Immateriële schade

Shockschade € 25.000,00

Affectieschade € 17.500,00

Subtotaal € 42.500,00

TOTAAL € 55.623,72

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (de moeder van [slachtoffer 1] )

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 44.065,79 bestaande uit € 1.565,79 aan materiële schade en € 42.500,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is als volgt samengesteld:

Materieel

Kosten voor psychologische ondersteuning € 1.565,79

Subtotaal € 1.565,79

Immaterieel

Shockschade € 25.000,00

Affectieschade € 17.500,00

Subtotaal € 42.500,00

TOTAAL € 44.065,79

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (de partner van [slachtoffer 1] )

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 43.568,13 bestaande uit € 1.068,13 aan materiële schade en € 42.500,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is als volgt samengesteld:

Materieel

Kosten voor psychologische ondersteuning € 1.068,13

Subtotaal € 1.068,13

Immaterieel

Shockschade € 25.000,00

Affectieschade € 17.500,00

Subtotaal € 42.500,00

TOTAAL € 43.568,13

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (de broer van [slachtoffer 1] )

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 35.414,98 bestaande uit € 10,414,98 aan materiële schade en € 25.000,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is als volgt samengesteld:

Materieel

Kosten voor psychologische ondersteuning € 2.214,98

Studievertraging € 8.200,00

Subtotaal € 10.414,98

Immaterieel

Shockschade € 25.000,00

Subtotaal € 25.000,00

TOTAAL € 35.414,98

Deze vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen. De advocaat van de nabestaanden van [slachtoffer 1] heeft ter terechtzitting een nadere toelichting op de vorderingen gegeven.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting het hof geadviseerd deze vorderingen in hun geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft ter terechtzitting de materiële posten van de nabestaanden niet betwist. Wel heeft hij de door [slachtoffer 5] gevorderde post affectieschade betwist. Hij wijst daartoe op het feit dat de relatie die zij met [slachtoffer 1] had niet valt te scharen onder de wettelijke hardheidsclausule. Tevens heeft de raadsman de door de nabestaanden gevorderde post shockschade betwist, een en ander zoals verwoord in zijn schriftelijke pleitaantekeningen.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade hebben geleden tot na te melden bedragen. Hetgeen door de verdediging niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot die bedragen zullen worden toegewezen.

Immateriële schade

Shockschade

De vader, de moeder, de broer en de partner van het slachtoffer [slachtoffer 1] hebben ieder € 25.000,00 aan shockschade gevorderd.

Bij de beoordeling van dit deel van de vordering dient het hof in het kader van het vaststellen van de onrechtmatigheid van het handelen van de verdachte ten opzichte van de nabestaanden (onder meer) de volgende gezichtspunten in acht te nemen (HR:2022:958, rechtsoverweging 3.5):

- de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;

- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis;

- de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

Het hof stelt mede in het licht van deze gezichtspunten het volgende vast.

Het slachtoffer is door de verdachte op brute wijze en volkomen onverwacht met vele messteken in zijn eigen woning om het leven gebracht. Dit is een zeer ernstig levensdelict. De verdachte heeft met (vol) opzet gehandeld. Hoewel hij handelde onder sterke invloed van een waan, maakt dit het feit niet minder schokkend.

De nabestaanden zijn met de gevolgen van het doden van het slachtoffer vlak daarna geconfronteerd geweest doordat zij hem in het mortuarium hebben gezien, waarbij ook zichtbaar was dat het slachtoffer verwondingen had opgelopen (hoewel deze waren afgedekt). Dit bezoek was onverplicht en voorbereid. Daarmee was de confrontatie met het lichaam niet ‘onverhoeds’. Enige tijd daarna hebben nabestaanden echter ook de woning nog bezocht om spullen van het slachtoffer veilig te stellen. Ook daar zijn zij geconfronteerd met de gevolgen, onder meer in de vorm van nog aanwezige bloedsporen. Alle nabestaanden die shockschade hebben gevorderd, staan (ieder op hun eigen manier) in een nauwe relatie tot het slachtoffer.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat op basis van deze gezichtspunten kan worden geconcludeerd dat de verdachte ook onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de nabestaanden.

Dat geen sprake is van een directe confrontatie met de gevolgen van het levensdelict doet daaraan niet af. Daarbij weegt het hof in hoge mate de aard en de ernst van het delict mee.

Naar het oordeel van het hof is voorts voldoende onderbouwd dat het vastgestelde geestelijk letsel in die mate is veroorzaakt door de confrontatie met de gevolgen, dat de gevorderde bedragen redelijk en daarmee toewijsbaar zijn. Dat de nabestaanden ook recht hebben op affectieschade leidt – met name vanwege de andere grondslag van het recht op vergoeding daarvan - niet tot een ander oordeel. Matiging zoals door de verdediging is bepleit, acht het hof in dit geval niet aan de orde.

Affectieschade [slachtoffer 5]

, de partner van het slachtoffer, heeft een bedrag aan affectieschade gevorderd van

€ 17.500,00.

Bij de beoordeling van de vraag of de benadeelde partij in dit geval aanspraak kan maken op toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule ex artikel 6:108, vierde lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: B.W.) is de aard, de intensiteit, de duur en de (te verwachten) bestendigheid van haar relatie met het overleden slachtoffer van belang. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij een al enkele jaren durende (zeer) hechte (liefdes)relatie had met het slachtoffer en dat zij en het slachtoffer plannen hadden om deze relatie in de toekomst verder te bestendigen. In de vordering acht het hof afdoende onderbouwd dat in dit geval sprake is van een situatie waarin de benadeelde partij op één lijn kan worden gesteld met de andere ‘naasten’ zoals die in artikel 6:108 worden genoemd (vergelijk in dit verband ook het voorbeeld dat aan de wetsgeschiedenis kan worden ontleend en dat wordt genoemd in PHR:2025:415 onder overweging 4.15 ‘langdurige, hechte (LAT)relatie’).

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal de toe te wijzen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de verdachte de schade vergoedt die hij rechtstreeks aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] heeft toegebracht, zal het hof ten behoeve van hen de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 131.124,60 bestaande uit € 33.624,60 aan materiële schade en € 97.500,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is als volgt samengesteld:

Materieel

a. Kosten voor eigen risico € 385,00

b. Kosten ziekenhuisopname € 210,00

c. Kosten medische hulpmiddelen € 106,86

d. Kosten kleding € 139,96

e. Kosten aanschaf goederen (i.v.m. verzegeling woning) € 176,98

f. Kosten i.v.m. gemist examen € 280,00

g. Verhuiskosten € 18.989,03

bestaande uit:

ad 1 Huur verhuisbusje € 197,75

ad 2 Courtage makelaar € 3.761,26

ad 3 Overdrachtsbelasting € 10.030,02

ad 4 Forfaitair bedrag i.v.m. aanschaf meubels € 5.000,00

h. Schade i.v.m. gestolen goederen € 921,91

i. Kosten i.v.m. bestelde maaltijden € 383,88

j. Kosten i.v.m. huishoudelijk hulp € 490,50

k. Reiskosten i.v.m. behandeling en reiskosten ouders € 1.540,48

l. Toekomstige kosten € 10.000,00

Subtotaal € 33.624,60

Immaterieel

m. Immateriële schadevergoeding i.v.m. eigen letsel € 50.000,00

n. Shockschade € 30.000,00

o. Affectieschade € 17.500,00

Subtotaal € 97.500,00

TOTAAL € 131.124,60

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep wat betreft de materiële schade ten dele toegewezen, ten dele afgewezen (de gevorderde kosten in verband met de gestolen goederen) en de benadeelde partij is ten dele niet ontvankelijk verklaard (de toekomstige kosten). Wat betreft de immateriële schade is de vordering in eerste aanleg ten dele toegewezen en is de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd waarbij de advocaat van de benadeelde partij heeft opgemerkt dat de post ten aanzien van de gestolen goederen wordt ingetrokken en dat er vanuit wordt gegaan dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de post toekomstige medische (reis)kosten.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting het hof geadviseerd op deze vordering te beslissen conform de rechtbank in eerste aanleg behalve ten aanzien van de post immateriële schade in verband met eigen letsel. De advocaat-generaal adviseert het hof deze post, anders dan de rechtbank in het geheel toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de navolgende posten: het eigen risico, de ziekenhuisopname, de medische hulpmiddelen, de kleding, de aanschaf van nieuwe goederen in verband met de verzegeling van de woning, het gemiste examen en de bestelde maaltijden. Ten aanzien van de posten schade in verband met gestolen goederen, kosten in verband met de verhuizing, schade in verband met de huishoudelijke hulp, reiskosten van de ouders en toekomstige schade heeft de raadsman bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de post affectieschade en de gevorderde bedragen voor shockschade en de immateriële schade gelet op het eigen letsel (tot € 30.000,00 subsidiair € 40.000,00) te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 17.702,69.

Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

a. kosten voor eigen risico € 385,00

b. kosten ziekenhuisopname € 210,00

c. kosten medische hulpmiddelen € 106,86

d. kosten kleding € 139,96

e. kosten aanschaf goederen (i.v.m. verzegeling woning) € 176,98

f. kosten i.v.m. gemist examen € 280,00

g. huur verhuisbusje € 197,75

courtage makelaar €3.761,26

overdrachtsbelasting €10.030,02

i. kosten i.v.m. bestelde maaltijden € 383,88

j. kosten i.v.m. huishoudelijk hulp € 490,50

k. reiskosten i.v.m. behandeling en reiskosten ouders € 1.540,48

De posten onder a, b, c, d, e, f en i zijn door de verdediging niet betwist.

Ten aanzien van de verhuiskosten, de kosten van de huishoudelijke hulp en de reiskosten overweegt het hof als volgt.

De verhuiskosten: het hof acht de kosten van de huur van het verhuisbusje, de courtage en de overdrachtsbelasting toereikend gemotiveerd en voldoende onderbouwd en zal deze toewijzen. De gevorderde kosten voor aanschaf van meubels acht het hof onvoldoende onderbouwd. De behandeling van deze posten van de vordering levert daarmee een onevenredige belasting van het strafproces op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De kosten voor huishoudelijke hulp: het hof overweegt dat voldoende vaststaat dat de benadeelde partij gedurende een zestal weken schade heeft geleden in de vorm van kosten voor huishoudelijke hulp. Door het handelen van de verdachte heeft de benadeelde partij met de ene arm 6 weken in het gips gezeten en met de andere arm 3 weken, waarna het gips werd vervangen door een spalk. Gedurende de eerste drie weken is daarom sprake geweest van zwaar beperkt letsel als bedoel in de Richtlijn Huishoudelijke hulp van de Letselschade Raad en in de volgende drie weken van matig beperkt letsel. Dit deel van vordering komt om deze reden toewijzing in aanmerking.

De reis- en parkeerkosten van zowel de benadeelde partij als diens ouders; het hof overweegt, evenals de rechtbank, dat ook de reis- en parkeerkosten van de ouders van [slachtoffer 2] voor toewijzing in aanmerking komen. Als gevolg van het bewezenverklaarde was [slachtoffer 2] immers niet in staat zelfstandig naar zijn afspraken voor medische behandelingen te reizen, zodat zijn ouders hem daar met de auto naar toe moesten brengen. De als gevolg hiervan gemaakte kosten zijn te kwalificeren als kosten gemaakt wegens zaakwaarneming (artikel 6:198 B.W.) die, hoewel zij in eerste instantie zijn gedragen door de ouders van [slachtoffer 2] , op grond van artikel 6:200 B.W. voor rekening van [slachtoffer 2] kwamen en daarom door hem kunnen worden gevorderd en vergoed.

Ten aanzien van de toekomstige kosten zal de benadeelde partij door het hof, evenals door de rechtbank, niet-ontvankelijk worden verklaard nu niet vaststaat dat dit schade is die daadwerkelijk is geleden.

Tot slot overweegt het hof ten aanzien van de post ‘schade in verband met gestolen goederen’ dat deze in hoger beroep niet langer gehandhaafd is zodat deze post niet ter beoordeling aan het hof voorligt.

Concluderend zal het hof de vordering ter zake van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 17.702,69.

Immateriële schade

a. Immateriële schadevergoeding in verband met eigen letsel

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade in verband met eigen letsel overweegt het hof dat de begroting van de immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts heeft het hof bij de begroting gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de door verdachte gepleegde feiten naast ernstig letsel, grote impact op [slachtoffer 2] hebben gehad. [slachtoffer 2] heeft moeten vechten voor het leven van [slachtoffer 1] en voor zijn eigen leven. Hij is ternauwernood aan de dood ontsnapt. Uit de vordering, de schriftelijke toelichting daarop, de pleitaantekeningen en de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep volgt dat sprake was van ernstig letsel, langdurig en mogelijk geen volledig herstel en een grote impact op het leven van [slachtoffer 2] . Rouw, constante alertheid en het ontbreken van een gevoel van veiligheid zijn tot op de dag van vandaag [slachtoffer 2] zijn dagelijkse realiteit. De beslissing om de woning te ontvluchten terwijl [slachtoffer 1] daar heftig bloedend met de agressieve en gewapende verdachte achterbleef, is een open wond. En de fysieke littekens herinneren hem dagelijks aan de nachtmerrie die heeft plaats gevonden.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, begroot het hof de immateriële schadevergoeding in verband met eigen letsel naar billijkheid op € 50.000,00. Het hof zal dit deel van de vordering in zijn geheel toewijzen. Het hof heeft bij de begroting meegewogen wat door rechters in Nederland in soortgelijke gevallen aan vergoeding voor immateriële schade is toegekend. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof geen aanleiding tot matiging van het toe te kennen bedrag.

Shockschade

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van shockschade is overwogen volgt dat de aanspraak op vergoeding van shockschade kan bestaan indien de degene die een ander doodt ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens degene bij wie de confrontatie met die onrechtmatige daad daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt.

De benadeelde partij is er getuige van geweest dat de verdachte met groot keukenmes op zijn vriend en huisgenoot lag en dat er een grote hoeveelheid bloed was. Tevergeefs heeft hij getracht [slachtoffer 1] te hulp te schieten. Nadat de buurman zijn agressie vervolgens op hem richtte, kon hij niet anders dan de woning ontvluchten. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de confrontatie met de steekpartij die heeft geresulteerd in de dood van [slachtoffer 1] de benadeelde partij hevig heeft geschokt en shockschade heeft veroorzaakt. Mede gelet hierop alsmede de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt zal het hof alle omstandigheden in aanmerking genomen de shockschade naar billijkheid begroten op € 30.000,00 en de vordering, voor dit deel, geheel toewijzen. Het hof heeft bij de begroting meegewogen wat door rechters in Nederland in soortgelijke gevallen aan vergoeding voor shockschade is toegekend. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof geen aanleiding tot matiging van het toe te kennen bedrag.

Affectieschade

Het is naar het oordeel van het hof evident dat de benadeelde partij een hechte vriendschapsrelatie had met [slachtoffer 1] ; zij deelden zelfs al twee jaar een woning. Evenzo evident is dat de benadeelde partij heel veel pijn en verdriet heeft ondervonden en nog steeds ondervindt door de dood van [slachtoffer 1] . De wetgever heeft echter grenzen gesteld aan de kring van personen die gerechtigd zijn om affectieschade te vorderen. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet onder artikel 6:108, vierde lid, onder g, van het B.W. is te scharen. De gevorderde affectieschade zal om deze reden door het hof worden afgewezen.

Conclusie

De verdachte is tot vergoeding van bovengenoemde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vorderingen tot die bedragen zullen worden toegewezen. Het hof zal de toe te wijzen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de verdachte de schade vergoedt die hij rechtstreeks aan de benadeelde partij heeft toegebracht, zal het hof ten behoeve van benadeelde partij de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33a, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287 van het Wetboek van strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 stk kleding broek ( omschrijving goed: PL1300-2023173764-G6375699)

1 stk kleding shirt ( omschrijving goed: PL1300-2023173764-G6375700)

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 stk mes (omschrijving goed: PL1300-2023173764-G6375850)

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (de vader van [slachtoffer 1] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 55.623,72 (vijfenvijftigduizend zeshonderd en drieëntwintig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 13.123,72 (dertienduizend honderddrieëntwintig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 55.623,72 (vijfenvijftigduizendzeshonderd en drieëntwintig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 13.123,72 (dertienduizendhonderddrieëntwintig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 73 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (de moeder van [slachtoffer 1] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 44.065,79 (vierenveertigduizend en vijfenzestig euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 1.565,79 ( vijftienhonderd en vijfenzestig euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening .

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 44.065,79 (vierenveertigduizendenvijfenzestig euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 1.565,79 (vijftienhonderdvijfenzestig euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizendenvijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (de partner van [slachtoffer 1] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 43.568,13 (drieënveertigduizend en vijfhonderdenachtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 1.068,13 (duizendachtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van €43.568,13 (drieënveertigduizend en vijfhonderden achtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit

€ 1.068,13 (duizend en achtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (de broer van [slachtoffer 1] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 35.414,98 (vijfendertigduizend en vierhonderdveertien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 10.414,98 (tienduizend en vierhonderdenveertien euro en achtennegentig cent) en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] , ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 35.414,98 (vijfendertigduizend en vierhonderdveertien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 10.414,98 (tienduizend en vierhonderdenveertien euro en achtennegentig cent) en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 47 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 97.702,69 (zevenennegentigduizend zevenhonderdtwee euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 17.702,69 (zeventienduizend zevenhonderdtwee euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 80.000,00 (tachtigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het forfaitaire bedrag voor aanschaf van meubels niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 97.702,69 (zevenennegentigduizend zevenhonderdtwee euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 17.702,69 (zeventienduizend zevenhonderdtwee euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 80.000,00

(tachtigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 129 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. C.J. van der Wilt en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 augustus 2025.

[… 2]

[… 2]

[… 2]