Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en om deze reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het openbaar ministerie conformeert zich in hoger beroep in dit opzicht aan de conclusies van de rechtbank hierover.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht het oordeel van de rechtbank over de strafbaarheid te volgen en de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging. In dit verband verwijst de raadsman ook naar het procesdossier, meer specifiek hetgeen daaruit blijkt omtrent het gedrag van de verdachte in aanloop naar de gebeurtenissen op 1 augustus 2023, de gebeurtenissen zelf, het gedrag van de verdachte nadien, de vele rapportages over de verdachte en het optreden van de verdachte ter zitting, zowel bij de behandeling in eerste aanleg, als in hoger beroep.
Juridisch kader
In het Nederlandse strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Een strafbaar feit kan daarom in beginsel aan de verdachte worden toegerekend. De uitzondering daarop is neergelegd in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In dat artikel is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend. Het gaat bij ontoerekenbaarheid om een exceptie, een uitzondering op het uitgangspunt dat iemand die zich schuldig maakt aan een strafbaar feit daarvoor kan worden gestraft. Een dergelijke uitzondering kan niet licht worden aanvaard. Indien en voor zover aan een verdachte zijn daden verminderd zijn aan te rekenen, zal dit bij de strafoplegging als strafverminderende omstandigheid gelden.
De vraag naar de toerekenbaarheid is een juridische vraag. Het gaat om het vaststellen van een strafuitsluitingsgrond en de vaststelling of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan is een juridisch oordeel dat voorbehouden is aan de strafrechter. Bij de beantwoording van die vraag kan de strafrechter gebruik kan maken van adviezen van gedragsdeskundigen.
Om (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen moet voldaan worden aan drie vereisten. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. In de tweede plaats moet er een causaal verband bestaan tussen deze stoornis, aandoening of handicap en het tenlastegelegde delict. Ten slotte moet deze stoornis, aandoening of handicap zodanig zijn dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staan. Wat die laatste eis betreft, stelt het hof vast dat alleen als de stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap van de verdachte tot gevolg heeft dat hij de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van het feit niet kan begrijpen of, als hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wél begrijpt, maar niet in overeenstemming met dat besef kan handelen, (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid aan de orde kan zijn.
Het advies van de gedragsdeskundigen
Het hof heeft (onder meer) kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van de deskundigen [deskundige 1] (psycholoog), [deskundige 2] (psychiater) en [deskundige 3] (psychiater) van het Pieter Baan Centrum (verder: PBC) van 10 april 2024. In deze rapportage wordt het navolgende geconcludeerd. De verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, die zich uit in de aanwezigheid van paranoïde wanen. De wanen en hallucinaties zijn bij de verdachte begonnen in zijn adolescentie en zijn sindsdien in meer en mindere mate aanwezig, waarbij de ernst hiervan in de loop der jaren is toegenomen. In het zeer uitgebreide waansysteem van de verdachte zijn onder andere justitie, politie, familie en onbekenden geïncludeerd. Daarnaast komt uit collaterale informatie naar voren dat de verdachte hallucinaties heeft (gehad). Duidelijk is dat de verdachte langer bestaande waanideeën heeft die daags voor de gepleegde strafbare feiten aanwezig waren. Dit leidde uiteindelijk tot de door hem gepleegde strafbare feiten. Het is volgens de deskundigen niet uit te sluiten dat de verdachte volledig vanuit de psychotische stoornis heeft gehandeld. Omdat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek is het de deskundigen niet bekend of de verdachte handelde uit angst en/of in opdracht van stemmen. Gelet op de ernst van de vastgestelde pathologie, is het klinisch aannemelijk dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde (mede) gestuurd werd door zijn psychotische belevingen, gezien de verdachte zijn sterke paranoïde overtuigingen. Omdat de verdachte zich vrijwel niet kan onttrekken aan de invloed die zijn psychotisch bepaalde gedachtewereld op zijn gedragingen heeft, ook ten tijde de ten laste gelegde strafbare feiten, adviseren de deskundigen om de verdachte de ten laste gelegde feiten ten minste in verminderde mate toe te rekenen.
Op de zitting op 26 april 2024, in eerste aanleg, heeft de psycholoog ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid aangegeven dat zij volledig ontoerekeningsvatbaarheid niet kan concluderen, omdat zij geen volledige delictanalyse heeft kunnen verkrijgen doordat zij de feiten niet met de verdachte heeft kunnen bespreken wegens zijn weigering om mee te werken aan het onderzoek. Zij acht de verdachte vanwege de ernst van de pathologie in ieder geval (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar.
Beoordeling
Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting, ziet het hof de verdachte als een persoon die onder invloed van zijn psychische stoornis in een andere, parallelle werkelijkheid leeft. Verdachte leefde al lange tijd, zowel in aanloop naar de gepleegde strafbare feiten als tijdens het plegen daarvan en ook in de periode daarna, in een zeer uitgebreide en continue waanwereld, waarin verschillende mensen, waaronder zeer waarschijnlijk ook zijn onderburen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , werden geïncludeerd. In het rapport van het PBC wordt uitgebreid beschreven hoe de verdachte in de loop der jaren (met enige betere periodes tussendoor) steeds meer is ontregeld en steeds meer psychotisch gedrag liet zien. Ook vertoonde de verdachte steeds meer dreigend en agressief gedrag. Zoals blijkt uit de verklaringen van zijn moeder, ging het de dag voor het tenlastegelegde erg slecht met de verdachte.
Hoewel er periodes bestaan waarin het beter lijkt te gaan met (de psyche van) de verdachte, zoals ook blijkt uit een recent schrijven van de casemanager van de Penitentiaire Inrichting waar de verdachte thans op een reguliere afdeling verblijft, heeft het hof op de terechtzitting van 29 juli 2025 waargenomen dat verdachte nog steeds in zijn waanwereld leeft. Verdachte verklaarde – evenals bij de rechtbank - in een complot te zijn beland, dat het strafproces bij de hof - net als bij de rechtbank - een schijnproces en het hof een ‘apartheidsrechtbank’ is. Hij vertelde te zijn ontvoerd en dat hij de afgelopen tien jaar steeds via zijn voedsel en tabak werd vergiftigd. Verdachte bleef op vragen van het hof herhalen dat alles al bij iedereen bekend was. Evenals de rechtbank, is het ook het hof niet gelukt om een inhoudelijk gesprek met de verdachte over de ten laste gelegde feiten te voeren.
Omdat verdachte zich vrijwel niet kan onttrekken aan de invloed die zijn psychotisch bepaalde gedachtewereld op zijn gedragingen heeft, adviseren de deskundigen om de verdachte de ten laste gelegde feiten ten minste in verminderde mate toe te rekenen. Met de deskundigen is het hof van oordeel dat het beantwoorden van de vraag over de toerekenbaarheid van verdachte wordt bemoeilijkt door zijn weigerachtige houding om mee te werken aan het onderzoek. Daarbij heeft het hof er oog voor dat die weigering (mede) kan zijn ingegeven door zijn pathologie. Het hof kan niet vaststellen of zijn proceshouding hierin ook een rol speelt. Het hof neemt de conclusie van de deskundigen over de aanwezigheid van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis (die zich uit in de aanwezigheid van paranoïde wanen) bij verdachte en de doorwerking daarvan ten tijde van de gepleegde strafbare feiten, over.
Naast de weigering om zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek in het [Naam van Centum] , stelt het hof vast dat de verdachte zich op geen enkel moment gedurende de procedure heeft uitgelaten over wat er in zijn visie gebeurd is op 1 augustus 2023.
Anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging vindt het hof in de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - en mede in het licht van het gegeven dat volledige ontoerekeningsvatbaarheid als een exceptie moet worden beschouwd - onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van de feiten in het geheel niet heeft kunnen begrijpen of, voor zover hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wél begreep, in het geheel niet in overeenstemming met dat besef heeft kunnen handelen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat ook het gedrag van de verdachte en zijn uitlatingen direct na het plegen van de feiten mede ondersteunt en dat er bij hem wel enig besef aanwezig was omtrent de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van zijn handelen.
Conclusie
Dit brengt het hof op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting tot het oordeel dat ten tijde van de door de verdachte gepleegde feiten bij hem sprake was van de bestaande stoornis, waardoor deze feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Vorderingen benadeelde partijen
De nabestaanden van [slachtoffer 1] en het slachtoffer [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd.
De nabestaanden van [slachtoffer 1]
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (de vader van [slachtoffer 1] )
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 55.623,72, bestaande uit € 13.123,72 aan materiële schade en € 42.500,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is als volgt samengesteld:
Materiële schade
Kosten van lijkbezorging € 10.999,04
Kosten kleding van [slachtoffer 1] € 244,27
Kosten voor psychologische ondersteuning € 1.565,79
Reis-en parkeerkosten € 314,62
Immateriële schade
Shockschade € 25.000,00
Affectieschade € 17.500,00
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (de moeder van [slachtoffer 1] )
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 44.065,79 bestaande uit € 1.565,79 aan materiële schade en € 42.500,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is als volgt samengesteld:
Materieel
Kosten voor psychologische ondersteuning € 1.565,79
Immaterieel
Shockschade € 25.000,00
Affectieschade € 17.500,00
Subtotaal € 42.500,00
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (de partner van [slachtoffer 1] )
De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 43.568,13 bestaande uit € 1.068,13 aan materiële schade en € 42.500,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is als volgt samengesteld:
Materieel
Kosten voor psychologische ondersteuning € 1.068,13
Immaterieel
Shockschade € 25.000,00
Affectieschade € 17.500,00
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (de broer van [slachtoffer 1] )
De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 35.414,98 bestaande uit € 10,414,98 aan materiële schade en € 25.000,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is als volgt samengesteld:
Materieel
Kosten voor psychologische ondersteuning € 2.214,98
Studievertraging € 8.200,00
Immaterieel
Shockschade € 25.000,00
Deze vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen. De advocaat van de nabestaanden van [slachtoffer 1] heeft ter terechtzitting een nadere toelichting op de vorderingen gegeven.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting het hof geadviseerd deze vorderingen in hun geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft ter terechtzitting de materiële posten van de nabestaanden niet betwist. Wel heeft hij de door [slachtoffer 5] gevorderde post affectieschade betwist. Hij wijst daartoe op het feit dat de relatie die zij met [slachtoffer 1] had niet valt te scharen onder de wettelijke hardheidsclausule. Tevens heeft de raadsman de door de nabestaanden gevorderde post shockschade betwist, een en ander zoals verwoord in zijn schriftelijke pleitaantekeningen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade hebben geleden tot na te melden bedragen. Hetgeen door de verdediging niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot die bedragen zullen worden toegewezen.
De vader, de moeder, de broer en de partner van het slachtoffer [slachtoffer 1] hebben ieder € 25.000,00 aan shockschade gevorderd.
Bij de beoordeling van dit deel van de vordering dient het hof in het kader van het vaststellen van de onrechtmatigheid van het handelen van de verdachte ten opzichte van de nabestaanden (onder meer) de volgende gezichtspunten in acht te nemen (HR:2022:958, rechtsoverweging 3.5):
- de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis;
- de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
Het hof stelt mede in het licht van deze gezichtspunten het volgende vast.
Het slachtoffer is door de verdachte op brute wijze en volkomen onverwacht met vele messteken in zijn eigen woning om het leven gebracht. Dit is een zeer ernstig levensdelict. De verdachte heeft met (vol) opzet gehandeld. Hoewel hij handelde onder sterke invloed van een waan, maakt dit het feit niet minder schokkend.
De nabestaanden zijn met de gevolgen van het doden van het slachtoffer vlak daarna geconfronteerd geweest doordat zij hem in het mortuarium hebben gezien, waarbij ook zichtbaar was dat het slachtoffer verwondingen had opgelopen (hoewel deze waren afgedekt). Dit bezoek was onverplicht en voorbereid. Daarmee was de confrontatie met het lichaam niet ‘onverhoeds’. Enige tijd daarna hebben nabestaanden echter ook de woning nog bezocht om spullen van het slachtoffer veilig te stellen. Ook daar zijn zij geconfronteerd met de gevolgen, onder meer in de vorm van nog aanwezige bloedsporen. Alle nabestaanden die shockschade hebben gevorderd, staan (ieder op hun eigen manier) in een nauwe relatie tot het slachtoffer.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat op basis van deze gezichtspunten kan worden geconcludeerd dat de verdachte ook onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de nabestaanden.
Dat geen sprake is van een directe confrontatie met de gevolgen van het levensdelict doet daaraan niet af. Daarbij weegt het hof in hoge mate de aard en de ernst van het delict mee.
Naar het oordeel van het hof is voorts voldoende onderbouwd dat het vastgestelde geestelijk letsel in die mate is veroorzaakt door de confrontatie met de gevolgen, dat de gevorderde bedragen redelijk en daarmee toewijsbaar zijn. Dat de nabestaanden ook recht hebben op affectieschade leidt – met name vanwege de andere grondslag van het recht op vergoeding daarvan - niet tot een ander oordeel. Matiging zoals door de verdediging is bepleit, acht het hof in dit geval niet aan de orde.
Affectieschade [slachtoffer 5]
, de partner van het slachtoffer, heeft een bedrag aan affectieschade gevorderd van
€ 17.500,00.
Bij de beoordeling van de vraag of de benadeelde partij in dit geval aanspraak kan maken op toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule ex artikel 6:108, vierde lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: B.W.) is de aard, de intensiteit, de duur en de (te verwachten) bestendigheid van haar relatie met het overleden slachtoffer van belang. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij een al enkele jaren durende (zeer) hechte (liefdes)relatie had met het slachtoffer en dat zij en het slachtoffer plannen hadden om deze relatie in de toekomst verder te bestendigen. In de vordering acht het hof afdoende onderbouwd dat in dit geval sprake is van een situatie waarin de benadeelde partij op één lijn kan worden gesteld met de andere ‘naasten’ zoals die in artikel 6:108 worden genoemd (vergelijk in dit verband ook het voorbeeld dat aan de wetsgeschiedenis kan worden ontleend en dat wordt genoemd in PHR:2025:415 onder overweging 4.15 ‘langdurige, hechte (LAT)relatie’).
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de toe te wijzen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de verdachte de schade vergoedt die hij rechtstreeks aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] heeft toegebracht, zal het hof ten behoeve van hen de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 131.124,60 bestaande uit € 33.624,60 aan materiële schade en € 97.500,00 ter compensatie van immateriële schade. Te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is als volgt samengesteld:
a. Kosten voor eigen risico € 385,00
b. Kosten ziekenhuisopname € 210,00
c. Kosten medische hulpmiddelen € 106,86
d. Kosten kleding € 139,96
e. Kosten aanschaf goederen (i.v.m. verzegeling woning) € 176,98
f. Kosten i.v.m. gemist examen € 280,00
g. Verhuiskosten € 18.989,03
bestaande uit:
ad 1 Huur verhuisbusje € 197,75
ad 2 Courtage makelaar € 3.761,26
ad 3 Overdrachtsbelasting € 10.030,02
ad 4 Forfaitair bedrag i.v.m. aanschaf meubels € 5.000,00
h. Schade i.v.m. gestolen goederen € 921,91
i. Kosten i.v.m. bestelde maaltijden € 383,88
j. Kosten i.v.m. huishoudelijk hulp € 490,50
k. Reiskosten i.v.m. behandeling en reiskosten ouders € 1.540,48
l. Toekomstige kosten € 10.000,00
m. Immateriële schadevergoeding i.v.m. eigen letsel € 50.000,00
n. Shockschade € 30.000,00
o. Affectieschade € 17.500,00
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep wat betreft de materiële schade ten dele toegewezen, ten dele afgewezen (de gevorderde kosten in verband met de gestolen goederen) en de benadeelde partij is ten dele niet ontvankelijk verklaard (de toekomstige kosten). Wat betreft de immateriële schade is de vordering in eerste aanleg ten dele toegewezen en is de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd waarbij de advocaat van de benadeelde partij heeft opgemerkt dat de post ten aanzien van de gestolen goederen wordt ingetrokken en dat er vanuit wordt gegaan dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de post toekomstige medische (reis)kosten.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting het hof geadviseerd op deze vordering te beslissen conform de rechtbank in eerste aanleg behalve ten aanzien van de post immateriële schade in verband met eigen letsel. De advocaat-generaal adviseert het hof deze post, anders dan de rechtbank in het geheel toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de navolgende posten: het eigen risico, de ziekenhuisopname, de medische hulpmiddelen, de kleding, de aanschaf van nieuwe goederen in verband met de verzegeling van de woning, het gemiste examen en de bestelde maaltijden. Ten aanzien van de posten schade in verband met gestolen goederen, kosten in verband met de verhuizing, schade in verband met de huishoudelijke hulp, reiskosten van de ouders en toekomstige schade heeft de raadsman bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de post affectieschade en de gevorderde bedragen voor shockschade en de immateriële schade gelet op het eigen letsel (tot € 30.000,00 subsidiair € 40.000,00) te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 17.702,69.
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
a. kosten voor eigen risico € 385,00
b. kosten ziekenhuisopname € 210,00
c. kosten medische hulpmiddelen € 106,86
d. kosten kleding € 139,96
e. kosten aanschaf goederen (i.v.m. verzegeling woning) € 176,98
f. kosten i.v.m. gemist examen € 280,00
g. huur verhuisbusje € 197,75
courtage makelaar €3.761,26
overdrachtsbelasting €10.030,02
i. kosten i.v.m. bestelde maaltijden € 383,88
j. kosten i.v.m. huishoudelijk hulp € 490,50
k. reiskosten i.v.m. behandeling en reiskosten ouders € 1.540,48
De posten onder a, b, c, d, e, f en i zijn door de verdediging niet betwist.
Ten aanzien van de verhuiskosten, de kosten van de huishoudelijke hulp en de reiskosten overweegt het hof als volgt.
De verhuiskosten: het hof acht de kosten van de huur van het verhuisbusje, de courtage en de overdrachtsbelasting toereikend gemotiveerd en voldoende onderbouwd en zal deze toewijzen. De gevorderde kosten voor aanschaf van meubels acht het hof onvoldoende onderbouwd. De behandeling van deze posten van de vordering levert daarmee een onevenredige belasting van het strafproces op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De kosten voor huishoudelijke hulp: het hof overweegt dat voldoende vaststaat dat de benadeelde partij gedurende een zestal weken schade heeft geleden in de vorm van kosten voor huishoudelijke hulp. Door het handelen van de verdachte heeft de benadeelde partij met de ene arm 6 weken in het gips gezeten en met de andere arm 3 weken, waarna het gips werd vervangen door een spalk. Gedurende de eerste drie weken is daarom sprake geweest van zwaar beperkt letsel als bedoel in de Richtlijn Huishoudelijke hulp van de Letselschade Raad en in de volgende drie weken van matig beperkt letsel. Dit deel van vordering komt om deze reden toewijzing in aanmerking.
De reis- en parkeerkosten van zowel de benadeelde partij als diens ouders; het hof overweegt, evenals de rechtbank, dat ook de reis- en parkeerkosten van de ouders van [slachtoffer 2] voor toewijzing in aanmerking komen. Als gevolg van het bewezenverklaarde was [slachtoffer 2] immers niet in staat zelfstandig naar zijn afspraken voor medische behandelingen te reizen, zodat zijn ouders hem daar met de auto naar toe moesten brengen. De als gevolg hiervan gemaakte kosten zijn te kwalificeren als kosten gemaakt wegens zaakwaarneming (artikel 6:198 B.W.) die, hoewel zij in eerste instantie zijn gedragen door de ouders van [slachtoffer 2] , op grond van artikel 6:200 B.W. voor rekening van [slachtoffer 2] kwamen en daarom door hem kunnen worden gevorderd en vergoed.
Ten aanzien van de toekomstige kosten zal de benadeelde partij door het hof, evenals door de rechtbank, niet-ontvankelijk worden verklaard nu niet vaststaat dat dit schade is die daadwerkelijk is geleden.
Tot slot overweegt het hof ten aanzien van de post ‘schade in verband met gestolen goederen’ dat deze in hoger beroep niet langer gehandhaafd is zodat deze post niet ter beoordeling aan het hof voorligt.
Concluderend zal het hof de vordering ter zake van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 17.702,69.
a. Immateriële schadevergoeding in verband met eigen letsel
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade in verband met eigen letsel overweegt het hof dat de begroting van de immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts heeft het hof bij de begroting gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de door verdachte gepleegde feiten naast ernstig letsel, grote impact op [slachtoffer 2] hebben gehad. [slachtoffer 2] heeft moeten vechten voor het leven van [slachtoffer 1] en voor zijn eigen leven. Hij is ternauwernood aan de dood ontsnapt. Uit de vordering, de schriftelijke toelichting daarop, de pleitaantekeningen en de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep volgt dat sprake was van ernstig letsel, langdurig en mogelijk geen volledig herstel en een grote impact op het leven van [slachtoffer 2] . Rouw, constante alertheid en het ontbreken van een gevoel van veiligheid zijn tot op de dag van vandaag [slachtoffer 2] zijn dagelijkse realiteit. De beslissing om de woning te ontvluchten terwijl [slachtoffer 1] daar heftig bloedend met de agressieve en gewapende verdachte achterbleef, is een open wond. En de fysieke littekens herinneren hem dagelijks aan de nachtmerrie die heeft plaats gevonden.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, begroot het hof de immateriële schadevergoeding in verband met eigen letsel naar billijkheid op € 50.000,00. Het hof zal dit deel van de vordering in zijn geheel toewijzen. Het hof heeft bij de begroting meegewogen wat door rechters in Nederland in soortgelijke gevallen aan vergoeding voor immateriële schade is toegekend. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof geen aanleiding tot matiging van het toe te kennen bedrag.
Shockschade
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van shockschade is overwogen volgt dat de aanspraak op vergoeding van shockschade kan bestaan indien de degene die een ander doodt ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens degene bij wie de confrontatie met die onrechtmatige daad daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt.
De benadeelde partij is er getuige van geweest dat de verdachte met groot keukenmes op zijn vriend en huisgenoot lag en dat er een grote hoeveelheid bloed was. Tevergeefs heeft hij getracht [slachtoffer 1] te hulp te schieten. Nadat de buurman zijn agressie vervolgens op hem richtte, kon hij niet anders dan de woning ontvluchten. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de confrontatie met de steekpartij die heeft geresulteerd in de dood van [slachtoffer 1] de benadeelde partij hevig heeft geschokt en shockschade heeft veroorzaakt. Mede gelet hierop alsmede de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt zal het hof alle omstandigheden in aanmerking genomen de shockschade naar billijkheid begroten op € 30.000,00 en de vordering, voor dit deel, geheel toewijzen. Het hof heeft bij de begroting meegewogen wat door rechters in Nederland in soortgelijke gevallen aan vergoeding voor shockschade is toegekend. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof geen aanleiding tot matiging van het toe te kennen bedrag.
Affectieschade
Het is naar het oordeel van het hof evident dat de benadeelde partij een hechte vriendschapsrelatie had met [slachtoffer 1] ; zij deelden zelfs al twee jaar een woning. Evenzo evident is dat de benadeelde partij heel veel pijn en verdriet heeft ondervonden en nog steeds ondervindt door de dood van [slachtoffer 1] . De wetgever heeft echter grenzen gesteld aan de kring van personen die gerechtigd zijn om affectieschade te vorderen. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet onder artikel 6:108, vierde lid, onder g, van het B.W. is te scharen. De gevorderde affectieschade zal om deze reden door het hof worden afgewezen.
De verdachte is tot vergoeding van bovengenoemde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vorderingen tot die bedragen zullen worden toegewezen. Het hof zal de toe te wijzen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de verdachte de schade vergoedt die hij rechtstreeks aan de benadeelde partij heeft toegebracht, zal het hof ten behoeve van benadeelde partij de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1 stk kleding broek ( omschrijving goed: PL1300-2023173764-G6375699)
1 stk kleding shirt ( omschrijving goed: PL1300-2023173764-G6375700)
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 stk mes (omschrijving goed: PL1300-2023173764-G6375850)
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (de vader van [slachtoffer 1] )
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 55.623,72 (vijfenvijftigduizend zeshonderd en drieëntwintig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 13.123,72 (dertienduizend honderddrieëntwintig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 55.623,72 (vijfenvijftigduizendzeshonderd en drieëntwintig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 13.123,72 (dertienduizendhonderddrieëntwintig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 73 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (de moeder van [slachtoffer 1] )
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 44.065,79 (vierenveertigduizend en vijfenzestig euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 1.565,79 ( vijftienhonderd en vijfenzestig euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening .
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 44.065,79 (vierenveertigduizendenvijfenzestig euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 1.565,79 (vijftienhonderdvijfenzestig euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizendenvijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (de partner van [slachtoffer 1] )
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 43.568,13 (drieënveertigduizend en vijfhonderdenachtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 1.068,13 (duizendachtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van €43.568,13 (drieënveertigduizend en vijfhonderden achtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit
€ 1.068,13 (duizend en achtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend en vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (de broer van [slachtoffer 1] )
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 35.414,98 (vijfendertigduizend en vierhonderdveertien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 10.414,98 (tienduizend en vierhonderdenveertien euro en achtennegentig cent) en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] , ter zake van het impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 35.414,98 (vijfendertigduizend en vierhonderdveertien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 10.414,98 (tienduizend en vierhonderdenveertien euro en achtennegentig cent) en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 47 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 97.702,69 (zevenennegentigduizend zevenhonderdtwee euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 17.702,69 (zeventienduizend zevenhonderdtwee euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 80.000,00 (tachtigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het forfaitaire bedrag voor aanschaf van meubels niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 97.702,69 (zevenennegentigduizend zevenhonderdtwee euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 17.702,69 (zeventienduizend zevenhonderdtwee euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 80.000,00
(tachtigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 129 dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 augustus 2023.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. C.J. van der Wilt en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 augustus 2025.