Strafrecht overig

Art. 420quater Sr. Veroordeling voor schuldwitwassen door eigen bankrekening ter beschikking te stellen en…

Gerechtshof Den Haag, 18 september 2026

Zaakgegevens

Op 18 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
18 september 2026
Datum publicatie
21 september 2026
Zaaknummer
22-002282-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2899
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 420quater Sr. Veroordeling voor schuldwitwassen door eigen bankrekening ter beschikking te stellen en daarop gestort geldbedrag grotendeels over te maken naar een ander, terwijl de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig was. Taakstraf 24 uren. Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat onvoldoende gebleken is dat de vordering door een vertegenwoordigingsbevoegde persoon is ingesteld

Uitspraak

Rolnummer: 22-002282-25

Parketnummer: 10-062050-24

Datum uitspraak: 18 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van

11 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 24 juli 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 6563,59 euro, althans enig geldbedrag

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

- heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of

- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

- gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 24 juli 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 6.563,59 euro, althans enig geldbedrag

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

- heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of

- heeft verworven en/ofvoorhanden heeft gehad en/of enig geldbedrag heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

- gebruik heeft gemaaktterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De verdachte had niet redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld een illegale herkomst had, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat door misdrijf een geldbedrag van 6.563,59 euro, afkomstig van een verzekeringsmaatschappij, op de bankrekening van de verdachte is gestort en dat de verdachte dat geldbedrag in korte tijd grotendeels heeft overgemaakt op een bankrekening die op naam stond van een bedrijf van een neef van de verdachte (hierna: de neef). Uit de beschikbare bewijsmiddelen kan niet worden opgemaakt dat de verdachte zelf betrokken is geweest bij het misdrijf dat heeft geleid tot de storting van het geldbedrag van de verzekeringsmaatschappij op zijn rekening.

Volgens de verdachte had de neef hem gemeld dat op zijn rekening een bedrag zou worden gestort en gevraagd om dat bedrag vervolgens over te maken naar hem, op de bankrekening van zijn bedrijf. De neef heeft dit ten overstaan van de politie bevestigd en tevens verklaard dat de verdachte een geldbedrag heeft gekregen voor het ter beschikking stellen van zijn rekening. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij aan de neef heeft gevraagd of het wel legaal was, omdat hij wist dat de neef in het verleden ‘soortgelijke dingen’ had gedaan. Hieruit kan worden opgemaakt dat de verdachte dit verzoek niet vertrouwde. Dit was naar het oordeel van het hof terecht, reeds gelet op de aard van het verzoek, waarvoor een aannemelijke legale verklaring ontbrak. Dat de neef zelf geen bankrekening zou hebben gehad, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is – wat daar van zij – daarvoor onvoldoende, temeer nu de neef in elk geval de beschikking had over een bankrekening op naam van zijn bedrijf en het ook diens wens was dat het geldbedrag uiteindelijk (grotendeels) daarop terecht zou komen. Desondanks heeft de verdachte zonder nader onderzoek ingestemd met het verzoek en heeft hij het op zijn rekening ontvangen bedrag grotendeels overgemaakt op de rekening van het bedrijf van de neef. Al het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het betreffende geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Het verweer wordt verworpen.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk verzocht om de neef, die volgens de verdediging de verklaring van de verdachte zou kunnen bevestigen, als getuige te horen, indien het hof dit noodzakelijk zou achten. Het hof acht dat niet noodzakelijk, zodat het hof aan dat verzoek voorbijgaat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

schuldwitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het schuldwitwassen van crimineel geld, door zijn bankrekening ter beschikking te stellen en een geldbedrag van ruim 6.500 euro dat hij op zijn bankrekening gestort kreeg grotendeels over te maken naar zijn neef, terwijl hij moest vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig was. Door aldus te handelen heeft de verdachte het plegen van criminele activiteiten bevorderd.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Tevens heeft het hof de eerder door de rechtbank aan de neef opgelegde straf meegewogen bij het bepalen van de straf.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [naam verzekeringsmaatschappij]

In het onderhavige strafproces heeft [naam verzekeringsmaatschappij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 74.358,96.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de vordering namens de benadeelde partij door een vertegenwoordigingsbevoegde persoon is ingesteld c.q. in hoger beroep is gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is niemand ter zitting verschenen, zodat het hof hieromtrent geen onderzoek heeft kunnen doen. Het hof zal daarom bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 420quatr van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [naam verzekeringsmaatschappij]

Verklaart de benadeelde partij [naam verzekeringsmaatschappij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, als voorzitter, mr. M.E.L. Hendriks en mr. E.J. Spaans, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.L. Vollering.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2026.