Strafrecht overig

Procesafspraken. Criminele organisatie; handel in en bezit van heroïne en cocaïne. Periode van 1 juni 2014…

Gerechtshof Den Haag, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
22-000562-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3087
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Procesafspraken. Criminele organisatie; handel in en bezit van heroïne en cocaïne. Periode van 1 juni 2014 tot en met 10 oktober 2017 in Schiedam/ Rotterdam. Overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 12 april 2019

    ECLI:NL:RBROT:2019:2913
  2. Gerechtshof Den Haag · 14 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3087

Uitspraak

Rolnummer: 22-000562-24

Parketnummer: 10-810464-17

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

BRP-adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Ook is een beslissing genomen omtrent het inbeslaggenomen geldbedrag en de voorlopige hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 10 oktober 2017 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer en/of voor zover bekend), verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , en/of [medeverdachte 5] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig hebben van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 10 oktober 2017 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
hij op of omstreeks 10 oktober 2017 te Schiedam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 109,3 gram heroïne en/of 1.310 gram cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 453 dagen, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straffen en de motivering daarvan.

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Strafmotivering

De procesafspraken

Op 15 september 2026 heeft de advocaat-generaal het hof op de hoogte gebracht van tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte tot stand gekomen en op schrift gestelde procesafspraken van 29 juli 2026. De procesafspraken zijn door de advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsman ondertekend en maken onderdeel uit van het dossier.

De procesafspraken luiden als volgt:

  1. In deze zaak kan een bewezenverklaring volgen conform het vonnis van de rechtbank. De verdediging zal ter zake de feiten geen verweer voeren;

  2. De verdediging doet afstand van reeds ingediende onderzoekswensen en zal geen nadere en/of nieuwe onderzoekswensen indienen;

  3. Het Openbaar Ministerie eist voor het tenlastegelegde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 456 dagen (gelijk aan het voorarrest), alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar;

  4. De inbeslaggenomen goederen worden verbeurdverklaard conform het vonnis van de rechtbank.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal conform de hiervoor weergegeven procesafspraken gerekwireerd, in die zin, dat in het voordeel van de verdachte de advocaat-generaal een gevangenisstraf van 453 heeft geëist, dit gelet op enige onzekerheid over het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Kan het hof acht slaan op de procesafspraken?

De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) overwogen dat de rechter alleen acht kan slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel (ook: procesafspraken) als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt de afspraak dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.

Het hof overweegt hieromtrent in de onderhavige zaak als volgt. Ter terechtzitting heeft het hof de procesafspraken met de aanwezige verdachte en zijn raadsman besproken en zich ervan vergewist dat partijen elkaar over en weer voldoende en duidelijke informatie hebben verstrekt, ook ten aanzien van hetgeen met de procesafspraken is beoogd. Ook is gebleken dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om weloverwogen tot een ondubbelzinnige beslissing te kunnen komen en dat hij, bijgestaan door zijn raadsman, zich rekenschap heeft gegeven van de inhoud, de strekking en de rechtsgevolgen van de procesafspraken. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en is, naar het hof heeft vastgesteld, vrijwillig tot deze beslissing gekomen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op de voorliggende procesafspraken.

De op te leggen straf

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had productie van en handel in harddrugs evenals de handel in harddrugs en het aanwezig hebben daarvan. De verdachte had een leidende rol in deze criminele organisatie. De bevoorrading vond plaats vanuit een drugspand, waardoor niet met grote hoeveelheden drugs de straat op werd gegaan om deze af te leveren. Door deze handelwijze heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de drugscriminaliteit. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, die de maatschappij veel overlast veroorzaken.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Ook heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze tijdens de zitting naar voren zijn gebracht.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat de gevangenisstraf die het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn overeengekomen en die zij hebben vervat in het afdoeningsvoorstel, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Het hof acht die straf een passende en geboden reactie. Daarbij heeft het hof in sterke mate rekening gehouden met de zeer forse ouderdom van de bewezenverklaarde feiten (ze dateren van 2014-2017). Ook is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Het vonnis dateert van 12 april 2019. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding in afdoende mate is verdisconteerd in de overeengekomen strafmaat. Het gaat dus allereerst om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die overeenkomt met het reeds door de verdachte ondergane voorarrest. Het hof stelt vast dat het dan moet gaan om 453 dagen, en niet om 456 dagen zoals overeengekomen in de procesafspraken. Daarnaast zal een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van 12 maanden met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaar.

Gelet op het bepaalde in artikel 21 Wetboek van Strafrecht en om praktische redenen zal het hof deze straf geheel in maanden opleggen. Dan wordt uitgekomen op een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk (met een proeftijd van twee jaar). Het onvoorwaardelijk gedeelte van deze straf komt overeen met 450 dagen (in plaats van 456 of 453 dagen). Deze afwijking in het voordeel van de verdachte van de overeengekomen strafmaat is dermate verwaarloosbaar gering, dat hiermee (toetsende aan het zogenoemde “verbazingscriterium”) heropening van het onderzoek niet aan de orde kan zijn.

Beslag

Het hof zal het op de beslaglijst genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Het gaat hier om een in beslag genomen geldbedrag van 300 euro. Evenals de rechtbank stelt het hof vast dat dit toebehoort aan de verdachte en geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten is verkregen. Deze beslissing sluit aan bij hetgeen is overeengekomen in de procesafspraken.

Het hof heeft bij deze bijkomende straf rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 Geld Euro 300 euro, ibg 12-10-17.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. M. Koole, als voorzitter en mr. L.C. van Walree en mr. F.W. van Lottum, leden,

in bijzijn van de griffier mr. E.C. Sjardin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2026.

Mr. M. Koole is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.