Strafrecht overig

Verdachte is medepleger van twee ontploffingen (“vergisexplosies”) bij woningen in Den Haag met veel schade…

Gerechtshof Den Haag, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
22-003859-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3109
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte is medepleger van twee ontploffingen (“vergisexplosies”) bij woningen in Den Haag met veel schade tot gevolg en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar. Verdachte is ook schuldig bevonden aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een derde explosie in dezelfde straat. Anders dan in eerste aanleg heeft de reclassering in hoger beroep geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Net als de rechtbank ziet ook het hof geen indicaties voor het toepassen van jeugdstrafrecht. Het hof legt een gevangenisstraf op van 5 jaren.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 14 november 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:21419
  2. Gerechtshof Den Haag · 22 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3109

Uitspraak

Rolnummer: 22-003859-25

Parketnummer: 09-076216-25

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan bij/aan een woning aan de [adres 1] te Den Haag, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning

te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] op of omstreeks de 7 maart 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan bij/aan een woning aan de [adres 1] te Den Haag, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning

te duchten was,

welk feit verdachte toen en daar en/of in Amsterdam en/of Dordrecht, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door (het in het vooruitzicht stellen van een) betaling van een geldbedrag en/of een andere beloning en/of het verschaffen van een explosief en/of het verschaffen van het adres van de woning waar hetexplosief tot ontploffing moest worden gebracht aan die [medeverdachte 1] ;

2.
hij op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan bij/aan een woning aan de [adres 2] te Den Haag, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning

te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 2] op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan bij/aan een woning aan de [adres 2] te Den Haag, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning

te duchten was,

welk feit verdachte toen en daar en/of in Amsterdam en/of Dordrecht, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door (het in het vooruitzicht stellen van een) betaling van een geldbedrag en/of een andere beloning en/of het verschaffen van een explosief en/of het verschaffen van het adres van de woning waar het explosief tot ontploffing moest worden gebracht aan die [medeverdachte 2] ;
3.
hij op of omstreeks 9 tot 10 maart 2025 te 's-Gravenhage en/of Dordrecht. althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting (een misdrijf genoemd in artikel 157 ahf/sub 1 en ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk (een) voorwerp(en) en/of (een) informatiedrager(s), bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van genoemd misdrijf, te weten een telefoon met daarop

- informatie met betrekking tot het/de adres(sen) aan de [straatnaam] te 's-Gravenhage en/of

- foto's en opnames van (een) woning(en) aan de [straatnaam] te 's-Gravenhage en/of

- een of meer explosieven,

kennelijk bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan bij/aan een woning aan de [adres 1] te Den Haag, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor voor goederen, te weten die woning, en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning

te duchten was;

2.
hij op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan bij/aan een woning aan de [adres 2] te Den Haag, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning, en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning

te duchten was;

3.
hij op of omstreeks in de periode van 9 tot en met 10 maart 2025 te 's-Gravenhage en/of Dordrecht., althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting (een misdrijf genoemd in artikel 157 ahf/sub 1 en ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk (een) voorwerp(en) en/of (een) informatiedrager(s), bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van genoemd misdrijf, te weten een telefoon met daarop

- informatie met betrekking tot het/de adres(sen) aan de [straatnaam] te 's-Gravenhage en/of

- foto's en opnames van (een) woning(en) aan de [straatnaam] te 's-Gravenhage en/of

- een of meer explosiefven,

kennelijk bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is,

meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte is samen met anderen betrokken geweest bij het binnen 48 uur veroorzaken van twee ontploffingen bij woningen aan de [straatnaam] in Den Haag, met veel schade tot gevolg, waarbij bovendien sprake was van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor de bewoners van die woningen.

Beide ontploffingen betroffen zogenoemde "vergis-explosies", omdat er huisnummers door elkaar zijn gehaald. Dat geen van de bewoners hierbij is omgekomen of zwaar gewond is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die in het geheel niet aan de verdachte of zijn mededaders te danken is. Overigens is één van de bewoners wel licht gewond geraakt en waren beide woningen zwaar beschadigd. Zowel binnen als buiten de woningen is een ravage ontstaan na de ontploffingen. Behalve schade aan de woningen is er ook schade aan in de nabijheid van de woningen geparkeerde auto’s ontstaan.

Binnen 24 uur na de laatste ontploffing, werden midden in de nacht twee minderjarigen op de [straatnaam] in Den Haag aangetroffen, die van plan waren om een ontploffing bij een derde woning aan de [straatnaam] te laten plaatsvinden. Deze minderjarigen zijn tijdig door de politie aangehouden. Het explosief dat zij bij zich hadden, bleek een zodanig korte lont te hebben dat degene die het zou ontsteken, het waarschijnlijk niet zou hebben overleefd. Dat maakt deze voorbereidingshandelingen extra kwalijk. De verdachte was ook hierbij betrokken.

Het plegen van aanslagen met explosieven is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst, onrust en grote onveiligheid in de samenleving en voor de bewoners van de woningen waar een explosief wordt neergelegd in het bijzonder. Het gevoel van onveiligheid wordt extra groot, als ook nog eens vergissingen worden gemaakt in de adressen en er om die reden meerdere woningen bij elkaar in de buurt doelwit worden. Dit vergroot het gevoel dat iedere willekeurige burger het slachtoffer kan worden.

Dat de ontploffingen een zeer grote impact hebben gehad op de bewoners, is op de terechtzitting door één van de slachtoffers middels het uitgeoefende spreekrecht indringend uiteengezet. Het hof stelt vast dat de verdachte een essentiële en coördinerende rol bij de ontploffingen heeft gehad door anderen, waaronder zelfs twee minderjarigen, te benaderen, ervoor te zorgen dat de explosieven bij hen terecht kwamen en ze telefonisch aan te sturen om de explosieven te plaatsen.

Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van de derde ontploffing, blijkt uit de instructies die de verdachte aan voornoemde minderjarigen gaf, dat het ook daadwerkelijk de bedoeling was om het explosief – koste wat het kost – tot ontploffing te brengen. Zelfs toen één van de minderjarigen door de politie was betrapt – wat de verdachte ook wist – probeerde de verdachte de andere minderjarige over te halen om het explosief alsnog te plaatsen. Achteraf is dus gebleken dat zij zelf ernstig gevaar zouden hebben gelopen, als zij het explosief hadden aangestoken.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij geen enkele rekening heeft gehouden met al de hiervoor genoemde, mogelijk zeer gevaarlijke gevolgen van zijn handelen. Integendeel, hij is na de eerste en zelfs na de tweede (vergis-)explosie gewoon doorgegaan en heeft elke keer anderen de uitvoeringshandelingen laten doen. Dat zijn rol daarbij zeer gering was, omdat hij slechts mensen zou hebben gezocht die het in zijn plaats konden doen, omdat hij het zelf niet wilde maar onder druk werd gezet, zoals de verdachte stelt, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. De verdachte had de explosieven en het geld, dat hij in elk geval ook aan één van de explosievenleggers heeft gegeven, en hij haalde de explosievenleggers ook op, waarbij hij ze ook nog informatie gaf en aanstuurde. Dergelijke actieve handelingen passen niet bij iemand die slechts een ander zoekt, omdat hij het zelf niet aandurft om een explosief te plaatsen. De rol van de verdachte is daarmee ook groter dan hij het hof wil doen geloven. Dat weegt het hof in zijn nadeel mee.

De persoon van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het meest recente reclasseringsrapport van 7 september 2026. Hieruit volgt dat de verdachte werkt, een vaste en stabiele relatie heeft, een steunend sociaal netwerk, geen financiële problemen en een stabiele plek heeft om te wonen. Er is geen sprake van psychiatrische problematiek of verslavingsproblematiek. Het risico op (gewelds)recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Op basis van de handelingsvaardigheden van de verdachte worden geen aanknopingspunten voor het toepassen van het jeugdstrafrecht gezien.

Er zijn geen aanwijzingen voor een verstandelijke beperking, de verdachte is niet impulsief of bovenmatig beïnvloedbaar en hij oogt en gedraagt zich conform zijn kalenderleeftijd. Met betrekking tot de explosies heeft hij bewust gehandeld en hij heeft ook minderjarigen geïnstrueerd wat ze moesten doen om uitvoering aan de explosies te geven.

Anders dan in het rapport van de reclassering van 20 augustus 2025 waarin – overigens met enige kanttekeningen – is geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen, wordt thans geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Daartoe heeft de reclassering overwogen dat de verdachte al door de volwassenreclassering wordt begeleid en dat dit goed verloopt. De begeleiding sluit aan bij zijn plannen en houding. Hoewel de verdachte nog thuis woont en steun ontvangt van zijn moeder en oudere zus, die een positieve invloed op hem hebben, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat sprake is van een achterblijvende ontwikkeling of andere persoonskenmerken die toepassing van het jeugdstrafrecht rechtvaardigen. De meerwaarde van een pedagogisch jeugdstrafrechtelijk kader ten opzichte van het volwassenenstrafrecht wordt niet gezien.

Toepassing volwassenenstrafrecht

Door de raadsman van de verdachte is gemotiveerd verzocht om het sanctierecht voor jeugdigen toe te passen. Het hof wijst dit verzoek af en overweegt daartoe het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt, zodat in beginsel het volwassenenstrafrecht aan de orde is. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voorziet in de mogelijkheid om - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht te doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg Sr, indien het hof daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Uitgangspunt blijft dat ten aanzien van deze groep in beginsel het strafrecht voor volwassenen van toepassing is en dat toepassing van het jeugdstrafrecht de uitzondering is.

De reclassering heeft in het meest recente rapport van 7 september 2026 uitgebreid overwogen waarom thans wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen.

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusie en het advies in bovengenoemd rapport van de reclassering dat er geen duidelijke indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht.

Het hof is daarom van oordeel dat, gelet op dit advies, de geschetste persoonlijkheid van de verdachte en het beeld dat het hof van de verdachte heeft gekregen ter terechtzitting in hoger beroep, de verdachte berecht moet worden met toepassing van het volwassenenstrafrecht. Daarbij heeft het hof ook betrokken dat de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan evenmin een indicatie vormen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Die omstandigheden vormen eerder een contra-indicatie aangezien de verdachte – gelet op zijn coördinerende en aansturende rol bij het plegen van de aanslagen – geenszins als een kwetsbare jongere kan worden getypeerd.

Gelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In het bijzonder heeft dit te maken met het gevaar dat is veroorzaakt door deze gerichte ontploffingen, waar de verdachte zich tweemaal schuldig aan heeft gemaakt, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe, als ook de impact die dergelijke aanslagen in de samenleving veroorzaken.

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het hof heeft daarbij ook gekeken naar de straffen die aan medeverdachten zijn opgelegd. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting gewezen op het feit dat de opdrachtgever van de verdachte “slechts” veroordeeld zou zijn tot een gevangenisstraf van 28 maanden hetgeen naar het oordeel van de raadsman niet in verhouding staat tot de straf die door de rechtbank aan de verdachte is opgelegd. Na bestudering van dat vonnis (ECLI:NL:RBDHA:2026:18002) merkt het hof op dat die verdachte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan het teweegbrengen van ontploffingen, in plaats van medeplegen in het geval van verdachte, zodat de straffen alleen al gelet op deze omstandigheid niet met elkaar vergeleken kunnen worden. Weliswaar heeft het hof oog voor het feit dat de verdachte thans het kwalijke van zijn handelen lijkt in te zien en dat hij zijn leven positief heeft veranderd sinds de schorsing uit de voorlopige hechtenis op 15 mei 2026.Deze positieve wending weegt echter niet zozeer op tegen de ernst van de feiten dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest dat de verdachte reeds heeft ondergaan.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van 5 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden. Gelet op de hoogte van de gevangenisstraf zal het hof geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Verzoek opheffing schorsing

De advocaat-generaal heeft verzocht de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. De verdediging heeft zich daartegen verzet.

Het hof wijst het verzoek van de advocaat-generaal af, omdat de feiten en omstandigheden zoals die waren ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis op de pro forma zitting van 8 mei 2026 niet veranderd zijn.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 978,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 978,89 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 1] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 35.622,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering door de benadeelde partij verlaagd tot een bedrag van € 1.573,66, zijnde het schadebedrag dat nog niet door de verzekering is vergoed.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verlaagde vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.573,66 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 2] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 4.500,00, bestaande uit € 2.000,00 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag, met dien verstande dat het meer verzochte aan materiële schade van € 17,33 niet aan de orde is, nu de vordering in hoger beroep niet meer kan worden verhoogd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de oorspronkelijke vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade van € 2.000,00 is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij voorts immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is sprake van aantasting in de persoon op andere wijze, nu de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij reeds meebrengt dat daarvan sprake is. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 3] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 46, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af het verzoek van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 978,89 (negenhonderdachtenzeventig euro en negenentachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 978,89 (negenhonderdachtenzeventig euro en negenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 maart 2025.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.573,66 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro en zesenzestig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.573,66 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro en zesenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 maart 2025.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 2.000,00 (tweeduizend euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 2.000,00 (tweeduizend euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 maart 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, mr. H.A.G. Nijman en mr. J.A.M. Jansen,

in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 oktober 2026.