Strafrecht overig

Art. 37a, 37b, 287 Sr. Poging doodslag. De verdachte heeft het slachtoffer met een fors keukenmes in zijn…

Gerechtshof Den Haag, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
22-003231-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3110
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 37a, 37b, 287 Sr. Poging doodslag. De verdachte heeft het slachtoffer met een fors keukenmes in zijn borst gestoken onder invloed van alcohol en drugs.

Verminderd toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek voorarrest en TBS met dwangverpleging ondanks ontbreken geldige verblijfsstatus. Overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003231-24

Parketnummers: 10-119924-23

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Libanon) op [geboortedatum] 1969,

gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde (poging tot doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De zaak is op de terechtzitting van 9 januari 2026 inhoudelijk behandeld en het onderzoek is vervolgens gesloten. Op 23 januari 2026 heeft het hof tussenarrest gewezen en het onderzoek heropend en geschorst.

Het hof heeft de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde de gedragsdeskundigen een actualisatie te laten opmaken van de eerder door hen uitgebrachte Pro Justitia-rapportages. Daarnaast is de advocaat-generaal verzocht opdracht te geven tot het laten opmaken van een volledig maatregelenrapport door de reclassering, waarin de uitvoerbaarheid van alle mogelijke scenario’s diende te worden bekeken (waaronder de uitvoerbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden en de uitvoerbaarheid van voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel).

Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 8 oktober 2026 hervat en gesloten.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 8 mei 2023 tot en met 9 mei 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [het slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas, althans in het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd ten aanzien van de bewezenverklaring en voor het overige zal worden vernietigd, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs-maatregel) met dwangverpleging. Ook dient het hof beslissingen te nemen op inbeslaggenomen goederen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en maatregel en de motivering daarvan en met aanvulling van beslissingen op de inbeslaggenomen goederen (de rechtbank heeft kennelijk per abuis het beslag onbesproken gelaten).

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Motivering straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

In de nacht van 8 op 9 mei 2023 was het slachtoffer bij de verdachte thuis op visite. De verdachte heeft het slachtoffer toen met een fors keukenmes in zijn borst gestoken. Hierdoor liep het slachtoffer een onderhuidse slagaderlijke bloeding, een klaplong, leverinsnijding en botletsel op. Dit waren acuut levensbedreigende verwondingen, en het slachtoffer moest dan ook met spoed worden opgenomen in het ziekenhuis. Hij is daar geopereerd. De kennelijke aanleiding voor dit heftige geweld was een ogenschijnlijke futiliteit, te weten onenigheid over een serie die ze samen aan het bekijken waren. De verdachte was toen, ook naar eigen zeggen, fors onder invloed van alcohol, hasj en cocaïne.

Door aldus te handelen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bewust het risico genomen dat het slachtoffer aan deze verwondingen zou komen te overlijden.

Het strafblad van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De persoon van de verdachte

Inleiding

In deze zaak zal de tbs-maatregel worden opgelegd. Dat is onvermijdelijk en in het belang van zowel de verdachte als de samenleving. De verdachte heeft behandeling nodig. Daar zijn de advocaat-generaal en de verdediging het over eens. Waar partijen het echter niet over eens zijn is de modaliteit van die op te leggen maatregel en de mate van dwang van de behandeling. De advocaat-generaal heeft tbs met dwangverpleging geëist. Namens de verdachte is bepleit dat een tbs met voorwaarden het meest geëigend is. Het hof zal een en ander hieronder bespreken en vervolgens uitleggen hoe tot de uiteindelijke beslissing in deze is gekomen. Daarbij zal de verblijfsstatus van de verdachte, die onrechtmatig in Nederland verblijft, ook aan de orde komen.

De rapportages

Het hof heeft ter beantwoording van de vraag of een tbs-maatregel moet worden opgelegd acht geslagen op de zich in het dossier bevindende (gedragskundige) rapportages over de verdachte. Er is veelvuldig gerapporteerd. Het hof heeft - met name - de hieronder aangehaalde rapportages betrokken bij de beoordeling. De meest recente rapportages, uitgebracht na het tussenarrest, zal het hof uitvoeriger bespreken.

Psychiater dr. M.M. Loomans heeft, in samenwerking met psychiater in opleiding

P.J.P. Poldervaart, een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 15 maart 2024. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van cocaïne, methadon dan wel heroïne, alcohol en diazepam, waarbij met name het cocaïne- en alcoholgebruik in de periode rondom het ten laste gelegde op de voorgrond stond. Deze stoornissen waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Het ziektebesef is beperkt. De psychiater adviseert om de verdachte bij een eventuele bewezenverklaring het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat.

GZ-psycholoog drs. J. Yntema heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 maart 2024. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Bij verdachte, die ten hoogste op een zwakbegaafd niveau functioneert, is sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een stoornis in het gebruik van opioïde in onderhoudsbehandeling (methadon). Daarnaast is sprake van een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. De psycholoog adviseert om de verdachte bij een eventuele bewezenverklaring het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico voor toekomstig geweldgebruik (niet beperkt tot het tenlastegelegde) wordt – bij onbehandelde terugkeer – als hoog ingeschat. Het ziektebesef is beperkt.

Psychiater dr. M.M. Loomans heeft op 25 mei 2026 een actualisatie van het rapport van 15 maart 2024 opgesteld. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De gedane gedragskundige bevindingen in het rapport van 2024 blijven in stand bij deze actualisatie, waaronder ook de mate van toerekenbaarheid (verminderd). De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, waarbij sprake is van een ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van cocaïne, methadon dan wel heroïne, alcohol en diazapam; waarbij met name het cocaïne- en alcoholgebruik in de periode rondom de tenlastegelegde feiten op de voorgrond stond.

Een behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel is (nog steeds) niet van toepassing. Er is op gedragsdeskundig gebied een beperkt ziektebesef en enige motivatie tot begeleiding, maar weinig noodzaak of motivatie tot behandeling.

Er is een zeer aanzienlijke kans dat betrokkene, mede gezien het beperkte ziekte-inzicht, niet in staat zal zijn zich aan de geldende voorwaarden te houden wat zal leiden tot terugplaatsing in detentie. Er zal geen adequate behandeling of resocialisatie plaats vinden, waardoor de kans op recidive onveranderd hoog zal blijven na terugkeer in de maatschappij. Een stringenter kader lijkt aangewezen om de motivatie vast te houden en met extern sturing te bevorderen. Daarnaast zal de mate van langdurigheid, die noodzakelijk is om de pathologie adequaat te behandelen en te begeleiden, binnen het kader van een voorwaardelijk strafdeel ontoereikend zijn.

Het recidive risico wordt nog altijd als hoog ingeschat. De voornaamste risicofactor voor toekomstig gewelddadig gedrag is en blijft ook het middelengebruik.

Gezien de complexiteit van de pathologie en het hoge recidiverisico, gepaard met de recente bevindingen over zijn functioneren buiten detentie, is het van belang dat de behandeling in een stevig kader wordt vormgegeven.

Betrokkene vindt behandeling zelf niet noodzakelijk en wil dit alleen als er toegewerkt wordt naar een zelfstandige woonvorm en bijvoorbeeld weekgeld. Het beveiligingsniveau van een stevige klinische setting wordt terdege nodig geacht, gezien zijn pathologie en het zich niet conformeren aan begeleidingsafspraken.

De psychiater adviseert tbs omdat het beveiligingsniveau van een stevige klinische setting nodig wordt geacht gezien de verdachte zijn pathologie en het zich niet conformeren aan begeleidingsafspraken. Er wordt een tbs-maatregel met dwangverpleging geadviseerd, gezien de noodzakelijkheid van een adequate en langdurige behandeling en begeleiding.

GZ-psycholoog drs. J. Yntema heeft op 7 juni 2026 een actualisatie van het rapport van 17 maart 2024 opgesteld. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De gedane gedragskundige bevindingen in het rapport van 2024 blijven in stand bij deze actualisatie, waaronder ook de mate van toerekenbaarheid (verminderd). Het geschetste persoonsbeeld en de advisering komen overeen met hetgeen de psychiater op 25 mei 2026 heeft gerapporteerd.

Het hof heeft met name acht geslagen op deze overwegingen.

De traumaproblematiek van de verdachte maakt dat hij impulsiever en defensiever kan reageren en gemakkelijk getriggerd kan worden. Vanwege de ernst van de verslaving in combinatie met zijn kwetsbaarheid voortkomend uit zijn traumaproblematiek, heeft betrokkene nauwelijks grip op zijn verslaving en is hij onvoldoende in staat om het middelengebruik te stoppen of hier controle op uit te kunnen oefenen. Verwacht wordt dat bij gelijkblijvende omstandigheden het risico op terugval in middelengebruik groot is. Na het beëindigen van zijn eerdere detentie in 2025 viel de verdachte direct terug in middelengebruik en uitte hij zich dreigend en agressief richting hulpverleners. De complexe en langdurige problematiek van de verdachte - waarbij hij momenteel van een zeer ernstig delict wordt verdacht - vraagt om steviger kaders met meer forensische expertise. Het recidiverisico voor toekomstig gewelddadig gedrag [niet per definitie met dezelfde ernst als het ten laste gelegde, maar iedere vorm van geweld] wordt derhalve - bij onbehandelde terugkeer - als hoog ingeschat.

Op de klinische items komen als risicofactoren naar voren dat de verdachte recente problemen heeft met: inzicht in stoornis, inzicht in de noodzaak van behandeling, symptomen van ernstige psychische stoornis, instabiliteit en in enige mate respons op behandeling of toezicht (behandeltrouw en responsiviteit).

Gezien de hardnekkigheid van de problematiek en de doorwerking hiervan in het ten laste gelegde in combinatie met het hoge recidiverisico wordt een intensieve behandeling van belang geacht.

Wat de prognose verder betreft is de verdachte thans niet meer gemotiveerd om te stoppen met middelengebruik, althans hij ontkent hier problemen mee te hebben. Voorts is hij niet gemotiveerd voor behandeling en kan hij niet reflecteren op zijn gedrag dat door de hulpverleners als dreigend en agressief wordt beschreven en ervaren. Aangezien er bij de verdachte geen ziektebesef en – inzicht is, behandeling, begeleiding en toezicht wegens terugval in middelengebruik en agressief gedrag in 2025 stagneerden en hij geen motivatie hiervoor heeft, is tbs met dwangverpleging nog de enige optie om betrokkene de benodigde klinische behandeling te bieden om het hoge recidiverisico in te perken.

Op 2 oktober 2026 heeft [naam reclasseringsmedewerker] namens Reclassering Nederland, overeenkomstig het tussenarrest, een volledig maatregelenrapport uitgebracht (“Reclasseringsadvies, Tbs met voorwaarden”). De kern van deze rapportage is het volgende.

De rapporteur heeft kennisgenomen van de hierboven aangehaalde geactualiseerde gedragskundige rapportages. Er wordt negatief geadviseerd over een eventuele tbs met voorwaarden. Dat advies is gebaseerd op twee zelfstandige argumenten, te weten inhoudelijke maar ook praktische overwegingen. Inhoudelijk wordt gewezen op de ernst en de complexiteit van de problematiek in combinatie met het hoge risico op (gewelds)recidive. Daarom is de reclassering van mening dat het zwaartepunt juist moet liggen bij een intensieve, langdurige klinische behandeling binnen een strikt- en gestructureerd kader zonder tijdsdruk. Naar verwachting zal een intensief, langdurend behandel- en begeleidingstraject nodig zijn voor het duurzaam terugbrengen van het recidiverisico. Primair om het ziekte-inzicht en de behandelresponsiviteit te vergroten en secundair om binnen een veilige en stabiele context te kunnen toetsen of betrokkene profiteert van de ingezette interventies.

Als het gaat om praktische argumenten geldt als sterk complicerende factor dat de verdachte thans een illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling is. Die verblijfstatus maakt dat resocialisatieverlof, zijnde een cruciaal onderdeel binnen iedere vorm van tbs-behandeling, niet is toegestaan. Hij zal daarom als ongewenst verklaarde vreemdeling geen regulier resocialisatietraject kunnen doorlopen, waardoor de behandeling zal stagneren. Het komt er op neer dat dit kan betekenen dat de verdachte zonder perspectief op resocialisatie of beëindiging van de maatregel blijvend in een tbs-kliniek zal verblijven. De reclassering realiseert zich dat oplegging van de tbs-maatregel voor de verdachte op termijn tot een uitzichtloze situatie kan leiden. Daartegenover staat dat de verdachte – indien de maatregel niet aan hem wordt opgelegd – onbehandeld en zonder enig recht op voorzieningen terugkeert in de maatschappij. De reclassering stelt voorop dat de bescherming van de maatschappij centraal staat. Gelet op dit belang acht zij het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de opsteller van deze rapportage als deskundige gehoord. Zij heeft haar bevindingen nader toegelicht en volhardt in het advies om de maatregel tbs-dwangverpleging op te leggen. Het advies blijft onveranderd, ook als de verdachte nu wél meer gemotiveerd zou zijn om te worden behandeld.

De toerekenbaarheid van de verdachte

Het hof is van oordeel dat genoemde gedragskundige rapportages (psychiater en psycholoog) op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat hun bevindingen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing. Het hof komt op basis daarvan tot het oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens als bedoeld in artikel 37a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Aannemelijk is dat dit in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de totstandkoming van zijn gewelddadige handelwijze. Het hof komt tot de vaststelling dat het feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Overwegingen omtrent de op te leggen maatregel

Allereerst stelt het hof vast dat het bewezenverklaarde feit, poging tot doodslag, een gewelddadig feit is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel een misdrijf dat afzonderlijk wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2 Sr.

Gelet op de inhoud van de besproken rapportages is het hof van oordeel dat sprake is van een reëel gevaar voor herhaling van gewelddadig gedrag en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van de tbs-maatregel eist.

Uit deze rapportages volgt bovendien dat oplegging van tbs met voorwaarden, als door de verdediging bepleit, geen realistische en ook geen maatschappelijk aanvaardbare mogelijkheid is. Het gevaar op geweldsrecidive is te hoog. Het ziektebesef en intrinsieke behandelingsbereidheid is te laag. Teneinde het recidivegevaar tot maatschappelijk verantwoorde proporties terug te brengen is het noodzakelijk dat de verdachte langdurig klinisch wordt behandeld in een forensisch psychiatrische setting.

Dat zal, het kan niet anders, moeten plaatsvinden binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging.

Het hof heeft begrip voor de ter terechtzitting in hoger beroep uitgesproken wens van de verdachte om zijn problemen op eigen kracht en in vrijheid de baas te blijven, maar het hof acht de problematiek zoals door de deskundigen geschetst te hardnekkig om de verdachte zonder gedwongen behandeling te laten functioneren.

De maatregel van TBS met verpleging van overheidswege wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is om die reden niet beperkt tot een periode van maximaal vier jaren.

Verblijfsstatus verdachte

Het hof heeft vanzelfsprekend stilgestaan bij het feit dat de verdachte thans niet rechtmatig in Nederland verblijft. Dat loopt namelijk als een rode draad door zijn Nederlandse levensverhaal. Zoals het er nu naar uitziet, zal dit bovendien de mogelijkheden van een geslaagde behandeling ernstig kunnen frustreren. Resocialisatie, een cruciaal onderdeel van die noodzakelijke en ook opgelegde behandeling, is voor nu niet mogelijk. Uitzichtloosheid dreigt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat bij een tbs-maatregel met dwangverpleging aan verdachte geen resocialisatiemogelijkheden zullen worden toegekend door zijn vreemdelingenstatus. Daarmee is tbs met dwangverpleging voor de verdachte, volgens de verdediging, een verkapte levenslange gevangenisstraf.

Vast staat dat de verdachte ook na 37 jaar geen geldige titel heeft om in Nederland te verblijven en dat terugkeer naar zijn geboorteland vrijwel onmogelijk lijkt te zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat nog op verschillende manieren wordt geprobeerd om een verblijfstitel voor de verdachte te bemachtigen. De verdachte heeft een asieladvocaat die in beroep is gegaan tegen de afwijzing van een humanitaire verblijfsvergunning, dit beroep loopt nog. Daarnaast is een verzoekschrift ingediend in april 2026 om de stateloosheid van verdachte juridisch te laten vaststellen.

Het hof komt tot de conclusie dat het gebrek aan een geldige verblijfstitel van de verdachte niet in de weg staat om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Het hof stelt vast dat er nog procedures lopen om een verblijfstitel te verkrijgen. Overigens acht het hof ook zonder geldige verblijfstitel de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging in de onderhavige zaak de enige realistische en aanvaardbare afdoening in het belang van de veiligheid van de samenleving.

Overwegingen omtrent de op te leggen gevangenisstraf

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Die straf is hoger dan door de advocaat-generaal is gevorderd, omdat het hof meer gewicht toekent aan de aard en ernst van de gepleegde poging tot doodslag.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk een passende en geboden reactie vormt.

Daarbij is rekening gehouden met de vaststelling dat het feit de verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Redelijke termijn

Het hof heeft evenwel vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

Met het instellen van hoger beroep op 3 oktober 2024 heeft de redelijke termijn van de berechting in hoger beroep een aanvang genomen. Het hof wijst arrest op 22 oktober 2026. Derhalve heeft de berechting in hoger beroep ruim 2 jaar geduurd en dit maakt dat de redelijk termijn met 8 maanden is overschreden.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de genoemde overschrijding verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof dit zal verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder schending een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 voorwaardelijk zou hebben opgelegd, wordt daarop nu, vanwege de schending van de redelijke termijn, 6 maanden voorwaardelijk in mindering gebracht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. De tijd die de verdachte reeds in detentie heeft doorgebracht zal van de uit te zitten straf worden afgetrokken, zodat de verdachte zo snel mogelijk kan doorstromen naar een behandelplek.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een passende en geboden reactie vormen.

Beslag

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes van het merk ‘[merk]’ dient te worden verbeurdverklaard, nu het bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan. Dit mes behoort toe aan de verdachte.

Bij de vaststelling van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en niet teruggeven voorwerpen, de telefoon en de broek, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een mes met zwart handvat, merk [merk].

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een broek met nummer [nummer 1] en

een telefoontoestel van het merk Samsung met nummer [nummer 2] .

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. B. Stapert, als voorzitter, mr. H.C. Wiersinga en
mr. F.W. van Lottum, leden, in bijzijn van de griffier mr. S. Neven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 oktober 2026.