Strafrecht overig
Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor diefstal met geweld in vereniging tot een werkstraf. Post-Landeck verweer…
Gerechtshof Amsterdam, 22 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3011 · Gerechtshof Amsterdam · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-3011
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-002210-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:3011
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor diefstal met geweld in vereniging tot een werkstraf. Post-Landeck verweer: het hof volstaat met de constatering van het vormverzuim. Vordering benadeelde partij: materiële schade deels toe- en deels afgewezen. Immateriële schade deels toegewezen o.g.v. persoonsaantasting op andere wijze, gelet op ‘de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen’. Begroting smartengeld met toepassing Rotterdamse Schaal. Het meer gevorderde smartengeld is niet-ontvankelijk o.g.v. artikel 361 lid 3 Sv: mede gelet op jeugdige leeftijd benadeelde partij niet uitgesloten dat hij (op langere termijn) gevolgen van het strafbare feit ondervindt die zich laten vertalen in meer immateriële schade. Dat zou nader onderzoek vergen, met een onevenredig beslag op deze strafzaak, de benadeelde partij kan het meer gevorderde daarom desgewenst aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002210-25
datum uitspraak: 22 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 16 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-401833-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door kinderrechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van de aan hem onder 1 en 3 tenlastegelegde afpersing en dwang. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom ook gericht tegen die vrijspraken. Op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan tegen een vrijspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep tegen deze vrijspraak voor feit 1 en feit 3.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover nog aan de orde in hoger beroep, tenlastegelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere fietsen en/of een telefoon, in elk geval enige goederen, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen "afstappen" en/of "zet je fiets neer" en/of "leg je fiets op de grond", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of door voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te fouilleren, en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te duwen,
- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te dwingen mee te lopen, en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te omsingelen, en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "als jullie gaan schreeuwen schiet ik", althans woorden van gelijke aard of strekking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit. Zij is het eens met het vonnis van de kinderrechter.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit, omdat zijn rol te beperkt is geweest om te kunnen spreken van ‘medeplegen’.
Het hof overweegt als volgt.
Om het medeplegen te kunnen bewijzen, moet het hof beoordelen of sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de medeverdachten. Daarbij kan het hof ook rekening houden met hoe het eruit heeft gezien en overkomt (‘de uiterlijke verschijningsvorm’).
De verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig was bij de straatroof, maar dat hij daarin zelf geen rol heeft gehad. Hij heeft gezegd dat hij de slachtoffers inderdaad heeft aangesproken over het kopen van een jas, maar dat hij niet wist wat er ging gebeuren en er zelf ook van schrok dat de medeverdachte toen ineens een vuurwapen gelijkend voorwerp trok. Hij is wel meegelopen toen de medeverdachten de slachtoffers hiertoe opdracht gaven. Uiteindelijk is hij ook wel op een fatbike van een van de slachtoffers weggefietst. Dat deed hij omdat medeverdachte [medeverdachte 1] tegen hem zou hebben gezegd dat hij dit moest doen. Hij vond dit een onvoorspelbare jongen en was eerder door hem bedreigd dat hij hem nog boetes moest betalen.
Het hof concludeert uit hoe de straatroof is uitgevoerd, dat de verdachte en de medeverdachten samen uitvoering hebben gegeven aan de beroving, waarbij zij allemaal een eigen rol in de uitvoering hebben gehad. De verdachte heeft het contact met de slachtoffers gelegd. Direct hierna komt het op een vuurwapen gelijkende voorwerp bij de medeverdachte tevoorschijn. De verdachte heeft hierna in ieder geval nog zelf een bijdrage geleverd door bij de medeverdachten en slachtoffers te blijven, ook mee te lopen naar een andere plek toen de slachtoffers dit werd opgedragen en uiteindelijk door zelf op een gestolen fatbike weg te fietsen. Hij heeft hiermee bijgedragen aan de intimiderende situatie waarin de slachtoffers zich gedwongen hebben gevoeld om mee te werken. Met het wegfietsen op de fatbike heeft hij bij uitstek bijgedragen aan het voltooien van de beroving. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat de verdachte daarmee een actieve en wezenlijke rol heeft vervuld in de straatroof.
Het hof concludeert daarom dat de verdachte medepleger was van feit 2.
De verklaring van de verdachte dat hij handelde onder druk of dreiging vanuit de medeverdachte is niet aannemelijk geworden. Overigens zou wat de verdachte hierover heeft aangevoerd, ook niet tot de conclusie hebben geleid dat de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt.
Bewijsmiddelen
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 september 2025. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was op 9 november 2024 met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ) in Amstelveen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben drie jongens beroofd en een vuurwapen getoond. Ik ben op de fatbike van een van de slachtoffers weggefietst.
(…) Toen escaleerde het. Er werd een vuurwapen getrokken. Toen werd er gezegd dat iemand zijn zakken leeg moest maken. Toen moest iedereen meelopen naar een garage waar geen camera’s hangen. Iemand moest daarna zijn iPhone leeg maken. Daarna gaven ze hun fatbikes. Ik ben toen op een van die fatbikes weggereden.
2. Een proces-verbaal van aangifte van 9 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 1 t/m 6).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer 1] :
Ik ben eigenaar van een Fatbike van het merk Esmaster. type 750 Rock Wheel zwart van kleur. Op Zaterdag 9 November 2024 zag ik dat NN3 (het hof begrijpt: de verdachte) op de fiets van [persoon 2] zat. Toen ik daar aankwam hoorde ik dat NN1 tegen mij zei: "afstappen". Ik ben toen van mijn fiets afgestapt en NN1 nam mijn bovengenoemde fiets over en ik zag dat hij mijn fiets aan NN2 gaf. Vervolgens liep NN2 met de fiets aan de hand samen met NN1 en NN3 richting de voorkant van de flat helemaal rechts in de hoek. Ik moest meelopen samen met mijn vrienden. NN1 zei tegen mij dat ik mijn zakken leeg moest maken. Ik ging toen met mijn handen in mijn zakken en zei tegen NN1 dat ik sleutels in mijn zak had en een mobiele telefoon. Toen zei NN2 dat ik mijn ID-kaart moest geven, die gaf ik. Ik zag dat hij een foto maakte van mijn ID kaart en van mijn gezicht. Ik hoorde dat NN1 tegen mij zei: "haal je telefoon uit je zak". Ik haalde toen mijn mobiele telefoon uit mijn zak. Ik zag dat hij uit zijn linker jaszak een vuurwapen trok. Dit zette NN1 tegen mijn rechterzij aan. Hij drukte tegen mijn jas aan. NN1 had even mijn mobiele telefoon in handen gehad. Ik kreeg mijn fiets weer terug maar moest meelopen naar de parkeerplaats bij voetbalvereniging [vereniging]. Daar liepen we met zijn allen naartoe. NN1, NN2, NN3, [persoon 2] , [persoon 1] en ik. Ik liep mee want ik was erg bang voor NNI, NN2 en NN3. Ze hadden ons helemaal omsingeld en ik kon geen kant meer op. Ik durfde niet weg te fietsen want ik was bang dat ze me van mijn fiets af zouden trappen. Ik wist ook dat NN1 een vuurwapen bij zich had en daarom luisterde ik naar wat ze zeiden. Ik moest mijn fiets neerzetten van NNI. Toen zag ik dat NN3 op mijn fiets wegfietste. Ik zag dat NN2 fietste op de Fatbike Knaap van mijn vriend [persoon 2] .
3. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 29 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina’s 80 t/m 81).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer 1] :
Ik kwam aanfietsen op mijn fatbike. Ik zag dat er 5 jongens waren waarvan [persoon 1] en [persoon 2] er twee waren. Ik zag dat de jongen met de pet op een vuurwapen pakte. Ik zag dat de jongen met de pet heel dichtbij kwam en dat hij het vuurwapen naar mij bracht en ik voelde dat het vuurwapen in mijn zij werd gedrukt. De jongen met de pet zei dat ik mijn zakken moest legen. Ik pakte mijn telefoon en hield het zichtbaar vast in mijn handen. Ik zag dat de jongen met de pet mijn mobiel uit mijn handen pakte. Ik kreeg opnieuw het vuurwapen in mijn zij gedrukt.
(...) Ik moest de fiets openmaken. Daarna reed hij weg op mijn fiets.
4. Een proces-verbaal van aangifte van 17 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina’s 62 t/m 65).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer 3] :
Op zaterdag 9 november 2024, omstreeks 17.30 uur was ik bij de voetbalvereniging [vereniging] te Amstelveen met [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 4] . Ik had mijn fatbike bij me en [persoon 3] was met zijn fatbike.
Er kwam een jongen over de Sportlaan te Amstelveen in onze richting lopen. (…) Ik zag dat NN1 een voorwerp uit zijn jas haalde en dit richtte op [persoon 1] . Hij zei: "Jullie moeten nu met mij meekomen." We liepen met de drie jongens mee naar de Ambrosiuslaan en stonden onder een portiek van een flat. Daar werd ons door NN2 bevolen om onze spullen af te geven. Als we dit niet deden dan zouden ze hun vuurwapens gebruiken. Ik hoorde dat NN2 een diepe stem had.. Ik gaf mijn telefoon af. [persoon 1] stribbelde tegen door hardop te vragen: "Waarom doen jullie dit?" We moesten met zijn allen meelopen naar de parkeerplaats. Toen we daar aankwamen moesten we onze fietsen afgeven aan de verdachten. Ik gaf mijn fiets aan NN1 en ik zag dat NN1 wegfietste.
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebruikt tot het bewijs van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2. hij op 9 november 2024 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere fietsen en een telefoon, die aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen "afstappen" en "zet je fiets neer" en "leg je fiets op de grond", althans woorden van gelijke aard of strekking, en
- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke aard of strekking, en door voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te fouilleren, en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te duwen,
- voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te dwingen mee te lopen, en
- voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te omsingelen, en
- voornoemde [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "als jullie gaan schreeuwen schiet ik", althans woorden van gelijke aard of strekking.
Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit. Dit betekent dat het feit de verdachte kan worden verweten.
Oplegging van straf
De kinderrechter heeft de verdachte voor de straatroof veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie.
De advocaat-generaal heeft hierbij 10 uur werkstraf afgetrokken van haar oorspronkelijke eis, omdat zij het door de verdediging gevoerde ‘Landeck’-verweer gegrond vond.
De raadsman heeft in geval van een bewezenverklaring van het feit verzocht rekening te houden met de kleine rol van de verdachte. De verdachte had geen rol bij het gepleegde geweld of de bedreiging en daarom dient aansluiting te worden gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ( LOVS) jeugd voor eenvoudige diefstal.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek dat heeft plaatsgevonden aan de telefoon van de verdachte zonder toestemming van een rechter-commissaris, gelet op het Landeck-arrest een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. Voor wat betreft het geleden nadeel door het vormverzuim is door de raadsman gewezen op het feit dat de volledige inhoud van de telefoon op een politieserver staat, waardoor in theorie nog steeds een compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte. Ook is er volgens de raadsman daadwerkelijk een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte gemaakt, door het onderzoek dat door de verbalisant in de zogeheten ‘image’ is gedaan naar informatie op de telefoon rondom 9 november 2024, in belcontacten, foto’s en sociale media. Er is dus sprake van een schending van de privacy, die volgens de raadsman moet leiden tot strafvermindering.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een intimiderende beroving van jonge jongens. De slachtoffers zijn op straat bedreigd, omsingeld en geïntimideerd en de verdachten hebben een telefoon en twee fatbikes weggenomen. Daarbij is aan de slachtoffers een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en dit is zelfs bij een van de slachtoffers ( [slachtoffer 1] ) in de zij geduwd. De verdachten hebben hiermee, naast financiële schade, een enorme angst bij de slachtoffers veroorzaakt en hebben niet stil gestaan bij de impact hiervan op hen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die de ouders van het slachtoffer [slachtoffer 1] namens hem hebben opgesteld blijkt onder meer de enorme impact die de beroving op hem heeft gehad. Naast de financiële en nare gevolgen voor slachtoffers veroorzaken dit soort feiten ook sterke gevoelens van onveiligheid in hun directe omgeving en in de samenleving. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
Het baart het hof zorgen dat de verdachte op zitting onvoldoende heeft laten zien te begrijpen dat hij anders had kunnen en moeten handelen.
Uit het strafblad van de verdachte van 28 september 2026 blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Ook heeft het hof kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 4 september 2025, waaruit een overwegend positief beeld komt. Uit dat rapport blijkt dat de verdachte beschikt over meerdere beschermende factoren, waaronder betrokken ouders, zijn opleiding en een bijbaantje. Tegelijkertijd zijn er ook risicofactoren, met name op het gebied van antisociale vrienden en geestelijke gezondheid.
In eerste aanleg en in hoger beroep heeft de Raad op de terechtzitting geadviseerd om de verdachte een (deels voorwaardelijke) werkstraf op te leggen. Dit vinden zij een passende consequentie en een eventueel voorwaardelijk deel zou kunnen dienen als waarschuwing.
Het hof heeft voor het bepalen van de duur van de op te leggen taakstraf acht geslagen op de straf die bij een afpersing pleegt te worden opgelegd, welke straf tot uitdrukking komt in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) jeugd. Deze oriëntatiepunten rechtvaardigen in beginsel een taakstraf vanaf 60 uren, of overeenkomstige jeugddetentie. In deze zaak zijn bovendien meerdere strafverzwarende omstandigheden aan de orde, namelijk de bedreiging met een (nep)wapen, het feit dat sprake was van meerdere verdachten en meerdere, jonge slachtoffers.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat noch de door de kinderrechter opgelegde straf, noch de eis van de advocaat-generaal recht doen aan de ernst van het gepleegde strafbare feit. Het hof vindt een werkstraf voor de duur van 90 uren een passende strafrechtelijke consequentie voor het handelen van de verdachte. Als die werkstraf niet zou worden uitgevoerd, staat daar 45 dagen jeugddetentie tegenover. Het voorarrest wordt nog van de straf afgetrokken.
De vraag is of die straf nog moet worden verlaagd, vanwege het gestelde (Landeck-)vormverzuim. Hierover overweegt het hof als volgt.
Het hof is allereerst van oordeel dat met het onderzoek in de telefoon van de verdachte sprake is geweest van een meer dan geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en dat dus toestemming van de rechter-commissaris vereist was, zodat sprake is van een vormverzuim nu die toestemming niet is gevraagd.
Van strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, kan slechts sprake zijn indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
Voor wat betreft het nadeel en de ernst van het verzuim heeft het hof in aanmerking genomen dat de betrokken opsporingsambtenaren, zo kan worden aangenomen, te goeder trouw hebben gehandeld en de verwijtbaarheid van die (achteraf gezien onrechtmatige) handelwijze gering is.
In het zogenaamde post-Landeck arrest van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409) heeft de Hoge Raad een kader gegeven voor toegang tot gegevens in een smartphone. Pas met het in deze zaak gewezen arrest van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat voor het onderzoek als door de opsporingsambtenaren in deze zaak is verricht vooraf toestemming dient te worden gevraagd aan de rechter-commissaris. Het verzuim is in die zin niet direct verwijtbaar aan de opsporingsautoriteiten.
Ook neemt het hof in aanmerking dat de omstandigheid of de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk toestemming zou hebben gegeven relevant kan zijn bij het toetsen van de factoren zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Het hof acht aannemelijk dat de rechter-commissaris, bij de afweging van de te verwachten inbreuk, de ernst van het strafbare feit en het belang van het onderzoek, in dit geval toestemming zou hebben gegeven voor het – al dan niet onder voorwaarden – onderzoeken van de telefoon van verdachte. Dat maakt dat de ernst van het vormverzuim beperkt is gebleven.
Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat zich geen geval voordoet waarin sprake is van door een vormverzuim veroorzaakt nadeel dat dermate ernstig is dat strafvermindering moet volgen. Het hof volstaat dus met de constatering van het vormverzuim.
Dat de image van de hele telefoon zich nog steeds op een politieserver bevindt, is ten eerste niet gebleken. Ook als dat het geval zou zijn, ziet het hof daarin, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1615) geen reden om anders te concluderen.
Het verweer, strekkende tot strafvermindering, wordt verworpen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.449,00. De benadeelde is in zijn vordering bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Nu de vordering in eerste aanleg niet is toegewezen, duurt deze niet van rechtswege voort in hoger beroep als bedoeld in artikel 421 lid 2
van het Wetboek van Strafvordering. Dat betekent dat de vordering niet aan het oordeel van het hof onderworpen is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.665,10, bestaande uit:
- € 2.165,10 aan materiële schade, te weten € 1.695,00 voor de weggenomen fatbike en € 470,10 aan openbaar vervoerskosten, en
- € 2.500,00 aan immateriële schade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.009,35.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat van de benadeelde partij heeft de gehandhaafde vordering ter terechtzitting nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de materiële schade dezelfde beslissing dient te worden genomen als de rechtbank en dat de immateriële schade geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat over de fatbike dezelfde beslissing dient te worden genomen als de rechtbank. De raadsman stelt dat de vordering over de openbaar vervoerskosten primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende rechtstreeks verband hebben met het feit. Subsidiair bepleit hij dat de kosten over een periode van hooguit twee weken voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. De raadsman stelt ten aanzien van de gevorderde immateriële schade primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu uit het dossier onvoldoende blijkt dat er sprake was van geestelijk letsel dan wel enige andere persoonsaantasting op andere wijze. Subsidiair bepleit hij het bedrag te matigen tot € 750,00. Indien een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, verzoekt de raadsman deze te beperken tot 1/3e deel zodat alle medeverdachten voor een gelijk deel zullen worden aangesproken.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
Materiële schade
Inzake de fatbike: Het hof zal rekening houden met 10% afschrijving per jaar, oftewel 20% aangezien de fatbike twee jaar oud was. Dit betekent dat een bedrag van € 1.356,00 zal worden toegewezen.
Inzake de openbaar vervoerskosten: Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt. Het hof is van oordeel dat de kosten in de eerste drie maanden, november 2024 tot en met januari 2025, na de beroving toewijsbaar zijn, te weten € 134,35. De kosten die in de maanden daarna zijn gemaakt staan niet meer in zodanig rechtstreeks verband met de beroving dat zij voor toewijzing in aanmerking komen.
Het hof zal de overige gevorderde materiële schade afwijzen. Het partijdebat is genoegzaam gevoerd, nader onderzoek is niet nodig en de ongegrondheid van het meer gevorderde is voldoende komen vast te staan.
Concluderend zal het hof de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.490,35 en het méér gevorderde afwijzen.
Immateriële schade
Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van de aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. Redengevend is het volgende.
De aard en ernst van de normschending volgt uit het hiervoor weergegeven bewezenverklaarde feit en de strafmaatoverweging. De aard en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde blijkt voldoende concreet uit de in eerste aanleg overgelegde toelichting op de vordering, daaronder begrepen een huisartsverklaring, slachtofferverklaringen van de ouders van de benadeelde en de toelichting ter zitting in hoger beroep, waarvan de inhoud als zodanig niet weersproken is. De benadeelde was ten tijde van het bewezenverklaarde slechts 15 jaar oud. Hij heeft het gebeuren als traumatisch ervaren: de bedreiging met het vuurrwapen dat in zijn zij werd geduwd, de door hem gevoelde beroving van zijn vrijheid (hij werd omsingeld) en het wegnemen van de fatbike. Hij is lange tijd op zijn hoede geweest, angstig, sliep slecht en ging nauwelijks meer naar buiten. Zijn moeder heeft hierover de huisarts geraadpleegd, die hierin aanleiding zag voor het zoeken van professionele hulpverlening door een psycholoog. Hoewel geen goede inschatting valt te maken op welke lange termijn de benadeelde gevolgen zal ondervinden, lijkt het volgens de gemachtigde ter zitting bij het hof inmiddels beter te gaan met de benadeelde, nadat hij met zijn familie is verhuisd.
Daarmee komt het hof toe aan de begroting van de immateriële schade. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal (paragraaf 19.1 onder b). Het hof acht gezien al het voorgaande en mede gelet op wat bij een medeverdachte in hoger beroep (parketnummer 23-00017-26) wordt toegewezen op basis van een ruimere bewezenverklaring, een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade billijk en voor toewijzing vatbaar.
Het hof ziet aanleiding het méér gevorderde niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 361 lid 3 Sv omdat - mede gezien de voornoemde jeugdige leeftijd van de benadeelde - niet is uitgesloten dat hij (op langere termijn) rechtstreekse gevolgen van het strafbare feit ondervindt die zich laten vertalen in meer immateriële schade. Dat zou nader onderzoek vergen, met een onevenredig beslag op deze strafzaak. De benadeelde kan het meer gevorderde daarom desgewenst aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Hoofdelijke veroordeling en wettelijke rente
Het hof zal de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders veroordelen tot vergoeding van de toegewezen schade, deze vermeerderen met de wettelijke rente, en tevens hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof ziet, gegeven de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het totaal van de toewijsbare schade, geen grond om bij de schadevergoedingsmaatregel uit te gaan van een veroordeling tot betaling van slechts 1/3 deel daarvan zoals door de verdediging is bepleit.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.490,35 (drieduizend vierhonderdnegentig euro en vijfendertig cent) bestaande uit € 1.490,35 (duizend vierhonderdnegentig euro en vijfendertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot materiële schadevergoeding voor het overige af.
Verklaart de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.490,35 (drieduizend vierhonderdnegentig euro en vijfendertig cent) bestaande uit € 1.490,35 (duizend vierhonderdnegentig euro en vijfendertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 9 november 2024 over een bedrag van € 1.356,00 ter zake van de fatbike;
- 20 december 2024 over een bedrag van € 134,35 ter zake van de ov-kosten.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 november 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. M.J.A. Duker en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
22 oktober 2026.
Mr. M.J.A. Duker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]