Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor diefstal met geweld in vereniging en medeplegen van dwang tot een…

Gerechtshof Amsterdam, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
23-000017-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:3010
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor diefstal met geweld in vereniging en medeplegen van dwang tot een werkstraf. Vorderingen benadeelde partijen: materiële schade deels toe- en deels afgewezen. Immateriële schade toegewezen o.g.v. persoonsaantasting op andere wijze, gelet op ‘de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen’. Begroting smartengeld met toepassing Rotterdamse Schaal.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000017-26

datum uitspraak: 22 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-377889-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2008,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van de aan hem onder 1 tenlastegelegde afpersing in vereniging. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom ook gericht tegen deze vrijspraak. Op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan tegen een vrijspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep tegen deze vrijspraak voor feit 1.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is voor zover in hoger beroep nog aan de orde tenlastegelegd dat:

2.
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere fietsen en/of een telefoon, in elk geval enige goederen, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen "afstappen" en/of "zet je fiets neer" en/of "leg je fiets op de grond", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of door voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te fouilleren, en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te duwen,

- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te dwingen mee te lopen, en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te omsingelen, en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "als jullie gaan schreeuwen schiet ik", althans woorden van gelijke aard of strekking;

3.
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derde, te weten voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , wederrechtelijk heeft/hebben gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het tonen en/of laten fotograferen van een of meerdere identiteitsbewijzen en/of vervoersbewijzen en/of schoolroosters en/of het dulden foto's te laten maken van het gezicht, al dan niet met genoemde goederen in beeld, door

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te duwen, en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te dwingen mee te lopen, en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te omsingelen, en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "als jullie gaan schreeuwen schiet ik", althans woorden van gelijke aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld

Het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, zal worden vernietigd, onder meer omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Zij is het eens met het vonnis van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van het hof en ten aanzien van feit 3 bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Op basis van het procesdossier zou niet bewezen kunnen worden dat er sprake was van het medeplegen van dwang omdat de verdachte daarin geen wezenlijke bijdrage heeft gehad.

Het hof overweegt als volgt.

Om het medeplegen te kunnen bewijzen, moet het hof beoordelen of sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de medeverdachten. Daarbij kan het hof ook rekening houden met hoe het eruit heeft gezien en overkomt (‘de uiterlijke verschijningsvorm’).

De verdachte heeft bekend dat hij betrokken was bij de straatroof, maar heeft gezegd dat er geen plan was. Hij heeft verklaard dat hij één van de slachtoffers heeft gefouilleerd en ook dat hij uiteindelijk bij medeverdachte [medeverdachte 1] achterop de gestolen fatbike de plaats delict heeft verlaten. Medeverdachte [medeverdachte 2] is op de andere fatbike weggefietst. De verdachte heeft verklaard dat hij vooraf niet wist dat [medeverdachte 1] zijn airsoftwapen mee had en dat hij hier zelf ook van schrok. De verdachte heeft het wapen zelf ook niet vastgehad. Hij heeft wel meegedaan aan de beroving, omdat [medeverdachte 1] hem dit vroeg. De verdachte heeft ook foto’s gemaakt van de slachtoffers, terwijl volgens hem [medeverdachte 1] de bevelen aan de slachtoffers gaf.

Het hof concludeert uit hoe de straatroof is uitgevoerd, dat de verdachte en de medeverdachten samen uitvoering hebben gegeven aan de beroving en de dwang, waarbij zij allemaal een eigen rol in de uitvoering hebben gehad. De verdachte heeft nadat het wapen tevoorschijn was gekomen in ieder geval zelf meegedaan door de slachtoffers te fouilleren en vervolgens samen met de medeverdachte de slachtoffers te bevelen hun identiteitsbewijzen te tonen, waarna deze door hem zijn gefotografeerd. Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat de verdachte daarmee een actieve en wezenlijke rol heeft vervuld, niet alleen in de straatroof maar ook in de dwang. Hij heeft de foto’s gemaakt en daarmee juist bij uitstek bijgedragen aan het voltooien van feit 2.

Het hof concludeert daarom dat de verdachte medepleger was van beide tenlastegelegde feiten.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 december 2025. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik was erbij betrokken (het hof begrijpt: op 9 november 2024). (…) Toen we daar kwamen, kwamen de jongens zonder jas aan. Eindstand werd er een pistool getrokken, werden die jongens beroofd en gingen wij weg met een telefoon en fiets. [medeverdachte 2] was mee. Ik ben de jongen met de in gold we trust jas. [medeverdachte 1] is de jongen met pet.

(...) Toen zagen we die jongens. (...) [medeverdachte 1] nam hem mee en had zijn hand over zijn schouder gezet. Hij trok een air soft pistool. Wij gingen daarmee spelen. [medeverdachte 1] gaf mij de taak om een van die jongens te fouilleren. Dat had ik toen gedaan. En de taak om foto's te maken van die jongens.

Ik kan mij voorstellen dat het heel bedreigend is geweest. Dat van die ID's moest van [medeverdachte 1] . Hij zei jullie moeten jullie ID laten zien. Een van die jongens had die niet bij zich en toen moest hij zijn Magister van school laten zien. Ik kan het mij nog herinneren van de fatbike op de grond leggen.

Nadat we zijn weggegaan ging een telefoon met [medeverdachte 1] mee en een telefoon met [medeverdachte 2] mee.

Ik kan wel begrijpen dat zij dachten dat wij het met z'n allen deden.

2. Een proces-verbaal van aangifte van 9 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 1 t/m 6).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer 1] :

Ik ben eigenaar van een Fatbike van het merk Esmaster. type 750 Rock Wheel zwart van kleur. Op Zaterdag 9 November 2024 zag ik dat NN3 op de fiets van [persoon 1] zat. Toen ik daar aankwam hoorde ik dat NN1 tegen mij zei: "afstappen". Ik ben toen van mijn fiets afgestapt en NN1 nam mijn bovengenoemde fiets over en ik zag dat hij mijn fiets aan NN2 (het hof begrijpt: de verdachte) gaf. Vervolgens liep NN2 met de fiets aan de hand samen met NN1 en NN3 richting de voorkant van de flat helemaal rechts in de hoek. Ik moest meelopen samen met mijn vrienden. NN1 zei tegen mij dat ik mijn zakken leeg moest maken. Ik ging toen met mijn handen in mijn zakken en zei tegen NN1 dat ik sleutels in mijn zak had en een mobiele telefoon. Toen zei NN2 dat ik mijn ID-kaart moest geven, die gaf ik. Ik zag dat hij een foto maakte van mijn ID kaart en van mijn gezicht. Ik hoorde dat NN1 tegen mij zei: "haal je telefoon uit je zak". Ik haalde toen mijn mobiele telefoon uit mijn zak. Ik zag dat hij uit zijn linker jaszak een vuurwapen trok. Dit zette NN1 tegen mijn rechterzij aan. Hij drukte tegen mijn jas aan. NN1 had even mijn mobiele telefoon in handen gehad. Ik kreeg mijn fiets weer terug maar moest meelopen naar de parkeerplaats bij voetbalvereniging [vereniging 1]. Daar liepen we met zijn allen naartoe. NN1, NN2, NN3, [persoon 1] , [persoon 2] en ik. Ik liep mee want ik was erg bang voor NNI, NN2 en NN3. Ze hadden ons helemaal omsingeld en ik kon geen kant meer op. Ik durfde niet weg te fietsen want ik was bang dat ze me van mijn fiets af zouden trappen. Ik wist ook dat NN1 een vuurwapen bij zich had en daarom luisterde ik naar wat ze zeiden. Ik moest mijn fiets neerzetten van NN1. Toen zag ik dat NN3 op mijn fiets wegfietste. Ik zag dat NN2 fietste op de Fatbike Knaap van mijn vriend [persoon 1] .

3. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 29 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina’s 80 t/m 81).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer 1] :

Ik kwam aanfietsen op mijn fatbike. Ik zag dat er 5 jongens waren waarvan [persoon 2] en [persoon 1] er twee waren. Ik zag dat de jongen met de pet op een vuurwapen pakte. Ik zag dat de jongen met de pet heel dichtbij kwam en dat hij het vuurwapen naar mij bracht en ik voelde dat het vuurwapen in mijn zij werd gedrukt. De jongen met de pet zei dat ik mijn zakken moest legen. Ik pakte mijn telefoon en hield het zichtbaar vast in mijn handen. Ik zag dat de jongen met de pet mijn mobiel uit mijn handen pakte. Ik kreeg opnieuw het vuurwapen in mijn zij gedrukt.

(...) Ik moest de fiets openmaken. Daarna reed hij weg op mijn fiets.

4. Een proces-verbaal van aangifte van 17 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina’s 62 t/m 65).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer 3] :

Op zaterdag 9 november 2024, omstreeks 17.30 uur was ik bij de voetbalvereniging [vereniging 1] te Amstelveen met [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Ik had mijn fatbike bij me en [persoon 3] was met zijn fatbike.

Er kwam een jongen over de Sportlaan te Amstelveen in onze richting lopen. (…) Ik zag dat NN1 een voorwerp uit zijn jas haalde en dit richtte op [persoon 2] . Hij zei: "Jullie moeten nu met mij meekomen." We liepen met de drie jongens mee naar de Ambrosiuslaan en stonden onder een portiek van een flat. Daar werd ons door NN2 bevolen om onze spullen af te geven. Als we dit niet deden dan zouden ze hun vuurwapens gebruiken. Ik hoorde dat NN2 een diepe stem had.. Ik gaf mijn telefoon af. [persoon 2] stribbelde tegen door hardop te vragen: "Waarom doen jullie dit?" We moesten met zijn allen meelopen naar de parkeerplaats. Toen we daar aankwamen moesten we onze fietsen afgeven aan de verdachten. Ik gaf mijn fiets aan NN1 en ik zag dat NN1 wegfietste.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 12 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina’s 12 t/m 15).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 2] :

Op zaterdag 9 november 2024 was ik samen met [persoon 4] , [persoon 3] en [persoon 1] . (…) Op ditzelfde moment kwamen er twee jongens naar ons toe. Die jongens waren ongeveer 16 a 17 jaar. Ze droegen Asics schoenen en broeken aan. Een van de jongens had een "In Gold we trust" jas aan en de ander had een pet op. Ik zag dat de jongen met de pet het vuurwapen vasthield en ik zag dat het zwart van kleur was. Ik zag op de slede een tekst staan: "Walther P99". Ik voelde dat hij de loop van het vuurwapen in mijn buik duwde. Ik hoorde de jongen met de pet zeggen: "Meelopen." We liepen naar een flat op de Sportlaan ter hoogte van huisnummer [nummer]. Ik en [persoon 1] waren omsingeld door de drie jongens. De jongen met de pet deed het woord. We moesten rustig doen en niet schreeuwen. Ik hoorde de jongen met de pet zeggen: "Als jullie gaan schreeuwen dan schiet ik."

De jongen met de "In Gold in trust" jas ging mij fouilleren. Ze wilden mijn telefoon hebben.. De jongens pakten onze ID-kaarten af en maakten daar foto's van. Daarna maakten ze ook foto's van onze openbaar vervoerspassen en onze roosters van school. We moesten meelopen naar het parkeerterrein van de hockeyvereniging [vereniging 2] . [persoon 3] en [persoon 1] moesten hun fatbikes op de grond leggen. (…) De berovers pakten onze fiets en reden erop weg.

6. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina’s 23 t/m 29).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

09/11/2024 17:30:04: Ik zag rechts onderin het beeld twee personen met hetzelfde signalement. De persoon met de ‘In gold we trust' jas bleek later NN2 te zijn. De persoon met de pet op bleek later NN1 te zijn.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebruikt tot het bewijs van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij op 9 november 2024 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere fietsen en een telefoon, die aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen "afstappen" en "zet je fiets neer" en "leg je fiets op de grond", althans woorden van gelijke aard of strekking, en

- voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke aard of strekking, en door voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te fouilleren, en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te duwen,

- voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te dwingen mee te lopen, en

- voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te omsingelen, en

- voornoemde [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "als jullie gaan schreeuwen schiet ik", althans woorden van gelijke aard of strekking;

3.
hij op 9 november 2024 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , door geweld en door bedreiging met geweld gericht tegen die ander, te weten voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , wederrechtelijk hebben gedwongen iets te doen of te dulden, te weten het tonen en laten fotograferen van identiteitsbewijzen en vervoersbewijzen en schoolroosters en het dulden foto's te laten maken van het gezicht, al dan niet met genoemde goederen in beeld, door

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te duwen, en

- voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te dwingen mee te lopen, en

- voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te omsingelen, en

- voornoemde [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "als jullie gaan schreeuwen schiet ik", althans woorden van gelijke aard of strekking.

Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en te dulden.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit. Dat betekent dat de feiten de verdachte te verwijten zijn.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg feit 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 70 uren met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren.

De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte geen straf op te leggen (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht), omdat de gevolgen voor hem al groot zijn geweest. De verdachte heeft met zijn opleiding tot beveiliger moeten stoppen, omdat hem door de veroordeling in eerste aanleg geen verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) werd verstrekt. Als het hof de verdachte geen straf zou opleggen, zou zijn kans op een VOG bij een eventuele herbeoordeling groter zijn. De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte anders een zo laag mogelijke taakstraf op te leggen, die recht doet aan de kleine rol die hij zou hebben gehad.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een intimiderende beroving van jonge jongens. De slachtoffers zijn op straat bedreigd, omsingeld en geïntimideerd en de verdachten hebben een telefoon en twee fatbikes weggenomen. Daarbij is aan de slachtoffers een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en dit is zelfs bij een van de slachtoffers ( [slachtoffer 1] ) in zijn zij geduwd. De verdachten hebben hiermee, naast financiële schade, een enorme angst bij de slachtoffers veroorzaakt en hebben niet stil gestaan bij de impact hiervan op hen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die de ouders van het slachtoffer [slachtoffer 1] namens hem hebben opgesteld, blijkt onder meer de enorme impact die de beroving op hem heeft gehad. Naast de financiële en nare gevolgen voor slachtoffers veroorzaken dit soort feiten ook sterke gevoelens van onveiligheid in hun directe omgeving en in de samenleving. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Wel vindt het hof het positief dat de verdachte zelf ook inziet dat het verkeerd was en dat hij anders had kunnen en moeten handelen. Hij heeft ook spijt betuigd.

Uit het strafblad van de verdachte van 28 september 2026 blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof heeft verder kennisgenomen van het rapport van de Jeugdbescherming Regio Amsterdam van 2 december 2025. Uit dat rapport blijkt dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode goed heeft meegewerkt aan de voorwaarden en geboden hulpverlening.

In eerste aanleg en in hoger beroep heeft de Raad voor de Kinderbescherming op de terechtzitting naar voren gebracht dat er geen pedagogische meerwaarde wordt gezien van oplegging van een straf. De verdachte heeft doordat hij gedwongen moest stoppen met zijn opleiding voldoende consequenties ervaren.

Het hof heeft voor het bepalen van de duur van de op te leggen taakstraf gekeken naar de straf die bij een straatroof als uitgangspunt staat opgenomen, in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) jeugd. Deze oriëntatiepunten rechtvaardigen in beginsel een taakstraf vanaf 60 uren, of overeenkomstige jeugddetentie. In deze zaak zijn bovendien meerdere strafverzwarende omstandigheden aan de orde, namelijk de bedreiging met een (nep)wapen, het feit dat sprake was van meerdere verdachten en meerdere, jonge slachtoffers.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat noch de toepassing van artikel 9a Sr zoals verzocht door de raadsvrouw, noch de eis van de advocaat-generaal recht doen aan de ernst van de gepleegde strafbare feiten. Ook de in eerste aanleg opgelegde werkstraf, vindt het hof te laag. Het hof vindt een werkstraf voor de duur van 90 uren een passende strafrechtelijke consequentie voor het handelen van de verdachte. Als die werkstraf niet zou worden uitgevoerd, staat daar 45 dagen jeugddetentie tegenover. Het voorarrest wordt nog van de straf afgetrokken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.449,00, bestaande uit materiële schade, te weten € 2.499,00 voor de weggenomen fatbike en € 950,00 voor de iPhone. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.108,76. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dezelfde beslissing dient te worden genomen als de rechtbank.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat dezelfde beslissing dient te worden genomen als de rechtbank. Indien een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, heeft de raadsvrouw verzocht deze te beperken tot 1/3e deel zodat alle medeverdachten voor een gelijk deel zullen worden aangesproken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

De fatbike

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een factuur overgelegd, waaruit blijkt dat de fatbike op naam van een bedrijf is gekocht. Het is voor het hof voldoende duidelijk dat deze factuur betrekking heeft op de fatbike waarover in de aangifte wordt gesproken. De factuur kan dus dienen om de hoogte van de schade te onderbouwen. De rechtbank heeft destijds het standpunt van de verdediging gevolgd dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de btw van 21% zakelijk is afgetrokken en dat blijkens de factuur de fatbike 1 jaar oud was op het moment van de beroving zodat rekening moet worden gehouden met een afschrijving van 10%. Het hof ziet geen grond om daarvan af te wijken. Het hof komt na doorrekening hiervan tot een toewijsbaar bedrag van € 1.776,79.

Het méér gevorderde zal worden afgewezen. De benadeelde heeft bij de rechtbank de mogelijkheid gehad zijn vordering op zitting nader toe te lichten maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt, nader onderzoek is niet nodig en de ongegrondheid van het meer gevorderde is voldoende komen vast te staan.

De iPhone

Nu de benadeelde partij geen aankoopbewijs heeft overgelegd van de iPhone en niet kan worden vastgesteld hoe lang de benadeelde partij deze al in zijn bezit had, wordt de schade die de benadeelde partij lijdt doordat zijn telefoon is gestolen door het hof geschat op € 250,00. Het hof zal gegeven deze schatting het meer gevorderde afwijzen.

Hoofdelijkheid en wettelijke rente

Concluderend zal het hof de gevorderde schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 2.026,79 en het méér gevorderde afwijzen. Het hof zal de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders veroordelen tot vergoeding van de toegewezen schade, deze vermeerderen met de wettelijke rente, en tevens hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof ziet gegeven de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het totaal van de toewijsbare schade van de benadeelde geen grond om hier uit te gaan van slechts 1/3 deel daarvan, zoals door de raadsvrouw van de verdachte is bepleit.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.665,10, bestaande uit:

-€ 2.165,10 aan materiële schade, te weten € 1.695,00 voor de weggenomen fatbike en € 470,10 aan openbaar vervoerskosten, en

-€ 2.500,00 aan immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.009,35.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat van de benadeelde partij heeft de gehandhaafde vordering ter terechtzitting nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de materiële schade dezelfde beslissing dient te worden genomen als de rechtbank en dat de immateriële schade geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de materiële schade dezelfde beslissing dient te worden genomen als de rechtbank en dat de immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 750,00. Indien een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, heeft de raadsvrouw verzocht deze te beperken tot 1/3e deel zodat alle medeverdachten voor een gelijk deel zullen worden aangesproken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Materiële schade

Inzake de fatbike: Het hof zal rekening houden met 10% afschrijving per jaar, oftewel 20% aangezien de fatbike twee jaar oud was. Dit betekent dat een bedrag van € 1.356,00 zal worden toegewezen.

Inzake de openbaar vervoerskosten: Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt. Het hof is van oordeel dat de kosten in de eerste drie maanden, november 2024 tot en met januari 2025, na de beroving toewijsbaar zijn, te weten € 134,35. De kosten die in de maanden daarna zijn gemaakt staan niet meer in zodanig rechtstreeks verband met de beroving dat zij voor toewijzing in aanmerking komen.

Het hof zal de overige gevorderde materiële schade afwijzen. Het partijdebat is genoegzaam gevoerd, nader onderzoek is niet nodig en de ongegrondheid van het meer gevorderde is voldoende komen vast te staan.

Concluderend zal het hof de gevorderde materiële schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 1.490,35 en het méér gevorderde afwijzen.

Immateriële schade

Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van de aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Redengevend is het volgende.

De aard en ernst van de normschending volgt uit de hiervoor weergegeven bewezenverklaarde feiten en de strafmaatoverweging. De aard en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde blijkt voldoende concreet uit de in eerste aanleg overgelegde toelichting op de vordering, daaronder begrepen een huisartsverklaring, slachtofferverklaringen van de ouders van de benadeelde en de toelichting ter zitting in hoger beroep, waarvan de inhoud als zodanig niet weersproken is.

De benadeelde was ten tijde van het bewezenverklaarde slechts 15 jaar oud. Hij heeft het gebeuren als traumatisch ervaren: de bedreiging met het vuurwapen dat in zijn zij werd geduwd, het fotograferen van zijn ID en gezicht, de door hem gevoelde beroving van zijn vrijheid (hij werd omsingeld) en het wegnemen van de fatbike. Hij is lange tijd op zijn hoede geweest, angstig, sliep slecht en ging nauwelijks meer naar buiten. Zijn moeder heeft hierover de huisarts geraadpleegd, die hierin aanleiding zag voor het zoeken van professionele hulpverlening door een psycholoog. Hoewel geen goede inschatting valt te maken op welke lange termijn de benadeelde gevolgen zal ondervinden, lijkt het volgens de gemachtigde ter zitting bij het hof inmiddels beter te gaan met de benadeelde, nadat hij met zijn familie is verhuisd.

Daarmee komt het hof toe aan de begroting van de immateriële schade. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal (paragraaf 19.1 onder b). Het hof acht gelet op al het voorgaande het gevorderde bedrag van € 2.500,00 billijk en voor toewijzing vatbaar.

Hoofdelijke veroordeling en wettelijke rente

Het hof zal de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders veroordelen tot vergoeding van de toegewezen schade, deze vermeerderen met de wettelijke rente, en tevens hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof ziet gegeven de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het totaal van de toewijsbare schade, geen grond om uit te gaan van een veroordeling tot betaling van slechts 1/3 deel daarvan, zoals door de verdediging is bepleit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77gg, 284 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder
2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.026,79 (tweeduizendzesentwintig euro en negenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.026,79 (tweeduizendzesentwintig euro en negenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 november 2024.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.990,35 (drieduizend negenhonderdnegentig euro en vijfendertig cent) bestaande uit € 1.490,35 (duizend vierhonderdnegentig euro en vijfendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer 1] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.990,35 (drieduizend negenhonderdnegentig euro en vijfendertig cent) bestaande uit € 1.490,35 (duizend vierhonderdnegentig euro en vijfendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 9 november 2024 over een bedrag van € 1.356,00 ter zake van de fatbike;
- 20 december 2024 over een bedrag van € 134,35 ter zake van de ov-kosten.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 november 2024.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. M.J.A. Duker en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 oktober 2026.

Mr. M.J.A. Duker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]