Strafrecht overig
Veroordeling dansleraar voor het plegen van ontucht met twee minderjarige leerlingen in de periode tussen…
Gerechtshof Amsterdam, 22 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3008 · Gerechtshof Amsterdam · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-3008
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-001755-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:3008
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling dansleraar voor het plegen van ontucht met twee minderjarige leerlingen in de periode tussen 2012 en 2015. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Als bijkomende straf wordt aan de verdachte een beroepsverbod opgelegd dat inhoudt dat hij voor de duur van vijf jaren wordt ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van dansleraar voor minderjarigen. Aan beide benadeelde partijen wordt een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade toegewezen vanwege een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ waarbij is gelet op de aard en ernst van a) de normschending en van b) de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden. Aan één van de benadeelde partijen wordt daarnaast een bedrag aan materiële schade toegewezen.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001755-23
datum uitspraak: 22 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-298727-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1984,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden, de advocaat van de benadeelde partijen en zijzelf in de uitoefening van hun spreekrecht naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdtippen in of omstreeks de periode van [geboortedatum 2] 2012 tot en met 10 juli 2015 in de gemeente Hoorn en/of in de gemeente Heerhugowaard en/of elders in Nederland ontucht heeft gepleegd met zijn pupil en/of de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1997, immers heeft hij (telkens)
- de vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of
- zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gebracht, en/of
- getongzoend met die [slachtoffer 1] , en/of
- zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] , en/of
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] , en/of
- de billen en/of de borsten van die [slachtoffer 1] betast;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 september 2010 tot en met 5 september 2013 in de gemeente Hoorn, en/of elders in Nederland ontucht heeft gepleegd met zijn pupil en/of de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1995, immers heeft (telkens)
- zijn, verdachtes penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd en/of gebracht, en/of
- getongzoend met die [slachtoffer 2] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een deels andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft zich daarbij grotendeels aangesloten bij de bewijsoverweging en –constructie zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van wat hem ten laste is gelegd. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters onvoldoende betrouwbaar zijn en dat onvoldoende steunbewijs voorhanden is, ook niet in de vorm van schakelbewijs.
Het hof overweegt als volgt.
Redengevende feiten en omstandigheden
De verdachte en zijn echtgenote [naam 1] (verder: [naam 1] ) trainden vanaf 2009 als danspaar. Daarnaast gaf de verdachte les op dansschool [naam 1] . In de periode dat de verdachte en [naam 1] zelf als danspaar dansten bij dansschool [naam 1] zijn zij door andere dansparen benaderd en is aan hun gevraagd of zij mee mochten trainen met de verdachte en [naam 1] en of zij hen wilden trainen. Dat is gebeurd. Vervolgens is in juli 2012 – bij wijze van proef – een formatieteam opgestart door de verdachte onder de naam [naam dansschool] . Het formatieteam is officieel gestart in augustus 2012.
Aangeefster [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1] ) is in september 2012 begonnen met dansen in het formatieteam van [naam dansschool] . Zij was op dat moment 15 jaar (geboortedatum [geboortedatum 2] 1997). Aangeefster [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2] ) heeft direct vanaf het begin (augustus 2012) in dit formatieteam gedanst. Zij was op dat moment 16 jaar (geboortedatum 6 september 1995).
In 2022 hebben beide aangeefsters, eerst [slachtoffer 1] (op 12 april 2022) en toen [slachtoffer 2] (op 27 juli 2022), aangifte gedaan van seksueel misbruik door de verdachte. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben verklaard dat zij seksueel contact met de verdachte hebben gehad toen zij minderjarig waren. Er is een groot leeftijdsverschil tussen de verdachte en beide aangeefsters, van ruim 13 respectievelijk bijna 12 jaar. De verdachte was hun danstrainer en zij keken erg tegen hem op.
Het hof stelt voorop dat dergelijke aangiften met behoedzaamheid moeten worden beoordeeld, alleen al omdat het gaat om een gestelde seksuele context waarbij geen getuigen aanwezig zijn geweest. Voor de aangiften in deze zaak geldt dit temeer, omdat deze pas lange tijd na het gestelde seksueel misbruik zijn gedaan.
[slachtoffer 1]
heeft op 12 april 2022 aangifte gedaan tegen de verdachte. In haar aangifte is door [slachtoffer 1] beschreven dat het een droom van haar was die uitkwam toen zij in 2012 – toen zij 15 jaar oud was – in het team van de verdachte ( [naam dansschool] ) mocht komen dansen. Binnen zijn team beoordeelde de verdachte het voorkomen van de dansers met kleurcodes (rood, oranje, groen). [slachtoffer 1] werd hier onzeker van en had daar WhatsApp-contact over met de verdachte. De verdachte liet haar dan (bijvoorbeeld) weten dat zij nog een beetje moest afvallen maar dat zij wel mooi was. Later noemde hij [slachtoffer 1] ook ‘sexy’. De berichtjes die de verdachte naar [slachtoffer 1] stuurde moest zij van hem verwijderen.
[slachtoffer 1] zag de verdachte als de beste trainer van Nederland, als het allerbelangrijkste en als een soort ‘god’. Door de verdachte kon zij dansen en opgesteld worden. Dansen was alles voor haar. De verdachte speelde in op hoe [slachtoffer 1] zich voelde en kon ervoor zorgen dat zij zich slecht of goed over zichzelf voelde. Het voelde speciaal.
[geboortedatum 1] 2013 – hotel [naam hotel]
In haar aangifte heeft [slachtoffer 1] verklaard dat de verdachte haar op enig moment via WhatsApp heeft gevraagd of zij iets seksueels met hem wilde. Later in een café heeft de verdachte aan [slachtoffer 1] gevraagd of zij met hem naar een hotel wilde. [slachtoffer 1] had op dat moment nog geen seksuele ervaring. [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij dit wilde omdat zij dacht dat dat was wat de verdachte wilde horen en zij durfde geen ‘nee’ tegen hem te zeggen.
Op [geboortedatum 1] 2013, de 29e verjaardag van de verdachte, zijn de verdachte en [slachtoffer 1] in de middag naar hotel [naam hotel] in Heerhugowaard gegaan. Bij de receptie van het hotel heeft de verdachte verklaard dat zij een dansreceptie hadden en dat zij zich moesten klaarmaken en douchen. In de hotelkamer aangekomen heeft de verdachte [slachtoffer 1] – met één vinger – gevingerd en zij hebben getongzoend. [slachtoffer 1] was aan het trillen, vond zijn vingers koud en vond het niet fijn.
Naar aanleiding van de aangifte door [slachtoffer 1] is door de politie bij het hotel (inmiddels hotel [naam 5] geheten) navraag gedaan naar een reservering van een kamer op [geboortedatum 1] 2013. Uit de gegevens van het hotel bleek dat voor die dag een reservering was gemaakt waarbij onder de reserveringsinformatie stond opgenomen: “deze kamer wordt gebruikt een paar uur door een paar mensen die hier in de buurt een dansoptreden hebben en die willen zich daarna graag douchen en omkleden. Ze betalen bij aankomst. Aankomst is rond 13.00 uur uitcheck rond 16.30 uur.”
Tussen januari en juli 2013 – toenmalige woning van de verdachte in Hoorn
Het volgende in de aangifte beschreven incident heeft tussen januari en juli 2013 plaatsgevonden. De verdachte is toen met [slachtoffer 1] naar zijn toenmalige woning in Hoorn gereden. In zijn slaapkamer is de verdachte aan de rechterkant op het bed gaan zitten met zijn voeten op de grond. [slachtoffer 1] is op haar knieën voor hem gaan zitten en heeft de verdachte afgetrokken. Zij verklaarde dat zij niet wist dat een piemel zo warm was, dat zijn piemel was kaalgeschoren en zij omschreef de lengte van de piemel in erectie. Nadat de verdachte was klaargekomen had [slachtoffer 1] sperma op haar handen en in haar haren. [slachtoffer 1] moest heel goed haar handen wassen van de verdachte omdat hij bang was dat het bij haar vagina terecht zou komen en dat zij zwanger zou raken. In de trein heeft zij vervolgens haar haren geborsteld om het sperma eruit te borstelen.
Betasten
Naast de incidenten in het hotel en in de toenmalige woning van de verdachte, die door [slachtoffer 1] als de ‘grotere dingen’ worden omschreven, beschrijft [slachtoffer 1] in haar aangifte dat het regelmatig gebeurde dat de verdachte aan [slachtoffer 1] zat. Deze ‘kleine’ handelingen verrichtte de verdachte regelmatig bij haar en [slachtoffer 1] omschreef die ‘kleine’ handelingen als het betasten van haar billen, borsten of geslachtsdeel tijdens trainingen of het carpoolen. Tijdens het carpoolen – dat een paar keer per week plaatsvond – zaten [slachtoffer 1] en de verdachte achterin. De verdachte ging dan op momenten tussen de voorstoelen zitten om met de bestuurder en bijrijder te praten. Dat was het moment dat de verdachte [slachtoffer 1] bij haar billen en vagina greep.
7 februari – 8 februari 2016 carnaval Den Bosch
Het laatste in de aangifte beschreven incident vond plaats tijdens carnaval op 7 februari – 8 februari 2016 in Den Bosch. Dat valt buiten de ten laste gelegde periode, omdat [slachtoffer 1] toen 18 jaar was, maar dat beschreven incident acht het hof relevant in de duiding van de eerdere beschreven incidenten. Het gaat om de volgende situatie. [slachtoffer 1] bleef slapen bij [naam 2] . Toen zij naar huis liepen is de verdachte – die dronken was – meegegaan. De verdachte en [slachtoffer 1] zijn op een gegeven moment alleen achtergebleven. De verdachte ging niet weg en greep [slachtoffer 1] bij haar kruis en borsten. [slachtoffer 1] heeft op dat moment gezegd dat zij dat niet wilde. Zij heeft de verdachte toen de deur uitgeduwd en de verdachte is vervolgens weggegaan.
Direct na carnaval heeft [slachtoffer 1] per WhatsApp contact gehad met haar vriendin [naam 3] (verder: [naam 3] ). Op 9 februari 2016 stuurt [slachtoffer 1] de volgende berichten naar [naam 3] : “Ik heb dus net met m gepraat” en “Okee ik heb met [verdachte] gepraat. Met mn ouders lukte het vanmiddag niet.. Ik zei tegen [verdachte] dat ik het echt heel kut vond wat hij had gedaan en dat ik me eigenlijk gewoon aangerand voelde. En dat ik excuses wilde voor zijn gedrag. Hij zei: ja dat begrijp ik, ik was gewoon super dronken. Maar hoezo aangerand, we hebben erger gedaan hoor. Ik: maar ik zei de hele tijd [verdachte] dit wil ik niet, stop en weet ik het allemaal.. Je ging gewoon door. Hij: ja ik snap het, ik moest buiten zelfs nog over mn nek enzo. Ik: Dat maakt mij niet uit ik wil gewoon dat je weet hoe kut het was voor mij. En het drong me gister pas echt door hoe erg het is wat jij doet en wat er gebeurd is tussen ons en jou en anderen.. Het mag echt nooit meer gebeuren. Hij: Dat ben ik met je eens. Weet je al dat er woensdag geen les is?”
Bij de raadsheer-commissaris heeft [slachtoffer 1] over het laatst geciteerde bericht verklaard dat zij dat bericht op dat moment zelf had getypt en dat zij met de passage “Okee ik heb met [verdachte] gepraat” bedoelde dat zij met de verdachte had gesproken over wat er met carnaval was gebeurd.
Op 19 en 20 juni 2018 hebben [slachtoffer 1] en [naam 1] via WhatsApp contact met elkaar gehad over het seksuele contact dat de verdachte en [slachtoffer 1] met elkaar hadden gehad.
[naam 1] vraagt op 19 juni 2018 aan [slachtoffer 1] : “Hij zegt dat jij bij hem lag en dat jullie voelde”. Later zegt [slachtoffer 1] : “Ik weet nog dat hij met carnaval in brabant toen wat probeerde bij [naam 2] toen hij dronken was en toen heb ik hem weggestuurd. Dat was de laatste keer dat hij echt wat probeerde.” Vervolgens vraagt [naam 1] aan [slachtoffer 1] : “Oké nog 1 hele directe vraag. Hebben jullie ook echt geneukt? Of alleen voorwerk?”. [slachtoffer 1] reageert dan: “Alleen voorwerk.”
Op 20 juni 2018 heeft [naam 1] de volgende berichten naar [slachtoffer 1] gestuurd: “(…) Ik ken [verdachte] en neem het je niet kwalijk (…)” en “Nou zal thuis eens ff polsen. Hij is in de opbiecht modus dus dat komt goed uit.”
Overwegingen van het hof bij de feitenvaststelling in [slachtoffer 1]
-
De verklaring in de aangifte van [slachtoffer 1] over de hotelreservering op [geboortedatum 1] 2013 in hotel [naam hotel] in Heerhugowaard sluit aan bij de informatie die de politie van hotel [naam 5] heeft verkregen en dan specifiek met betrekking tot een reservering in de middag in verband met een dansoptreden.
-
De koppeling die [slachtoffer 1] daarbij maakt met de 29e verjaardag van de verdachte, komt overeen met de geboortedatum van de verdachte.
-
In haar aangifte weet [slachtoffer 1] veel specifieke (seksuele) details te benoemen (koude vingers, sperma uit de haren borstelen, dat ze niet wist dat een piemel zo warm was), terwijl de ontucht met de verdachte haar eerste seksuele ervaring was.
-
Uit het gesprek dat [slachtoffer 1] met de verdachte ná het carnaval van 7 en 8 februari 2016 heeft gevoerd (zoals beschreven in het WhatsApp-bericht dat [slachtoffer 1] naar [naam 3] heeft gestuurd op
9 februari 2016) blijkt dat de verdachte – naar aanleiding van het incident tijdens carnaval – heeft gezegd dat ‘zij erger hebben gedaan’. Deze opmerking over ‘ergere dingen’ moet in die context betrekking hebben op de periode vóór carnaval 2016, waarin de overige door [slachtoffer 1] beschreven incidenten plaatsvonden.
- Uit het gesprek tussen [naam 1] en [slachtoffer 1] volgt dat de verdachte met [naam 1] heeft gesproken over handelingen die hij met [slachtoffer 1] zou hebben verricht. [slachtoffer 1] heeft aan [naam 1] laten weten dat het seksueel contact tussen hen om ‘alleen voorwerk’ ging.
[slachtoffer 2]
heeft op 27 juli 2022 aangifte gedaan tegen de verdachte. Op 18 oktober 2022 is zij aanvullend gehoord. De verdachte had [slachtoffer 2] geselecteerd om bij hem te komen dansen. [slachtoffer 2] keek tegen de verdachte – in zijn functie als dansleraar – op en de verdachte gaf haar veel complimenten over haar uiterlijk. De verdachte gaf [slachtoffer 2] in het begin subtiele complimenten. Later gingen die complimenten verder en stuurde de verdachte complimenten zoals: ‘wat heb je een mooie kont in die jurk’ of ‘mooie borsten’ via WhatsApp. Uiteindelijk liet de verdachte via WhatsApp weten dat hij seks wilde met [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] moest deze appjes van de verdachte wissen. Op enig moment heeft de verdachte aan [slachtoffer 2] voorgesteld om af te spreken. Hij bleef daarop aandringen. Uiteindelijk hebben [slachtoffer 2] en de verdachte gezoend en vier keer seks gehad. In haar aangifte beschrijft [slachtoffer 2] de volgende incidenten:
-
Na een danstraining had de verdachte [slachtoffer 2] getongzoend in de auto.
-
In de slaapkamer van het huis van de verdachte aan de [adres 2] in Hoorn had seks plaatsgevonden, waarbij de verdachte zijn penis in haar vagina stopte.
-
In de bovenzaal van de dansschool had de verdachte [slachtoffer 2] geleid naar een plek buiten het zicht van de camera – tweede tafel van links–, waar hij haar weer vaginaal had gepenetreerd.
-
In de keuken van het huis van de verdachte had hij de raambekleding dichtgedaan, [slachtoffer 2] gepositioneerd tegen het aanrecht en haar weer vaginaal gepenetreerd.
-
Op een trainingsweekend met het formatieteam had de verdachte [slachtoffer 2] op haar hotelkamer op bed gelegd en haar vaginaal gepenetreerd.
Waar de verdachte [slachtoffer 2] eerst voornamelijk complimenten gaf, werd het contact in de loop van de tijd dwingender en vroeg de verdachte op een aanhoudende en dwingende manier wanneer ze konden afspreken. [slachtoffer 2] had het gevoel dat als zij ‘nee’ zou zeggen tegen de verdachte dat ze alles – zij stond in die tijd op de beste positie met de beste heer van het team – zou kwijtraken. Eind september/oktober 2013 heeft [slachtoffer 2] tijdens een feestje aan haar partner [naam 6] (verder: [naam 6] ) verteld dat ze vreemd was gegaan met de verdachte. Dat ging toen als een lopend vuurtje rond. Daarna werd [slachtoffer 2] uit het team gezet.
Wat [slachtoffer 2] hier verklaart, kent een achtergrond aan feiten en omstandigheden die voor de toetsing en duiding van de betrouwbaarheid en de vraag naar al dan niet voldoende steunbewijs relevant is. Het hof zet die achtergrond dan ook hieronder uiteen.
[slachtoffer 2] had sinds 24 april 2011 een relatie met [naam 6] en ook hij danste in het formatieteam. Op 24 oktober 2013 is die relatie uitgegaan omdat [naam 6] op de telefoon van [slachtoffer 2] een verleidelijk WhatsApp-gesprek tussen [slachtoffer 2] en [naam 7] (de broer van de verdachte) had gelezen. [naam 6] chat daarover met de verdachte op 24 oktober (het hof begrijpt: 2013).
“23:04 24 Okt - [naam 6] : Het is uit tussen mij en [slachtoffer 2]
23:05 24 Okt - [verdachte] . Echt???
23:05 24 Okt - [verdachte] : Wat dan?
23:05 24 Okt - [verdachte] : En why?
23:05 24 Okt - [verdachte] : En hoe?
23:07 24 Okt - [naam 6] : Wederom gelogen over gesprekken die niet door de beugel kunnen. .. zeggen dat ze eerlijk is maar het uiteindelijk niet zijn
23:09 24 Okt - [verdachte] : Tering zeg... En met wie? [naam 7] ?
23:09 24 Okt - [naam 6] : Jup”
23:29 24 Okt - [naam 6] : Hou het svp even voor jezelf nog, morgenavond komt het op Facebook en naar buiten.
[naam 6] maakt samen met [slachtoffer 2] de break-up tussen beiden in het formatieteam de dag erna bekend, en tevoren heeft [naam 6] de tekst daarvan nog aan de verdachte voorgelegd.
Uit de chatgeschiedenis tussen [naam 6] en de verdachte volgt dat het contact tussen hen beiden ontspannen en vriendschappelijk was, tot het moment waarop [naam 6] kennelijk bekend is geworden met het feit dat [slachtoffer 2] hem vertelde dat zij niet alleen contact had met [naam 7] , maar ook was vreemdgegaan met de verdachte. Dat zet het hof hierna nader uiteen. De informatie over het seksueel contact tussen [slachtoffer 2] en de verdachte heeft zij in een aantal brieven aan [naam 6] vervat. Toen [slachtoffer 2] aangifte deed, was zij het bestaan van die brieven vergeten. [naam 6] herinnerde haar aan die brieven, toen hebben zij die alsnog gevonden en aan de politie verstrekt.
Het gaat om drie brieven: de eerste brief heeft als datum 16 november 2013, de tweede brief heeft als datum 18 november 2013 en de derde brief is van eind november 2013.
Rondom de brief van 16 november 2013
[slachtoffer 2] en [naam 6] wilden de relatie in het najaar van 2013 opnieuw een kans geven.
[slachtoffer 2] wilde met een schone lei beginnen en daarom aan [naam 6] iets vertellen. Zij zouden op een zondag met elkaar praten. De zaterdagavond daarvoor hadden zij een feestje. Uit een gesprek tussen [slachtoffer 2] en [naam 8] van 19 november (het hof begrijpt: 2013) leidt het hof af dat dit feestje op zaterdag 16 november 2013 moet zijn geweest. Op dat feestje heeft [slachtoffer 2] aan [naam 6] verteld dat zij was vreemdgegaan met de verdachte. [naam 6] heeft het feestje toen (met onder anderen een andere broer van de verdachte: [naam 4] Findhammer) boos verlaten. Kans om details te vertellen of er nader op in te gaan, had [slachtoffer 2] toen niet.
In haar brief van 16 november 2013 heeft [slachtoffer 2] aan [naam 6] – onder andere – geschreven dat er een groot geheim is dat al maanden aan haar knaagt, dat zij nu 100% eerlijk wil zijn en dat zij fysiek contact heeft gehad met de verdachte dat heeft bestaan uit zoenen en (meermalen) seks.
Deze eerste brief had [slachtoffer 2] al geschreven voordat zij aan [naam 6] vertelde dat ze met de verdachte was vreemdgegaan, omdat het te heftig voor haar was om hem te vertellen wat er was gebeurd. Ze kondigde die brief aan hem aan in een chatgesprek op 16 november (het hof begrijpt: 2013) om 00:33 uur: “Ik schrijf nog een brief voor je.”
In de ochtend van 17 november 2013 heeft een chatgesprek plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer 2] . De verdachte heeft het volgende naar [slachtoffer 2] gestuurd: “Hoe komt [naam 4] erbij dat ik iets met jou heb gedaan. Ik hoor van [naam 4] dat jij heb gezegd dat wij hebben gezoend? Er schijnt een brief te komen richting [naam 6] waarin je dit beweert?”. [slachtoffer 2] reageerde als volgt: “Sorry. Ik wil geen geheimen meer hebben, het knaagt aan me, ik trek het niet. Ik wil [naam 6] niet meer voorliegen.”Wanneer de verdachte ontkende dat er iets tussen hen is gebeurd en dat hij met [slachtoffer 2] wil praten reageerde zij: “ik wil gerust praten hoor, maar we weten beide dondersgoed wat er gebeurd is en
ik kan het niet langer voor mezelf houden, het kwelt me.”
In de namiddag van 17 november 2013 heeft [slachtoffer 2] vervolgens het volgende bericht naar [naam 6] gestuurd: “Geloof me asjeblieft, wat er in de brief staat is 100% en volledig de waarheid. Ik wil geen geheimen meer. En bovendien, waarom zou ik zoiets als dit verzinnen!”
[slachtoffer 2] doelt hier kennelijk op de brief van 16 november 2013 die zij aan [naam 6] had gegeven.
Rondom de brief van 18 november 2013
Van 17 op 18 november 2013 hebben [naam 6] en de verdachte contact met elkaar. [naam 6] stuurt op 17 november (het hof begrijpt: 2013) om 22:59 uur en 23:00 uur de volgende berichten naar de verdachte: “Hi. Wanneer kan je praten. Ik wil dit helder hebben. Liefst morgenavond. Ik wil dit helder hebben. Direct.” De verdachte stuurde vervolgens op 18 november 2013 om 07:29 uur het volgende bericht naar [naam 6] : “Hi, wij moeten zeker praten, zeker na wat we gisteren ook al besproken hebben. Heb er gewoon niet van geslapen.” De verdachte en [naam 6] spreken af om met elkaar te praten.
In een opgenomen gesprek tussen de verdachte en [slachtoffer 2] zegt de verdachte tegen [slachtoffer 2] : “Ik ga morgen met [naam 6] in gesprek en die schijnt laaiend te zijn. Ik ga morgen met [naam 6] in gesprek omdat jij iets tegen hem gezegd schijnt te hebben maar ik weet niet wat. Maar je schijnt een brief geschreven te hebben zelf.”
Zoals ook besproken op zitting, volgt uit de chats dat de verdachte blijft ontkennen dat er seksueel contact tussen hem en [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden, ook tegen [naam 6] . Op 18 november (het hof begrijpt: 2013) vindt het volgende chatgesprek plaats tussen [slachtoffer 2] en [naam 6] :
“08:19 18 nov. - [slachtoffer 2] : Gek eigenlijk he, dat ik met alle overtuiging wil bewijzen dat ik vreemd gegaan ben
08:19 18 nov. - [slachtoffer 2] : Terwijl dat zo erg is
08:19 18 nov. - [slachtoffer 2] : Maar het is echt waar
08:19 18 nov. - [slachtoffer 2] : Ik kan bijvoorbeeld beschrijven hoe [verdachte] huis eruit ziet
08:19 18 nov. - [naam 6] : Is wel de enige mogelijkheid
08:19 18 nov. - [slachtoffer 2] : 'In princiepe' ben ik daar nooot geweest
08:19 18 nov. - [naam 6] : Doe dat maar”
Vervolgens heeft [slachtoffer 2] een tweede brief (de brief van 18 november 2013) geschreven aan [naam 6] , omdat [naam 6] een duidelijk beeld wilde hebben van wat er allemaal precies was gebeurd.
Die brief van 18 november 2013 houdt samengevat in dat tussen [slachtoffer 2] en de verdachte de volgende seksuele contacten hebben plaatsgevonden:
-
Na één van de eerste formatietrainingen ‘vorig jaar in de zomer’ (het hof begrijpt: 2012) heeft de verdachte [slachtoffer 2] gezoend in de auto.
-
Begin september (het hof begrijpt: 2012) heeft voor de eerste keer seks plaatsgevonden. [slachtoffer 2] heeft in haar brief een beschrijving gegeven van de slaapkamer waar de seks heeft plaatsgevonden, en daarbij een tekening gemaakt: “een vrij grote rechthoekige kamer, het bed staat links als je de deur binnenkomt met de tv ervoor zoals hiernaast getekend, rechts was een grote kast”.
-
In de periode september – november (het hof begrijpt: 2012) heeft voor de tweede keer seks plaatsgevonden, in de dansschool.
-
Tijdens het trainingsweekend van november (het hof begrijpt: 2012) heeft voor de derde keer seks plaatsgevonden.
-
Voor Oud en Nieuw heeft voor de laatste keer seks plaatsgevonden, in de keuken van de woning van de verdachte. Het hof begrijpt, omdat de brief dateert van 18 november 2013, dat gedoeld wordt op Oud en Nieuw 2012.
Overwegingen van het hof bij de feitenvaststelling in [slachtoffer 2]
Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wettigen naar het oordeel van het hof de conclusie dat [slachtoffer 2] op een veel eerder moment dan van haar aangifte, namelijk een klein jaar na het laatste seksuele contact tussen haar en de verdachte, in de brief van 18 november 2013 uiteen heeft gezet waar die contacten uit hebben bestaan en wat het tijdspad daarin is geweest.
De betrouwbaarheid van de aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Het hof acht de verklaringen van de aangeefsters ieder voor zich betrouwbaar. Van tegenstrijdigheden die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de kern van de verklaringen is geen sprake. Rekening houdend met de benoemde behoedzaamheid acht het hof, anders dan door en namens de verdachte gesteld, de verklaringen van de aangeefsters over de seksuele contacten met de verdachte toen zij minderjarig waren – ieder voor zich – betrouwbaar, nu deze gedetailleerd zijn met betrekking tot de aard van de ontuchtige handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Daarbij acht het hof van belang dat beide aangeefsters in hun verklaringen onderscheid hebben gemaakt tussen zaken die zij zich wél, dan wel juist níet met zekerheid konden herinneren. Het hof ziet ook geen aanwijzingen dat zij hun verklaringen hebben verzonnen, of dat deze op het niveau van wat zij wel en niet seksueel hebben ondervonden zijn beïnvloed door gesprekken met anderen of met elkaar. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om aan de inhoud van hun verklaringen te twijfelen. Wat de raadslieden en de verdachte hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Met betrekking tot [slachtoffer 1] dragen voorts de berichten die zij vlak na carnaval 2016 aan haar vriendin [naam 3] stuurde, bij aan de betrouwbaarheid van de aangifte. Hieruit komt immers naar voren dat de verdachte tegen [slachtoffer 1] zou hebben gezegd dat ze ‘erger hebben gedaan’ dan het door [slachtoffer 1] beschreven betasten. Dit was ruim twee jaar voordat naar buiten kwam dat er dergelijke intieme contacten hadden plaatsgevonden, en zes jaar voordat [slachtoffer 1] besloot aangifte te doen.
Steunbewijs
Vervolgens dient het hof te beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, zodat wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof is van oordeel dat er naast het hierna te bespreken schakelbewijs voldoende ondersteunend bewijs voor de belastende verklaringen van de aangeefsters aanwezig is.
Het hof wijst in dat verband in de zaak [slachtoffer 1] op de notitie die negen jaar later is teruggevonden van de gemaakte reservering voor die middag in het hotel, die precies op de 29e verjaardag van de verdachte viel. De inhoud van die reservering past op treffende wijze bij wat [slachtoffer 1] hierover in haar aangifte aan de politie heeft toegelicht. Daarnaast wijst het hof qua steunbewijs ook op de appwisseling die [slachtoffer 1] met verdachtes partner [naam 1] in 2018 heeft gehad. Het hof stelt de latere toelichting van [naam 1] op deze appwisseling als ongeloofwaardig terzijde. De wijze waarop [naam 1] met [slachtoffer 1] uitwisselt wat er aan seksueel contact tussen [slachtoffer 1] en de verdachte is geweest, is kenmerkend voor hoe [naam 1] zich in haar relatie tot haar vreemdgaande man verhoudt, zoals ook elders in dit dossier zichtbaar.
In de zaak [slachtoffer 2] wijst het hof ten eerste op het gegeven dat de inhoud van de brieven verankering vindt in de chats die daarop betrekking hebben. Daarnaast komen de beschrijving en de tekening die [slachtoffer 2] in de brief van 18 november 2013 heeft gemaakt van de slaapkamer waarin zij met de verdachte seks heeft gehad, opvallend overeen met de foto van de verkoopbrochure van de woning van de verdachte.
Schakelbewijs
De verklaringen van de beide aangeefsters zijn onafhankelijk van elkaar afgelegd en vertonen wat betreft de beschrijving van de wijze waarop de onderscheiden feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomsten, met name voor wat betreft de aanloop naar en de omstandigheden waaronder de seksuele handelingen tussen hen en de verdachte hebben plaatsgevonden.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsvoering blijkt immers het volgende:
-
de verdachte is als dansleraar via de dansschool in contact gekomen met de aangeefsters;
-
de aangeefsters waren tussen de 15 en 18 jaar oud;
-
de verdachte won het vertrouwen van de aangeefsters en complimenteerde hen;
-
de aangeefsters keken tegen de verdachte op omdat hij hun dansleraar was;
-
de verdachte was eerst complimenteus in zijn berichtjes aan hen en de berichten kregen gaandeweg een meer seksuele lading;
-
de verdachte zei tegen de aangeefsters dat de berichtjes moesten worden verwijderd en dat het geheim moest blijven.
Het hof is opgevallen dat deze manier van het aangaan van seksueel contact ook zichtbaar is in het intieme contact dat de verdachte op de werkvloer is aangegaan met een in functie ondergeschikte collega [naam 9] (verder: [naam 9] ). Daarin was immers zichtbaar dat de verdachte:
-
haar becomplimenteerde (p. 200, 204, 212);
-
spreekt over ‘ons geheim’ (p. 209);
-
haar seksueel getinte berichten stuurt (p. 210, 211, 212);
-
haar instrueerde dat zij hun chats regelmatig moest verwijderen (p. 200).
[naam 9] beschrijft de verdachte niet alleen als charmant en ambitieus, maar benoemt ook dat de verdachte geen ‘nee’ kan horen, altijd zijn zin willen hebben en dat hij geen tegenspraak duldt (p. 193). Die kant van de verdachte viel [slachtoffer 1] ook op bij carnaval 2016: “ik zei de hele tijd [verdachte] dit wil ik niet, stop en weet ik het allemaal.. Je ging gewoon door”. En [slachtoffer 2] typeert de verdachte in haar brieven van 16 en 18 november 2013 met “hij bleef maar zijn zin doordrijven” en “hij bleef aandringen” (p. 1 van beide brieven).
Ook is kenmerkend hoe [naam 1] het contact met [naam 9] hierover heeft gehad. Uit Facebook Messenger berichten tussen [naam 9] en [naam 1] blijkt dat [naam 1] op 16 mei 2019 de volgende berichten naar [naam 9] heeft gestuurd: “Hi [naam 9] , helaas is dit niets nieuws voor mij en zijn er al 8 dames je voor geweest is ons 3 jaar durende huwelijk. Ik heb gekozen voor mijn kinderen dus heel moeilijk vind ik het niet meer. Ik neem jou niets kwalijk, ik weet hoe [verdachte] is helaas. Wel 1 vraag en hoop echt dat je hier ja of nee op kunt zeggen. Is er meer gebeurd dan zoenen? En (…) schrik echt nergens meer van” en “Ik blijf bij [verdachte] . Wil de kinderen niet alleen op voeden en financieel kan dat ook niet. Totdat ik een nieuwe liefde vind.”
Een en ander sterkt het hof in de overtuiging dat de verdachte deze kenmerkende manier van het aangaan en onderhouden van seksuele en intieme contacten met meisjes en vrouwen ook destijds zo heeft ingezet bij de beide aangeefsters, zoals zij allebei ook verklaren.
Conclusie
Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn en, gelet op het voornoemde steunbewijs, in onderling verband en samenhang bezien, in voldoende mate door bewijs afkomstig uit andere bronnen wordt ondersteund. Het hof vindt daarom dat de onder 1 en 2 aan de verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verweren van de raadslieden worden daarmee verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van [geboortedatum 2] 2012 tot en met 10 juli 2015 in de gemeente Hoorn en in de gemeente Heerhugowaard en/of elders in Nederland ontucht heeft gepleegd met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1997, immers heeft hij:
- de vagina van [slachtoffer 1] betast, en/of
- zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 1] gebracht, en/of
- getongzoend met [slachtoffer 1] , en/of
- zich laten aftrekken door [slachtoffer 1] , en/of
- de billen en/of de borsten van [slachtoffer 1] betast.
2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2012 tot en met 5 september 2013 in de gemeente Hoorn, en/of elders in Nederland ontucht heeft gepleegd met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1995, immers heeft hij
- zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] gebracht, en/of
- getongzoend met [slachtoffer 2] .
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:
ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden en een ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van dansleraar voor minderjarigen voor de duur van vijf jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij heeft zij gevorderd dat als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat (1) de verdachte geen werkzaamheden mag verrichten in de danswereld of werkzaamheden mag verrichten in soortgelijke functies waarin sprake is van contact met minderjarigen en (2) een meldplicht, en dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Tot slot heeft zij gevorderd een ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van dansleraar voor minderjarigen voor de duur van vijf jaren.
De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat het hof rekening moet houden met de overschrijding van de redelijke termijn, dat de verdachte zijn werk is kwijtgeraakt, met het tijdsverloop sinds het ten laste gelegde en tot slot met het feit dat de verdachte in de media al helemaal ‘kapot’ is gemaakt en dat hij en zijn gezin dreiging ondervindt vanwege onder de berichtgeving geplaatste chats.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een geruime periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met twee minderjarige meisjes van tussen de (destijds) 15 en 18 jaar oud (verder: de slachtoffers) terwijl de verdachte op dat moment 28 jaar of ouder was. De slachtoffers leerde hij kennen in de dansschool waar hij hun dansleraar was. Zij keken vanwege die positie tegen hem op. De slachtoffers waren afhankelijk van de verdachte voor hun positie binnen het formatieteam, de beslissing of zij zouden worden opgesteld en dus de vraag of zij mochten dansen. Daarnaast gaf de verdachte hen aandacht en complimenten. De slachtoffers waren bang dat als zij ‘nee’ zouden zeggen tegen de verdachte dat zij alles – en met name hun positie binnen het formatieteam – zouden kwijtraken terwijl dansen hun leven was.
De verdachte is telkens degene geweest die het initiatief nam tot het maken van een afspraak en vervolgens tot het verrichten van (vergaande) seksuele handelingen, waarbij het opmerking verdient dat de ontucht in het geval van het slachtoffer [slachtoffer 1] haar eerste seksuele ervaring was. De verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van de slachtoffers en van het overwicht dat hij als geprezen dansleraar op zijn leerlingen had om zo zijn eigen seksuele verlangens te bevredigen. De slachtoffers zijn beiden langere tijd gebukt gegaan onder de ontuchtige handelingen die de verdachte met hen pleegde. Doordat de verdachte er bij de slachtoffers op aandrong dat zij het aan niemand mochten vertellen, kwamen beide slachtoffers in een geïsoleerde situatie terecht waarbinnen zij met niemand konden praten over wat hen overkwam. Uit de slachtofferverklaringen die zij ter terechtzitting in hoger beroep hebben afgelegd blijkt van de impact van de gepleegde ontucht op hun leven.
Bij de strafoplegging houdt het hof er ook rekening mee dat de verdachte geen enkele vorm van verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen en evenmin blijk heeft gegeven van compassie met de slachtoffers. Integendeel: de verdachte heeft hun juist verweten hem vals te beschuldigen en hiermee zijn leven te ruïneren. Daarmee heeft de verdachte zichzelf als slachtoffer gepresenteerd.
Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van de slachtoffers, toen zij een kwetsbare leeftijd hadden.
Het hof heeft verder kennisgenomen van het over de persoon van verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 14 september 2026. Uit dit advies blijkt kort gezegd het volgende:
-
het uittreksel justitiële documentatie toont geen eerdere veroordelingen dan het huidige ten laste gelegde;
-
gezien het feit dat de tenlastelegging zich over een langere periode heeft afgespeeld en meer dan incidenteel heeft plaatsgevonden meent de reclassering, bij bewezenverklaring, dat er sprake is geweest van een gedragspatroon aangaande seksueel grensoverschrijdend gedrag;
-
uit het onderzoek van de reclassering komen geen aanwijzingen naar voren ten aanzien van seks als coping, seksuele preoccupatie of andere seksuele problematiek;
-
het risico op recidive wordt laag ingeschat en dat volgt ook uit het gebruik dat is gemaakt van de risico taxatie instrumenten;
-
bij de slachtoffers is geen behoefte aan beschermingsmaatregelen;
-
de verdachte heeft geen hulpvragen aan de reclassering, er zijn op de verschillende leefgebieden ook geen rechtens relevante bijzonderheden en de verdachte toont zijn medewerking aan het onderzoek en heeft op vrijwillige basis contact met een psycholoog.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de reclassering toegelicht dat er mogelijkheden zijn voor het eventueel houden van toezicht bij het stellen van bijzondere voorwaarden, maar dat de reclassering daarvoor in alle te wegen factoren geen aanleiding ziet.
Het hof is van oordeel dat bij het als dansleraar meermalen plegen van ontucht met minderjarige leerlingen in hun puberleeftijd, mede vanuit een oogpunt van vergelding en generale preventie, geen andere straf past dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft het hof gelet op de straffen die doorgaans in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Ook weegt mee dat sprake is van meerdere slachtoffers en meerdere contacten en dat het om een langere periode gaat. Gelet op de aard en ernst van de feiten acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van 34 maanden passend en geboden. De omstandigheden die door de verdediging zijn aangevoerd – met uitzondering van de redelijke termijn – zijn naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om een lagere straf te rechtvaardigen.
Gelet op het reclasseringsadvies en de gegeven toelichting daarop, acht het hof oplegging van bijzondere voorwaarden niet aangewezen. Wel zal het hof het door de advocaat-generaal gevorderde beroepsverbod voor een periode van vijf jaren aan de verdachte opleggen, zoals hierna overwogen wordt.
Redelijke termijn
Het hof stelt tot slot vast dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft immers op 15 juni 2023 hoger beroep laten instellen, terwijl het hof eerst thans – na drie jaar en vier maanden – arrest wijst. Om die reden zal het hof de verdachte in plaats van de genoemde gevangenisstraf van 34 maanden, een gevangenisstraf opleggen van 30 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beroepsverbod
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd omdat er zorgen bestaan over de omgang van de verdachte met minderjarigen en de verdachte hierover geen openheid van zaken heeft gegeven.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten dateren van jaren geleden, dat de verdachte langere tijd werkzaam is als dansleraar en dat er geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen.
Het hof stelt vast dat de verdachte zijn positie als dansleraar van de jeugdige slachtoffers heeft ingezet om seksuele contacten met hen aan te gaan, terwijl zij veel jonger waren dan hij. Hij is daarbij overgegaan tot vergaande seksuele handelingen met de minderjarige slachtoffers. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldaan aan de vereisten om de verdachte te ontzetten van het beroep van dansleraar voor minderjarigen.
Uit deze zaak blijkt dat de verdachte destijds twee slachtoffers heeft gemaakt waarbij de pleegperiode overlap vertoont. De verdachte heeft geen inzicht willen geven in zijn handelen en daarvoor geen verantwoordelijkheid genomen. De verdachte geeft weliswaar op dit moment als dansleraar geen les aan meisjes jonger dan 18 jaar, maar hij komt daarmee in de danswereld nog wel in contact. De verdachte heeft bovendien aangegeven in de toekomst – als deze zaak achter de rug is – mogelijk wel weer les aan minderjarigen te willen gaan geven. Het hof is van oordeel dat dit een onaanvaardbaar risico vormt voor minderjarige meisjes, juist op de termijn dat deze zaak achter de rug is. Uit een oogpunt van het voorkomen van recidive acht het hof het dan ook noodzakelijk om als bijkomende straf een beroepsverbod aan de verdachte op te leggen, dat ingaat op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd. Het hof acht het van belang dat wordt verzekerd dat de verdachte dan, en dus ook na het ondergaan van zijn gevangenisstraf, voor een langere periode niet meer met minderjarigen in aanraking zal komen bij de uitoefening van dit beroep.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Beide aangeefsters hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend, die deels door de rechtbank is toegewezen.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van € 12.869,10, bestaande uit een bedrag van € 369,10 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 12.500,00 als vergoeding van immateriële schade. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van (in totaal) € 7.869,10, waarvan
€ 7.500 ter vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.500,00 als vergoeding van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Beide benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de twee vorderingen tot schadevergoeding geheel moeten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met tweemaal oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen – gelet op de bepleite vrijspraak – niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen, omdat die onvoldoende onderbouwd zijn. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade voor beide benadeelde partijen te matigen tot een bedrag van maximaal € 5.000,00.
Vooropstelling bij immateriële schade
Het hof stelt voor de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding ter vergoeding van geleden immateriële schade het volgende voorop.
Het hof stelt voorop dat – anders dan geldt voor vermogensschade – slechts aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade (nadeel dat niet in vermogensschade bestaat) voor zover de wet bepaalt dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke beperking van het recht op schadevergoeding brengt mee dat als de rechter een vergoeding van immateriële schade toekent, de grondslag daarvoor aandacht verdient (vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, r.o. 3.5.2).
Gelet op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen – onder meer – indien de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Van deze persoonsaantasting ‘op andere wijze’ kan sprake zijn in de volgende gevallen:
-
de benadeelde heeft geestelijk letsel opgelopen (vgl. voornoemd arrest, r.o. 3.5.4);
-
de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde brengen mee dat sprake is van de aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit (vgl. voornoemd arrest, r.o. 3.5.5);
-
de aard en de ernst van de normschending zijn van zodanig groot gewicht, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde liggen dus zo voor de hand, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Deze categorie (hierna: categorie 3) heeft betrekking op uitzonderlijke gevallen waarin ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad (vgl. voornoemd arrest, r.o. 3.5.6).
Overwegingen over toepassing categorie 1, 2 of 3
De advocaat van de benadeelde partijen heeft zich op het standpunt gesteld dat hier sprake is van categorie 3, de uitzonderlijk ernstige zaken waarin een nadere onderbouwing voor geestelijk letsel niet verlangd wordt.
Het hof is van oordeel dat deze zaak ziet op ernstige feiten, ontucht met een minderjarige als bedoeld in artikel 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, maar met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het hier niet gaat om de uitzonderlijke categorie aan zaken als bedoeld in categorie 3.
Ook is geen sprake van categorie 1, omdat niet is komen vast te staan dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen. Daarvoor is geen onderbouwing aangeleverd bij de vorderingen tot schadevergoeding.
Dat betekent dat de vorderingen tot schadevergoeding dienen te worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader van categorie 2. Het komt daarbij enerzijds aan op de onderbouwing met concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad en anderzijds op de aard en de ernst van de normschending zelf.
Beoordeling immateriële schade [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]
Namens de benadeelde partijen is gewezen op de impact van wat de benadeelden hebben ondervonden. Benoemd is – hier samengevat – de aard en ernst van wat de verdachte de benadeelden heeft aangedaan, het leeftijdsverschil, het verschil in positie en het misbruik van de onzekerheid en dromen van een pubermeisje, vileine manipulatie voor eigen seksueel gerief en het beschadigen van hun jeugd en seksuele ontwikkeling. Bij beide vorderingen is een bevestiging gevoegd dat de benadeelde partijen op de wachtlijst zijn geplaatst voor een intakegesprek bij ARQ Centrum ’45 en bij [slachtoffer 2] is een verwijzing van de huisarts naar dit centrum bijgevoegd, met een vraag naar begeleiding, en een nota vanwege die verwijzing. Uit de spreekrechtverklaringen en de gegeven toelichting op de vorderingen volgt dat zij nog altijd negatieve gevolgen ondervinden van wat zij op een kwetsbare leeftijd op seksueel gebied door toedoen van de verdachte hebben ondervonden.
Het gaat hier om een door de verdachte gemaakte schending van een fundamenteel recht op de lichamelijke integriteit van beide benadeelden en die schending is dusdanig, dat daaraan betekenis toekomt in het licht van wat aan onderbouwing te vergen valt van de benadeelden. De onderbouwing bij beide vorderingen is weliswaar summier, maar wel passend en voldoende in het licht van de aard en ernst van de normschending.
Naar het oordeel van het hof levert deze afweging tussen enerzijds de ernst van de schending en anderzijds de toelichting op de door benadeelden ondervonden gevolgen op dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze op als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Dat is de grondslag voor toewijzing van immateriële schade.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade bij beide vorderingen de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, tot uitgangspunt. In paragraaf 15.2 ‘ontucht met binnendringen’ wordt onder categorie (b) – waarbij sprake is van ontucht met binnendringen gedurende een periode van ongeveer 6 maanden tot 2,5 jaar – een bandbreedte van € 6.000,00 tot € 12.500,00 genoemd. Categorie (c) betreft onder meer eenmalige ontucht met binnendringen en kent een bandbreedte van € 1.500 tot € 6.000. Deze categorieën hebben geen betrekking op ontucht met een aan de opleiding toevertrouwde minderjarige, zoals hier in beide situaties het geval is.
Het hof stelt, alles afwegende en in onderlinge samenhang bezien, de omvang van de vergoedbare immateriële schade – net als de rechtbank – naar billijkheid vast op € 7.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat beide vorderingen tot dat bedrag zullen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het midden van de per benadeelde bewezenverklaarde periode. Het hof zal ook tweemaal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Nu het hof de omvang van de immateriële schade op voornoemd bedrag vaststelt, betekent dit dat het overige deel van de gevorderde vergoedingen van immateriële schade (groot € 5.000,00) zal worden afgewezen.
Beoordeling materiële schade [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft daarnaast een bedrag van € 369,10 ter compensatie van materiële schade (eigen risico van haar zorgverzekering) gevorderd in verband met een gesprek dat bij ARQ Centrum ’45 heeft plaatsgevonden. Ook dat bedrag komt voor vergoeding in aanmerking, nu uit het voorgaande voldoende volgt dat sprake is van rechtstreekse schade. Ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen en in de schadevergoedingsmaatregel worden betrokken, met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2023.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 28, 31, 36f, 57 en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van dansleraar voor minderjarigen voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.869,10 (zevenduizend achthonderdnegenenzestig euro en tien cent) bestaande uit € 369,10 (driehonderdnegenenzestig euro en tien cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.869,10 (zevenduizend achthonderdnegenenzestig euro en tien cent) bestaande uit € 369,10 (driehonderdnegenenzestig euro en tien cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 64 (vierenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 januari 2023
en van de immateriële schade op 2 februari 2013.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 januari 2014.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. N. van der Wijngaart en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
22 oktober 2026.
De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]