Strafrecht overig

Het hof veroordeelt de verdachte wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving, overtredingen van de Wet wapens…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
20-001357-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2933
E-mail

Samenvatting

Het hof veroordeelt de verdachte wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving, overtredingen van de Wet wapens en munitie en vernieling. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts wordt aan de verdachte een maatregel ex artikel 38v en artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001357-24

Uitspraak : 22 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 mei 2024, dat bij herstelvonnis van 30 mei 2024 is hersteld, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-041758-23, 02-229495-23 en 02-086565-24, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummers 20-000524-20, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in P.I. [PI] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en die gekwalificeerd als:

- telkens ‘opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden’ (parketnummer 02-041758-23, feit 1 en feit 5),

- ‘mishandeling’ parketnummer 02-041758-23, feit 2),

- ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ (parketnummer 02-041758-23, feit 3),

- ‘poging tot zware mishandeling’ (parketnummer 02-041758-23, feit 4),

- ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling’ (parketnummer 02-041758-23, feit 6),

- ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken’ (parketnummer 02-229495-23), en

- ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ (parketnummer 02-086565-24).

Ter zake van voornoemde feiten is aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens is aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer I] en [slachtoffer II] , alsmede een gebiedsverbod voor de duur van 5 jaren voor de gemeente [gemeente gebiedsverbod] , welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Ook heeft de rechtbank de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

De rechtbank heeft voorts beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer I] , [slachtoffer II] en [slachtoffer III] , alsmede ten aanzien van het beslag en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is op 17 mei 2024 onbeperkt hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld. Nadien is – bij akte van 26 augustus 2024 – het hoger beroep partieel ingetrokken, namelijk ten aanzien van de in de zaak met parketnummer

02-041758-23 onder 2 bewezenverklaarde mishandeling. Dit impliceert dat dit feit niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen. Gelet op het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering – zal het hof voor dit feit een straf bepalen.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal strekt tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf, de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] en de daarmee samenhangende opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] voor een groter gedeelte voor toewijzing in aanmerking komen dan door de rechtbank is beslist. De advocaat-generaal heeft gevorderd voor die hogere bedragen telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ten slotte heeft de advocaat-generaal – anders dan door de rechtbank is beslist – niet gevorderd dat aan de verdachte een locatieverbod zal worden opgelegd.

De verdediging heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit, behoudens ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onder de parketnummers

02-041758-23 voor zover dat ziet op feit 6, 02-229495-23 en 02-086565-24. Ten aanzien van deze feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat ten aanzien van het feit onder parketnummer 02-086565-24 slechts sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De verdediging heeft voorts bepleit dat aan de verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling dient te worden opgelegd en heeft (subsidiair) bepleit dat wordt volstaan met een gevangenisstraf in combinatie met de oplegging aan de verdachte van de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft zich voorts uitgelaten over de vorderingen van de benadeelde partijen, alsmede over de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Ten slotte heeft de verdediging verzocht verdachtes voorlopige hechtenis op te heffen dan wel – indien door het hof wordt besloten uitvoering te geven aan een of meer door de verdediging geformuleerde voorwaardelijke verzoeken – de voorlopige hechtenis te schorsen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 02-041758-23:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 februari 2023 tot en met 10 februari 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, opzettelijk [slachtoffer I] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door:

- (voortdurend) dreigend een vuurwapen bij zich te dragen en/of

- een vuurwapen en/of een mes in de richting van [slachtoffer I] te tonen en/of

- haar telefoon af te nemen en onder zich te houden en/of

- haar in haar woning voortdurend in zijn gezichtsveld te houden en/of

- die [slachtoffer I] te dwingen om in de deuropening van de badkamer te zitten en/of - die [slachtoffer I] te dwingen om tussen het bed en de verwarming te liggen en/of

- (daarbij) aan te geven dat die [slachtoffer I] een levend schild voor verdachte moest vormen tegen een mogelijk arrestatieteam;

3.
hij op of omstreeks 10 februari 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , een (doorgeladen) vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Browning, type 1910, kaliber 7.65, zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

4.
hij op of omstreeks 4 februari 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer I] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes meerdere zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de borst en/of de hals, althans het lichaam van die [slachtoffer I] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.
hij op of omstreeks 4 februari 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk

[slachtoffer II] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door de deuren van de woning waar die [slachtoffer II] op dat moment verbleef op slot te doen en/of haar telefoon onder zich te nemen en te houden en/of die [slachtoffer II] een vuurwapen te tonen en/of hiermee te dreigen;

6.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 november 2022 tot en met 4 februari 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer II] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer II] dreigend de woorden toe te voegen (dat):

- hij haar en/of haar familie zou doodmaken/doodsteken,

- haar de eeuwige glimlach zou geven,

- dat hij, verdachte, zoutzuur zou regelen om die [slachtoffer II] weg te kunnen regelen, - "Ik sloop je vanavond vierkant uit elkaar kankerhoer” (p. 191 einddossier) en/of “Als jij nog één keer een beledigende opmerking maakt, ntv sloop ik jou” (p. 191 einddossier),

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Zaak met parketnummer 02-229495-23 (gevoegd):

hij op of omstreeks 30 december 2022 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband (type Buddi Smart Tag 4), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [slachtoffer III] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Zaak met parketnummer 02-086565-24 (gevoegd):


hij op of omstreeks 16 januari 2024 te Weert, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (gas)pistool, van het merk Walther, kaliber 9 x 19 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat door de politie aan aangeefster [slachtoffer I] tijdens haar verhoor suggestieve vragen zijn gesteld en dat constant woorden in de mond van [slachtoffer I] zijn gelegd. Bovendien blijkt dat er regelmatig overleg tussen de politie en [slachtoffer I] heeft plaatsgevonden over hetgeen in het proces-verbaal zou moeten worden opgenomen. Gelet hierop beschouwd de verdediging de politie niet langer als een objectieve waarheidsvinder. Dit gevoel wordt voor de verdachte versterkt omdat met de door hem en zijn moeder gedane aangiftes tegen onder andere [slachtoffer I] niets is gedaan. Bovendien kunnen opmerkingen worden gemaakt over het onderzoek dat aan de telefoons heeft plaatsgevonden en bestaat eveneens onduidelijkheid over het mes waarmee [slachtoffer I] zou zijn gesneden. Daarnaast is – na het jarenlang stellen van vragen daarover – pas onlangs een deel van de WhatsAppconservatie tussen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] boven water gekomen en bleek recent dat (alsnog) een filmpje op een telefoon werd aangetroffen, terwijl eerder door de politie was medegedeeld dat dit ‘na uitvoerig onderzoek’ niet op de telefoon was aangetroffen. Er kan dan ook met recht worden afgevraagd wat er wel of niet klopt van hetgeen door politie en justitie in de afgelopen jaren op vragen is geantwoord. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een eerlijk proces tegen de verdachte. Door de subjectieve, sturende en slordige manier van vervolgen heeft het Openbaar Ministerie ervan blijk gegeven doelbewust, althans in ieder geval met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, inbreuk op zijn recht op een eerlijk proces gemaakt. Gezien de ernst, de aard en de onherroepelijke wijze waarop dat is gedaan, bestaat er geen andere mogelijkheid dan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat aangeefster [slachtoffer I] op 12 februari 2023 en 14 februari 2023 uitgebreid door de politie is gehoord. Zo is van het verhoor van 12 februari 2023 een proces-verbaal opgemaakt dat tien pagina’s telt en het verhoor op 14 februari 2023 telt circa vijf pagina’s. Voorts stelt het hof – met de verdediging – vast dat op bepaalde momenten sturende vragen aan [slachtoffer I] zijn gesteld. De verhoren hebben in zoverre niet plaatsgehad op een wijze zoals dat in het belang van de waarheidsvinding behoort te gaan. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat het om slechts een beperkt aantal passages gaat, terwijl – zoals hierboven reeds benoemd – [slachtoffer I] telkens uitgebreid is gehoord en ook gedetailleerd heeft verklaard. Naar het oordeel van het hof hebben de verhoren van [slachtoffer I] (als geheel beschouwd) niet op een zodanige wijze plaatsgevonden dat het belang van de waarheidsvinding is geschaad en dat is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Bij dit oordeel betrekt het hof dat [slachtoffer I] in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord, waarbij zij opnieuw uitgebreid heeft verklaard. De verdediging heeft bij die gelegenheden bovendien het ondervragingsrecht effectief kunnen uitoefenen.

Hetgeen de verdediging verder ten aanzien van het verloop van het onderzoek (aan de telefoon en het mes) naar voren heeft gebracht, leidt naar het oordeel van het hof evenmin tot de conclusie dat (mede) daardoor sprake is van handelen in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Ook overigens is het hof daarvan niet gebleken.

Het verweer strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie in de vervolging wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak parketnummer 02-041758-23, feit 4

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 4 tenlastegelegde poging tot zware mishandeling door met een mes meerdere zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken in de richting van de borst en/of de hals van [slachtoffer I] . [slachtoffer II] heeft weliswaar bij de politie verklaard dat zij zag dat de verdachte op een gegeven moment met een mes een stekende beweging maakte richting de borst van [slachtoffer I] , maar [slachtoffer I] heeft dat ten overstaan van de rechter-commissaris niet herhaald en daar niet meer verklaard dan dat “met een mes in mijn arm prikken, in mijn hals, neersteken” en “hij wilde uithalen naar mijn hals waardoor ik met mijn arm omhoog heb afgeweerd, hij heeft het mes op mijn arm gezet en doorgedrukt”. Bovendien heeft [slachtoffer I] in haar verhoren bij de politie op 12 februari 2023 en 14 februari 2023 in het geheel niet verklaard over (meerdere) zwaaiende en/of stekende bewegingen met een mes in de richting van haar borst en/of hals. De verdachte zal derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1, 3, 5 en 6 en in de zaak met parketnummer 02-229495-23 en in de zaak met parketnummer 02-086565-24 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 02-041758-23:


1.
hij op of omstreeks 4 februari 2023 te [plaats] opzettelijk [slachtoffer I] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:

- een mes in de richting van [slachtoffer I] te tonen en

- haar telefoon af te nemen en onder zich te houden en

- haar in haar woning voortdurend in zijn gezichtsveld te houden en

- die [slachtoffer I] te dwingen om in de deuropening van de badkamer te zitten en

- die [slachtoffer I] te dwingen om tussen het bed en de verwarming te liggen en

- (daarbij) aan te geven dat die [slachtoffer I] een levend schild voor verdachte moest vormen tegen een mogelijk arrestatieteam;

3.
hij op 10 februari 2023 te [plaats] een (doorgeladen) vuurwapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool, type 1910, kaliber 7.65, zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

5.
hij op of omstreeks 4 februari 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk [slachtoffer II] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door de deuren van de woning waar die [slachtoffer II] op dat moment verbleef op slot te doen en haar telefoon onder zich te nemen en te houden;

6.
hij op tijdstippen in de periode van 28 november 2022 tot en met 4 februari 2023 te [plaats] [slachtoffer II] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer II] dreigend de woorden toe te voegen (dat):

- hij haar en/of haar familie zou doodmaken/doodsteken,

- haar de eeuwige glimlach zou geven,

- dat hij, verdachte, zoutzuur zou regelen om die [slachtoffer II] weg te kunnen regelen, - "Ik sloop je vanavond vierkant uit elkaar kankerhoer” (p. 191 einddossier) en

“Als jij nog één keer een beledigende opmerking maakt, ntv sloop ik jou” (p. 191 einddossier),

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Zaak met parketnummer 02-229495-23 (gevoegd):

hij op 30 december 2022 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband (type Buddi Smart Tag 4) die aan [slachtoffer III] toebehoorde heeft vernield.

Zaak met parketnummer 02-086565-24 (gevoegd):


hij op 16 januari 2024 te Weert een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, kaliber 9 x 19 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemene overwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Parketnummer 02-041758-23, feit 1 en feit 5

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van de in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1 en onder 5 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat indien en voor zover het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie door het hof niet wordt gevolgd, hetgeen de verdediging in dat verband naar voren heeft gebracht zou moeten leiden tot uitsluiting van de verklaringen van [slachtoffer I] en [slachtoffer II] van het bewijs. De verdediging heeft bovendien naar voren gebracht dat uit de inhoud van het dossier onder meer blijkt dat verbalisanten op 4 februari 2023 geen letsel bij [slachtoffer I] hebben gezien, hetgeen niet valt te rijmen met hetgeen door [slachtoffer I] , [slachtoffer II] en getuige [getuige I] is verklaard, alsmede dat sprake is van belangrijke discrepanties in verklaringen van betrokken personen. Voorts heeft de verdediging naar voren gebracht dat [slachtoffer I] en [slachtoffer II] een plan tegen de verdachte hebben gesmeed om hem strafbare feiten aan te wrijven die hij niet heeft begaan. In dit verband heeft de verdediging verschillende passages van WhatsApp-gesprekken tussen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] in de pleitnota opgenomen, waaruit volgens de verdediging dat plan volgt. In het licht van het vorenstaande stelt de verdediging zich aldus op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer I] en [slachtoffer II] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Volgens de verdediging wordt dat ook niet anders door hetgeen de zoon van [slachtoffer I] , [zoon slachtoffer I] , tegen getuige [getuige II] heeft verteld.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen, zijn er in de uitgebreide verhoren van [slachtoffer I] bij de politie een beperkt aantal gevallen aan te wijzen waarbij aan [slachtoffer I] sturende vragen zijn gesteld. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat om die reden aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer I] (als geheel) zou moeten worden getwijfeld. Bij de beoordeling van die betrouwbaarheid heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat [slachtoffer I] uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard. Daarbij heeft zij over feiten en omstandigheden verklaard waarover alleen zij – als aangeefster of getuige – kan verklaren. Voorts stelt het hof vast dat [slachtoffer I] ten overstaan van de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris in de kern gelijkluidend heeft verklaard. Naar het oordeel van het hof heeft ook [slachtoffer II] bij de politie gedetailleerde en concrete verklaringen afgelegd en heeft zij in verklaringen bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris haar eerdere verklaringen in de kern herhaald en bevestigd. [slachtoffer II] heeft daarbij ook niet telkens voor de verdachte belastende verklaringen afgelegd. Zo heeft zij bijvoorbeeld ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat de verdachte haar niet heeft geslagen. Dit draagt naar het oordeel van het hof bij aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van hetgeen [slachtoffer II] heeft verklaard.

Bovendien vinden de verklaringen van [slachtoffer I] en [slachtoffer II] over hetgeen op of omstreeks 4 februari 2023 heeft plaatsgehad steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft het zoontje van [slachtoffer I] , [zoon slachtoffer I] , die ten tijde van het tenlastegelegde ook in de woning in [plaats] aanwezig was, aan zijn vader, getuige [getuige II] , verteld dat er geweld was geweest, dat mama en [verdachte] hadden gevochten en dat het geweld zich verplaatste van de woonkamer naar de gang, naar boven en de bijkeuken. Ook heeft [zoon slachtoffer I] verteld dat hij opgesloten was met [slachtoffer II] en het zoontje van [slachtoffer II] , [zoon slachtoffer II] , en dat zij hun telefoons hadden moeten inleveren bij verdachte. [slachtoffer I] en [slachtoffer II] hebben eveneens verklaard dat zij hun telefoons bij de verdachte moesten inleveren. In hetgeen [zoon slachtoffer I] aan zijn vader heeft verteld komen aldus elementen terug waarover zowel [slachtoffer I] als [slachtoffer II] hebben verklaard. Daar komt bij dat de buurman, getuige [getuige I] , op 4 februari 2023 verwondingen, waaronder een snijwond in de arm bij [slachtoffer I] heeft gezien. Ook heeft hij verklaard dat hij zag dat [slachtoffer I] naast het bed in het hoekje tegen de verwarming aan lag en dat zij van de pijn niet meer omhoog kon komen. Ten slotte heeft de huisarts op 10 februari 2023 letsel bij [slachtoffer I] geconstateerd dat past bij hetgeen zij en [slachtoffer II] over het door de verdachte toegepaste geweld hebben verklaard.

Voor zover de verdediging heeft gesteld dat uit WhatsApp-berichten tussen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] die onderdeel uitmaken van een gesprek in de periode van 28 november 2022 tot en met 12 januari 2023 zou volgen dat zij een plan hebben gemaakt om de verdachte strafbare feiten in de schoenen te schuiven, volgt het hof de verdediging niet. In dit verband stelt het hof vast dat de verdediging bepaalde berichten uit de WhatsApp-gesprekken tussen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] heeft geselecteerd waaruit volgens de verdediging zou volgen dat [slachtoffer I] en [slachtoffer II] voornoemd plan zouden hebben bedacht. Deze berichten zijn afkomstig van een Whatsapp-gesprek tussen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] dat meerdere dagen heeft geduurd. Naar het oordeel van het hof dienen de berichten in hun context te worden bezien, waarbij onder meer werd gesproken over hetgeen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] met de verdachte hebben meegemaakt en/of hoe de verdachte met (ieder van) hen is omgegaan. [slachtoffer II] heeft hieromtrent ten overstaan van de raadsheer-commissaris bijvoorbeeld verklaard: ‘Dat is denk ik een beetje praten door mensen die heel veel hebben meegemaakt maar ik zou hem nooit wat aandoen want zo ben ik niet. Hij heeft ons zoveel aangedaan en onze kinderen ook.’ Volgens [slachtoffer I] gaat het om een ‘sarcastisch geintje’. Daar komt bij dat uit het WhatsApp-gesprek blijkt dat [slachtoffer I] en [slachtoffer II] zich zorgen hebben gemaakt om de verdachte en dat zij hem ook wilden helpen. Gelet op het vorenstaande ziet het hof dan ook geen aanwijzingen dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om de verdachte strafbare feiten in de schoenen te schuiven die hij niet heeft gepleegd. Bovendien bieden de in hoger beroep aan het dossier toegevoegde WhatsApp-berichten tussen [slachtoffer I] en [slachtoffer II] in de periode van 31 januari 2023 tot en met 14 februari 2023 evenmin aanwijzingen voor een dergelijk plan.

Gelet op het vorenstaande zijn de verklaringen van [slachtoffer I] en [slachtoffer II] naar het oordeel van het hof bruikbaar voor het bewijs. Op basis van die verklaringen in samenhang met de overige bewijsmiddelen acht het hof de in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1 en onder 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer strekkende tot vrijspraak van voornoemde feiten wordt in alle onderdelen verworpen. Hetgeen de verdediging overigens naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel.

Parketnummer 02-041758-23, feit 3

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van dit tenlastegelegde feit, het op 10 februari 2023 voorhanden hebben van een vuurwapen, dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat bovenop de plek waar het wapen was aangetroffen kussens lagen. Bovendien heeft de verdachte ontkend dat het wapen van hem was en aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer I] omtrent dit wapen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Het slechts aantreffen van een DNA-spoor van de verdachte op een wapen dat (onder kussens) is verstopt in een bank waarop de verdachte heeft geslapen, is bij gebrek aan ander betrouwbaar bewijs dat in verdachtes richting wijst onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen, zodat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat verbalisanten op 10 februari 2023 de woning gelegen aan [adres] te [plaats] hebben betreden en dat [slachtoffer I] tegen verbalisant [verbalisant I] heeft verteld dat de verdachte in bezit was van een vuurwapen en dat dat wapen beneden in de woonkamer in de buurt van de verdachte moest liggen. Voorts blijkt dat de verdachte in de woonkamer op de bank lag op het moment dat [verbalisant I] voornoemde woning had betreden en dat tussen de rechterarmleuning van die bank en het bankkussen een geladen vuurwapen is aangetroffen. Volgens de bevindingen van verbalisant [verbalisant II] gaat het om een vuurwapen dat valt onder categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het aangetroffen wapen is onderzocht op sporen. Uit dat onderzoek is gebleken dat op de buitenzijde van het patroonmagazijn dat zich in het wapen bevond een DNA-mengprofiel is verkregen en dat daaruit een DNA-hoofdprofiel is afgeleid. Het DNA-hoofdprofiel matcht met de verdachte. De kans dat het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van een willekeurig ander persoon dan de verdachte is kleiner dan één op één miljard. Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat het aangetroffen DNA-spoor van de verdachte afkomstig is. In het bijzonder gelet op de plaats waar verdachtes DNA-materiaal is aangetroffen, acht het hof niet aannemelijk dat dit daar op een andere wijze op terecht is gekomen dan door het vastpakken/vasthouden van het patroonmagazijn dat zich in het vuurwapen bevond. Dat de verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen acht het hof om die reden, in samenhang met wat [slachtoffer I] over het wapen tegenover de politie heeft verklaard en het hierna aantreffen van het vuurwapen in de directe nabijheid van de verdachte, ongeloofwaardig.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 10 februari 2023 een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhand heeft gehad.

Parketnummer 02-041758-23, feit 6

De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof, waarbij de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat het klopt dat hij tegen [slachtoffer II] heeft gezegd: “Ik sloop je vanavond vierkant uit elkaar kankerhoer” en “Als jij nog één keer een beledigende opmerking maakt, ntv sloop ik jou”.

De verdachte heeft de overige aan hem tenlastegelegde bedreigingen ontkend. Het hof overweegt hierover als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen ziet het hof geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en juistheid van hetgeen [slachtoffer II] heeft verklaard. Gelet op hetgeen [slachtoffer II] omtrent de aan de verdachte tenlastegelegde bedreiging heeft verklaard, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant III] en verdachtes bekennende verklaring ten aanzien van de overige bedreigingen, acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen van [slachtoffer II] zoals hiervoor is bewezenverklaard.

Voorwaardelijke verzoeken

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – indien en voor zover het hof zou oordelen dat de verhoren van [slachtoffer I] en [slachtoffer II] bruikbaar zijn voor het bewijs– verschillende voorwaardelijke verzoeken geformuleerd.

Voor zover die verzoeken – gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep – thans nog aan de orde zijn worden die afgewezen, nu het hof de noodzaak daarvan niet is gebleken en het zich voldoende voorgelicht acht om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer I] en [slachtoffer II] – mede bezien in het licht van de door de verdediging gegeven onderbouwing van de verzoeken en de overige inhoud van het dossier – te beoordelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 6 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

Het in de zaak met parketnummer 02-229495-23 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het in de zaak met parketnummer 02-086565-24 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sancties

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling dient te worden opgelegd. De verdediging heeft daartoe – kort gezegd – naar voren gebracht dat de gedragsdeskundigen ernstige psychiatrische stoornissen bij de verdachte hebben uitgesloten. De deskundigen benoemen dat zij ‘contouren van een persoonlijkheidsstoornis’ zien, maar dat de gronden daarvoor evenwel onvoldoende zijn om die daadwerkelijk te kunnen vaststellen. Wat resteert is een – inmiddels jarenlang in remissie zijnde – middelenstoornis, waarvan de deskundigen niet hebben kunnen vaststellen in hoeverre deze een rol heeft gespeeld bij de aan de verdachte verweten gedragingen. Bovendien kunnen de nodige vraagtekens worden geplaatst bij de vaststelling van de middelenstoornis. Gelet op het vorenstaande betwist de verdediging dan ook dat is voldaan aan het stoornisvereiste zoals dat is neergelegd in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Indien en voor zover het hof tot het oordeel mocht komen dat aan de vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan, heeft de verdediging naar voren gebracht dat oplegging van die maatregel – mede gelet op de wachttijden – niet opportuun is. De verdediging heeft het hof dan ook primair verzocht om aan de verdachte (alleen) een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Indien het hof van oordeel mocht zijn dat met oplegging van een gevangenisstraf en voornoemde maatregel niet kan worden volstaan en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling wordt overwogen, heeft de verdediging het (voorwaardelijk) verzoek gedaan om aan de reclassering de opdracht te geven om alsnog een volledig onderzoek te laten doen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sancties gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij het bepalen van de op te leggen sancties neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Aard en ernst van het bewezenverklaarde

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wederechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer I] en [slachtoffer II] . De verdachte heeft daarbij onder andere een mes gebruikt en hij heeft van [slachtoffer I] en van [slachtoffer II] hun telefoons afgenomen. Op die manier was het voor hen niet mogelijk om telefonisch hulp in te schakelen. De feiten kunnen naar het oordeel van het hof als relationeel of huiselijk geweld worden beschouwd. De verdachte heeft [slachtoffer I] in haar eigen woning – en waar haar vriendin tevens ex-partner van de verdachte [slachtoffer II] toen ook aanwezig was – enorm veel angst aangejaagd. De woning van [slachtoffer I] betreft niet alleen een plaats waar haar vriendin [slachtoffer II] zich veilig moet kunnen voelen, maar dat geldt in het bijzonder voor de bewoonster. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op dat veiligheidsgevoel. Bovendien heeft de verdachte bij [slachtoffer I] ook letsel toegebracht en heeft hij [slachtoffer II] bedreigd. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat twee jonge kinderen (de zoontjes van beide slachtoffers) ten tijde van de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de woning aanwezig waren en dat zij aldus door toedoen van de verdachte in alle hevigheid werden geconfronteerd met verdachtes handelen. Ook zij werden feitelijk van hun vrijheid beroofd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen die door of namens de slachtoffers ter terechtzitting in hoger beroep zijn voorgelezen blijkt dat zij en hun zoontjes tot op de dag van vandaag worden geconfronteerd met de gevolgen van verdachtes bewezenverklaarde handelen.

Voorts is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen het overtreden van de Wet wapens en munitie doordat hij op verschillende momenten een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Dit betreffen ernstige strafbare feiten in het bijzonder omdat ongecontroleerd wapenbezit onaanvaardbare risico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich brengt.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een enkelband. De verdachte heeft zich daarmee niet alleen onttrokken aan het toezicht van de reclassering, maar hij heeft daarmee ook schade veroorzaakt.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2026. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere bedreiging, vernieling en mishandeling. Die eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan het bewezenverklaarde handelen. Het hof weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de inhoud van een pro justitia rapport d.d. 23 juli 2025, opgesteld door psychiater [psychiater] en gezondheidszorgpsycholoog [psycholoog] . De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek van de gedragsdeskundigen geweigerd. In het rapport is door de gedragsdeskundigen (onder andere) het volgende opgenomen:

“In het triplerapport uit augustus 2023 kwamen onderzoekers tot de conclusie dat betrokkene een gemiddeld intelligente man is bij wie geen aanwijzingen waren voor een psychiatrische stoornis in engere zin, noch van een ontwikkelingsstoornis als ADHD of autismespectrumstoornis (ASS). Wel waren er – op basis van de informatie uit de beschikbare stukken, de inhoud en indrukken gedurende de onderzoekscontacten, alsmede het testonderzoek – contouren van persoonlijkheidspathologie zichtbaar, waarbij antisociale (betrokkene heeft herhaaldelijk de wet overtreden, is roekeloos geweest en heeft daar ook geen wroeging over, alsmede neiging tot ontkennen, bagatelliseren en externaliseren) en narcistische (veel behoefte aan bevestiging, verongelijktheid en krenkbaar) trekken naar voren kwamen, maar ook enkele borderline (een patroon van intense instabiele relaties) trekken opvielen. Er was echter onvoldoende grond om met zekerheid te kunnen vaststellen dat betrokkenes gedragspatronen tot disfunctioneren op meerdere levensgebieden hadden geleid. Immers, zijn levensloop beschouwend zou betrokkene afgezien van zijn justitiële antecedenten jarenlang een stabiel bestaan hebben geleid. Vanwege de toenmalige onderzoeksbeperkingen konden onderzoekers onvoldoende onderbouwd vaststellen dan wel uitsluiten of er sprake was van een persoonlijkheidsstoornis. Wel stelden zij destijds een stoornis in het gebruik van cocaïne vast. Deze was inmiddels langere tijd in remissie in een regulerende setting. Bij het ontbreken van nieuw eigen onderzoek kunnen onderzoekers nu alleen vaststellen dat er geen gronden zijn de toenmalige diagnostische conclusies te heroverwegen.

Betrokkene heeft inmiddels een omvangrijk strafblad, waarop wapenbezit, het gebruik van middelen in het verkeer, feiten van agressie en huiselijk geweld te vinden zijn. Betrokkene heeft nooit eerder meegewerkt aan een onderzoek pro Justitia, maar werkte wel mee aan het tripleonderzoek in 2023. Desondanks kende het onderzoek destijds beperkingen en kon het merendeel van de onderzoeksvragen niet worden beantwoord. Betrokkene heeft zijn medewerking aan het onderhavige actualisatieonderzoek geweigerd, hetgeen op onderzoekend psycholoog overkwam als een weloverwogen weigering. Dat wil zeggen dat er geen aanleiding is om een weigering op basis van een ernstig ziektebeeld, zoals een psychose, te vermoeden. Vanwege de weigering van betrokkene om aan het onderhavige actualisatieonderzoek mee te werken, komen onderzoekers niet tot beantwoording van de onderhavige vraagstelling. Zoals in paragraaf 4 uiteengezet zien onderzoekers geen aanleiding om de diagnostiek van eind augustus 2023 te heroverwegen. Toen konden een stoornis in het gebruik van cocaïne en antisociaal gedrag van een volwassene worden vastgesteld. Een persoonlijkheidsstoornis (met antisociale, narcistische en borderline trekken) kon niet worden vastgesteld noch worden uitgesloten. Vanwege het ontbreken van nieuw onderzoek zien onderzoekers evenmin redenen om de beantwoording van de andere vragen te heroverwegen. Toen onthielden onderzoekers zich van een advies ten aanzien van de mate van toerekenen, het recidiverisico en ten aanzien van een eventuele interventie en het juridisch kader.”

Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 28 september 2026. Uit dit advies blijkt onder andere dat de verdachte in de penitentiaire inrichting een breed scala aan trainingen en cursussen heeft gevolgd. Zo heeft hij een CoVa-training afgerond en heeft hij wekelijks gesprekken met een trainster, gericht op spanningsregulatie, zelfreflectie, sociaal netwerk en toekomstperspectief. Volgens het advies heeft de verdachte laten weten inmiddels open te staan voor hulpverlening en behandeling, waarbij de reclassering zich afvraagt hoe groot zijn motivatie en bereidheid is als hij buiten de muren van de penitentiaire inrichting komt. Volgens de reclassering laat het reclasseringsdossier namelijk een beperkte behandelmotivatie, gering probleeminzicht, het bagatelliseren van strafbaar gedrag, moeite met het naleven van voorwaarden en terugkerende justitiële contacten tijdens toezichttrajecten zien. De reclassering kan geen advies geven of wel of niet tot oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling moet worden besloten. De reclassering heeft wel beschreven dat zij in april 2024 het opleggen van bijzondere voorwaarden niet geïndiceerd achtte en dat zij thans geen aanleiding ziet om van dat advies af te wijken. Door de reclassering wordt wel geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, alsmede een contactverbod met de aangeefsters op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, welke laatste maatregel volgens de reclassering ook dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard.

Voorts heeft het hof gelet op de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 5 februari 2023. Uit dit advies blijkt onder meer dat het risico op recidive en het risico op letselschade als hoog worden ingeschat. Volgens de reclassering zijn er verschillende risicofactoren, zoals: partnerrelatie, huisvesting, dagbesteding, middelengebruik en psychosociaal functioneren. In het advies heeft de reclassering bovendien nog het volgende omtrent de persoon van de verdachte opgenomen:

“Zijn gedrag is dusdanig divers en gewelddadig, mede lettend op zijn strafblad en de recidive vanaf zijn 15de, dat wordt gedacht aan problemen met zijn psychische gesteldheid. Er is bij hem geen zelfkritiek of zelfreflectie waargenomen, behalve dat hij het slachtoffer is en allerlei redenen heeft om aangeefster te benaderen.”

Gevangenisstraf

In het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen, de mate waarin dat persoonlijk leed bij de slachtoffers teweeg heeft gebracht en de inhoud van voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming.

Bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf heeft het hof zich rekenschap gegeven van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Deze termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 17 mei 2024, de dag waarop van de zijde van de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst het onderhavige arrest op 22 oktober 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen een periode van zestien maanden nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ongeveer dertien maanden overschreden. Ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep is weliswaar aanvullend onderzoek gedaan en zijn er door de raadsheer-commissaris getuigen gehoord, doch die omstandigheden kunnen naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep niet rechtvaardigen. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is dan ook van oordeel dat de schending van de redelijke termijn in hoger beroep dient te leiden tot strafvermindering. Zonder deze schending zou naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest.

Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn acht het hof het thans passend en geboden aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Gelet op het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof een straf bepalen ten aanzien van het niet inhoudelijk aan zijn oordeel onderworpen door de rechtbank in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 2 bewezenverklaarde. Voor dat feit bepaalt het hof als straf een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

Maatregel van terbeschikkingstelling

Het hof stelt het volgende voorop.

De maatregel van terbeschikkingstelling kan door de rechter worden gelast indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist en de rechter tot het oordeel komt dat voldaan is aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a, derde lid, Wetboek van Strafrecht). Dit vereiste vervalt indien de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek door de gedragsdeskundigen (artikel 37a, vierde lid, Wetboek van Strafrecht).

Het hof overweegt voorts als volgt.

Zoals hiervoor reeds genoemd heeft de verdachte zijn medewerking aan het onderzoek van de gedragsdeskundigen [psychiater] en [psycholoog] geweigerd. Het hof merkt de verdachte dan ook aan als een weigerende observandus in de zin van artikel 37a, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht vervalt in dat geval. Om tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling over te gaan blijft evenwel vereist dat wordt vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het plegen van het feit of de feiten. Zonder die vaststelling is oplegging van de maatregel niet mogelijk. Het is in dit verband aan de rechter die over de feiten oordeelt om die vaststelling te doen. Bij de beantwoording van de vraag of bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de hierboven weergegeven passages uit het rapport van 23 juli 2025. De advocaat-generaal heeft in haar op schrift gestelde requisitoir de volgende passages uit een rapport van [psycholoog] , [psychiater] en [deskundige] van 31 augustus 2023 dat omtrent de verdachte is opgemaakt opgenomen, welke door het hof worden overgenomen.

Milieuonderzoek

“Als onderzoeker hem vraagt hoe het toch kan dat hij dergelijke zaken (het hof; veroordelingen in 2004 en 2005) zich niet kan herinneren, geeft hij aan dat het geen leuke dingen zijn en hij onthoudt vooral positieve en leuke dingen.”

Uit het psychologisch onderzoek uit 2023 van [psycholoog]

“Hij wordt erin geluisd verklaart hij (p. 32).” “Wanneer onderzoeker hem meer kritisch bevraagt en confronteert met verklaringen van anderen, reageert hij afwijzend en geprikkeld. Als ik zo naar u luister, gaat u dezelfde kant op als de milieuonderzoeker. (p. 33) “ [naam persoon I] en [naam persoon II] waren (...) bezig hem erin te luizen. (...) hij ontkent desgevraagd dat hij ooit fysiek agressief is geweest jegens haar noch andere vrouwen. Tijdens een ruzie heb ik haar wel een keer geduwd (...). Ik heb haar wel een keer bedreigd, toen ik boos was. (...) zij bleef triggeren (p. 34).” “Onderzoeker houdt hem voor dat op basis van de diverse verklaringen en beschikbare informatie er zich een patroon van relatieproblemen en agressief en

probleemgedrag van betrokkenen in de partnerrelatie aftekent. (...) Hij heeft nooit iemand mishandeld, gestalkt of verkracht. Een vuurwapen heeft hij nooit gehad. Ze zijn ziek in hun hoofd om dit soort dingen in iemands schoenen te schuiven (p. 35).”

“Over zijn eerste veroordeling voor een overtreding op 16-jarige leeftijd geeft betrokkenen aan dat het kan dat hij dat heeft gedaan. Hij vraagt zich vervolgens licht geïrriteerd af waarom dat belangrijk is. (...) een keer een misstap (...). Het lag aan de buurt waar hij toen verbleef en de mensen op straat (p. 36).” “de feiten uit 2016 heeft hij allemaal niet gepleegd maar op zich genomen op aanraden van zijn advocaat. (...)Desgevraagd is er helemaal niks van waar (p. 36).”

“Kritische noten accepteert hij zeer moeizaam en hij toont zich op die momenten al snel afwerend gekrenkt. (...) Hij voelt zich al snel onheus bejegend en tekortgedaan. Op die momenten reageert hij geprikkeld, nukkig en zichtbaar gefrustreerd (p. 39).”

“Betrokkene is sterk geneigd tot externaliseren, waarbij hij de verantwoordelijkheid en schuld voor problemen veelal buiten zichzelf legt. Hij heeft maar zeer beperkt oog voor zijn eigen aandeel in de problemen. Betrokkene blijkt volstrekt onvoldoende in staat (en bereid) tot reflecteren op zichzelf. Ook is hij nauwelijks in staat emoties te benoemen; Het zicht op zijn innerlijke belevingswereld is zeer beperkt. Naast een neiging tot externaliseren, valt bij betrokkene een verhoogde neiging op zijn probleemgedrag te bagatelliseren. Hij lijkt vooral een sociaal

wenselijke façade op te willen houden, waarbij hij vooral positieve karaktereigenschappen benadrukt en negatieve aspecten van zijn

persoonlijkheid ontkent. Hij wil vooral over het voetlicht brengen dat hem op dit moment veel onrecht wordt aangedaan, dat er daardoor van alles kapot wordt gemaakt in zijn leven en dat hij hier sterk onder lijdt. Zijn uitgebreide strafblad, waarop veroordelingen staan voor een behoorlijke diversiteit aan strafbare feiten, in combinatie met zijn neiging tot externaliseren en bagatelliseren doet een lacunaire gewetensontwikkeling vermoeden. Het wijst in ieder geval op terugkerend antisociaal gedrag (p. 39 en 40).”

“Alhoewel de informatie op zijn strafblad en uit het strafdossier lijken te wijzen op een gebrekkige impuls- en agressieregulatie, kan onderzoeker hier door de ontkenning van betrokkene onvoldoende concluderende uitspraken over doen. Wel valt bij betrokkene een streven tot directe behoeftebevrediging op, waarbij het lustprincipe de boventoon voert. Het gaat bij betrokkene vooral om oppervlakkig en uiterlijk vertoon. (...) Betrokkene geeft weliswaar diverse malen te kennen het niet meer precies te weten wat er is gebeurd, want het zou al lang geleden zijn, maar dat is opvallend genoeg vooral ten aanzien van zaken die hem onwelgevallig zijn. Hem hiermee geconfronteerd zegt hij dat hij vooral dingen onthoudt die positief zijn. Negatieve gebeurtenissen onthoudt hij veel minder goed, zo stelt hij. Kortom, dit duidt wat onderzoeker betreft niet op problemen in het geheugen, maar veelal op een (narcistische) afweer van negatieve affecten (p. 40).”

(...)

“De beperkte dynamiek die uit het testmateriaal naar voren komt, lijkt (...) te wijzen op een sterke (narcistische) afweer van negatieve effecten. Betrokkene is sterk geneigd tot externaliseren, maar tevens tot ontkenning en bagatelliseren (...). Daar waar hij klachten ontkent, komt een verhoogd wantrouwen sterk naar voren, waarbij hij zich al snel tekortgedaan en achtergesteld voelt. Hij heeft sterk het gevoel onheus bejegend te worden (...) Tevens is een terugkerend thema dat hij zich erin geluisd voelt. (...) Valt op dat hij vooral zijn positieve karaktereigenschappen benadrukt en negatieve aspecten ontkent (p.41).”

“Opmerkelijk is dat betrokkene veel strafbare feiten op zijn UJD ontkent

(...). Hij neemt niet tot nauwelijks verantwoordelijkheid (p. 42). (...)

Onmiskenbaar valt een patroon op van problematische relaties, waarbij

alle (in ieder geval een vijftal) dames (...) – in een vergelijkbare lezing –

aangeven dat de relatie aanvankelijk fijn verliep, maar na verloop van tijd

zou betrokkene steeds meer dominant, bepalend, maar ook verbaal en

fysiek agressief zijn geweest (p. 42).”

Het geheel overziend – de informatie uit de beschikbare stukken, de inhoud en indrukken gedurende de onderzoekscontacten, alsmede het testonderzoek – zijn er wat onderzoeker betreft aanwijzingen voor antisociale en narcistische trekken in de persoonlijkheid. Immers er worden onmiskenbaar uiterlijk waarneembare antisociale gedragingen zichtbaar in de beschikbare informatie en dit geeft in ieder geval sterk te denken over de gewetensfuncties en empathische vermogens van betrokkene, alsmede over zijn agressie- en impulsregulatie. Tevens valt een narcistische affectafweer op, waarbij hij tevens als verongelijkt en verhoogd krenkbaar naar voren komt. (...) Betrokkene (is) moeilijk te onderzoeken.”

Al met al betracht onderzoeker om deze redenen terughoudendheid om een persoonlijkheidsstoornis vast te stellen, maar kan deze ook zeker niet uitsluiten.

Psychiatrisch onderzoek

“Betrokkene is met name gericht op het ‘neerzetten’ van een positief beeld van zichzelf en vraagt ook diverse keren of het rapport wel positief zal zijn. (...) Betrokkene lijkt geen besef van problemen in het eigen functioneren te hebben. Betrokkenen ontkent, minimaliseert of externaliseert eigenlijk alles wat niet positief is. (...) Hij maakt een nogal verongelijkte indruk (...) laat een zekere rigiditeit zien (...) en is erg gericht op eigen behoefte (...) (p. 48)”

“Al met al blijft het lastig een idee te krijgen van de belevingswereld van betrokkene. (...) Onderzoekend psychiater blijft achter met de vraag wie betrokkene toch eigenlijk is.”

“Al met al ziet onderzoekend psychiater aan de oppervlakte contouren van een narcistische dynamiek in de persoonlijkheid van betrokkene (p. 49).”

Uit differentiaal diagnostische overwegingen

“Betrokkenen heeft nagenoeg volledig meegewerkt, maar tot een inkijk in zijn belevingswereld heeft dit niet geleid. (...) Een narcistische dynamiek in de persoonlijkheid wordt vermoed. (...) Er zijn met name antisociale gedragskenmerken zichtbaar (...), maar ook wat borderline (...) en narcistische (...). Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een stoornis in het gebruik van cocaïne (...) ( p. 50).”

Risicoanalyse

• Een eenduidig delictscenario ontbreekt. Onderzoekers kunnen wel aangeven welke risicofactoren voor huiselijk geweld in dit geval relevant zouden kunnen zijn. Dat zijn met name:

• eerdere manifestaties van ernstig huiselijk geweld (waarbij medische zorg noodzakelijk was en/of een wapen werd gebruikt).

• ernstige gewelddadige dreigementen, gedachten of interventies.

• een escalatie van geweld of dreigementen.

• schending van voorwaarden of toezicht.

• negatieve opvattingen aangaande relationeel geweld, zoals de ontkenning daarvan.

• veroordelingen voor andere ernstige delicten (waaronder ook alcohol- en druggerelateerde delicten en de schending van voorwaarden).

• relatieproblemen.

• problemen met betrekking tot werk en/of financiën.

• middelengebruik.

• een psychische stoornis (inclusief persoonlijkheidsproblematiek).

Van de genoemde factoren zijn er diverse op betrokkene van toepassing.

Overigens zijn naast de factoren die met de pleger van huiselijk geweld samenhangen, ook inconsistent gedrag van een partner, de mate van angst die de partner heeft, isolement van de partner, onvoldoende fysieke veiligheid van de partner en persoonlijke problemen van de partner medebepalend voor het risico. (...) Onderzoekers concluderen dat indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, er veel risicofactoren voor toekomstig huiselijk geweld op betrokkene van toepassing zijn (p. 53).”

Gelet op de inhoud van de rapportages die ten aanzien van de verdachte zijn opgemaakt en zoals die hiervoor zijn weergegeven, concludeert het hof dat (in juridische zin) bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Naar het oordeel van het hof is daarbij minst genomen sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Voorts neemt het hof de conclusie van de deskundigen [psycholoog] en [psychiater] uit de rapportage van 31 augustus 2023 over dat ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een stoornis in het gebruik van cocaïne en maakt deze tot de zijne.

Voorts stelt het hof vast dat de in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1, onder 3, onder 5 en het in de zaak met parketnummer 02-086565-24 bewezenverklaarde misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dat het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 6 bewezenverklaarde een specifiek in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf betreft, alsmede dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling vereist. Hierbij wijst het hof in het bijzonder op de omstandigheid dat de gedragsdeskundigen in het rapport van 31 augustus 2023 hebben geconcludeerd dat er – in geval van een bewezenverklaring – veel risicofactoren voor toekomstig huiselijk geweld van toepassing zijn. Ook de reclassering heeft het risico op recidive – blijkens de inhoud van het advies van 15 februari 2023 – als hoog ingeschat. Aan de (wettelijke) vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is derhalve voldaan.

Uit het dossier volgt een duurzaam patroon van agressie en onaangepast gedrag. Vanuit het oogpunt van veiligheid acht het hof het onverantwoord dat de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar naar voren gebracht dat de verdachte gedurende zijn tijd in detentie verschillende trainingen en cursussen heeft gevolgd, maar dat acht het hof onvoldoende. Zoals hiervoor genoemd is bij de verdachte onder andere sprake van een beperkte behandelmotivatie, gering probleeminzicht en heeft hij moeite met het naleven van voorwaarden. Gelet hierop acht het hof een minder verstrekkende maatregel dan terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dan ook niet aan de orde. Het hof zal dan ook – nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist – de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege.

Deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of een gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht). Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte zich bij het onder 1 bewezenverklaarde heeft bediend van een mes en dat heeft getoond aan/gebruikt tegen de aangeefster. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht

Overeenkomstig het advies van de reclassering zal het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer I] en [slachtoffer II] , alsmede dat hij zich niet zal ophouden in de [gemeente gebiedsverbod] . Het hof ziet aanleiding om deze maatregel op te leggen voor een periode van 5 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze op te leggen maatregel bevelen. Naar het oordeel van het hof dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens (een van) de aangeefsters. Nu het hof deze maatregel (opnieuw) oplegt, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde maatregel opheffen.

Maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de maatregel van terbeschikkingstelling nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. Het hof is daarom – met de reclassering – van oordeel dat het noodzakelijk is om de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Met oplegging van deze maatregel wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na de terbeschikkingstelling, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht te stellen, opdat het risico op recidive wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt immers de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd. Daarnaast is de oplegging van deze maatregel naar het oordeel van het hof in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen.

Voorwaardelijk verzoek

Indien en voor zover het hof van oordeel mocht zijn dat niet kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf, al dan niet in combinatie met een maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, en de maatregel van terbeschikkingstelling door het hof wordt overwogen, is door de verdediging verzocht aan de reclassering de opdracht te geven een volledig onderzoek te laten doen.

Het hof acht zich op basis van de rapporten en de adviezen die omtrent de persoon de verdachte zijn opgemaakt en die onderdeel uitmaken van het dossier voldoende voorgelicht. Ook overigens is het hof de noodzaak tot het doen opmaken van een nadere reclasseringsrapportage niet gebleken. Het voorwaardelijk verzoek wordt derhalve afgewezen.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen betreffen voorwerpen (pistool, patroonhouder en munitie) met betrekking tot welke het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 3 bewezenverklaarde is begaan, dan wel een voorwerp (pepperspray) dat bij gelegenheid van het onderzoek is aangetroffen, aan de verdachte toebehoort en kan dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, te weten overtreding van de Wet wapens en munitie. Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang. Het hof zal derhalve de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen bevelen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer I]

De benadeelde partij [slachtoffer I] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 26.640,64, bestaande uit

€ 16.640,64 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:

  • camera, ad € 69,90;

  • schade voordeur, ad € 2.798,10

  • behandeling PTSS, ad € 6.373,07;

  • eigen risico 2023, ad € 201,79 en € 47,78;

  • weggenomen geldbedragen, ad € 7.150,00.

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van in totaal

€ 9.122,64, waarvan € 6.622,64 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering gehandhaafd ter hoogte van het oorspronkelijk gevorderde bedrag.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, behoudens voor wat betreft de posten ‘schade voordeur’ en ‘weggenomen geldbedragen’. Volgens de advocaat-generaal zou de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich – gelet op bepleite vrijspraak – primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat de posten ‘camera’, ‘schade voordeur’ en ‘weggenomen geldbedragen’ niet voor toewijzing in aanmerking komen, omdat deze schadeposten geen verband hebben met het bewezenverklaarde. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat post ‘behandeling PTSS’ dient te worden afgewezen, nu de benadeelde partij ervoor heeft gekozen in het buitenland te verblijven. Indien de benadeelde de behandeling in Nederland had ondergaan, dan had het kostenplaatje er anders uitgezien. Ten slotte heeft de verdediging naar voren gebracht dat toewijzing van meer dan € 2.500,00 aan immateriële schade gelet op soortgelijke zaken niet in de rede ligt.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het jegens haar bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof houdt daarbij niet alleen rekening met hetgeen hiervoor in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1 is bewezenverklaard, maar eveneens met het door de rechtbank in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 2 bewezenverklaarde, welke veroordeling – door het intrekken van het hoger beroep tegen dat feit – in zoverre onherroepelijk is geworden. De gevorderde posten ‘behandeling PTSS’ en ‘eigen risico’ houden naar het oordeel van het hof direct verband met de jegens de benadeelde bewezenverklaarde feiten en zijn ook voldoende onderbouwd. De vordering komt dan ook in zoverre tot een bedrag van € 6.622,64 voor toewijzing in aanmerking.

Ten aanzien van de posten ‘camera’, ‘schade voordeur’ en ‘weggenomen geldbedragen’ is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die posten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De benadeelde partij zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Immateriële schade

Het hof stelt het volgende voorop.

Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor een nadere regeling. Deze regeling houdt – voor zover van belang – het volgende in:

‘1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (…)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’

Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Op basis van de inhoud van de gedingstukken – in het bijzonder het bericht van de huisartsenpraktijk (dossierpagina 102), alsmede de inhoud van het verzoek tot schadevergoeding – stelt het hof vast dat aan de benadeelde partij lichamelijk letsel is toegebracht. Er wordt onder andere gesproken over meerdere blauwe plekken en een snijwond op de arm. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van het hof reeds ruimte voor het toekennen van een schadevergoeding ter zake van immateriële schade.

Verder overweegt het hof dat uit het verzoek tot schadevergoeding is gebleken dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde PTTS-klachten heeft. Zij is door de huisarts verwezen naar [organisatie] . De huisarts heeft in een bericht van 4 april 2023 onder meer beschreven dat – gezien de complexiteit en de ernst van de traumatische gebeurtenissen in combinatie met het recidiverende karakter van de PTSS-klachten – een intensief traject bij [organisatie] wordt geadviseerd. Bij [organisatie] heeft vervolgens behandeling plaatsgevonden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 10.000,00.

Totale schade en wettelijke rente

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof aldus gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 16.622,64 (bestaande uit

€ 6.622,64 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade). De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal de verdachte veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Ten aanzien van de wettelijke rente overweegt het hof het volgende. Uit de inhoud van de gedingstukken blijkt dat de kosten in verband met het eigen risico zijn ingediend op 9 april 2023 (ten aanzien van een bedrag van € 201,79) en op 7 mei 2023 (ten aanzien van een bedrag van € 47,78). Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor voornoemde posten dan ook bepalen op respectievelijk 9 april 2023 en 7 mei 2023. Voorts blijkt dat de factuur in verband met de behandeling voor PTSS dateert van 1 februari 2024. Het hof zal de aanvangsdatum voor deze post dan ook op voornoemde datum bepalen. Ten aanzien van de immateriële schade zal het hof de aanvangsdatum van wettelijke rente bepalen op 4 februari 2023.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte – die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt – veroordelen in de proceskosten, begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer I]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer I] is toegebracht tot een bedrag van € 16.622,64. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer II]

De benadeelde partij [slachtoffer II] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van in totaal € 8.472,01, bestaande uit

€ 972,01 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • eigen risico 2023, ad € 385,00;

  • eigen risico 2024, ad € 346,99;

  • medicatie, ad € 23,22;

  • reiskosten behandelingen [organisatie] , ad € 71,28;

  • reiskosten psychologenpraktijk, ad € 67,91;

  • reiskosten zelfbeeldtraining, ad € 77,61.

De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.972,01, bestaande uit € 972,01 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering gehandhaafd ter hoogte van het oorspronkelijk gevorderde bedrag.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig voor toewijzing in aanmerking komt.

De verdediging heeft – gelet op bepleite vrijspraak – primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Subsidiair is naar voren gebracht dat de post ‘reiskosten zelfbeeldtraining’ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het rechtstreeks verband met de beweerdelijke feiten niet is aangetoond. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een lager bedrag aan immateriële schade dient te worden toegekend dan door de rechtbank is beslist.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer II] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer

02-041758-23 onder 5 en onder 6 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 972,01. Deze schade is naar het oordeel van het hof ook voldoende onderbouwd, zodat de gevorderde materiële schade zal worden toegewezen.

Immateriële schade

Ten aanzien van de vraag of de benadeelde partij een vergoeding toekomt op de grond dat zij ‘op een andere wijze in de persoon is aangetast’ verwijst het hof naar het hierboven opgenomen beoordelingskader.

Uit de inhoud van de gedingstukken blijkt dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen PTSS heeft opgelopen en dat zij daarvoor een behandeling heeft gevolgd bij [organisatie] . Gelet hierop is het hof van oordeel dat genoegzaam kan worden vastgesteld dat de benadeelde ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen geestelijk letsel heeft opgelopen, zodat op die grond ruimte bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding wegens immateriële schade. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 2.500,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Totale schade en wettelijke rente

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof aldus gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 5 en onder 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 3.472,01 (bestaande uit € 972,01 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade). De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal de verdachte veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Ten aanzien van de wettelijke rente overweegt het hof het volgende. Uit de bij de vordering tot schadevergoeding bijgevoegde overzichten blijkt onder meer dat de kwitanties voor de aangeschafte medicijnen over respectievelijk een bedrag van € 14,67 en € 8,55 dateren van 9 maart 2023 en 11 mei 2023. Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rentes over voornoemde bedragen dan ook op deze data bepalen. Voorts is het hof gebleken dat in 2023 en in 2024 verschillende kosten zijn gemaakt waarvoor het eigen risico is aangesproken. Voor deze schadeposten zal het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen 1 juni 2023 (over een bedrag van € 385,00) en 1 juni 2024 (over een bedrag van € 346,99). Ten aanzien van de gevorderde reiskosten is het hof gebleken dat de benadeelde partij bij verschillende instanties behandelingen heeft gevolgd, waarbij overzichten zijn gevoegd in welke periodes die behandelingen hebben plaatsgehad. Het hof zal de wettelijke rente van deze schadeposten bepalen op (ongeveer) het midden van de periode waarin (telkens) die behandelingen hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat de wettelijke rente over een bedrag van € 77,61 zal worden bepaald op 25 mei 2023, over een bedrag van € 71,28 op 22 juli 2023 en over een bedrag van € 67,91 op 7 januari 2024. Voor wat betreft de immateriële schade zal het hof de aanvangsdatum van wettelijke rente bepalen op 4 februari 2023.

Proceskosten

De verdachte – die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt – zal worden veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer II]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer II] is toegebracht tot een bedrag van € 3.472,01. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer III]

De benadeelde partij [slachtoffer III] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 272,25 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:

  • vernieling bevestigingsstrap van een enkelband, ad € 25,00;

  • kwijtraken basisstation, ad € 200,00;

  • 21% BTW, ad € 47,25.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering toegewezen tot een bedrag van

€ 30,25 (bestaande uit het gevorderde bedrag van € 25,00 en de daarover berekende BTW van 21%), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de vordering niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De vordering van de advocaat-generaal strekt tot toewijzing van de vordering overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging naar voren gebracht dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van de vordering tot het bedrag van € 30,25.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-229495-23 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van (in totaal)

€ 30,25. Het gaat hierbij om de schade die is ontstaan door de vernieling van de enkelband

(€ 25,00) en de daarover berekende BTW van 21% (€ 5,25).

Ten aanzien van de post ‘kwijtraken basisstation’ is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in haar vordering (€ 200,00) niet worden ontvangen.

Het hof zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 30,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu de verdachte op deze dag de enkelband heeft doorgeknipt en aldus de schade is ontstaan. Voorts zal het hof de verdachte – die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt – veroordelen in de proceskosten, begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer III]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het in de zaak met parketnummer 02-229495-23 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer III] is toegebracht tot een bedrag van € 30,25. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen met een proeftijd van 2 jaren, opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 januari 2022 onder parketnummer 20-000524-20.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Voor zover de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft verzocht om bij de vordering tot tenuitvoerlegging rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte in de onderhavige strafzaak langer in voorarrest zal hebben doorgebracht dan de door het hof op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ziet het hof in deze omstandigheid geen aanleiding toewijzing van de vordering achterwege te laten mede gezien de maatregel van terbeschikkingstelling die ook aan de verdachte zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 37a, 37b, 38v, 38w, 38z, 57, 63, 282, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

Voorlopige hechtenis

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op grond van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht op te heffen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan de verdachte zal de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging worden opgelegd. Middels die maatregel kan de voor de verdachte benodigde behandeling worden vormgegeven. Opheffing van de voorlopige hechtenis zou – mede gelet op de huidige wachttijden voor de benodigde behandeling – leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving. Dat acht het hof – gelet op verdachtes problematiek, de noodzaak van behandeling en het risico op recidive – niet wenselijk. Het verzoek strekkende tot opheffing van verdachtes voorlopige hechtenis wordt derhalve afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1, 3, 5 en 6 en in de zaak met parketnummer

02-229495-23 en in de zaak met parketnummer 02-086565-24 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1, 3, 5 en 6 en in de zaak met parketnummer 02-229495-23 en in de zaak met parketnummer 02-086565-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Gevangenisstraf

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 02-041758-23 onder 2 bewezenverklaarde op: een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Ten aanzien van de feiten 1, 3, 5 en 6 in de zaak met parketnummer 02-041758-23 en de zaak met parketnummer 02-086565-24

Maatregel van terbeschikkingstelling Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:

  • voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden in de [gemeente gebiedsverbod] ;

  • voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met

- [slachtoffer I] , geboren op [geboortedatum slachtoffer I] ;

- [slachtoffer II] , geboren op [geboortedatum slachtoffer II] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 4 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

Maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Beslag

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Pistool (Omschrijving: G2558870, kaliber 7,65 mm. Dit pistool werd doorgeladen aangetroffen meteen naast verdachte tussen de kussens op de bank, Browning 1910)

- 1 STK Patroonhouder (Omschrijving: G2558872, Patroonhouden zat in ibn doorgeladen pistool, FN)

- 1 STK Munitie (Omschrijving: G2558873, Munitie (mund projectiel) Kogelpatroon, kaliber 7,65 mm)

- 1 BUS Pepperspray (Omschrijving: G2561207, Cs Eurogas).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer I]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer I] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 16.622,64 (zestienduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 6.622,64 (zesduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer I] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 16.622,64 (zestienduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 6.622,64 (zesduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 108 (honderdacht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

- 9 april 2023 over een bedrag van € 201,79 ter zake van eigen risico
- 7 mei 2023 over een bedrag van € 47,78 ter zake van eigen risico
- 1 februari 2024 over een bedrag van € 6.373,07 ter zake van behandeling PTSS

en van de immateriële schade op 4 februari 2023.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer II]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer II] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 5 en 6 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.472,01 (drieduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en één cent) bestaande uit € 972,01 (negenhonderdtweeënzeventig euro en één cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer II] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-041758-23 onder 5 en 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.472,01 (drieduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en één cent) bestaande uit € 972,01 (negenhonderdtweeënzeventig euro en één cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 34 (vierendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

- 9 maart 2023 over een bedrag van € 14,67 ter zake van medicijnen
- 11 mei 2023 over een bedrag van € 8,55 ter zake van medicijnen
- 25 mei 2023 over een bedrag van € 77,61 ter zake van reiskosten
- 1 juni 2023 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico 2023
- 22 juli 2023 over een bedrag van € 71,28 ter zake van reiskosten
- 7 januari 2024 over een bedrag van € 67,91 ter zake van reiskosten
- 1 juni 2024 over een bedrag van € 346,99 ter zake van eigen risico 2024

en van de immateriële schade op 4 februari 2023.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer III]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer III] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-229495-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 30,25 (dertig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer III] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-229495-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 30,25 (dertig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 december 2022.

Vordering tenuitvoerlegging

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch met parketnummer 20-000524-20, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) dagen.

Voorlopige hechtenis

Wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. Bosch, voorzitter,

mr. R.G.A. Beaujean en mr. J. Gillesse, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,

en op 22 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Beaujean is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.