Strafrecht overig

Het hof veroordeelt verdachte voor poging tot moord op de ex-partner van zijn vriendin. Verdachte is in de…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
21-000905-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6799
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het hof veroordeelt verdachte voor poging tot moord op de ex-partner van zijn vriendin. Verdachte is in de auto naar het huis van het slachtoffer gereden, reed op hem in en stak hem meermalen in het bovenlichaam en hoofd/gezicht. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte hiermee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Ook acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld: hij heeft de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad. Het hof is van oordeel dat verdachte, ondanks zijn emotionele toestand, in staat was deze gelegenheid te benutten en dat ook heeft gedaan.

Het hof houdt in de strafoplegging rekening met het feit dat het bewezenverklaarde volgens een psychiatrisch rapport verminderd aan verdachte is toe te rekenen. Tegelijk wil het hof een duidelijk signaal afgeven dat eigenrichting niet onbestraft blijft. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder wijst het hof de vordering van de benadeelde partij (het slachtoffer) volledig toe.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000905-26

Uitspraakdatum: 21 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 10 maart 2026 met parketnummer 18-281222-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

op dit moment verblijvende in [P.I.] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 september 2026 en 21 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

  • bewezenverklaring van het primair aan verdachte ten laste gelegde;

  • oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest;

  • oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

  • volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd.

Het hof heeft het onderzoek op de zitting van 21 oktober 2026 gesloten en meteen uitspraak gedaan.

Het vonnis waarvan beroep

In het vonnis van de rechtbank is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,

- met een personenauto met hoge/verhoogde snelheid op die [slachtoffer] is ingereden, althans tegen hem aan is gereden en/of

- een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken/gesneden in de rug en/of hals/nek en/of kin en/of (elders) in het lichaam van [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

- met een personenauto met hoge/verhoogde snelheid op die [slachtoffer] is ingereden, althans tegen hem aan is gereden en/of

- een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken/gesneden in de rug en/of hals/nek en/of kin en/of (elders) in het lichaam van [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) steek/snijwond in de kin en/of hals en/of overige steek/snijwond(en) in het bovenlichaam heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de kin en/of hals en/of elders in het bovenlichaam te steken/snijden;

meest subsidiair
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een personenauto met hoge/verhoogde snelheid op die [slachtoffer] is ingereden, althans tegen hem aan is gereden en/of

- een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken/gesneden in de rug en/of hals/nek en/of kin en/of (elders) in het lichaam van [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde poging tot moord en de subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat er geen sprake is van voorbedachte raad, nu verdachte heeft gehandeld in een plotselinge, hevige emotionele ontregeling waardoor hij geen gelegenheid had tot beraad. De rechtbank heeft in het vonnis onvoldoende gewicht toegekend aan contra-indicaties waaruit dit blijkt. Bovendien is volgens de verdediging geen sprake van opzet op de (mogelijke) dood van aangever [slachtoffer] . Naar voren is gebracht dat verdachte in een emotionele opwelling en op chaotische wijze heeft gehandeld. Hierdoor kan geen aanmerkelijke kans op dodelijk letsel worden vastgesteld, temeer omdat in de medische stukken in het dossier niets is opgenomen over de kans op fatale gevolgen van het letsel. Evenmin kan volgens de verdediging worden bewezen dat verdachte een eventuele aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat zware mishandeling, dan wel poging daartoe, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Oordeel van het hof

Het hof acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte verklaart zich weinig te herinneren van die bewuste avond. Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op de avond van 1 september 2024 komen verdachte en zijn partner [naam] thuis van een verjaardag. Op verzoek van aangever [slachtoffer] vindt een videobelgesprek plaats tussen hem en [naam] , het zoontje van [slachtoffer] en [naam] uit hun eerdere relatie. Dit gesprek verloopt goed en na afloop gaat verdachte met [naam] naar boven. Als verdachte weer beneden komt, ontstaat er op een gegeven moment ruzie tussen hem en [naam] over de dynamiek tussen hen en [slachtoffer] . Verdachte grijpt hierbij naar een mes uit de keukenla, maar [naam] drukt de la weer dicht. Verdachte pakt het mes toch, [naam] pakt het af en legt het op het aanrecht. Uiteindelijk pakt verdachte het mes weer en vertrekt ermee in zijn auto. [naam] belt verdachte meerdere malen terwijl hij autorijdt om hem te weerhouden van zijn gang naar [slachtoffer] . [naam] belt haar moeder die op haar beurt ook belt met verdachte. Als zij verdachte zegt dat ze boos zal zijn als hij naar [slachtoffer] gaat, reageert hij met ‘Dan word je maar boos’. Uit locatiegegevens van verdachtes telefoon blijkt dat hij 9 minuten later aankomt bij de woning van [slachtoffer] , na eerst per ongeluk de oprit van [slachtoffer] loods te zijn opgereden. Verdachte rijdt terug en rijdt vervolgens de oprit naar de woning van [slachtoffer] op.

[slachtoffer] ziet verdachte aankomen en loopt naar buiten, zijn oprit op in de richting van de auto. Verdachte rijdt vervolgens met verhoogde snelheid op [slachtoffer] af en zijn auto raakt hem. [slachtoffer] komt op de motorkap terecht en valt vervolgens op de grond. Verdachte stapt uit zijn auto met een mes in zijn hand en begint op de nog op de grond liggende [slachtoffer] in te steken. Eerst in zijn rug en als [slachtoffer] zich omdraait in zijn borst/buik en hoofd. Op een gegeven moment grijpt [slachtoffer] het mes bij het lemmet vast en hij laat niet los, ook niet als verdachte hem stompt. Daardoor stopt verdachte het geweld en zegt: ‘Nou is het klaar’. Vervolgens is verdachte vertrokken. Bij [slachtoffer] zijn uiteindelijk 29 letsels, waaronder 7 steekwonden, en snijwonden in de rechterhand geconstateerd.

Opzet op de dood van [slachtoffer]

Het hof stelt voorop dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van opzet op een bepaald gevolg (in dit geval: de dood van [slachtoffer] ) in ieder geval sprake is als verdachte wist en wilde wat hij deed en daarbij de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of sprake is van een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het moet in ieder geval gaan om een kans die aanmerkelijk is op basis van algemene ervaringsregels. Bij de vraag of verdachte deze kans heeft aanvaard zijn de aard van zijn gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang.

Als verdachte in zijn auto aankomt bij de woning van [slachtoffer] en hem in zijn richting ziet lopen, geeft hij gas bij en rijdt hij op [slachtoffer] in. Hij nadert [slachtoffer] met een zodanige snelheid dat deze de auto niet meer kan ontwijken, op de motorkap van de auto terechtkomt en vervolgens naast de auto op de grond valt. Verdachte stapt uit zijn auto met het mes dat hij heeft meegenomen in de hand en begint op [slachtoffer] , die dan nog op de grond ligt, in te steken. Hij heeft [slachtoffer] eerst geraakt in de rug en daarna in de borstkas, de buik, het gezicht, het hoofd, de kaak, de schouders en armen. Ook is bij [slachtoffer] een scheur-/snij-/steekverwonding met een bloeduitstorting ontstaan aan de linker nier. Uit het aantal geconstateerde letsels leidt het hof af dat verdachte [slachtoffer] kennelijk heeft willen raken waar hij hem maar kon raken en daarbij flinke kracht heeft gebruikt. Het is een feit van algemene bekendheid dat door meermalen te steken in met name het bovenlichaam en het hoofd de aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer aan vitale lichaamsdelen geraakt wordt en daardoor komt te overlijden. Het hof acht aannemelijk dat verdachte dit heeft geweten, nu hiervoor geen contra-indicaties bestaan. De omstandigheid dat de kans op fatale gevolgen, ten gevolge van het toegebrachte letsel, niet in de medische stukken in het dossier is opgenomen, maakt dit niet anders. Nu verdachte heeft gehandeld zoals beschreven, en is doorgegaan met steken en snijden tot het moment waarop [slachtoffer] de macht kreeg over het mes waardoor verdachte gedwongen werd te stoppen met steken, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Hiermee acht het hof verdachtes opzet op de dood van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Voorbedachte raad

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Verder geldt dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Het hof overweegt ten aanzien van de voorbedachte raad als volgt. Zoals hiervoor vastgesteld ontstaat er in de avond van 1 september 2024 ruzie tussen verdachte en zijn partner [naam] over de dynamiek binnen hun samengestelde gezin. Verdachte wordt kwaad en grijpt naar een mes uit de keukenlade. [naam] probeert verdachte tweemaal tegen te houden bij het pakken van het mes. Toch stapt verdachte uiteindelijk met medeneming van het mes in de auto en vertrekt naar [slachtoffer] . Voor vertrek zegt hij tegen [naam] dat hij boos is en naar [plaats] gaat. Het hof merkt dit aan als de eerste uiting van verdachtes plan om [slachtoffer] , die woonachtig is in [plaats] , van het leven te beroven. Dit plan is overigens al eerder in de gedachten van verdachte opgekomen. Op 9 mei 2024 heeft verdachte WhatsApp-berichten gestuurd naar [naam] waarin hij aangeeft dat [slachtoffer] dood moet en dat hij het liefst meteen die kant op gaat en hem doodsteekt. Uit deze WhatsApp berichten leidt het hof af dat verdachte eerder al speelde met de gedachte om [slachtoffer] van het leven te beroven. Dat hij de dag erna naar de huisarts ging om hulp te vragen, doet aan die gedachten niet af.

De autorit van het woonadres van verdachte naar de woning van [slachtoffer] duurt 9 minuten. Tijdens die autorit is verdachte meerdere keren gebeld door zijn partner en eenmaal door zijn schoonmoeder. Beiden geven aan dat verdachte terug moet komen. Schoonmoeder geeft aan dat zij heel boos wordt als verdachte toch gaat. Het hof overweegt dat deze omstandigheden aantonen dat verdachte objectief gezien de tijd en gelegenheid heeft gehad zich te beraden op zijn besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof heeft daarbij gelet op de tijdsduur van de autorit en het aantal interventies om verdachte terug te laten keren.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat bij verdachte sprake was van een plotselinge, hevige emotionele ontregeling en dat hij daardoor niet in staat was de gelegenheid tot beraad te benutten. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat uit verklaringen van [naam] en de schoonmoeder en nicht van verdachte zou blijken dat verdachte zich in een uitzonderlijke psychologische toestand bevond. De telefoongesprekken tijdens de autorit tonen volgens de verdediging geen beeld van bezinning, maar juist van een steeds verder escalerende situatie.

Het hof miskent niet dat verdachte in de aanloop naar en tijdens het incident emotioneel is. Uit het procesdossier blijkt wel dat de relationele spanningen tussen verdachte, [naam] en [slachtoffer] zich bij verdachte in de loop van de tijd opbouwden. Al maandenlang ergerde verdachte zich aan het gedrag van [slachtoffer] . De frustraties daarover bouwden op totdat deze bij hem op 1 september 2024 de al eerder opgekomen gedachte hebben getriggerd om ditmaal daadwerkelijk naar [slachtoffer] te gaan om hem van het leven te beroven. Het zou een einde maken aan het door verdachte gevoelde probleem. Zoals hij bij de politie verklaart als hem naar zijn frustratie gevraagd wordt: “En dan, constant weer, al die aantijgingen, valse beschuldigingen. Het moet een keer ophouden. Het moet ophouden mijn emmer is vol.” . De emotionele toestand van verdachte was echter niet van dien aard dat hij niet in staat was na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte zich ook rekenschap gegeven van zijn voorgenomen handelen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Verdachte wordt boos na het videobelgesprek tussen [slachtoffer] en diens zoon [naam] . Er volgt ruzie met zijn vriendin [naam] en verdachte wil een mes pakken uit de keukenlade. [naam] duwt de lade dicht maar verdachte opent deze opnieuw en pakt het mes alsnog. [naam] pakt het mes uit handen van de verdachte en legt het op het aanrecht waarna verdachte het opnieuw pakt. Ondertussen praten verdachte en [naam] tegen elkaar. Verdachte verkeert op dat moment niet in een waas van woede gelijk aan de hevige emotionele ontregeling die de verdediging schetst en waardoor verdachte niet meer zou kunnen nadenken. Ook daarna is dit naar het oordeel van het hof niet zo. Tijdens de autorit naar [plaats] neemt verdachte meermalen de telefoon op en communiceert coherent. [naam] verklaart bij de politie dat verdachte aan de telefoon erg overstuur klonk en schreeuwde, maar wel aangaf dat hij naar [plaats] ging. Later – als zijn schoonmoeder hem opbelt in de auto en aangeeft heel boos te worden als hij naar [plaats] gaat – reageert verdachte met de woorden ‘Dan word je maar boos’. Verdachte was bereid en in staat tot contact en heeft op adequate wijze gereageerd op mensen die hem tot bedaren wilden brengen. Dat de nicht van verdachte heeft verklaard dat hij na afloop van het incident erg wanhopig klonk aan de telefoon, doet naar het oordeel van het hof niet ter zake. Immers, de emotionele toestand van verdachte na afloop van het incident zegt niets over een eventuele emotionele ontregeling in relatie tot voorbedachte raad voorafgaand en ten tijde van het incident. Ook overweegt het hof dat verdachte – eenmaal in [plaats] aangekomen – zichzelf corrigeert als hij richting de woning van [slachtoffer] eerst een verkeerde inrit neemt naast het huis van [slachtoffer] . Verdachte keert en rijdt de juiste oprit op. Ook hieruit blijkt dat hij niet in een waas van woede verkeerde die maakte dat hij niet zou kunnen nadenken over zijn handelen. Dat de emotionele toestand van verdachte niet een zodanige invloed heeft gehad op zijn handelen dat hij niet meer in staat zou zijn tot beraad, leidt het hof tenslotte mede af uit het hem betreffende Pro Justitia-rapport van 9 februari 2026. Hierin wordt door de psychiater geconcludeerd dat het feit verdachte verminderd is toe te rekenen. Ergo, verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde nog wel in staat zich rekenschap te geven van zijn voorgenomen handelen. Andere contra-indicaties voor het bestaan van voorbedachte raad zijn het hof niet gebleken.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen opzettelijk, maar ook met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Al met al acht het hof de primair ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. De door verdachte op de zitting van de rechtbank van 13 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Er is in de jaren dat ik een relatie heb met [naam] [het hof begrijpt: [naam] ] slechts sporadisch contact geweest tussen mij en [slachtoffer] . Nadat op 1 september 2024 het videobelgesprek had plaatsgevonden en ik van boven in de woning weer naar beneden was gegaan, was ik heel boos. Ik kan me herinneren dat ik met [naam] een woordenwisseling heb gehad over [slachtoffer] . Ik heb iets gezegd in de trant van dat [naam] eerder de keuze van [slachtoffer] aanneemt dan die van mij. Ik ben toen wel boos geworden. Uit de keukenla heb ik een mes gepakt. Ik heb toen tegen [naam] geroepen dat ik wegging. Zij ging voor mij staan en probeerde mij tegen te houden. Ze zei dat ik ‘hier’ (het hof begrijpt: thuis) moest blijven. Ik ben toen vanaf mijn toenmalige adres, [adres] , met mijn auto naar de woning van [slachtoffer] in [plaats] gereden. Het klopt dat ik tijdens de rit heb gebeld met [naam] en met mijn schoonmoeder. Ik ben de oprit van het huis van [slachtoffer] opgereden en ik kan me herinneren dat ik eerst te ver was doorgereden. Ik reed terug en sloeg af naar de oprit van [slachtoffer] . Toen ik ter plaatse kwam, zag ik dat [slachtoffer] buiten stond. Ik ben naar hem toegereden. Het kan zijn dat ik hem heb geraakt met de auto. Wat ik me herinner is dat hij op de grond lag en dat ik op hem zat. Hij lag op zijn rug en ik zat bovenop hem met mijn knieën langs zijn lichaam. Ik zat schrijlings op hem. Op dat moment had ik het heft en hij het lemmet van het mes in handen. Ik zag allemaal bloed. U houdt mij voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat ik voordat ik wegging heb gezegd: “Nou is het klaar.” Dat klopt, ik heb inderdaad zoiets gezegd. Ik heb toen gedacht: er is iets vreselijks gebeurd en ik raak alles kwijt. Ik heb niet gebeld met 112. Het klopt dat ik geen hulp heb ingeschakeld voor [slachtoffer] . Ik heb gedacht: ik ben alles kwijt. Ik ben snel in de auto gestapt. Ik ben toen vanuit [plaats] naar [plaats] gereden en heb met verschillende personen gebeld. Het klopt dat ik in de auto gebeld heb met [naam] en heb gezegd dat er iets heel ergs was gebeurd en haar heb gevraagd mij op te halen. Het klopt ook dat ik gebeld heb met mijn schoonvader, [naam] . Met [naam] had ik afgesproken dat ze me zou ophalen. Ik had met haar afgesproken op de P&R in [plaats] . U houdt mij voor dat mijn schoonvader heeft verklaard dat ik in het gesprek met hem had aangegeven dat ik [slachtoffer] te grazen heb genomen. Dat kan ik me niet herinneren. Ik ben niet op de parkeerplaats in [plaats] gebleven. Ik hoorde helikopters, politiehonden. Iedereen was op zoek naar mij. Ik heb mij eerst verstopt ergens in de bossen. Daarna ben ik naar [plaats] gelopen en heb daar contant geld gepind. Later heb ik mijn telefoon uitgezet omdat ik niet gevonden wilde worden. Ik wilde niet de gevangenis in. Het klopt dat in mijn telefoon een WhatsAppgesprek tussen [naam] en mij van 9 mei 2024 is aangetroffen. De berichten waar mijn naam bij staat, zijn door mij verstuurd. Het klopt dus ook dat ik tijdens dat gesprek een mes heb vastgepakt, daarvan een foto heb gemaakt en de foto naar [naam] heb verstuurd. Tijdens dit gesprek was ik mijzelf uit onzekerheid aan het opfokken, omdat ik voor niemand iets goed doe. Ik was tijdens dit gesprek beneden in onze woning, terwijl [naam] boven in bed lag.

2. De door verdachte op de zitting van het hof van 30 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

U houdt mij voor dat [naam] op 1 september 2024 bij de politie heeft verklaard dat ik een mes uit een la pakte, dat zij de la weer dichtdrukte en dat ik het mes toen weer pakte. En dat [naam] het mes toen van mij afpakte en weglegde, maar dat ik het weer pakte en toen vertrok. U vraagt mij of [naam] dit verzonnen zou hebben. Nee, ik ken haar goed genoeg en zij zou geen dingen verzinnen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte (met bijlage) d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024238975 (onderzoek KREEFT / NN3R024075) d.d. 12 november 2024, inhoudend de verklaring van [verdachte] :

V: Wat heb je in de auto onderweg naar [plaats] gedaan?

A: [naam] (het hof begrijpt: [naam] ) belde mij constant en dat het beter was om terug te komen. Hier komt alleen maar gedoe van.

V: Waar heb je hem [het hof begrijpt: aangever [slachtoffer] ] geraakt met de auto?

A: De voorzijde van de auto aan de bestuurderszijde. Lamp en motorkap.

V: Wat gebeurde er met [slachtoffer] toen je hem raakte?

A: Die viel op de grond.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte (met bijlagen) d.d. 3 september 2024, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [verdachte] :

A: Ik reed niet vol gas op hem af maar ik reed wel harder om naar hem toe te gaan.

A: Van hem uit zijn er heel veel treiterijen geweest naar ons toe. En dan constant weer, al die aantijgingen, valse beschuldigen. Het moet een keer ophouden. Het moet ophouden mijn emmer is vol.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] :

Plaats delict: [adres] [plaats] , gemeente [gemeente] .

Gisteren (het hof begrijpt: 1 september 2024 ) rond de middag stuurde ik een berichtje naar [naam] (het hof begrijpt: [naam] ) of ik nog even met [naam] kon bellen. Ze belden mij die avond rond 20.00 uur. Het gesprek was gewoon prima en ook [naam] kletste af en toe tussendoor. Op het moment dat de auto voor mijn woning langs reed, zag ik dat [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] , verdachte) achter het stuur zat. Ik ben naar buiten gegaan en toen ik ongeveer 3 meter vanaf mijn overkapping stond, zag ik dat de auto op mijn oprit draaide ter hoogte van de loods. Ik zag dat het voertuig zo gedraaid werd zodat het met de voorkant in mijn richting kwam te staan. Ik liep in de richting van de auto en zag dat het voertuig (het hof begrijpt: de bestuurder van het voertuig, verdachte) opeens vol gas gaf en dat het voertuig op mij af kwam. Ik wilde nog aan de kant stappen maar daar was de tijd al niet meer voor. De auto raakte mij met de voorzijde ter hoogte van mijn buik waardoor ik op de motorkap terecht kwam. Hierna kwam ik aan de bestuurderskant op de grond terecht op mijn zij. Direct hierna zag ik dat hij uitstapte met een mes in zijn rechterhand en zag en voelde ik dat hij mij meerdere malen in mijn rug stak met het mes. Ik denk dat hij mij 2 à 3 keer in mijn rug stak. Ik lag toen nog op de grond naast de auto maar probeerde op te staan. Dit lukte niet goed door de pijn die ik voelde. Ik draaide me om en wilde naar het mes grijpen om het steken te stoppen maar dit lukte niet. Hierna stak hij mij meerdere malen op mijn borst en op mijn hoofd waarvan 1 messteek in mijn mond terecht kwam. Deze raakte mijn lip en kwam er aan de onderzijde van mijn kin weer uit. Ik heb ook verwondingen aan de bovenzijde van mijn hoofd maar ik kan u niet vertellen hoe dat gekomen is. Op een gegeven moment kreeg ik het mes te pakken waarop hij mij nog een paar keer stompte om het mes weer terug te krijgen. Ik liet het mes niet los waarna hij opgaf, instapte en weer weg reed. Na de steekpartij heb ik [verdachte] alleen horen zeggen: “Nou is het klaar”.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Omstreeks 20:33 uur was ik ter plaatse (het hof begrijpt: op 1 september 2024) en zag ik circa anderhalve meter voor de openstaande voordeur van een woning een man (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer] ) hevig bloedend op de grond liggen. Ik zag dat naast de man op circa 50 centimeter afstand een groot bebloed vleesmes lag met een lemmet van circa 30 centimeter en een zwart handvat. Ik zag 7 à 8 vermoedelijk steekwonden over het lichaam van de man op de zij, rug, schouder en nabij de hals. Tevens zag ik dat de man een fikse hoofdwond had waaruit het bloed gulpte. Ik heb eerste hulp verleend aan de man door een tweetal steekwonden dicht te drukken in afwachting van de ambulance en MMT.

7. Een schriftelijk bescheid, te weten een letselrapportage van GGD Drenthe d.d. 3 januari 2025, opgesteld door forensisch arts [naam] , opgenomen in aanvulling op voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Datum onderzoek: 2 september 2024

Betrokkene: [slachtoffer]

Samenvatting medische informatie

Op de spoedeisende hulp werden 7 (steek)wonden geconstateerd in de borstkas, buik en aangezicht. Er werd 1 wond op het hoofd geconstateerd. Er werd een wond rechts aan de kaak geconstateerd waarbij er een doorkijk was tot in de mond, deze wond werd gehecht door de mond/kaakchirurg. Op de borstkas werden 3 verwondingen bij de rechterschouder en 2 verwondingen links onder in de flank/rugzijde geconstateerd. Aan de linker bovenarm werd een wond geconstateerd. Aan de rechterhand werden twee snijwonden geconstateerd. Op de CT-scan van het gehele lichaam werd een scheur/snij/steekverwonding met een bloeduitstorting aan de linker nier geconstateerd.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 september 2024, opgenomen op pagina 220 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam] :

A: Hij (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ) wilde een luier pakken en dat lukte niet, hij trok die luier net wat harder eruit en toen sloeg de stemming compleet om. Hij zei dat ik voor [slachtoffer] koos.

Hierna ging [verdachte] opeens weg. Ik liep naar de voordeur maar toen zag ik dat de auto ook al draaide en vervolgens wegreed. Ik heb [verdachte] toen gebeld. Hij nam op maar dit was een heel vervelend gesprek. Hij was overstuur en schreeuwde alleen maar. Hij zei nog wel dat hij naar [plaats] ging.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant H.J. [verbalisant] :

Op 1 september 2024 sprak ik, verbalisant [verbalisant] , met [naam] . [naam] vertelde mij het volgende:

Ik weet niet zo goed wat hem (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ) heeft getriggerd. We stonden op den duur in de keuken en hij greep in de la naar een mes. Ik drukte de la dicht, maar zijn hand zat er nog tussen. Vervolgens pakte hij alsnog een groot keukenmes uit de la. Ik pakte dit weer van hem af en legde het op het aanrecht. Ik zag dat [verdachte] dit mes alsnog oppakte en naar buiten liep en in de Volvo vertrok. Voor hij vertrok zei hij dat hij boos was en dat hij naar [plaats] ging.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 september 2024, opgenomen op pagina 285 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam] :

U wordt op zondag 1 september 2024, omstreeks 20.30 uur, door [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ) gebeld. Wat kunt u daarover verklaren?

Ik hoorde dat hij zei "Ik ben naar [plaats] gereden en ik heb hem [het hof begrijpt: aangever [slachtoffer] ] te grazen genomen." Voor dit gesprek had [naam] (het hof begrijpt: [naam] ) met haar moeder gebeld. Het gesprek: “Je moet direct komen, want [verdachte] gaat naar [plaats] ”. Mijn vrouw is toen gelijk naar [naam] gereden. In de auto heeft mijn vrouw nog gebeld met [verdachte] . Zij kreeg hem toen aan de telefoon. Zij probeerde hem er nog van te weerhouden om naar [plaats] te gaan. Ze zei tegen [verdachte] ‘Als je gaat dan word ik heel boos, je moet nu terugkomen’. Hij zei ‘Dan word je maar boos'. Hij hing vervolgens op.

11. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport “Psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende de heer [verdachte] ” van 9 februari 2026, opgesteld door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus, voor zover inhoudende de verklaring van voornoemde deskundige:

Er is bij onderzochte sprake van een aanpassingsstoornis. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde hetgeen hem ten laste wordt gelegd, indien bewezen. Er is wel voldoende informatie om tot het advies te komen om het hem ten laste gelegde, indien bewezen, verminderd toe te rekenen.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2024, opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik deed onderzoek naar locatiegegevens in de telefoon van de verdachte (het hof begrijpt: [verdachte] ). Op de Eufy camerabeelden van de woning van de verdachte valt te zien dat verdachte in zijn auto stapt op 1-9-2025 [het hof begrijpt: 2024], om 20:09:25 uur.

20:09:27: De telefoon van de verdachte is aan het adres: [adres] .

20:16:15: De telefoon van de verdachte verplaatst zich over [adres] [plaats] , op

weg naar de plaats delict.

20:17:58: De telefoon van verdachte passeert om 20:17:58 de woning van het slachtoffer.

20:18:02: De telefoon van verdachte verplaatst zich om 20:18:02, richting de loods

( [adres] ).

20:18:05: De telefoon van verdachte verplaatst zich enige tijd niet tot nauwelijks op deze

locatie.

20:18:33: De telefoon van verdachte komt om 20:18:33 weer in beweging en nadert de

woning van het slachtoffer, aan [adres] .

20:18:34: De telefoon van verdachte lijkt de woning van het slachtoffer, [adres] ,

te benaderen via de oprit, zoals de aangever verklaarde.

20:18:35: De telefoon van verdachte komt aan op de plaats delict, [adres]

.

20:18:40: De locatie van de telefoon van de verdachte [verdachte] komt iets terug het terrein

op, bij de woning vandaan en blijft op deze exacte coördinaten staan tot 20:19:15.

20:19:50: De telefoon van verdachte [verdachte] komt om 20:19:50 weer in beweging en

verlaat hierna de plaats delict.

13. Een naar wettelijk voorschrift opgenomen proces-verbaal van bevindingen (met bijlage) d.d. 12 september 2024, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :

WhatsApp-communicatie tussen de volgende gebruikers: [naam] . [verdachte] .

[verdachte] 9-5-2024 22:50: Doe eens tegen [slachtoffer] (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer] )

[verdachte] 9-5-2024 22:51: Hij kan alles maken

[verdachte] 9-5-2024 22:53: Waarom durf je niet tegen die kanker hond in te gaan

[verdachte] 9-5-2024 22:57: Tegen mij durf je alles te zeggen

[verdachte] 9-5-2024 22:58: Maar niet als het er op aan komt tegen die kanker kneus

[verdachte] 9-5-2024 22:58: Dat maakt mij zo kwaad

[verdachte] 9-5-2024 22:59: Ik wil

[verdachte] 9-5-2024 22:59: Het liefst

[verdachte] 9-5-2024 22:59: Nu

[verdachte] 9-5-2024 22:59: Die kant op

[verdachte] 9-5-2024 22:59: En hem dood steken

[verdachte] 9-5-2024 22:59: Mag dat van jou

[verdachte] 9-5-2024 22:59: En anders laat ik iemand heen gaan

[verdachte] 9-5-2024 22:59: Want ik wil

[verdachte] 9-5-2024 23:00: Dat hij geen partij meer is in ons leven

[verdachte] 9-5-2024 23:00: Hij moet dood

[verdachte] 9-5-2024 23:00: Zsm

[verdachte] 9-5-2024 23:00: Gaat gebeuren

[verdachte] 9-5-2024 23:00: <afbeelding>

<afbeelding>

[verdachte] 9-5-2024 23:01: Steek hem naar de kanker

[verdachte] 9-5-2024 23:01: Of wil je dat ik het laat doen

[verdachte] 9-5-2024 23:01: Wat heb je het liefst

[verdachte] 9-5-2024 23:03 tot en met 23:04: WT wil je. Mag hij dood. Ja of nee. Zeg het. Mag

hij dood. Ja of nee. Wat wil je het liefst. Wil je graag dat hij leeft. En z'n stempel kan

drukken. Op ons leven. Of mag ik of iemand anders hem vermoorden. Zeg het dan. Groot

bek. Nu. Zeggen.

De details laten ons zien dat de foto van het mes, op 9 mei 2024, 23:00:52 via WhatsApp aan [naam] werd gestuurd vanaf de telefoon van de verdachte [verdachte] .

Overeenkomsten

Het door de verdachte [verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte] ] getoonde mes op de

WhatsApp foto, evenals details van het keukenblok en de keukenvloer vertonen sterke

gelijkenissen. Het lijkt erop dat deze WhatsApp-foto met daarop het getoonde mes, door de

verdachte [verdachte] in de keuken van de woning [adres] werd gemaakt.

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal FO Verkeer d.d. 18 september 2024, opgenomen in aanvulling op voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 9 september 2024 kreeg ik, verbalisant [verbalisant] , het verzoek te gaan naar bergingsbedrijf [naam] te [plaats] , [adres] . Op deze locatie was een inbeslaggenomen voertuig, voorzien van het kenteken [kenteken] (het hof begrijpt: de auto die verdachte op 1 september 2024 heeft bestuurd), vervoerd, naar aanleiding van een steekincident, plaatsgevonden op 1 september 2024 te [plaats] . Aan het steekincident zou mogelijk een aanrijding vooraf zijn gegaan. Ik heb het voertuig onderzocht. Hierbij was de onderzoeksvraag of vastgesteld kon worden of het voertuig daadwerkelijk betrokken was geweest bij een aanrijding.

Interpretatie sporen

Gelet op de positie en het verloop van de aangetroffen veegsporen op de linkerzijde van de

motorkap en het linker voorspatbord en de aangetroffen schade aan de linkerzijde van de

voorruit en de grille, is het niet onwaarschijnlijk dat deze sporen zijn ontstaan tijdens een

botsing met een persoon. De persoon zal hierbij geraakt zijn door de linker voorzijde van de

Volvo (het hof begrijpt: de auto die verdachte bestuurde) en daarbij in contact zijn gekomen met de motorkap, het linker voorspatbord en mogelijk de voorruit.

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (met fotoblad) d.d. 11 september 2024, opgenomen op pagina 396 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 5 september 2024 was ik, verbalisant [verbalisant] , bezig met het schrijven van het proces­ verbaal van de doorzoeking van [adres] . Hierbij had ik een foto voor mij van het mes van het merk "Fissler" wat aangetroffen was op de plaats delict. Op enig moment liep ik, verbalisant [verbalisant] , langs en zag ik de foto van het mes. Ik, verbalisant [verbalisant] , herkende het mes als het koksmes van een spaaractie van de supermarktketen “Jumbo”. Via Google zochten wij deze spaaractie op en vonden we actieformulier met daarop afgebeeld de verschillende producten waarvoor gespaard kon worden. Ik, verbalisant [verbalisant] , herkende het broodmes, santokumes groot, santokumes klein, schilmes, schaar van de spaaractie als de goederen welke aangetroffen en inbeslaggenomen waren tijdens de doorzoeking op 4 september 2024 aan [adres] .

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

primair
hij op 1 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven te beroven,

- met een personenauto met verhoogde snelheid op die [slachtoffer] is ingereden en

- meermalen met een mes heeft gestoken/gesneden in de rug en hals/nek en kin en elders in het lichaam van [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

poging tot moord.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer] , de ex-partner van zijn vriendin. Verdachte is, ondanks meerdere pogingen van familieleden om hem te weerhouden om naar [plaats] te gaan, toch met medeneming van een mes naar de woning van [slachtoffer] gereden met de intentie om [slachtoffer] van het leven te beroven. De gedachte om dit te doen heeft in ieder geval op 9 mei 2024 al in het hoofd van verdachte gespeeld. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft verdachte zijn onderliggende probleem met de dynamiek binnen het samengestelde gezin eigenhandig en op een volstrekt onjuiste manier willen oplossen.

Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat het bij een poging tot moord is gebleven. Zelf vertrok hij na het geweldsincident zonder hulp in te schakelen voor [slachtoffer] . Verdachte liet [slachtoffer] bloedend aan zijn lot over. Verdachte mag van geluk spreken dat [slachtoffer] zichzelf in voldoende mate kon verdedigen en zelf op tijd hulp kon inschakelen, waardoor hij nu nog leeft. Hij zal echter wel moeten leven met wat verdachte hem lichamelijk en geestelijk heeft aangedaan.

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 1 september 2026. Hieruit komen een aantal oudere onherroepelijke veroordelingen naar voren. Deze hebben niet in strafverhogende zin meegewerkt bij de strafoplegging. Het hof houdt voorts rekening met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dit kader heeft het hof kennisgenomen van een verdachte betreffend Pro Justitia-rapport van 9 februari 2026. De psychiater die dit rapport opstelde concludeert dat bij verdachte sprake is van een aanpassingsstoornis. Er was in het jaar voorafgaande aan het bewezenverklaarde bij verdachte sprake van een toenemende disbalans tussen draagkracht en draaglast. Er was op het gebied van de draaglast veel stress met betrekking tot werk en financiën, er speelde een grote rechtszaak, er was gezinsuitbreiding, er was sprake van problemen in het netwerk en problemen met aangever [slachtoffer] . Op het gebied van de draagkracht was er sprake van moeite met het adequaat uiten van emoties (opkroppen), moeite met assertiviteit, een beperkt werkgeheugen met vooral vastlopen bij verhoogde stress, tijdsdruk of complexe informatieverwerking met daardoor kans op impulsiviteit. Het lang aanhouden van stress gecombineerd met toenemende (opgekropte) woede kan op termijn leiden tot destructief gedrag. De psychiater concludeert dat deze aanpassingsstoornis ook aanwezig was tijdens het ten laste gelegde en invloed heeft gehad op gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Hij adviseert dan ook om verdachte het bewezenverklaarde verminderd toe te rekenen. Zonder behandeling blijven volgens de psychiater de risicofactoren die van belang zijn in het bewezenverklaarde onveranderd. Een behandeling en begeleiding is noodzakelijk om de kans op herhaling van het bewezenverklaarde duurzaam te verlagen. Het hof kan instemmen met de bevindingen en neemt het advies over. Voor het bewezenverklaarde acht het hof verdachte dan ook verminderd toerekeningsvatbaar. Dit werkt door in de op te leggen straf.

Verder heeft het hof kennisgenomen van een verdachte betreffend reclasseringsrapport van 12 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis door de rechtbank is gestart met een behandeling bij [instelling] . Hier volgde hij verschillende therapieën en had hij wekelijks gesprekken. De reclassering schrijft dat verdachte graag wilde werken aan zijn emotieregulatie en omgang met stress op andere manieren. Op de zitting van het hof heeft verdachte verklaard zijn behandeling bij [instelling] graag te willen hervatten.

Het hof overweegt dat bij feiten als het onderhavige, vanwege hun aard en ernst en het gevoel van maatschappelijke angst en onveiligheid die zij teweegbrengen, alleen het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof wil met de strafoplegging dan ook uiting geven aan de strafdoelen vergelding en algemene preventie (afschrikking). Het hof acht het van belang een sterk signaal af te geven dat eigenrichting in geen geval de juiste oplossing is en niet onbestraft dient te blijven. In dat kader acht het hof de straf die de rechtbank heeft opgelegd dan ook niet onbegrijpelijk. Echter, het hof zal in zijn strafoplegging meer gewicht toekennen aan de conclusie van het Pro Justitia-rapport dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen is.

Alles afwegende acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De advocaat-generaal heeft naast een gevangenisstraf ook oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) gevorderd. Naar het oordeel van het hof is het niet noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen om deze verstrekkende maatregel op te leggen.

Wel acht het hof het van belang dat verdachte aan het einde van zijn detentie de hulpverlening krijgt die hij volgens de reclassering nodig heeft en zelf ook graag wil ontvangen. Daarom zal het hof adviseren dat aan de eventueel aan verdachte te verlenen voorwaardelijke invrijheidstelling ambulante behandeling bij [instelling] als bijzondere voorwaarde wordt verbonden. Met dit advies besteedt het hof ook aandacht aan speciale preventie als strafdoel.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.715,69 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De vordering is ook in hoger beroep aan de orde.

Op de zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Ten aanzien van de materiële schade, te weten € 1.965,69 voor kleding, medische kosten en kosten voor een beveiligingsinstallatie, gaat het hof uit van de kosten zoals de benadeelde partij deze heeft gevorderd. De kosten zijn met facturen onderbouwd en inhoudelijk niet betwist.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder meer een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of in zijn persoon is aangetast. Het verzoek tot schadevergoeding is onderbouwd met een letselschaderapport, medische stukken en verklaringen van de bedrijfsarts van de benadeelde partij. Hieruit blijkt dat verdachte als gevolg van het steekincident onder andere de volgende verwondingen opliep:

  • 7 (steek)wonden in de borstkas, buik en aangezicht;

  • een wond op het hoofd;

  • een wond rechts aan de kaak, waarbij er doorkijk was tot in de mond;

  • 3 verwondingen bij de rechter schouder;

  • 2 verwondingen links onder in de flank/rugzijde;

  • een wond aan de linker bovenarm;

  • 2 snijwonden aan de rechterhand;

  • een scheur-/snij-/steekverwonding met een bloeduitstorting aan de linker nier.

Meerdere van deze verwondingen moesten worden gehecht. De benadeelde partij heeft nog langere tijd last gehad van littekens en rugklachten. Hij heeft behandeling gehad bij een fysiotherapeut. Als gevolg van zijn rugklachten kan de benadeelde partij nog steeds niet volledig werken. Verder kampt de benadeelde partij met posttraumatische klachten en ervaart hij slaapproblemen sinds het incident. Zijn bedrijfsarts heeft hem geadviseerd deze klachten te verhelpen door middel van EMDR-therapie bij een psycholoog. Voor een succesvolle behandeling dient eerst de strafzaak te zijn afgerond.

Het hof leidt uit voorgaande af dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en in zijn persoon is aangetast, zodat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW in aanmerking komt voor schadevergoeding.


Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op een bedrag van € 18.750,00, waarbij is gelet op de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde. Het hof heeft zich daarbij ook gebaseerd op wat rechters in min of meer vergelijkbare zaken aan schadevergoeding opleggen en op bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend.

Verdachte moet de schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f, 45, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Met betrekking tot de wijze waarop deze straf zal worden ten uitvoer gelegd adviseert het hof dat aan de eventueel aan verdachte te verlenen voorwaardelijke invrijheidstelling de bijzondere voorwaarde wordt verbonden dat de verdachte zich laat behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte werkt mee aan aanvullende diagnostiek. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.715,69 (twintigduizend zevenhonderdvijftien euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 1.965,69 (duizend negenhonderdvijfenzestig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 18.750,00 (achttienduizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.715,69 (twintigduizend zevenhonderdvijftien euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 1.965,69 (duizend negenhonderdvijfenzestig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 18.750,00 (achttienduizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 127 (honderdzevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 september 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. H.J. Deuring en mr. H.K. Elzinga in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 oktober 2026.

Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049. Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963.