Strafrecht overig
Asbestverwijdering door niet gecertificeerd bedrijf en zonder inventarisatierapport. Onderhoud aan…
Gerechtshof Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3105 · Gerechtshof Den Haag · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3105
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-003897-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3105
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asbestverwijdering door niet gecertificeerd bedrijf en zonder inventarisatierapport. Onderhoud aan leidingentunnel. Uit vooronderzoek kwamen geen aanwijzingen dat bij de bouw gebruik zou zijn gemaakt van asbest. Naar aanleiding van het aantreffen van “verdacht materiaal” vond in de tunnel een overleg plaats, waarbij door een van de aanwezigen werd gesuggereerd dat sprake zou kunnen zijn van asbesthoudend materiaal. Verdachte, de projectmanager, was bij dit overleg niet aanwezig. Hij kreeg wel te horen dat “verdacht materiaal” was gevonden, maar niet kan worden vastgesteld dat hem is gemeld dat sprake zou zijn van asbesthoudend materiaal. Geen feit van algemene bekendheid dat zich in redelijkheid in een bouwwerk als het onderhavige asbest zou kunnen bevinden. Vrijspraak.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 6 november 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:11219Gerechtshof Den Haag · 21 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:3105
Uitspraak
Rolnummer: 22-003897-24
Parketnummer: 83-064216-22
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[VERDACHTE],
geboren te [plaats] op [dag] 1977,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Daarnaast zijn beslissingen gegeven omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, zoals in het vonnis nader omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1
[geen asbestinventarisatierapport]
de rechtspersoon [rechtspersoon] in of omstreeks de
periode van 7 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Rhoon, gemeente
Albrandswaard en/of Roosendaal, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
opzettelijk,
meermalen, althans eenmaal,
als degene die asbest en/of (een) asbesthoudend(e) product(en), te weten
asbestkoord en/of kit, uit een bouwwerk, te weten een leidingentunnel gelegen
aan de [locatie]aldaar, deed verwijderen,
met betrekking tot genoemd bouwwerk niet beschikte over een
asbestinventarisatierapport,
tot welk strafbaar feit verdachte, al dan niet tezamen met die ander(en), althans
alleen, opdracht heeft gegeven dan wel aan welke verboden gedraging verdachte,
al dan niet tezamen met die ander (en), althans alleen, feitelijke leiding heeft
gegeven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 7 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te
Rhoon, gemeente Albrandswaard en/of Roosendaal, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
opzettelijk,
meermalen, althans eenmaal,
als degene die asbest en/of (een) asbesthoudend(e) product(en), te weten
asbestkoord en/of kit, uit een bouwwerk, te weten een leidingentunnel gelegen
aan de [locatie]aldaar, deed verwijderen,
met betrekking tot genoemd bouwwerk niet beschikte over een
asbestinventarisatierapport;
2
[werkzaamheden zonder gecertificeerd te zijn]
de rechtspersoon [rechtspersoon] in of omstreeks de
periode van 7 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Rhoon, gemeente
Albrandswaard, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
opzettelijk,
meermalen, althans eenmaal,
het verwijderen van asbest en/of asbesthoudende producten uit een bouwwerk, te
weten een leidingentunnel, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in
risicoklasse 2 en/of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidelijk 4.53a van het
Arbeidsomstandighedenbesluit,
niet heeft laten verrichten door een bedrijf dat in het bezit was van een certificaat
als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit,
terwijl de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 en/of 3 als
bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk 4.53a van het
Arbeidsomstandighedenbesluit,
tot welk strafbaar feit verdachte, al dan niet tezamen met die ander(en), althans
alleen, opdracht heeft gegeven dan wel aan welke verboden gedraging verdachte,
al dan niet tezamen met die ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft
gegeven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 7 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te
Rhoon, gemeente Albrandswaard, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
opzettelijk,
meermalen, althans eenmaal,
het verwijderen van asbest en/of asbesthoudende producten uit een bouwwerk, te
weten een leidingentunnel, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in
risicoklasse 2 en/of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidelijk 4.53a van het
Arbeidsomstandighedenbesluit,
niet heeft laten verrichten door een bedrijf dat in het bezit was van een certificaat
als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit,
terwijl de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 en/of 3 als
bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk 4.53a van het
Arbeidsomstandighedenbesluit;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd.
Daarbij overweegt het hof als volgt.
De vraag die voorligt is of de verdachte kan worden aangemerkt als opdrachtgever van of feitelijk leidinggever aan de door de rechtspersoon [rechtspersoon], zijn toenmalige werkgever, (medegepleegde) verboden gedraging, te weten het opzettelijk doen verwijderen van asbest en/of (een) asbesthoudend(e) product(en) uit
een leidingentunnel gelegen aan de [locatie] te Rhoon zonder dat deze rechtspersoon beschikte over een asbestinventarisatierapport en/of die werkzaamheden niet heeft laten verrichten door een bedrijf dat in het bezit was van een certificaat
als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zoals onder 1 primair respectievelijk 2 primair is tenlastegelegd, dan wel of de verdachte die feiten als (mede)pleger opzettelijk heeft begaan, zoals hem telkens subsidiair is tenlastegelegd.
In feitelijke leidinggeven in de zin van de tenlastelegging ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens, dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen.
Daarvoor moet in de onderhavige geval uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting allereerst kunnen worden afgeleid dat de verdachte, die als projectleider bij [RECHTSPERSOON] betrokken was bij de uitvoering van het werk, wist (of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard) dat asbest aanwezig was in de naden tussen de damwanddelen van de leidingentunnel waaraan werkzaamheden in de tenlastegelegde periode werden uitgevoerd. Dat geldt eveneens voor het subsidiair tenlastegelegde (mede)plegen.
Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Daarbij neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.
Uit het dossier volgt dat in 2015 is geconstateerd dat de damwandsloten van de onderwerpelijke leidingentunnel van [RECHTSPERSOON] gecorrodeerd waren en dat deze lekkages vertoonden. De verdachte was als projectleider van [RECHTSPERSOON] bij het project met betrekking tot het onderhoud van de leidingentunnel betrokken. Om het werk te kunnen realiseren heeft [RECHTSPERSOON] het ingenieursbureau [naam bureau]] ingeschakeld. Het aannemersbedrijf [aannemer] (hierna: [aannemer]) kreeg de opdracht om onderhoudswerkzaamheden te verrichten, onder andere bestaande uit het stralen en lassen van de damwandsloten en het afwerken van de damwandnaden. De laswerkzaamheden werden uitgevoerd door [aannemer 2]. Op 3 oktober 2016 werd begonnen met de werkzaamheden en op 6 oktober 2016 werd door medewerkers van [aannemer] geconstateerd dat er in de naden tussen de damwanddelen een onbekend materiaal zat.
Op 7 oktober 2016 vond in de tunnel een bespreking plaats over de wijziging van de aanpak
die gelet op deze constateringen nodig bleek. Daarbij was namens [RECHTSPERSOON]
[getuige 1] aanwezig. [getuige 1] heeft verklaard dat hij aan de verdachte, die zelf niet bij die bespreking aanwezig kon zijn, heeft gemeld dat er in die bespreking werd gezegd dat er een stukje verdacht materiaal was gevonden.
Ook is tijdens bedoelde bespreking in de tunnel door [getuige 2], lasser bij onderaannemer [aannemer 2], gemeld dat hij asbestverdacht materiaal had aangetroffen achter het onbekende, niet te stralen materiaal, hetgeen hij blijkens zijn tegenover de politie afgelegde verklaring heeft verteld aan de mensen die daarbij aanwezig waren. Echter, uit het dossier volgt niet dat die mededeling van [getuige 2] waarin deze het woord ‘asbest’ gebruikte, ook de verdachte in de tenlastelegde periode heeft bereikt.
Door onder andere [getuige 2], die in de veronderstelling verkeerde dat dat al eerder was gedaan, is op 21 oktober 2016 toen hij voor het eerst na de bijeenkomst van 7 oktober 2016 weer in de tunnel was, een monster genomen van het onbekende materiaal, welk monster is geanalyseerd. Uit analyse d.d. 24 oktober 2016 bleek het monster asbest te bevatten.
Het hof overweegt dat de enkele omstandigheid dat de verdachte van [getuige 1] had vernomen dat er een stukje verdacht materiaal was aangetroffen voor de verdachte op dat moment geen aanleiding behoefde te zijn om uit hoofde van zijn functie als projectmanager een asbestinventarisatierapport aan te vragen of te laten aanvragen, omdat die mededeling voor de verdachte niet de redelijke verwachting behoefde te wekken dat in de leidingentunnel asbest of een asbesthoudend product was toegepast.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte, die als projectmanager en contactpersoon namens [RECHTSPERSOON] voor de uitvoerende (onder)aannemers op afstand van de fysieke werkzaamheden zijn taken vervulde, geen specialistische kennis over de eigenschappen van - en het werken met asbesthoudend materiaal bezat.
Verder neemt het hof in aanmerking dat de werkgever van de verdachte, [RECHTSPERSOON], naar de verdachte wist, voorafgaande aan de werkzaamheden -in het aanbestedingstraject waarin naast [aannemer] diverse andere (gerenommeerde) partijen deelnamen- , ingenieursbureau [naam bureau]] in de arm had genomen. Uit de stukken van [naam bureau]] die bij de aanbesteding beschikbaar waren, en de tegenover de politie afgelegde verklaring van de bij [naam bureau]] werkzame [getuige 3], die ten tijde van de aanleg van de leidingtunnel [locatie]te Rhoon voor Rijkswaterstaat werkte en destijds als terzake deskundig betrokken was bij de bouw van de tunnel, blijkt dat er in het voortraject getracht is te achterhalen waarmee de damwanden geïnjecteerd waren, onder meer door onderzoek te doen naar de bouwgeschiedenis van de tunnel. Uit dat onderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen voor de aanwezigheid van de verwerking van asbest of asbesthoudende producten in de leidingentunnel. Bovendien heeft [getuige 3], die bij de bespreking van 7 oktober 2016 aanwezig was en toen hoorde dat [getuige 2] suggereerde dat sprake was van asbest, als getuige verklaard dat hem onbekend is dat asbesthoudend materiaal is gebruikt bij het injecteren van de damwanden en dat hij dacht dat het hennep was, want hennep werd in die tijd vaak gebruikt om de (damwand)sloten te dichten.
Tegen de deze achtergrond is het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, evenmin van oordeel dat als feit van algemene bekendheid in de zin van art. 339, tweede lid, Sv - dat geen bewijs behoeft - te gelden heeft dat in een bouwwerk als het onderhavige - een in 1974 voltooide leidingentunnel - zich in redelijkheid asbesthoudende materialen zouden kunnen bevinden.
Aldus is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de tenlastegelegde gedragingen.
Derhalve dient de verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Voorwaardelijk getuigenverzoek
Gelet op het vorenstaande is de voorwaarde zoals gesteld bij het ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van getuigen niet vervuld, zodat het hof op dat verzoek geen beslissing hoeft te nemen.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde. De benadeelde partij Michielsen vordert
een bedrag van € 5.669,30 aan materiële schade en een vergoeding van primair € 50.000,00, subsidiair € 5.000,00, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering blijkens de door de vertegenwoordiger van de benadeelde partij ter terechtzitting gegeven toelichting aan de orde tot het in eerste aanleg hoofdelijk toegewezen bedrag van € 10.669,30, bestaande uit € 5.000,00 aan immateriële
schade en € 5.669,30 aan materiële schade.
Dit bedrag komt overeen met het in de zaak van de medeverdachte [rechtspersoon] bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2024 (parketnummer 83/063971-22) hoofdelijk toegewezen bedrag, welk bedrag deze medeverdachte volgens mededeling van de gemachtigde van de benadeelde partij [naam] door voldoening van de schadevergoedingsmaatregel volledig heeft betaald.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de benadeelde partij om die reden bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd. Wiersma heeft evenwel niet opgegeven welk schadevergoedingsbedrag hij vordert.
In hoger beroep heeft de benadeelde partij op het wensenformulier hoger beroep aangegeven dat hij zijn vordering handhaaft.
Nu de verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, voorzitter, mr. K. Versteeg en
mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 oktober 2026.
Mr. A. de Lange is buiten staat dit arrest te ondertekenen.