Strafrecht overig
Veroordeling omdat er geen zorg voor werd gedragen dat de runderen slechts onder de hoede werden gesteld van…
Gerechtshof Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3106 · Gerechtshof Den Haag · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3106
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-000616-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3106
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling omdat er geen zorg voor werd gedragen dat de runderen slechts onder de hoede werden gesteld van een persoon die tot de verzorging in staat was en dat de runderen over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden. Hof legt voorwaardelijke geldboete op met reclasseringscontact als bijzondere voorwaarde alsmede een beperkt houdverbod op grond van art. 8.11a Wet Dieren.
Uitspraak
Rolnummer: 22-000616-25
Parketnummer: 83-219320-24
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Den Haag van 12 februari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [dag] 1971,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair, als misdrijf, tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,00, subsidiair vijfendertig dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, onder de in het vonnis omschreven algemene en bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de economische politierechter aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 8.11a, tweede lid, van de Wet dieren, met bevel dat de verdachte voor de duur van zijn leven geen dieren zal houden, voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 januari 2024 op één of meerdere tijdstippen te [plaats], in
de gemeente Alphen aan de Rijn, in elk geval in Nederland,
al dan niet opzettelijk,
als houder van één of meer rund(eren),
althans als houder van (een) dier(en),
(telkens) er geen zorg voor heeft gedragen dat:
A. (art. 2.2 lid 10 onder d Wet dieren, art. 1.7 onder b Besluit houders van dieren)
één of meer runderen slechts onder de hoede werden gesteld van een persoon die
kennelijk tot de verzorging in staat was,
immers, werd verdachte door zijn verminderde gezichtsvermogen beperkt in zijn
vaardigheden om voor genoemde dieren de nodige zorg te verlenen, waardoor de
hokken in kalverstal 1 en/of kalverstal 2 waarin de runderen verbleven als gevolg
van een onopgemerkte lekke waterleiding zeer nat waren, en/of wondjes van
runderen niet opgemerkt en/of verzorgd werden, en/of de hokken waarin de
runderen verbleven op de tast werden schoongemaakt door verdachten, en/of
B. (art. 2.2 lid 10 onder d Wet dieren, art. 1.7 onder d Besluit houders van dieren)
veertien kalveren en/of één of meer runderen over een toereikende behuizing
beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden immers:
- was één kalf in het tweede hok in de kapschuur gehuisvest in een hok dat zeer nat
was door mest en urine en/of was het hok niet voldoende ingestrooid met schoon
stro, en/of
- beschikte één kalf in het eerste hok in kalverstal 1 niet over een schoon en/of
droog en/of hygiënisch hok, aangezien het hok verontreinigd was met een dikke
laag mest en/of dat kalf bevuild was met aangekoekte mest, en/of
- beschikten acht kalveren in het eerste en/of het tweede en/of het derde hok in
kalverstal 2 niet over een schoon en/of droog en/of hygiënisch hok en/of over een
toereikende behuizing aangezien het hok verontreinigd was met een dikke laag
mest en/of de ligboxen niet ingestrooid waren en/of de kalveren in het eerste hok te
groot waren voor de ligboxen en/of de kalveren besmeurd waren met mest, en/of
- beschikte één rund in het derde hok in kalverstal 1 niet over een schoon en/of
droog en/of hygiënisch hok, aangezien het hok verontreinigd was met een dikke
laag mest waardoor het rund tot aan de knieën wegzakte in de mest en/of dat rund
bevuild was met klonten aangekoekte mest, en/of
- beschikten vier kalveren in het grote hok aan de rechterkant in kalverstal 2 niet
over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden,
aangezien de kalveren niet de beschikking hadden over een schoon en/of droog
en/of hygiënisch hok, doordat het hok zeer nat was en/of er een laag water in de
ligboxen stond en/of er een laag water in de voergoot was, en/of
- beschikten de runderen in de melkveestal niet over een toereikende behuizing
onder voldoende hygiënische omstandigheden aangezien de runderen niet de
beschikking hadden over een schoon en/of droog en/of hygiënisch hok, doordat in
de ligboxen aan de linkerkant een laag water stond en/of die runderen besmeurd
waren met urine en natte en aangekoekte mes,
zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een
bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren
aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en maatregel en dat aan de verdachte ter zake van het impliciet primair, als misdrijf, tenlastegelegde een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 8.11a, tweede lid, van de Wet dieren zal worden opgelegd, met bevel dat de veroordeelde voor de duur van zijn leven geen dieren zal houden. Daarbij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof zal bepalen dat de maatregel na vier maanden na de uitspraak dadelijk uitvoerbaar is.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel dat de economische politierechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en maatregel en de motivering daarvan.
Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.
Daarnaast vult het hof het vonnis aan met het volgende bewijsmiddel:
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 7 oktober 2026, voor zover inhoudend - zakelijk weergegeven -:
Het kan kloppen dat de in de tenlastelegging genoemde kalveren en runderen niet beschikten over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden.
Motivering van de op te leggen straf en maatregel
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft opzettelijk als houder van runderen er geen zorg voor gedragen dat die runderen slechts onder de hoede werden gesteld van een persoon die kennelijk tot de
verzorging in staat was. De verdachte is namelijk door zijn aanzienlijk verminderde
gezichtsvermogen, veroorzaakt door een erfelijke oogziekte, beperkt in zijn vaardigheden om voor die dieren de nodige zorg te verlenen, waardoor op de bewezenverklaarde datum twee stallen waarin runderen verbleven door een onopgemerkte lekke waterleiding zeer nat waren, wondjes van runderen niet opgemerkt en verzorgd werden en de hokken waarin de runderen verbleven op de tast werden schoongemaakt door de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte er opzettelijk geen zorg voor gedragen dat veertien kalveren en runderen over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden beschikten.
Dat zijn ernstige feiten, waarop een strafrechtelijke sanctie dient te volgen.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer dergelijke feiten te plegen.
Met betrekking tot de keuze voor de strafmodaliteit heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadviesrapport van 16 juni 2025 en de in aanvulling daarop uitgebrachte rapporten van 30 juni 2026 en 6 oktober 2026.
Het rapport van 16 juni 2025 houdt in dat bij de verdachte, die lijdt aan een ernstige visuele beperking, geen sprake is van verwaarlozing van zijn dieren uit nonchalance of gemakzucht. Integendeel, hij zet zich juist in voor de goede verzorging van zijn dieren en de dierenarts controleert of hij goed voor zijn dieren zorgt en hij wordt zoveel mogelijk door ingehuurde hulp op de boerderij ondersteund. Deze hulp werd op dat moment - bij het schrijven van het rapport - onvoldoende geacht. Echter, indien als gedragsvoorwaarde zou worden gesteld dat de verdachte zich onder toezicht van de reclassering dient in te zetten voor het vinden van meer hulp op de boerderij, met opdracht aan de reclassering de verdachte te motiveren om te leren om hulp te vragen en dit te accepteren, kan een houdverbod - in de zin van artikel 8.11a van de Wet dieren- uitblijven, aldus de reclassering.
Het meest recente reclasseringsadvies van 6 oktober 2026, dat daags voor de zitting in hoger beroep gereed is gekomen, houdt in dat sprake is van meerdere positieve ontwikkelingen in het bestaan van de verdachte. Uit de verkregen referenteninformatie en de informatie van de verdachte zelf, blijkt dat er momenteel sprake is van intensieve betrokkenheid van verschillende personen rondom de bedrijfsvoering en de verzorging van de dieren. Zo ontvangt de verdachte structurele ondersteuning van een stalhulp, vindt er maandelijks controle plaats door de dierenarts en ontvangt hij ondersteuning bij onder meer administratieve taken en onderhoudswerkzaamheden. De reclassering hecht waarde aan de bevindingen van zowel de dierenarts als de stalhulp. Beiden geven aan dat de conditie van de dieren goed is en dat zij momenteel geen aanwijzingen zien voor verwaarlozing of acute risico's voor het dierenwelzijn. Eventuele problemen kunnen dankzij de genoemde ondersteuning tijdig gesignaleerd worden doordat de personen, onder wie de stalhulp, de frequent aanwezig zijn op verdachtes bedrijf. Op basis van deze aanvullende informatie zijn de zorgen van de reclassering ten aanzien van het directe welzijn van de dieren aanzienlijk afgenomen. In dat verband is, zo houdt het adviesrapport voorts in, van belang dat de verdachte zijn veestapel heeft verminderd, zich richt op productieve dieren en dat er concrete afspraken zijn gemaakt over de ondersteuning binnen het bedrijf.
Dat neemt echter, aldus de reclassering, niet weg dat er sprake is van blijvende kwetsbaarheden. De ernstige visuele beperking van de verdachte brengt mee dat hij in belangrijke mate afhankelijk is van ondersteuning van derden voor het signaleren van problemen bij de dieren, de staat van de opstallen en de algehele bedrijfsvoering. Uit zowel de informatie van de dierenarts als de overige bevindingen blijkt dat de situatie aanzienlijk kwetsbaarder wordt wanneer de verdachte op zichzelf is aangewezen of zijn veestapel vergroot.
De reclassering komt in het aanvullende rapport tot het advies een (deels) voorwaardelijk straf op te leggen onder de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en een houdverbod, in die zin - zo begrijpt het hof, mede in het licht van het advies van 16 juni 2025, alsmede de omschrijving van het houdverbod als onderdeel van bijzondere voorwaarden - dat de verdachte gedurende een proeftijd van vier jaren niet meer dan 45 koeien houdt. De verdachte dient daarbij mee te werken aan controles bij huisbezoeken door de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit en de politie, met opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte daarbij te begeleiden.
Ter terechtzitting in hoger beroep is het door de reclassering geschetste beeld van de verdachte bevestigd. Het hof heeft indruk gekregen dat de verdachte, ondanks zijn ernstige visuele handicap, zich volledig wil inzetten voor de goede verzorging van zijn dieren en dat hij - hoewel het hem moeite heeft gekost te accepteren dat hij hulp bij zijn bedrijfsvoering nodig heeft - regelmatig hulp en bijstand krijgt van onder andere de hiervoor genoemde stalhulp, [naam], die als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij drie á vier avonden per week praktische ondersteuning biedt op het bedrijf van de verdachte en voornemens is deze hulp ook in de toekomst voort te zetten. De verdachte is met de dierenarts schriftelijk overeengekomen dat “de dierenarts de diergezondheid en dierwelzijn” continue monitort en daartoe vooralsnog eenmaal per maand een bedrijfsbezoek aflegt. Voorts heeft de verdachte ter zitting in hoger beroep bevestigd dat zowel de dierenarts als de stalhulp van hem toestemming hebben om zelfstandig de stallen en het land te betreden.
Met betrekking tot de vraag of een tijdelijk houdverbod als zelfstandig maatregel - ter beveiliging van de maatschappij, ter bescherming van de goede zeden of ter voorkoming van strafbare feiten die de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren benadelen - een passende reactie vormt, overweegt het hof dat blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 35.892, 3) een houdverbod bedoeld is voor de situatie waarin de verdachte niet in staat moet worden geacht om op een verantwoorde manier met dieren om te gaan.
Het doel van het houdverbod is het voorkomen dat de verdachte op enigerlei wijze dieren zodanig in zijn beschikkingsmacht heeft of krijgt dat het mogelijk wordt om die dieren pijn of letsel toe te brengen of het welzijn van die dieren aan te tasten. De maatregel heeft tot doel om ongewenst gedrag direct te beëindigen en in de toekomst te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarin houders hun dieren onvoldoende zorg geven of ernstig beperken in hun behoeften waardoor het welzijn van die dieren wordt aangetast. De maatregel dient in dergelijke gevallen als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.
Daarbij geldt dat het aan de rechter is om te bepalen of hij in een concreet geval kiest voor een vrijheidsbeperkende maatregel, een bijzondere voorwaarde of een combinatie daarvan, aldus de Memorie van Toelichting.
Het hof overweegt dat een levenslang houdverbod als bedoeld in art. 8.11a van de Wet dieren, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, blijkens de parlementaire geschiedenis bedoeld is als ultimum remedium in gevallen van zeer ernstige recidive waarbij sprake is van een groot gevaar voor het welzijn van dieren.
Van een dergelijke situatie, waarin een levenslang houdverbod aan de orde kan komen, is naar het oordeel van het hof geen sprake.
Het hof is - alles afwegende en in het bijzonder gelet op de eerdergenoemde reclasseringsadviesrapporten en het verhandelde ter zitting - van oordeel dat na te melden geheel voorwaardelijk geldboete met een proeftijd van drie jaren een passende en geboden reactie vormt.
Als bijzondere voorwaarde zal het hof een meldplicht bij de reclassering opleggen om vinger aan de pols te houden nu de verdachte zich - als het gaat om de zorg voor zijn dieren - in een kwetsbare positie bevindt omdat hij vanwege zijn ernstige visuele beperking in belangrijke mate afhankelijk is van de ondersteuning van derden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan te geven mee te willen werken aan een dergelijke meldplicht.
Daarnaast legt het hof - in verband met het hierna te noemen houdverbod - als bijzondere voorwaarde op dat de verdachte meewerkt aan controles door de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit en de politie.
Het hof zal ter voorkoming van strafbare feiten die de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren benadelen, een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opleggen in de vorm van een houdverbod waarbij de verdachte wordt bevolen minder dieren te houden. Het houdverbod houdt in dat de verdachte niet meer dan 45 runderen houdt, waarbij de vaars- en stierkalveren tot 6 weken na de geboorte niet zijn inbegrepen.
Het hof zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een strafbaar feit zal begaan dat de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren benadeelt.
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2.2 en 8.11a van de Wet dieren en artikel 1.7 Besluit houders van dieren, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd:
- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak, alsmede
- dat de verdachte meewerkt aan toezichtscontroles door de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit en de politie in verband met zijn dieren;
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid:
-
De verdachte zal gedurende 10 (tien) jaren maximaal 45 (vijfenveertig) productierunderen houden (de vaars- en stierkalven tot zes weken na de geboorte zijn van dit aantal uitgezonderd);
-
Bepaalt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, met ingang van 6 (zes) weken na de uitspraakdatum van dit arrest.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met aanvulling als voormeld.
Dit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 oktober 2026.
Mr. A. de Lange is buiten staat dit arrest te ondertekenen.