Strafrecht overig
Jeugdstrafrecht. Poging tot zware mishandeling door meermalen te slaan op het hoofd en in de richting van het…
Gerechtshof Amsterdam, 22 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3009 · Gerechtshof Amsterdam · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-3009
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-001234-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:3009
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugdstrafrecht. Poging tot zware mishandeling door meermalen te slaan op het hoofd en in de richting van het hoofd te trappen. Verwerping beroep op noodweer(exces). Het hof veroordeelt de minderjarige tot een leerstraf. Vordering benadeelde partij deels toe- en deels afgewezen. Begroting smartengeld o.g.v. lichamelijk letsel met toepassing Rotterdamse Schaal. Het arrest is geschreven in ‘klare taal’.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001234-26
datum uitspraak: 22 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2026 in de strafzaak onder parketnummer
02-087910-26 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,
adres: [adres] .
Het onderzoek van de zaak
De kinderrechter in Haarlem heeft [verdachte] op 16 juni 2026 veroordeeld. [verdachte] was het daar niet mee eens. Dus heeft zij hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De zaak is daarom bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) op 8 oktober 2026 in hoger beroep behandeld.
Op deze zitting was [verdachte] aanwezig met haar advocaat, mr. Akkas (hierna: de raadsman). Omdat [verdachte] aanwezig was, heet dit een arrest ‘op tegenspraak’. Ook de ouders van [verdachte] waren bij de zitting. Verder was de advocaat-generaal, de aanklager in hoger beroep, aanwezig.
Het hof heeft het dossier gelezen en heeft rekening gehouden met wat er op de inhoudelijke zitting bij het hof op 8 oktober 2026 aan de orde is gekomen en wat [verdachte] , haar raadsman en de advocaat-generaal daar hebben gezegd. Op die zitting zijn er ook camerabeelden bekeken. Het hof heeft ook rekening gehouden met wat er eerder is gebeurd en gezegd op de zitting bij de kinderrechter op 16 juni 2026. Verder heeft het hof gelezen wat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) heeft geadviseerd.
Op grond van dat alles heeft het hof beslissingen genomen, die hieronder zullen worden uitgelegd.
De tenlastelegging
Kort gezegd is de beschuldiging van de advocaat-generaal dat Chanel op 22 december 2025 in Kaatsheuvel mevrouw [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ) tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen en geschopt. [benadeelde partij] zou daardoor het risico hebben gelopen om zwaargewond te raken, wat een poging tot zware mishandeling wordt genoemd. Als dat laatste niet bewezen kan worden, wordt de verdachte beschuldigd van mishandeling.
De tenlastelegging wordt als bijlage I bij dit arrest gevoegd.
Het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld
Het hof komt grotendeels tot dezelfde beslissingen als de kinderrechter eerder, maar beslist anders over de door [benadeelde partij] gevraagde schadevergoeding. Het hof heeft ervoor gekozen een hele nieuwe uitspraak te schrijven, waardoor het vonnis niet meer geldt.
Uitleg van de beslissing van het hof over het bewijs
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de beslissing van de kinderrechter juist was en dat [verdachte] dus schuldig is aan de poging tot zware mishandeling.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling, omdat zij geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De trap is niet tegen het hoofd van [benadeelde partij] aangekomen en daarom bestond er volgens de raadsman ook geen grote kans dat [benadeelde partij] zwaargewond zou raken.
Ook van mishandeling zou [verdachte] volgens de raadsman moeten worden vrijgesproken, omdat [verdachte] zichzelf mocht verdedigen. Als zij daarin te ver is gegaan, kan dit [verdachte] volgens de raadsman niet kwalijk worden genomen, omdat zij handelde vanuit een begrijpelijke hevige emotie. De raadsman vindt ook belangrijk dat het hof meeweegt dat [verdachte] pas 15 jaar was en dat zij zelf eerder door een volwassene tijdens een treinrit is mishandeld. Dit heeft invloed gehad op hoe zij heeft gereageerd.
Het oordeel van het hof
Het hof vindt het volgende van belang.
Wat ging eraan vooraf
[verdachte] was op 22 december 2025 een dag naar de Efteling in Kaatsheuvel geweest, net als [benadeelde partij] . Zij kenden elkaar niet en hebben elkaar overdag niet gezien. Rond 20.30u wilden zij toevallig allebei in dezelfde bus naar Tilburg stappen. Het was druk bij de halte en in de bus. [verdachte] heeft verklaard dat zij bij het instappen is voorgedrongen. [benadeelde partij] stond op dat moment vóór haar.
Verklaring [benadeelde partij]
[benadeelde partij] heeft verklaard dat zij haar arm uitstak toen iemand probeerde ervoor te schieten. Het hof concludeert dat dit dus [verdachte] was. [benadeelde partij] verklaart dat die persoon haar arm wegduwde en instapte. Toen [benadeelde partij] vervolgens ook instapte, stond zij per ongeluk op de hak van [verdachte] . Op dat moment draaide [verdachte] zich om en haalde naar [benadeelde partij] uit. [benadeelde partij] viel voorover in de bus op de grond en zag dat haar bril verbogen voor haar lag. [verdachte] gaf haar toen met kracht een trap tegen het hoofd. [benadeelde partij] voelde meteen pijn.
Verklaring [verdachte]
heeft gezegd dat zij [benadeelde partij] inderdaad meerdere keren heeft geslagen. Zij noemde dit op de zitting bij het hof twee ‘stoten’ tegen het hoofd. Ook heeft [verdachte] bekend dat zij een trap in de richting van [benadeelde partij] haar hoofd heeft gemaakt, maar die was volgens haar niet raak.
[verdachte] heeft gezegd dat het niet haar bedoeling was om [benadeelde partij] te verwonden. Zij wilde zich verdedigen tegen een aanval van [benadeelde partij] . [benadeelde partij] heeft namelijk toen zij voordrong, aan de kleding van [verdachte] getrokken en haar op haar hak getrapt. Daarom heeft [verdachte] haar geslagen. Volgens [verdachte] is [benadeelde partij] niet gewond geraakt in haar gezicht, want [benadeelde partij] is diezelfde avond bij de huisartsenpost geweest en toen zou er geen letsel zijn gezien. Over de trap heeft [verdachte] verklaard dat die niet raak was en dat het ook niet haar bedoeling was om [benadeelde partij] te raken. Zij wilde met die trap afstand creëren, omdat [benadeelde partij] haar daarvoor met haar hoofd probeerde aan te vallen bij haar borst en bovenbenen.
[verdachte] vindt daarom dat zij onschuldig is.
De camerabeelden
Op de zitting heeft het hof met [verdachte] naar camerabeelden (van camera 4) van het gebeurde in de bus gekeken. Het hof heeft daarop gezien dat [verdachte] zich na het voordringen omdraait, waarna [benadeelde partij] vrij snel naar de grond gaat alsof zij op haar hurken of knieën zit. [verdachte] maakt dan meerdere slaande bewegingen richting [benadeelde partij] . [verdachte] stapt dan rechts uit beeld. Dan komt er, terwijl [benadeelde partij] nog steeds op de grond zit, met grote snelheid een gestrekt been van rechts in beeld. [verdachte] heeft bevestigd dat dit haar been was. Het hof heeft niet kunnen zien of die trap het hoofd van [benadeelde partij] ook heeft geraakt, maar de schoen van [verdachte] kwam tenminste zeer dichtbij het hoofd van [benadeelde partij] . Het hof vindt dat die trapbeweging er snel en krachtig uitziet. Vervolgens is te zien dat [benadeelde partij] haar bril van de grond pakt en weer opstaat. Het hof heeft op de beelden geen aanvallende bewegingen van [benadeelde partij] gezien.
Letsel
[benadeelde partij] heeft verklaard dat ze gelet op haar verwondingen meerdere keren moet zijn geraakt. Zij heeft verklaard dat zij een blauw linkeroog had en dat ze meteen al hoofdpijn had en misselijk was. In het dossier zit een verslag van haar bezoek aan de huisartsenpost van de avond van 22 december 2025. Daarin staat dat ze zich bij de arts heeft gemeld met als klachten: een blauwe plek (‘hematoom’) bij het oog, misselijkheid en lichte hoofdpijn. De arts heeft opgeschreven dat het linker jukbeen van [benadeelde partij] iets gevoelig was en dat sprake was van ‘trauma/letsel’. Verder waren er geen bijzonderheden. Aan [benadeelde partij] is het advies gegeven pijnstillers te nemen en het rustig aan te doen.
Ook zitten er in het dossier foto’s die [benadeelde partij] aan de politie heeft gegeven van haar steeds blauwer en geler wordende oog de dagen erna.
Conclusie
Het hof stelt vast dat [verdachte] [benadeelde partij] meerdere keren heeft geslagen. Ook concludeert het hof dat de klappen die [verdachte] in het gezicht van [verdachte] heeft gegeven, raak waren. Dat heeft [verdachte] zelf ook verklaard. Er is geen reden om te denken dat het blauwe oog door iets anders is ontstaan, dit is diezelfde avond al door een arts gezien. Gezien dit letsel, de camerabeelden en het feit dat [verdachte] het ‘stoten’ heeft genoemd, concludeert het hof dat die klappen ook hard zijn geweest.
Verder stelt het hof vast dat [verdachte] hard en met flinke snelheid in de richting van het hoofd van [verdachte] heeft getrapt. Niet duidelijk is of die trap raak was, maar op deze manier in de richting van haar hoofd trappen, was heel gevaarlijk omdat de kans om haar hard tegen het hoofd te raken met deze beweging in ieder geval groot was.
Het hoofd is een heel kwetsbaar deel van het lichaam. Als je daar meerdere keren hard op slaat en met schoenen aan richting het hoofd trapt, is er een grote kans dat daardoor zwaar letsel ontstaat, bijvoorbeeld hersenletsel of blijvend oogletsel.
Het hof denkt niet dat het ook echt de bedoeling van [verdachte] was om [verdachte] zwaar te verwonden, maar door deze klappen en trap te geven, heeft zij wel bewust geaccepteerd dat [verdachte] zwaar gewond zou raken. Dat betekent volgens de wet dat zij opzettelijk heeft geprobeerd [verdachte] zwaar te verwonden.
Het hof concludeert daarom dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
Bewezenverklaring
Het hof vindt de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De tekst van het bewezenverklaarde feit is als volgt:
primair
zij op 22 december 2025 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - die [benadeelde partij] meermalen tegen het hoofdheeft geslagen en met geschoeide voet, in de richting van het hoofd van die [benadeelde partij] heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Alles wat verder in de tenlastelegging stond, is niet bewezen. [verdachte] moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof heeft deze beslissing gebaseerd op wat er in bewijsmiddelen staat, die zijn opgenomen als bijlage II achter dit arrest.
De strafbaarheid van het feit en van [verdachte]
De raadsman heeft, zoals hierboven ook samengevat, bepleit dat [verdachte] uit zelfverdediging heeft gehandeld en dat dit ook mocht (‘noodweer’), dus dat het feit niet strafbaar is. Als het feit wel strafbaar zou zijn omdat zij daarin te ver is gegaan (‘noodweerexces’), kan haar dat nog steeds niet worden verweten en is [verdachte] volgens de raadsman niet strafbaar. De raadsman heeft geconcludeerd dat [verdachte] daarom, hoewel het feit wel is bewezenverklaard, toch niet mag worden veroordeeld. Zij moet dan worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof denkt hier, net als de kinderrechter en de advocaat-generaal, anders over.
Het hof heeft met [verdachte] op zitting naar de camerabeelden gekeken. Daaruit volgt niet dat [verdachte] door [verdachte] werd aangevallen. Het hof vindt ook niet aannemelijk dat dit wel is gebeurd zonder dat het te zien is, want het incident was goed in beeld. [verdachte] heeft zelf ook verklaard dat er niet eerder buiten de bus al iets was gebeurd. Het hof ziet op de camerabeelden juist dat [verdachte] vrijwel direct geweld gebruikte, zonder dat daar een goede aanleiding voor was. Als [verdachte] daarvoor al aan [verdachte] haar kleding heeft getrokken, kan dat volgens het hof goed passen bij een reactie op het voordringen van [verdachte] . Dit vindt het hof geen ‘aanval’ waartegen [verdachte] zich met geweld mocht verdedigen. Het hof ziet dit zeker niet als een goede reden voor [verdachte] om [verdachte] te slaan. Dat [verdachte] een trap op [verdachte] kuit heeft gegeven, vindt het hof niet aannemelijk. Het hof gaat uit van de verklaring van [verdachte] dat zij per ongeluk op [verdachte] hak stond. Dit kan goed gebeuren bij het instappen in een drukke bus, terwijl iemand ineens voordringt. Ook dit kan volgens het hof niet worden gezien als een aanval, waartegen [verdachte] zich mocht verdedigen. Dat [verdachte] zelf heeft verklaard dat zij heeft geprobeerd [verdachte] in haar kruis te grijpen om zichzelf te verdedigen, maakt dit voor het hof niet anders. Ten eerste had [verdachte] dit ter plekke niet door maar las zij dat pas later in de aangifte van [verdachte] . Ten tweede is ook dit niet iets waartegen [verdachte] zich volgens het hof mocht verdedigen, omdat het juist een verdedigende handeling van [verdachte] was tegen het slaan door [verdachte] . Toen [verdachte] daarna ook nog richting haar hoofd trapte, bevond [verdachte] zich nog op de grond en was zij dus, en niet [verdachte] , degene die zich in een kwetsbare positie bevond.
Het hof vindt dus dat [verdachte] geen recht op zelfverdediging had omdat [verdachte] haar niet heeft aangevallen. Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet.
Dat betekent dat het hof het feit strafbaar vindt. De poging tot zware mishandeling kan [verdachte] ook kwalijk worden genomen.
Wat het hof bewezen heeft verklaard, levert op het volgende strafbare feit op:
poging tot zware mishandeling.
De strafoplegging
De kinderrechter heeft [verdachte] voor de toen bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling veroordeeld tot de leerstraf ‘TACt Regulier’ van 35 uren.
De advocaat-generaal is het hiermee eens en heeft dus hetzelfde geëist.
Het hof heeft met de volgende dingen rekening gehouden bij de beslissing wat een passende straf is.
Het hof vindt de poging tot zware mishandeling die hier bewezen is, een ernstig feit. Er was, zoals uitgelegd, een aanmerkelijke kans dat [verdachte] zwaargewond zou raken. Gelukkig is dat niet gebeurd, maar ook nu heeft [verdachte] pijn en letsel opgelopen en is het een nare gebeurtenis voor haar geweest. Dat neemt het hof [verdachte] kwalijk. Het is ook een heftig feit geweest omdat het gebeurde op een openbare plek, in een drukke bus, waar niet alleen [verdachte] maar ook veel andere reizigers bij waren. Die werden allemaal uit het niets opgeschrikt door het geweld dat [verdachte] pleegde. Dat kan ervoor zorgen dat die mensen, maar in het bijzonder [verdachte] , zich minder veilig voelen om nog met het openbaar vervoer te reizen. [verdachte] heeft verklaard dat zij zelf angstig is geworden omdat zij in een trein is mishandeld op haar veertiende. Daarom zou zij juist beter moeten weten.
Het hof maakt uit de antwoorden die [verdachte] heeft gegeven op dat zij nog steeds niet goed door lijkt te hebben dat zij te agressief heeft gereageerd. Dat baart het hof zorgen. [verdachte] heeft daarin nog dingen te leren en dat gunt het hof haar ook.
Dit heeft ook de Raad op de zitting bij de kinderrechter geconcludeerd. Daar is geadviseerd een leerstraf op te leggen, waarbij de TACt Regulier het meest passend lijkt, een agressietraining. Het hof heeft ook het rapport gelezen dat de Raad op 10 juni 2026 over [verdachte] heeft geschreven. Daarin schrijft de Raad dat zij zorgen hebben over de houding van [verdachte] .
Wel heeft het hof gezien dat [verdachte] verder geen veroordelingen op haar strafblad van 28 september 2026 heeft staan.
Ook positief vindt het hof dat [verdachte] steun en stabiliteit heeft bij haar ouders en dat haar moeder ter zitting ook heeft gezegd dat zij zelf via de huisarts vrijwillige hulp voor [verdachte] wil zoeken.
Dat allemaal maakt dat het hof de eerder opgelegde leerstraf TACt Regulier van 35 uur voor [verdachte] een passende straf vindt. [verdachte] heeft tegen het hof gezegd dat zij hier, als het wordt opgelegd, aan zal meewerken. Als de leerstraf toch niet door [verdachte] zou worden uitgevoerd, zal zij in plaats daarvan 17 dagen jeugddetentie moeten uitzitten.
Vordering schadevergoeding [benadeelde partij]
[benadeelde partij] heeft in totaal een bedrag van € 4.734,20 aan schadevergoeding gevraagd. Het bedrag van
€ 734,20 gaat om 1) gemaakte benzinekosten, 2) de kapotte bril en 3) misgelopen inkomsten omdat zij 11 uur niet zou hebben kunnen werken (materiële schade). De rest van het bedrag van € 4.000,00 gaat om een vergoeding voor de opgelopen pijn en het letsel (smartengeld). [verdachte] heeft hierbij geschreven dat ze blauwe plekken en een hersenschudding had, die twee maanden heeft geduurd.
De kinderrechter heeft alleen een deel van dat bedrag toegewezen. In totaal vond de kinderrechter dat [verdachte] een bedrag van € 1.062,70 aan [verdachte] moest betalen, namelijk € 62,70 voor benzinekosten en
€ 1.000,00 aan smartengeld. In de rest van de vordering werd [verdachte] niet ontvangen.
[verdachte] heeft in hoger beroep weer om het hele - hogere - bedrag gevraagd.
De advocaat-generaal heeft gezegd dat naast de benzinekosten ook het gemiste inkomen aan [verdachte] moet worden vergoed. Ook zou voor de bril een bedrag van € 100,00 moeten worden vergoed, waarbij rekening is gehouden met de ouderdom ervan. Het bedrag van € 1000,00 aan smartengeld dat de kinderrechter had toegewezen, vond zij passend.
De raadsman heeft de vordering betwist en het hof gevraagd een lager bedrag aan smartengeld toe te wijzen.
[verdachte] was uitgenodigd om op de zitting bij de rechtbank en ook bij het hof om haar vordering verder toe te lichten, maar zij is beide keren – zonder nader bericht – niet gekomen. Wel heeft zij eerder aan de rechtbank een schriftelijke toelichting op haar vordering opgestuurd en ook het hof zal daarnaar kijken.
Materiële schade
[verdachte] kan vergoeding vorderen van de schade die zij door het strafbare feit heeft geleden, als er voldoende verband bestaat tussen wat [verdachte] heeft gedaan en die schade. Dan is het ‘rechtstreekse schade’.
Het hof is het eens met de kinderrechter dat de door [verdachte] betaalde benzine voor het ophalen in Tilburg, rijden naar de huisartsenpost en ziekenhuis en het doen van aangifte, voldoende zijn onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade is. [verdachte] zal deze kosten van € 62,70 moeten vergoeden.
Het hof vindt, anders dan de kinderrechter, dat [verdachte] ook een bedrag moet betalen voor de bril van [verdachte] . Door wat het hof op de beelden heeft gezien en de foto van de verbogen bril in het dossier, is voor het hof voldoende duidelijk dat de bril is stukgegaan door [verdachte] . Ook dit is dus rechtstreekse schade. De factuur die [verdachte] heeft bijgevoegd is van de aankoop van de bril uit 2019. Het hof houdt er rekening mee dat de bril tijdens het feit een paar jaar ouder was en schat de waarde naar redelijkheid nog op een bedrag van € 100,00. Dat bedrag moet [verdachte] vergoeden.
Het hof bepaalt dat de wettelijke rente over de toegewezen materiële schadevergoeding gaat lopen vanaf 22 december 2025, de dag van het feit.
Het hof vindt dat [verdachte] onvoldoende heeft toegelicht dat zij inkomsten is misgelopen, zoals zij stelt. Daarvoor hoeft [verdachte] dus niet te betalen.
Smartengeld
In de wet (artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek) staat dat er ook recht op schadevergoeding bestaat als iemand lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het hof gaat er, zoals gezegd, van uit dat het blauwe oog van [verdachte] dat op de huisartsenpost is gezien en op de foto’s staat, en het pijnlijke linkerjukbeen bij het oog dat in dat huisartsverslag staat, door de klappen van [verdachte] is veroorzaakt. Het hof vindt niet dat duidelijk is geworden dat [verdachte] een hersenschudding had. Het hof heeft wel gelezen dat [verdachte] bij de huisartsenpost last had van hoofdpijn en misselijkheid, maar de dokter heeft geen hersenschudding geconstateerd. Dit blijkt uit het huisartsverslag, waarin de dokter heeft geschreven: “geen trauma neurocranium”. Voor het lichamelijk letsel dat er wel was, vindt het hof een vergoeding op zijn plaats. Het hof heeft ook rekening gehouden met wat er allemaal over de ernst van het feit hiervoor is gezegd, met wat er bij licht letsel met niet al te lange genezingstijd als uitgangspunt geldt en wat er in vergelijkbare gevallen door rechters is beslist. Het hof vindt daarbij passen dat [verdachte] een bedrag van € 800,00 aan smartengeld moet vergoeden, met de gevraagde wettelijke rente vanaf 22 december 2025, de dag dat het is gebeurd.
Afwijzing van de rest van de vordering
De rest van het verzochte smartengeld zal worden afgewezen. Het hof vindt het namelijk, gelet op alles wat hiervoor is gezegd, voldoende duidelijk dat er voor dat deel geen basis is.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal aan [verdachte] de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Dat betekent dat [verdachte] de schade moet betalen aan de Staat en dat de Staat dat geld weer uitkeert aan [verdachte] . [verdachte] hoeft dan dus niet zelf bij [verdachte] het geld op te halen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als een poging tot zware mishandeling en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, die het volgen van een leerproject inhoudt, te weten de Training Agressie Controle (TACt Regulier), voor de duur van 35 (vijfendertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 17 (zeventien) dagen jeugddetentie.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 962,70 (negenhonderdtweeënzestig euro en zeventig cent) bestaande uit € 162,70 (honderdtweeënzestig euro en zeventig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 962,70 (negenhonderdtweeënzestig euro en zeventig cent) bestaande uit € 162,70 (honderdtweeënzestig euro en zeventig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade op22 december 2025.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Colijn, mr. P.J. van Eekeren en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
22 oktober 2026.
Mr. M.J.A. Duker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: de tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
zij op of omstreeks 22 december 2025 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - die [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft geslagen - met geschoeide voet, terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag, in de richting van het hoofd van die [benadeelde partij] heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
zij op of omstreeks 22 december 2025 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] - meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan, en/of - tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te trappen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
BIJLAGE II: de bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van aangifte van 2 januari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina’s 5-17), met bijlagen.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum door aangeefster [benadeelde partij] tegenover die verbalisant afgelegde verklaring:
Waar hieronder door de aangeefster over ‘de jongen’ of ‘hij’ wordt gesproken, begrijpt het hof: ‘de verdachte’ of ‘zij’.
Ik doe aangifte van eenvoudige mishandeling. Op maandag 22 december 2025 ging ik met mijn zus naar de Efteling te Kaatsheuvel. Omstreeks 20:30 uur liepen wij naar de bushalte [...] Ik zag dat de jongen opzettelijk en met kracht naar mij uithaalde. [...] Wat ik wel weet is dat ik voorover in de bus op de grond viel. Hij moet mij dus geraakt hebben. Ik zag dat mijn bril verbogen in de bus op de grond lag. [...] Ik zag dat hij zich omdraaide om de bus in te stappen. Ik zag en voelde dat hij toen opzettelijk en met kracht met zijn rechter of linker schoen een trap naar achteren vol tegen mijn hoofd gaf. Ik voelde direct een pijn. Gezien mijn verwondingen, kan het niet anders dan dat hij mij meerdere keren heeft geraakt. [...] Ik had op dat moment erg veel last van hoofdpijn en misselijkheid. [...]
Letsel:
- de volgende dag/dagen zag ik een blauwe plek rondom mijn linkeroog
[...]
Signalement van de jongeman:
- blank
- leeftijd: tussen 15-17 jaar oud
- lengte: tussen 1.70 - 1.75 lang
- droeg: zwarte wintermuts en dikke zwarte winterjas [...]
Bij dit proces-verbaal van aangifte is ook, op pagina 10-14, als bijlage gevoegd een geschrift, te weten een bijlage met foto’s van de aangeefster op 22, 24, 25, 26 en 27 december 2025 waarop een steeds blauwer en geler wordend oog te zien is.
Tevens is bij dit proces-verbaal als bijlage op pagina 17 een geschrift gevoegd, te weten een huisartsverslag van 22 december 2025 over aangeefster [benadeelde partij] , waarin voor zover van belang en zakelijk weergegeven staat:
“WAARNEMING:
[…]
( [deskundige] ) Klacht/beloop: 2 uur terug trauma schedel, door omstander in de bus op hoofd geschopt, hematoom bij oog, gevallen op hoofd, miss+ lichte hoofdpijn. Politie erbij geweest […]
(0) […] jukbeen li iets gevoelig […]
(E) A80 Trauma/letsel […]
(P) pcm icm nsaid. […] Rustig aan doen.”
2. De eigen waarneming van het hof gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2026.
Deze eigen waarneming betreft de op de zitting getoonde camerabeelden afkomstig van de camera uit Buslijn 301, bij de Bushalte Efteling (Europalaan) te Kaatsheuvel (bestandsnaam: Camera 4.mp4 (2025-12-22 20:44:52-20:45:15) en houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De verdachte dringt bij het instappen in de bus voor. De verdachte draait zich meteen om en gaat in een bukkende houding naar voren. [benadeelde partij] gaat vrijwel direct omlaag naar de grond, alsof zij op haar hurken of knieën zit. De verdachte maakt dan meerdere slaande bewegingen omlaag richting [benadeelde partij] . De verdachte stapt vervolgens rechts uit beeld. Dan komt er, terwijl [benadeelde partij] nog steeds voorover op de grond zit, met grote snelheid een gestrekt been van rechts in beeld. Het hof ziet niet of die trap het hoofd van [benadeelde partij] ook raakt, maar de schoen van de verdachte komt tenminste zeer dichtbij het hoofd van [benadeelde partij] . Het hof vindt dat die trapbeweging er snel en krachtig uitziet.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2026.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ben voorgedrongen. Toen ging het mis. Eerst verbaal en toen.. Het ging heel snel. Ja, ik heb haar klappen gegeven. Ik heb geen idee hoeveel. Ik raakte haar op haar hoofd. Zij zat op de grond gebukt. Toen probeerde ik haar van mij af te duwen en heb ik haar twee stoten gegeven tegen haar hoofd.
U vraagt mij naar de trap. Mijn been was gestrekt.
U bekijkt met mij de camerabeelden van camera 4 in de bus op 22 december 2025. Het klopt dat ik degene ben met de zwarte jas met wit logo op de rechterschouder, capuchon en zwarte muts, die om 20:44:52 de bus binnenkomt en zegt “wat doe je” en “wat is je probleem”. Het klopt dat u om 20:45:03 mijn been richting het hoofd van [benadeelde partij] ziet gaan.
=========================================================================
[…]