Strafrecht overig

Opzetverkrachting, vrijspraak gekwalificeerde opzetverkrachting. Het hof acht de verklaring van aangever dat…

Gerechtshof Den Haag, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
22-000436-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3112
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzetverkrachting, vrijspraak gekwalificeerde opzetverkrachting. Het hof acht de verklaring van aangever dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen betrouwbaar en is tevens van oordeel dat er voldoende steunbewijs is om tot een veroordeling te komen. De aangever heeft niet alleen geen positieve wilsuitingen gedaan omtrent zijn instemming met seksuele handelingen, maar ook meerdere, duidelijke non-verbale signalen afgegeven dat hij de seksuele handelingen niet wilde. Het hof is van oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet, nu de verdachte de signalen die werden afgegeven heeft genegeerd. Het hof heeft met toepassing van het volwassenenstrafrecht de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 5 februari 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:1961
  2. Gerechtshof Den Haag · 22 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3112

Uitspraak

Rolnummer: 22-000436-26

Parketnummer: 09-250319-24

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 februari 2026 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde (opzetverkrachting) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden als vermeld in het vonnis waarvan beroep. Voorts is de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen tot een bedrag aan immateriële schade van € 5.000,00, met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige, en vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 3 augustus 2024 te 's-Gravenhage, met een persoon, te weten

[het slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of penis in de anus van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond, althans tegen het gezicht van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of tong in de mond van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) vastpakken van de handen van die [het slachtoffer] en het (vervolgens) brengen van die handen naar zijn, verdachtes, penis en/of het (vervolgens) heen en weer bewegen van de handen van die [het slachtoffer] om zijn, verdachtes, penis en/of

- het (meermalen) vastpakken en/of betasten van de penis van die [het slachtoffer] en/of het aftrekken van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van de penis van die [het slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:

- terwijl die [het slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht verkeerde,

- de broek en/of onderbroek van die [het slachtoffer] uit te trekken en/of

- die [het slachtoffer] (meermalen) van de rug naar de buik en/of van de buik naar de rug te draaien;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 augustus 2024 te 's-Gravenhage, met een persoon, te weten

[het slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of penis in de anus van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond, althans tegen het gezicht van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of tong in de mond van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) vastpakken van de handen van die [het slachtoffer] en het (vervolgens) brengen van die handen naar zijn, verdachtes, penis en/of het heen en weer bewegen van de handen van die [het slachtoffer] om zijn, verdachtes, penis en/of

- het (meermalen) vastpakken en/of betasten van de penis van die [het slachtoffer] en/of het aftrekken van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van de penis van die [het slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond,

terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf, met dien verstande dat de verdachte ter zake van de primair tenlastegelegde opzetverkrachting dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering, en met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 augustus 2024 te 's-Gravenhage, met een persoon, te weten

[het slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of penis in de anus van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond, althans tegen het gezicht van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vingers en/of tong in de mond van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) vastpakken van de handen van die [het slachtoffer] en het (vervolgens) brengen van die handen naar zijn, verdachtes, penis en/of het (vervolgens) heen en weer bewegen van de handen van die [het slachtoffer] om zijn, verdachtes, penis en/of

- het (meermalen) vastpakken en/of betasten van de penis van die [het slachtoffer] en/of het aftrekken van die [het slachtoffer] en/of

- het (meermalen) duwen/brengen/houden en/of bewegen van de penis van die [het slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:

- terwijl die [het slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht verkeerde,

- de broek en/of onderbroek van die [het slachtoffer] uit te trekken en/of

- die [het slachtoffer] (meermalen) van de rug naar de buik en/of van de buik naar de rug te draaien.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor seksueel binnendringen door de verdachte bij de aangever. Subsidiair heeft zij bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de wil van de aangever met betrekking tot de seksuele handelingen ontbrak en, meer subsidiair, dat de verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat aangevers wil ontbrak.

Het hof stelt, evenals de rechtbank, voorop dat zedenzaken vaak gekenmerkt worden door beperkt bewijs. Bij de veronderstelde seksuele handelingen zijn meestal slechts twee personen aanwezig, te weten de aangever en de verdachte. Indien de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, is doorgaans de verklaring van de aangever over de seksuele handelingen het enige bewijsmiddel. Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Desalniettemin kan in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs toch voldoende zijn voor een bewezenverklaring. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het voldoende is wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten wordt bekrachtigd door andere bewijsmiddelen, mits deze afkomstig zijn uit een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd en er tussen de belastende verklaring en het overige bewijs niet een te ver verwijderd verband bestaat. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.

Het hof zal daarom allereerst beoordelen of de verklaringen van de aangever betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

Betrouwbaarheid verklaringen aangever

De aangever heeft heel kort na het incident op 3 augustus 2024, toen politieagenten omstreeks 4:30 uur ter plaatse kwamen, verklaard dat hij seksueel was misbruikt door een vriend. Ze hadden samen heel veel alcohol gedronken. Op een gegeven moment werd hij niet lekker, is hij op bed gaan liggen en kon hij zich niet meer bewegen door de alcohol. Hij heeft onder meer verklaard dat de verdachte zijn geslachtsdeel vastpakte, dat de verdachte zijn hand pakte en naar het geslachtsdeel van de verdachte bracht, dat de verdachte probeerde om zijn geslachtsdeel in aangevers mond te krijgen maar dat hij zijn kaken stijf op elkaar hield en dat het geslachtsdeel van de verdachte in zijn kont is gekomen. De aangever is daadwerkelijk gepenetreerd en had pijn aan zijn kont. Tijdens het informatief gesprek met de politie om 6:00 uur die dag, heeft de aangever onder meer verklaard dat de verdachte hem heeft gepijpt en afgetrokken, zijn hand heeft gepakt en op verdachtes penis heeft gelegd en heen en weer heeft bewogen, en dat de verdachte zijn penis in de anus van de aangever deed. De verdachte probeerde ook zijn penis in de mond van de aangever te doen. In zijn aangifte op 4 augustus 2024 heeft de aangever verklaard dat hij zich heel slecht en slap voelde, dat de verdachte aan hem ging zitten en zijn broek en onderbroek uitdeed, en dat hij weet dat de penis van de verdachte in zijn kont kwam. Hij voelde pijn en schreeuwde het uit. De verdachte probeerde dat de aangever hem masturbeerde door zijn hand te pakken en op zijn piemel te leggen. De aangever lag bewegingsloos, terwijl de verdachte zijn hand bewoog. Ook ging de verdachte de aangever pijpen. Verder voelde de aangever iets tegen zijn tanden en lippen aan en zag dat het de penis van de verdachte was. Hij hield toen zijn kiezen op elkaar.

De aangever heeft derhalve op meerdere momenten, waaronder kort na het incident, zijn verhaal gedaan bij de politie en heeft naar het oordeel van het hof telkens consistent, duidelijk en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat de aangever de betreffende nacht verschillende personen heeft geprobeerd te bellen. Hij heeft aan zijn broer direct verklaard dat de verdachte “zijn lul in hem had gestoken”. Ook heeft hij een collega gebeld voor hulp. Uit de verklaringen van de broer en de collega van de aangever blijkt dat de aangever tijdens deze telefoongesprekken overstuur en in paniek was. Dit ondersteunt de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever. Dat hij niet direct aan zijn collega heeft verteld dat hij ook gepenetreerd was door de verdachte, maakt niet dat verklaringen van de aangever onbetrouwbaar zijn.

Het hof heeft gelet op al het voorgaande geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en acht deze bruikbaar voor het bewijs.

Steunbewijs

Vervolgens dient het hof vast te stellen of de verklaringen van de aangever in voldoende

mate worden ondersteund door ander bewijs.

Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft de aangever in de nacht van 3 augustus 2024 verschillende personen gebeld. Hij heeft om 4:09 uur, 4:11 uur en 4:12 uur naar zijn broer [naam broer] gebeld en heeft tegen hem gezegd dat de verdachte zijn broek omlaag getrokken had en dat de verdachte toen dingen bij hem had gedaan die hij niet goed vond. De verdachte had “zijn lul in hem gestoken”, zo vertelde hij zijn broer. De aangever was overstuur tijdens het telefoongesprek. Hij kon niet meer goed praten, was in paniek en huilde.

Tevens heeft de aangever kort na het incident een collega, [naam collega] , wakker gebeld. De aangever heeft toen tegen hem gezegd dat er iets was voorgevallen met iemand uit zijn vriendengroep die hij vertrouwde. De aangever was erg overstuur en de collega hoorde paniek in zijn stem. Hij had niet heel veel aan de collega verteld. Hij belde vooral om hulp.

Beide verklaringen geven een authentiek beeld van de emotionele gesteldheid waarin de aangever zich bevond kort na het incident, en van wat er is voorgevallen. Deze verklaringen bieden daarom steun aan de verklaring van de aangever.

Daarnaast wordt (een gedeelte van) de verklaring van de aangever alsmede de context waarin de handelingen hebben plaatsgevonden, ondersteund door de verklaring van de verdachte zelf. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij de aangever heeft afgetrokken, dat hij de aangever heeft gepijpt, dat hij zijn penis richting de mond van de aangever heeft gebracht, dat de aangever zijn lippen toen op elkaar hield en dat hij zijn penis vervolgens in de anus van de aangever probeerde te krijgen.

Ten slotte worden de verklaringen van de aangever ondersteund door het NFI-rapport, waaruit blijkt dat het DNA-mengprofiel rondom de lippen (nat) en rondom de anus (nat) van de aangever ongeveer 1 miljard respectievelijk 15 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van aangever [het slachtoffer] en verdachte [naam verdachte] dan wanneer het DNA afkomstig is van aangever [het slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.

Seksueel binnendringen

Op basis van de hiervoor genoemde omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte met zijn penis is binnengedrongen in de anus van de aangever.

Ook kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte met zijn penis de mond van de aangever is binnengedrongen, nu hij met zijn penis de tanden van de aangever heeft aangeraakt en derhalve zijn lippen was gepasseerd. Uit de rechtspraak volgt dat bij het met de vingers tussen de schaamlippen komen reeds sprake is van seksueel binnendringen, ook zonder dat de vingers daadwerkelijk in de vagina zijn gekomen. Naar het oordeel van het hof kan deze overweging worden doorgetrokken naar de lippen van de mond. Door met zijn penis tussen de lippen van de aangever door tegen de tanden van de aangever aan te komen, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het binnendringen van de mond en daarmee van het lichaam van de aangever.

Bij de bewezenverklaring gaat het hof uit van de handelingen waarover de aangever in zijn aangifte heeft verklaard. De verklaring van de verdachte, afgelegd vier en een halve maand na het incident toen bovendien de uitkomst van het NFI onderzoek bekend was, dat geen sprake is geweest van binnendringen, volgt het hof dan ook niet.

Vervolgens dient het hof te beoordelen op welke wijze het voornoemde handelen van

de verdachte dient te worden gekwalificeerd.

Wet Seksuele Misdrijven

Sinds 1 juli 2024 is de Wet Seksuele Misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht (Sr) ingrijpend is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als gekwalificeerde opzetverkrachting, opzetverkrachting of schuldverkrachting.

Bij de gekwalificeerde opzetverkrachting gaat het om een strafverzwarende vorm van de opzetverkrachting, waarbij de verkrachting gepaard gaat met dwang, geweld of bedreiging.

Voor al deze varianten van verkrachting is vereist dat de wil tot het plegen of dulden van de seksuele handelingen bij het slachtoffer ontbreekt. In artikel 244 Sr is bepaald dat bij een persoon in ieder geval de wil tot seksuele handelingen ontbreekt indien diegene in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert of een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft dat deze niet of onvolkomen in staat is een wil te bepalen of kenbaar te maken omtrent de seksuele handelingen of daartegen weerstand te bieden.

Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Als de verdachte daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt, is sprake van vol opzet. Er kan ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet, als de verdachte zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of voor lief dan wel op de koop toe neemt.

Opzetverkrachting komt verder in beeld als seksuele handelingen plaatsvinden met een ander die in een staat verkeert waarin geen positieve wilsuiting mogelijk is. Elk onvermogen tot een vrije positieve wilsuiting bij de ander vereist dat wordt afgezien van het seksuele contact. Van opzetverkrachting is dan sprake bij het simpelweg negeren van waargenomen signalen dat de ander niet volledig een wil kan bepalen met betrekking tot het seksuele contact.

Bewezenverklaring opzetverkrachting

Het hof stelt vast dat de aangever onder invloed van alcohol verkeerde en zowel voor, tijdens als na het tenlastegelegde heeft overgegeven. De aangever heeft verder verklaard dat zijn lichaam slap voelde en dat hij geen kracht meer had om zich te bewegen. Hij kon op zich wel wat zeggen van de handelingen die de verdachte verrichtte, maar hij besloot zich slapende te houden, omdat hij dacht dat hij het anders erger zou maken. Wel hield hij zijn kiezen op elkaar toen de verdachte zijn penis tegen zijn lippen en tanden deed.

Hoewel het hof op grond van het dossier onvoldoende kan vaststellen in hoeverre sprake was van een verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht bij de aangever als gevolg van de hoeveelheid alcohol die hij had gedronken, blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wel voldoende dat het initiatief voor de seksuele handelingen van de verdachte is uitgegaan, dat hij daarover niet met de aangever heeft gepraat en dat de aangever geen enkel positief signaal heeft afgegeven dat hij seksueel contact met de verdachte wilde. De aangever heeft, anders gezegd, geen blijk gegeven van de aanwezigheid van een positieve wilsuiting. Bovendien hield de aangever zijn kiezen strak op elkaar toen de verdachte zijn penis tegen de lippen en tanden van de aangever deed. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat hij toen de indruk kreeg dat de aangever hem niet wilde pijpen. De verdachte heeft verder ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij probeerde zijn penis in de anus van de aangever te steken, dat de aangever heen en weer bewoog en dat de verdachte daardoor dacht dat hij het niet wilde. De aangever heeft derhalve niet alleen geen positieve wilsuitingen gedaan, maar zelfs ook meerdere, duidelijke non-verbale signalen afgegeven dat hij de seksuele handelingen niet wilde. De verdachte heeft deze signalen ook waargenomen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door desondanks de seksuele handelingen, waaronder het binnendringen van het lichaam van de aangever, te verrichten op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat de wil daartoe bij de aangever ontbrak.

Dit geldt te meer daar de verdachte, gelet op de staat van dronkenschap waarin de aangever verkeerde, zich er extra van had moeten vergewissen of de aangever de seksuele handelingen wel wilde. Dit heeft de verdachte niet gedaan.

Dwang, geweld of bedreiging

Het hof concludeert met de advocaat-generaal en de verdediging dat uit de vastgestelde feitelijke handelingen niet blijkt dat sprake is geweest van dwang, bedreiging of geweld, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de gekwalificeerde opzetverkrachting.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

opzetverkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. De verdachte en de aangever hadden een vriendschappelijke relatie en daarom bleef de aangever van 2 op 3 augustus 2024 bij de verdachte slapen. Ze hadden alcoholische drankjes gekocht en speelden drankspellen. De aangever was dronken en moest meermalen overgeven. Hij voelde zich slap en voelde dat hij geen kracht meer had in zijn lichaam. Toen hij in bed lag, heeft de verdachte de broek en onderbroek van de aangever uitgetrokken en heeft hij vergaande seksuele handelingen bij de aangever verricht, waaronder het binnendringen van het lichaam van de aangever, terwijl de aangever dat niet wilde. De verdachte heeft de signalen van de aangever genegeerd – die overigens ook zelf geen enkel initiatief tot de seksuele handelingen had genomen – en zo minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de wil van de aangever ontbrak en heeft zich laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. Daarmee heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de aangever. Ook heeft hij het vertrouwen dat de aangever had in hem als vriend, ernstig geschonden.

Dit is een ernstig strafbaar feit met een zeer grote impact op de aangever. Hij heeft als gevolg van de verkrachting PTSS opgelopen en heeft EMDR-therapie bij een psycholoog gehad, zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. Blijkens informatie van zijn advocaat in hoger beroep zijn de klachten nog onverminderd aanwezig en moet hij opnieuw therapie volgen.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 16 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte zich gedurende zijn schorsing gemotiveerd heeft ingezet om gedragsverandering te bewerkstelligen. Hij heeft copingvaardigheden geleerd en past deze actief toe in het dagelijks leven. Hij is abstinent van alcohol en van plan dat in de toekomst te blijven.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde kan de verdachte inzien dat hij een grens is overgegaan, aldus de reclassering. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om - op basis van het ASR-wegingskader - het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering betrekt hierbij dat de verdachte een baan heeft, zijn moeder (financieel) ondersteunt en hij al langere tijd niet meer naar school gaat. Hij stelt doelen voor de toekomst, handelt zelfstandig en wordt niet beïnvloedbaar geacht. Ook heeft de verdachte geen beneden gemiddeld intelligentieniveau en gedraagt hij zich leeftijdsadequaat. Verder heeft de verdachte gedurende de schorsing begeleiding van Reclassering Nederland en passen de interventies bij het volwassenenstrafrecht. De reclassering adviseert bij een veroordeling aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de behandeling bij De Waag inmiddels is afgerond. Verder heeft hij traumabehandeling ondergaan, omdat hij zijn verblijf in detentie als zeer zwaar heeft ervaren. De verdachte heeft verder verklaard dat hij nog bij zijn moeder woont, dat hij een nieuwe relatie heeft en dat hij zijn baan als vrachtwagenchauffeur tijdelijk heeft stopgezet in verband met deze strafzaak.

Toepassing van het volwassenstrafrecht

Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 19 jaren had bereikt, zodat in beginsel volwassenenstrafrecht aan de orde is. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voorziet in de mogelijkheid om - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht te doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg Sr, indien het hof daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Uitgangspunt blijft dat ten aanzien van deze groep in beginsel het strafrecht voor volwassenen van toepassing is en dat toepassing van het jeugdstrafrecht de uitzondering is.

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusie en het advies in bovengenoemd rapport van de reclassering dat er geen duidelijke indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Het hof is daarom van oordeel dat, gelet op dit advies, de geschetste persoonlijkheid van de verdachte en de indruk die het hof ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, de verdachte berecht moet worden met toepassing van het volwassenenstrafrecht.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Daarnaast zal het hof de na te melden bijzondere voorwaarde opleggen. Het hof acht een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan een strafbaar feit schuldig te maken.

Het hof houdt bij de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf rekening met de bewezenverklaring van opzet in voorwaardelijke zin, de jonge leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte zich gemotiveerd heeft ingezet voor gedragsverandering.

Tegelijkertijd is het hof van oordeel dat de ernst van het feit maakt dat, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 35.000,00, bestaande uit € 10.000,00 immateriële schade en € 25.000,00 toekomstige immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering gehandhaafd tot een bedrag van € 10.000,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht om aan te sluiten bij categorie 15.1 onder c van de Rotterdamse schaal en maximaal een bedrag van € 2.500,00 toe te wijzen.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit de ter onderbouwing van de vordering overgelegde stukken volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen, namelijk PTSS.

Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van in elk geval € 7.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken, waarbij in het bijzonder rekening is gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen voor de benadeelde partij, die tot op heden nog psychische klachten ondervindt. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft aansluiting gezocht bij categorie 15.1 onder c (tamelijk ernstig) van de Rotterdamse schaal.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 7.500,00 aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met reclassering Nederland, op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

3 augustus 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, als voorzitter, en mr. H.M.D. de Jong

en mr. J.B. Wijnholt, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 oktober 2026.

Mr. J.B. Wijnholt is buiten staat dit arrest te ondertekenen.