Strafrecht overig
Onderzoek Mirte. Veroordeling voor het medeplegen van aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs…
Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:447 · Gerechtshof Den Haag · 20 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-447
Zaakgegevens
Op 20 maart 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 maart 2026
- Datum publicatie
- 24 maart 2026
- Zaaknummer
- 22-000264-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:447
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Mirte.
Veroordeling voor het medeplegen van aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs.
Bewijsoverwegingen met betrekking tot medeplegen en het aanwezig hebben van harddrugs: op grond van welke feiten en omstandigheden kan dat worden vastgesteld?
Overschrijding redelijke termijn leidt tot strafvermindering.
Uitspraak
Rolnummer: 22-000264-23
Parketnummers: 09-305809-20 en
09-128892-21
Datum uitspraak: 20 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
laatst bekende verblijfplaats: [adres 1] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg zijn de dagvaardingen met parketnummers 09-305809-20 (hierna: dagvaarding I) en 09-128892-21 (hierna: dagvaarding II) gevoegd. De verdachte is in eerste aanleg ter zake van het bij dagvaarding I onder 2 en 3 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen tenlastegelegd is bij dagvaarding I onder 2 en 3 en hetgeen tenlastegelegd is bij dagvaarding II. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 1 december 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, in een pand gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
34.195 tabletten (met logo ‘Rolex’, ‘Hello Kitty’, ‘Philip Plein) bevattende MDMA en/of 768,6 gram kristallen bevattende MDMA en/of
2000 gram poeder bevattende amfetamine en/of
341,7 gram kristallen bevattende (meth)amfetamine,
in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of MDMA, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewijsoverwegingen
Inleidende opmerkingen
Op 16 september 2020 zijn de brandweer en politie aanwezig bij een bedrijfspand aan de [adres 2] te Zoetermeer vanwege een klacht over stankoverlast. Op dat moment zijn er geen personen in het pand. De brandweer gaat naar binnen en treft een vermoedelijk drugslaboratorium aan. Het blijkt om een laboratorium voor de productie van crystal meth te gaan.
In het daarop volgende opsporingsonderzoek komen een aantal verdachten in beeld en nog een aantal verdachte adressen.
Op 1 december 2020 wordt de verdachte aangehouden in een woning aan de [adres 1] te Den Haag. In de woning wordt een hoeveelheid harddrugs aangetroffen. De verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij deze drugs.
De verdediging heeft zich – onder meer – op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van de verdachte, zo die al kan worden vastgesteld, niet voldoende is om de verdachte als medepleger te kunnen aanmerken.
Juridisch kader medeplegen van aanwezig hebben
Voor het opzettelijk ‘aanwezig hebben’ van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2, onder C, Opiumwet, is niet beslissend aan wie die middelen (in eigendom) toebehoren. Enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen is niet vereist. Voldoende is dat de verboden middelen zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden, waartoe in elk geval noodzakelijk is dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.
Het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben vereist ten minste (de vaststelling van) een ‘tezamen afweten’ van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Dergelijke wetenschap kan eventueel met toepassing van algemene ervaringsregels uit de omstandigheden van het geval worden afgeleid. Bovendien is nog vereist dat de ‘macht’ over de aanwezige verdovende middelen ‘tezamen wordt uitgeoefend’. Daarbij ligt het accent op de samenwerking en dient de bijdrage van de verdachte aan deze machtsuitoefening van voldoende gewicht te zijn alvorens hem als medepleger te kunnen aanmerken.
Feiten en omstandigheden
Op 1 december 2020 heeft de politie een woning aan de [adres 1] te Den Haag doorzocht. Daarbij zijn onder meer hoeveelheden MDMA, metamfetamine en amfetamine aangetroffen in - onder meer - de woonkamer (in de televisiekast, in een luidsprekerdoos, op het bureau) en in de schuur. De verdachte, aanwezig in de woning, is toen aangehouden.
De verdachte heeft verklaard dat zij in maart 2020 naar Nederland is gekomen en sindsdien met haar vriend, medeverdachte [medeverdachte] , aan de [adres 1] heeft gewoond en vrijwel nooit buiten kwam. Verder heeft de verdachte verklaard dat er niemand anders in de woning woonde (dan zij beiden, zo begrijpt het hof).
Door de eigenaren van de woning, de heer [eigenaar van de woning] en zijn echtgenote, is verklaard dat zij de woning vanaf 1 oktober 2019 hebben verhuurd, eerst via een tussenpersoon, en later rechtstreeks aan [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft bevestigd er al enige tijd te hebben gewoond voordat zijn vriendin, de verdachte, naar Nederland kwam en bij hem introk.
Beoordeling
In beginsel wordt de bewoner van een woning geacht te weten wat zich in zijn of haar woning bevindt, behoudens omstandigheden die aanleiding geven tot een andere conclusie. Van dergelijke omstandigheden is in casu geen sprake. Het hof overweegt dat de verdachte gedurende langere tijd in de woning haar hoofdverblijf had en als bewoner vrije toegang had tot alle kamers en ruimtes. Dat de verdachte uitsluitend in de keuken en de slaapkamer kwam, zoals door de verdediging is gesteld, is niet geloofwaardig, reeds omdat zij in de woonkamer was toen zij werd aangehouden. Voorts ging het om een behoorlijke hoeveelheid die verspreid door de woning lag. Niet goed voorstelbaar is dat iemand een grote hoeveelheid verdovende middelen, met een aanzienlijke waarde, in de woning zou hebben gelegd buiten medeweten van de verdachte. Dit zou voor de eigenaar van die middelen immers een onaanvaardbaar risico op ontdekking daarvan betekenen, zeker nu de middelen lagen in ruimtes van de woning waar de bewoners kunnen worden geacht te komen en de verdachte veel alleen in de woning was. Bovendien was de verdachte niet onbekend met de verschijningsvorm van crystal meth, nu ze dat zelf gedurende enige tijd gebruikte en verstrekt kreeg door [medeverdachte] . Het hof acht het derhalve ongeloofwaardig dat de verdachte niet wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen.
Het hof concludeert dan ook dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Nu zij vrije toegang had tot alle kamers en ruimtes in de woning en de aanwezige verdovende middelen bevonden deze zich daarmee ook in de machtssfeer van de verdachte.
Het hof acht bewezen dat de verdachte de op 1 december 2020 in genoemde woning de aangetroffen verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.
De verdachte bewoonde de woning samen met haar partner, [medeverdachte] . Ook voor hem geldt dat hij toegang had tot alle ruimtes en kamers van de woning en dat hij moet hebben geweten van de aanwezigheid van de aangetroffen verdovende middelen. Mede in aanmerking genomen dat zij niet alleen huisgenoten, maar ook partners waren, acht het hof het niet voorstelbaar dat de verdachte en [medeverdachte] niet ook over en weer van elkaar hebben geweten dat zij zich bewust waren van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat zij deze situatie gezamenlijk zo hebben laten voortduren. Nu geen andere personen in de woning verbleven is in die situatie sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij de machtsuitoefening over de verdovende middelen, zodat het hof het tenlastegelegde medeplegen van het aanwezig hebben van de verdovende middelen bewezen acht.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 1 december 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, in een pand gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
34.195 19.509 tabletten (met logo ‘Rolex’, ‘Hello Kitty’, ‘Philip Plein’) bevattende MDMA en/of 786,6 312 gram kristallen bevattende MDMA en/of
2000 1000 gram poeder bevattende amfetamine en/of
341,7 226,7 gram kristallen bevattende (meth)amfetamine,
in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende zijnde (meth)amfetamine en/of MDMA, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft samen met haar partner een grote hoeveelheid harddrugs aanwezig gehad in hun gezamenlijke woning. Zij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Zoals algemeen bekend is het gebruik van harddrugs – in het bijzonder crystal meth – verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Ook gaan gebruik van en handel in harddrugs veelal gepaard met (andere vormen van) criminaliteit.
Gelet op de hoeveelheid drugs, gaat het hof ervan uit dat deze drugs waren opgeslagen in de woning om deze later te verhandelen. Het hof ziet geen aanwijzingen dat de verdachte bij de handel betrokken was en zij had een relatief kleine rol in het geheel. Het hof zal dit in strafmatigende zin meenemen bij het bepalen van de strafmaat.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
De aard en ernst van het bewezenverklaarde, zoals hiervoor beschreven, maken naar het oordeel van het hof dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden.
In eerste aanleg is de termijn aangevangen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld op 1 december 2020. Het eindvonnis is op 17 januari 2023 gewezen. Gelet op het feit dat de verdachte in eerste aanleg 12 maanden en 23 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het hof uitgaan van een redelijke termijn van twee jaren waarbinnen het eindvonnis moet zijn gewezen, nu de duur van de voorlopige hechtenis minder dan 16 maanden bedraagt. Het hof ziet in de verhouding tussen de tijd die de verdachte in eerste aanleg in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de tijd waarin dat niet het geval is geweest, geen aanleiding om daarvan af te wijken. De redelijke termijn in eerste aanleg is derhalve met 1 maand en 17 dagen overschreden.
In hoger beroep is de termijn aangevangen op 18 januari 2023 en het eindarrest is gewezen op 20 maart 2026. De verdachte heeft in hoger beroep geen tijd doorgebracht in voorarrest, waardoor eveneens een termijn van twee jaren geldt. De redelijke termijn in hoger beroep is derhalve met 14 maanden en 3 dagen overschreden.
Het hof zal deze overschrijdingen verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijdingen van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden zou hebben opgelegd, wordt nu een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het bij dagvaarding I onder 2 en 3 het bij dagvaarding II tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Koole, voorzitter, mr. B.W. Mulder en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2026.