Belastingrecht
Immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, herstel kennelijke fout.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 juli 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:1724 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1724
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 1 juli 2026
- Zaaknummer
- 23/725
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1724
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, herstel kennelijke fout.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 13 april 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:2662Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:1724
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/725
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 april 2023, nummer BRE 21/656, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk,
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken
(hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZ-beschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld op waardepeildatum 1 januari 2019. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt (hierna: de aanslag).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Het hof heeft bepaald dat een zitting achterwege kan blijven, nadat belanghebbende heeft verzocht om zonder zitting uitspraak te doen en de heffingsambtenaar heeft bevestigd dat een zitting achterwege kan blijven. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2019 bij WOZ-beschikking vastgesteld op € 1.250.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking en de aanslag gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil in bezwaar en beroep is overschreden met 13 maanden. De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en vastgesteld op in totaal € 150. De rechtbank heeft dit bedrag voor 4/14e deel toegerekend aan de heffingsambtenaar (€ 42,86) en voor het overige aan de minister (€ 107,14).
3 Gronden
Belanghebbende heeft in hoger beroep alle gronden met betrekking tot de WOZ-beschikking en de aanslag ingetrokken. In hoger beroep gaat het uitsluitend nog om de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 50 per half jaar en dat deze vergoeding € 500 per half jaar dient te bedragen. De totale vergoeding bedraagt dan € 1.500.
Volgens de rechtbank moet voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase worden uitgegaan van 4 maanden en is de redelijke termijn in totaal met 13 maanden overschreden. Dit betekent dat de vergoeding voor 4/13e deel moet worden toegerekend aan de heffingsambtenaar, in plaats van het door de rechtbank berekende 4/14e deel. Om redenen van proceseconomie zal het hof deze kennelijke fout herstellen. Het hof rekent de vergoeding van immateriële schade voor 4/13e deel toe aan de heffingsambtenaar (€ 461,54) en voor het overige aan de minister (€ 1.038,46).
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht in hoger beroep
De heffingsambtenaar en de minister dienen aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Hiervan moeten de heffingsambtenaar en de minister ieder de helft aan belanghebbende vergoeden, dus ieder € 274.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar en de minister tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 233,50. Hiervan moeten de heffingsambtenaar en de minister ieder de helft aan belanghebbende vergoeden, dus ieder € 116,75.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
De vergoeding van immateriële schade, het griffierecht en de proceskostenvergoeding moeten worden betaald op een bankrekening op naam van belanghebbende.
4 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen ter zake van de vergoeding van immateriële schade;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 461,54, onder verrekening van een al uitbetaald bedrag;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.038,46, onder verrekening van een al uitbetaald bedrag;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 274 vergoedt;
- bepaalt dat de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 274 vergoedt;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 116,75;
- veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 116,75.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, B.J. Rubbens en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
J.H.M. van Ooijen M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.