Belastingrecht

Watersysteemheffing en zuiveringsheffing. Te late uitspraak op bezwaar na terugwijzing door rechtbank. Geen…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 september 2026

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
2 september 2026
Zaaknummer
24/1344 tot en met 24/1346
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2344
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Watersysteemheffing en zuiveringsheffing. Te late uitspraak op bezwaar na terugwijzing door rechtbank. Geen dwangsom verschuldigd omdat rechtbank geen termijn heeft gesteld en belanghebbende de heffingsambtenaar niet nadien in gebreke heeft gesteld. Opbrengstlimieten niet overschreden. Kosten verbonden aan provinciale waterwegen zijn op redelijke wijze verdeeld tussen waterschap en provincie. Kosten voor het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures mogen over (waterschaps-)belastingplichtigen worden omgeslagen. Weerstandsvermogen van waterschap is niet excessief gezien toegenomen risico’s.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 2 augustus 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:5359
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2344

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 24/1344 tot en met 24/1346

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 augustus 2024, nummers BRE 23/3498 tot en met 23/3500, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft voor de jaren 2020, 2021 en 2022 aanslagen watersysteemheffing en zuiveringsheffing opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft telkens bezwaar gemaakt (hierna: de eerste bezwaren) en de heffingsambtenaar in gebreke gesteld voor het te laat doen van uitspraak op zijn bezwaren tegen de aanslagen 2020 en 2021 (hierna: de ingebrekestellingen). De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan voor de jaren 2020 en 2021 (hierna: de eerste uitspraken op bezwaar) en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de eerste uitspraken op bezwaar vernietigd en de zaken teruggewezen naar de heffingsambtenaar.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft vervolgens opnieuw uitspraken op bezwaar gedaan (hierna: voor wat betreft de jaren 2020 en 2021 de tweede uitspraken op bezwaar) en daarbij de bezwaren ongegrond verklaard. Voor het jaar 2022 heeft de heffingsambtenaar eveneens uitspraak op bezwaar gedaan. Tegen al deze uitspraken is (wederom) beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens doorgestuurd naar de andere partij.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . Belanghebbende is met kennisgeving van verhindering niet verschenen.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de jaren 2020, 2021 en 2022 de volgende aanslagen watersysteemheffing en zuiveringsheffing (hierna: de aanslagen) opgelegd:

Jaar

Watersysteemheffing ingezetenen

Watersysteemheffing

eigenaren

Zuiveringsheffing

woonruimten

2020

€ 61,15

€ 87,32

€ 174,00

2021

€ 64,43

x

€ 180,30

2022

€ 66,54

x

€ 188,55

2.3.

In de begroting 2020 van het Waterschap Brabantse Delta (hierna: het Waterschap) staat op de pagina's 54 en 56 onder meer het volgende:

“§ 3.1 Begroting 2020 Watersysteembeheer

Begroting 2020 Watersysteembeheer

alle bedragen x € 1.000

Begroting 2020

Totaal te dekken netto lasten

€ 72.308

Totaal omslagen

€ 67.206

Onttrekking (-) / toevoeging (+) egalisatiereserves

- € 4.555

§ 3.2 Begroting 2020 Zuiveringsbeheer

Begroting 2020 taak Zuiveringsbeheer

alle bedragen x € 1.000

Begroting 2020

Totaal te dekken netto lasten

€ 67.670

Totaal opbrengst omslagen

€ 66.842

Onttrekking (-) / toevoeging (+) egalisatiereserves

- € 1.285

Heffing per v.e. in euro’s

€ 58

(…)”.

2.4.

In de begroting 2021 van het Waterschap staat op de pagina’s 42 en 44 onder meer het volgende:

“§ 3.1 Begroting 2021 Watersysteembeheer

Begroting 2021 Watersysteembeheer

alle bedragen x € 1.000

Begroting 2021

Totaal te dekken netto lasten

€ 72.851

Totaal omslagen

€ 70.597

Onttrekking (-) / toevoeging (+) egalisatiereserves

- € 1.668

§ 3.2 Begroting 2021 Zuiveringsbeheer

Begroting 2021 taak Zuiveringsbeheer

alle bedragen x € 1.000

Begroting 2021

Totaal te dekken netto lasten

€ 69.945

Totaal opbrengst omslagen

€ 69.317

Onttrekking (-) / toevoeging (+) egalisatiereserves

- € 945

Heffing per v.e. in euro’s

€ 60,10

(…)”.

2.5.

In de begroting 2022 van het Waterschap staat op de pagina’s 51 en 54 onder meer het volgende:

“3.1 Begroting 2022 Watersysteembeheer

Begroting 2022 Watersysteembeheer

alle bedragen x € 1.000

Begroting 2022

Totaal te dekken netto lasten

€ 75.590

Totaal omslagen

€ 73.898

Onttrekking (-) / toevoeging (+) egalisatiereserves

- € 1.487

3.2

Begroting 2022 Zuiveringsbeheer

Begroting 2022 taak Zuiveringsbeheer

alle bedragen x € 1.000

Begroting 2022

Totaal te dekken netto lasten

€ 73.793

Totaal opbrengst omslagen

€ 73.461

Onttrekking (-) / toevoeging (+) egalisatiereserves

- € 803

Heffing per v.e. in euro’s

€ 62,85

(…)”.

2.6.

Over het weerstandstandvermogen staat in de begroting 2022 van het Waterschap op pagina’s 22 en 23 onder meer het volgende:

“Het weerstandsvermogen van het waterschap is het vermogen om onvoorziene financiële tegenslagen op te vangen, rekening houdend met de risico's die het waterschap loopt.

(…)

[afbeelding niet beschikbaar]”.

2.7.

De provincie Noord-Brabant (hierna: de Provincie) heeft het Waterschap de uitvoering van het beheer over de provinciale vaarwegen in medebewind opgedragen. De Provincie en het Waterschap hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de door het Waterschap gemaakte kosten voor de uitvoering van het beheer over de provinciale waterwegen. De heffingsambtenaar heeft een kopie van de zogenoemde BBP-productenlijst (een bijlage bij de begroting van het Waterschap) overgelegd waaruit de volgende verdeling blijkt (de eerste kolom met percentages ziet op de taak watersysteemheffing en de tweede kolom ziet op het waterwegenbeheer):

[afbeelding niet beschikbaar]

2.8.

Over de bijdrage van de Provincie voor het vaarwegenbeheer staat in de begroting 2022 van het Waterschap op pagina 54:

“

[afbeelding niet beschikbaar]”.

2.9.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 250 en bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslagen terecht heeft opgelegd. Verder is in geschil of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase het hoorrecht van belanghebbende heeft geschonden en of de heffingsambtenaar dwangsommen is verschuldigd voor het te laat doen van (de tweede) uitspraken op de bezwaren tegen de aanslagen 2020 en 2021. Ook is in geschil of de rechtbank ten onrechte het beroep van belanghebbende tegen de aanslag watersysteemheffingen eigenaren 2020 ongegrond heeft verklaard. Ten slotte is in geschil of de rechtbank de vergoeding van immateriële schade op het juiste bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft zijn verzoek tot terugwijzing van de zaken naar de heffingsambtenaar ingetrokken.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep, vernietiging van de aanslagen, toekenning van dwangsommen en verhoging van de vergoeding van immateriële schade. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Hoorrecht

4.1.

Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar zijn recht om te worden gehoord voordat uitspraak op bezwaar werd gedaan, heeft geschonden. Hij stelt daarbij onder meer dat hij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gekregen, dat degenen die hem hebben gehoord niet ter zake kundig waren en ook niet bevoegd waren, dat hij na de ontvangst van nieuwe stukken een tweede hoorgesprek had moeten krijgen, maar dit niet heeft gekregen, en dat degene die tweede uitspraken op bezwaar heeft gedaan niet bij het hoorgesprek is geweest.

4.2.

Het hof zal deze grond van belanghebbende niet behandelen, omdat belanghebbende geen belang heeft bij behandeling daarvan. Belanghebbende heeft immers aangegeven dat hij niet langer wil dat de zaak wordt teruggewezen naar de heffingsambtenaar en heeft het hof verzocht om zelf in de zaak te voorzien. Verder is niet gebleken dat belanghebbende in eerste aanleg proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen en voor wat betreft het door belanghebbende in eerste aanleg betaalde griffierecht heeft de rechtbank bepaald dat de heffingsambtenaar dat aan belanghebbende moet vergoeden. Belanghebbende kan dus niet beter worden van zijn grond met betrekking tot de schending van het hoorrecht en daarom gaat het hof daaraan voorbij.

Dwangsommen

4.3.

Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar dwangsommen is verschuldigd, omdat deze binnen zes weken na de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2022 opnieuw uitspraken op bezwaar had moeten doen op de bezwaren tegen de aanslagen 2020 en 2021. De heffingsambtenaar heeft dat echter pas op 2 juni 2023 gedaan en daarmee te laat. Belanghebbende voert daarbij aan dat hij de heffingsambtenaar in gebreke heeft gesteld toen deze bij de eerste bezwaren tegen de aanslagen 2020 en 2021 de uitspraaktermijn had overschreden (zie 1.2). Volgens belanghebbende heeft hij de heffingsambtenaar met de ingebrekestellingen ook in gebreke gesteld voor de overschrijding van de termijn bij het doen van de tweede uitspraken op bezwaar tegen de aanslagen 2020 en 2021 na de uitspraak van de rechtbank. Volgens belanghebbende is de heffingsambtenaar daarom maximale dwangsommen verschuldigd.

4.4.

Met betrekking tot deze stelling oordeelt het hof als volgt. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. De ingebrekestelling heeft onder meer een signalerende rol voor het bestuursorgaan, die het bestuursorgaan in de gelegenheid stelt een eventueel verzuim te herstellen voordat een procedure bij de bestuursrechter wordt aangespannen en eventueel een dwangsom verschuldigd wordt. Dit geldt niet alleen in de gevallen dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste maal) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Ditzelfde geldt wanneer de bestuursrechter het bestuursorgaan heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen maar geen termijn heeft bepaald waarbinnen dat besluit moet worden genomen. Om recht te doen aan deze signaalfunctie is geen dwangsom verschuldigd in een geval als het onderhavige waarin de rechtbank de heffingsambtenaar opdraagt opnieuw uitspraak op bezwaar te doen zonder daarbij uitdrukkelijk een termijn te stellen, de heffingsambtenaar dat niet binnen zes weken doet en belanghebbende de heffingsambtenaar niet nadien specifiek met betrekking tot dit verzuim in gebreke stelt. Het hof wijst het verzoek van belanghebbende om toekenning van dwangsommen dan ook af.

Aanslag watersysteemheffingen eigenaren 2020

4.5.

Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de aanslag watersysteemheffingen eigenaren 2020 ongegrond heeft verklaard en dat de uitspraak op dit punt dient te worden vernietigd. De heffingsambtenaar heeft immers geen uitspraak op het bezwaar tegen deze aanslag gedaan maar het bezwaar aangehouden, omdat er nog een procedure over de WOZ-waarde van de woning liep. De rechtbank had het beroep voor zover het deze aanslag betreft dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus belanghebbende. De heffingsambtenaar stelt dat uit de uitspraak van de rechtbank niet is af te leiden dat een beslissing is genomen over de watersysteemheffing eigenaren 2020 en dat een beslissing die niet door de rechtbank is genomen, niet door het hof kan worden vernietigd.

4.6.

Het hof constateert dat belanghebbende bij de rechtbank op 26 juni 2023 (pro forma) beroep heeft ingesteld “tegen de drie bijgevoegde uitspraken door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant over de jaren 2020, 2021 en 2022” en dat belanghebbende in hoger beroep heeft verklaard dat “tegen de aanslagregel watersysteemheffing eigenaren 2020 ad € 87,32 geen beroep [is] ingesteld omdat de heffingsambtenaar tegen het daartegen gerichte bezwaar terecht nog geen uitspraak heeft gedaan.”. Uit het voorstaande leidt het hof af dat belanghebbende enkel tegen de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de aanslagen watersysteemheffing ingezeten en zuiveringsheffing woonruimten beroep heeft ingesteld. De rechtbank overweegt in haar uitspraak dat zij de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 juni 2023 beoordeelt (onderdeel 1 van de uitspraak) en dat zij die beroepen ongegrond verklaart (het dictum). Naar het oordeel van het hof volgt daaruit dat de rechtbank niet heeft geoordeeld over de beslissing van de heffingsambtenaar om de behandeling van het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag watersysteemheffing eigenaren 2020 aan te houden. De stelling van belanghebbende met betrekking tot deze aanslag vormt reeds hierom dan ook geen grond om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.

Opbrengstlimieten

4.7.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd. De watersysteemheffing en de zuiveringsheffing zijn zogenoemde bestemmingsheffingen. De opbrengsten van deze heffingen dienen te worden besteed aan de ‘kosten ter zake’, wat meebrengt dat die opbrengsten slechts mogen worden besteed ter bestrijding van de kosten van respectievelijk het watersysteem en de waterzuivering van het desbetreffende jaar of van komende jaren. Belanghebbende stelt dat de opbrengstlimiet over de belastingjaren 2020 tot en met 2022 is overschreden ten aanzien van zowel de watersysteemheffing als de zuiveringsheffing. Dat maakt de daarop betrekking hebbende verordeningen onverbindend, aldus belanghebbende. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft belanghebbende aangevoerd dat (i) de tarieven van de zuiveringsheffing woonruimten niet zijn te herleiden tot het bedrag van de geraamde baten, (ii) een deel van de kosten voor het onderhoud van de provinciale vaarwegen ten onrechte bekostigd wordt uit de watersysteemheffing, (iii) de kosten voor de behandeling van bezwaar en beroep ten onrechte bekostigd worden uit de watersysteemheffing en (iv) het weerstandsvermogen van het Waterschap excessief is.

4.8.

Naar het oordeel van het hof zijn partijen en de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat de watersysteemheffing en de zuiveringsheffing bestemmingsheffingen zijn en dat de opbrengsten van deze heffingen slechts mogen worden besteed ter bestrijding van de kosten van respectievelijk het watersysteem en de waterzuivering van het desbetreffende jaar of van komende jaren.

4.9.

Belanghebbende stelt dat de tarieven van de zuiveringsheffing woonruimten niet herleidbaar zijn naar de geraamde baten, omdat in de jaarlijkse begrotingen het aantal eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens niet afzonderlijk is weergegeven maar getotaliseerd in vervuilingseenheden. De heffingsambtenaar heeft weliswaar een opgaaf verstrekt van het aantal vervuilingseenheden voor huishoudens en bedrijven, maar heeft hiervan geen onderbouwing gegeven of inzicht verstrekt in de wijze waarop deze aantallen tot stand zijn gekomen. Daarom is niet controleerbaar of de opbrengstlimiet wordt overschreden, dat moet voor rekening van de heffingsambtenaar blijven en daarom moeten de aanslagen zuiveringsheffing woonruimten 2020, 2021 en 2022 worden vernietigd, aldus belanghebbende.

4.10.

Over deze stelling van belanghebbende oordeelt het hof als volgt. De vaststelling van de tarieven van de zuiveringsheffing woonruimten berust op een raming, welke raming moet berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat bij die vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. In die gevallen waarin de belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar met de door hem overgelegde stukken en de toelichting die hij daarop heeft gegeven voldoende inzicht in de ramingen met betrekking tot de zuiveringsheffing woonruimten verschaft en heeft belanghebbende onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom redelijke twijfel zou bestaan over de bij de vaststelling van het tarief per vervuilingseenheid gebruikte totale aantal vervuilingseenheden. Anders dan belanghebbende betoogt hoeven de aanslagen zuiveringsheffing op deze grond dan ook niet te worden vernietigd.

4.11.

De Provincie heeft het Waterschap de uitvoering van het beheer over de provinciale vaarwegen in medebewind opgedragen. Belanghebbende stelt dat hoewel de Provincie bijdraagt in de lasten van de uitvoering van het beheer, een deel van de geraamde lasten aangaande de uitgevoerde werkzaamheden door het Waterschap zelf gedragen wordt en dus gedekt wordt door de watersysteemheffing. Belanghebbende betoogt dat de Provincie alle (geraamde) lasten had moeten vergoeden, omdat het beheer van de provinciale vaarwegen een taak van de algemene democratie is die exclusief bij de Provincie berust. Volgens belanghebbende is de taak van het vaarwegbeheer van de Provincie - gelet op de eisen van het scheepvaartverkeer - dermate allesomvattend dat met het uitvoeren daarvan ook automatisch wordt voldaan aan de overige eisen voor het watersysteembeheer. Ter onderbouwing van dit betoog heeft belanghebbende een advies van 8 mei 2018 van [persoon] van de Universiteit Utrecht aan het Waterschap Drents Overijsselse Delta overgelegd. Ook heeft belanghebbende ter onderbouwing van zijn betoog verwezen naar het arrest van 22 juni 2018 waarin de Hoge Raad heeft geconstateerd dat het watersysteembeheer van de Waddenzee exclusief aan het Rijk is opgedragen en heeft geoordeeld dat het Wetterskip Fryslân daarom niet bevoegd is tot het opleggen van aanslagen watersysteemheffing voor percelen gelegen in het gebied van de Waddenzee. Volgens belanghebbende zijn de geraamde lasten van categorie 5000 van de BBP-Productenlijst (zie 2.7.) in de begrotingen 2020, 2021 en 2021 ten onrechte voor respectievelijk € 1.526.000, € 819.252 en € 846.200 aan het watersysteembeheer toegerekend.

4.12.

De heffingsambtenaar heeft daartegen aangevoerd dat, anders dan in het door belanghebbende aangehaalde arrest, het Waterschap wel verantwoordelijk is voor het watersysteembeheer van de provinciale waterwegen. De werkzaamheden die het Waterschap aan de provinciale waterwegen uitvoert zijn gelijkelijk in het belang van het watersysteembeheer (wat de verantwoordelijkheid is van het Waterschap) als het beheer van de waterwegen (wat de verantwoordelijkheid is van de Provincie) en de kosten voor deze werkzaamheden worden op een redelijke wijze (zoals contractueel geregeld met de Provincie en weergegeven in categorie 5000 van de BBP-productenlijst) verdeeld door deze kosten voor de meeste posten voor gelijke delen aan de taken watersysteembeheer en vaarwegenbeheer toe te rekenen. De heffingsambtenaar wijst naar de passages over de jaarlijkse bijdragen van de Provincie voor het vaarwegenbeheer in de begrotingen van het Waterschap (zie 2.8). Daaruit blijkt dat de Provincie de kosten die het Waterschap maakt voor het beheer van de provinciale vaarwegen volledig vergoedt. Zodoende komen de kosten voor de bovenwaterschappelijke taak van het vaarwegenbeheer niet ten laste van het Waterschap en worden deze ook niet gefinancierd uit de watersysteemheffing, aldus de heffingsambtenaar.

4.13.

Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat het Waterschap de kosten begroot voor werkzaamheden aan provinciale waterwegen gelegen binnen haar gebied op redelijke wijze verdeeld tussen haar eigen taak (het watersysteembeheer) en de taak van de Provincie (het waterwegbeheer). Dat het waterwegbeheer van de provinciale waterwegen exclusief is opgedragen aan de Provincie maakt niet dat kosten gemaakt bij werkzaamheden aan die waterwegen zonder meer volledig ten laste van de Provincie moeten komen. Als die werkzaamheden, zoals in het onderhavige geval, in gelijke mate het belang van het beheer van de waterwegen als het beheer van het watersysteem dienen is het niet onredelijk om de kosten die daaraan zijn verbonden gelijkelijk over die twee taken te verdelen. Het hof verwerpt daarom het betoog van belanghebbende dat de geraamde lasten van categorie 5000 van de BBP-Productenlijst volledig ten laste van de Provincie hadden moeten worden gebracht.

4.14.

Belanghebbende constateert dat het Waterschap geraamde kosten voor het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures meeneemt in haar begrotingen. Zodoende brengt het Waterschap die kosten via de watersysteemheffing ten laste van de belastingplichtigen. Belanghebbende betoogt dat dit in strijd is met artikel 7.15, lid 1, Awb.

4.15.

Artikel 7.15, lid 1, Awb bepaalt dat voor de behandeling van het bezwaar geen recht is verschuldigd. Voor het maken van bezwaar mogen aan de bezwaarmaker dus geen kosten in rekening gebracht worden. Anders dan belanghebbende meent staat deze bepaling echter niet in de weg aan een omslag over alle (waterschaps)belastingplichtigen van de kosten die het Waterschap moet maken voor het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Het betoog van belanghebbende faalt dan ook.

4.16.

Belanghebbende constateert dat in de begrotingen van het Waterschap over het weerstandvermogen wordt opgemerkt dat dit is beoordeeld op basis van het beoordelingsmodel van de Universiteit Twente en dat een weerstandsvermogen boven de 2 als uitstekend wordt beoordeeld (zie 2.6). Hij betoogt dat het vermogen boven de 2 bovenmatig is en daarmee niet als last moet worden beschouwd.

4.17.

De heffingsambtenaar verwijst naar het feit dat in de begrotingen 2020, 2021 en 2022 geen bedragen zijn toegevoegd aan de egalisatiereserves / het weerstandvermogen (zie 2.3 t/m 2.5) en dat er alleen al daarom geen sprake kan zijn van een overschrijding van de opbrengstlimiet voor die jaren.

4.18.

Het hof constateert met de heffingsambtenaar dat er in de jaren 2020, 2021 en 2022 geen lasten zijn begroot met betrekking tot het weerstandsvermogen. In die zin kan er dan ook geen sprake zijn van een overschrijding van de opbrengstlimieten. Voor zover belanghebbende betoogt dat de reserves van het Waterschap hadden moeten vrijvallen voor zover het weerstandvermogen meer dan 2 bedroeg, verwerpt het hof dit betoog. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat de waterstanden in Nederland steeds sterker fluctueren, de stand van het zeewater steeds verder stijgt en daarmee de risico’s op onvoorziene grote uitgaven van het Waterschap stijgen. Verder heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat het Waterschap ernaar streeft om de waterschapsbelastingtarieven van jaar tot jaar niet teveel te laten fluctueren en dat het uit het weerstandvermogen kan putten om fluctuaties te dempen. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat het weerstandvermogen niet bovenmatig is. Er is dan ook, anders dan belanghebbende betoogt, geen grond om in de begroting van het Waterschap voor de jaren 2020, 2021 en 2022 een deel van het weerstandsvermogen als bate aan te merken.

4.19.

Uit het voorgaande volgt dat de opbrengstlimieten voor de watersysteemheffing en de zuiveringsheffing over de belastingjaren 2020 tot en met 2022 niet zijn overschreden en dat er geen grond is om de daarop betrekking hebbende verordeningen onverbindend te verklaren.

Evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel

4.20.

Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel, het verbod op willekeur en het evenredigheidsbeginsel schendt door enerzijds wel aan hem de aanslagen op te leggen en anderzijds geen aanslagen watersysteemheffing op te leggen voor waterwegen/vaarwegen (aan de Provincie) en voor het rioleringsstelsel (aan de gemeenten). Hij beroept zich daarbij zowel op de meerderheidsregel als op begunstigend beleid van de zijde van het Waterschap. Volgens belanghebbende ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om de ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aannemelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd begunstigend beleid. Belanghebbende concludeert dat de aanslagen daarom moeten worden vernietigd.

4.21.

De heffingsambtenaar voert daartegen aan dat de Provincie wel wordt belast met watersysteemheffing voor openbare waterwegen. Deze worden als ongebouwde eigendommen, niet zijnde natuurterreinen, in de heffing betrokken. De gemeenten worden volgens hem niet in de belastingheffing betrokken voor de rioleringsstelsels omdat gemeenten met de rioleringen uitsluitend het algemeen belang dienen en de rioleringen niet worden betrokken in de WOZ-waardering.

4.22.

Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar de door belanghebbende genoemde beginselen niet geschonden. Anders dan belanghebbende stelt, vindt de genoemde behandeling van openbare waterwegen van de Provincie en rioleringsstelsels van gemeenten haar grondslag niet in een door de heffingsambtenaar gevoerd beleid, maar volgt deze rechtstreeks uit de Waterschapswet. Artikel 118, lid 5, Waterschapswet bepaalt immers dat openbare waterwegen voor de watersysteemheffing worden aangemerkt als ongebouwde eigendommen, niet zijnde natuurterreinen. Artikel 121, lid 3, Waterschapswet bepaalt dat voor de maatstaf voor de watersysteemheffing werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, buiten aanmerking worden gelaten. Van een schending door de heffingsambtenaar van het gelijkheidsbeginsel door de heffingsambtenaar is dan ook geen sprake. Ook is geen sprake van de door belanghebbende gestelde schending van het evenredigheidsbeginsel door de heffingsambtenaar, omdat, anders dan belanghebbende (veronder)stelt, de belangenafweging met betrekking tot de watersysteemheffing voor openbare waterwegen en zuiveringsinstallaties (inclusief rioleringsstelsels) niet door de heffingsambtenaar maar door de formele wetgever is gemaakt.

Immateriëleschadevergoeding

4.23.

Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade voor de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van in totaal € 2.500.

4.24.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met 25 maanden. Deze overschrijding is in hoger beroep niet in geschil. Dat betekent dat, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden.

4.25.

Het hof stelt vast dat het overgangsrecht met betrekking tot de zogenoemde bagatelgrens zoals de Hoge Raad dat heeft geformuleerd in zijn arrest van 14 juni 2024, van toepassing is. Het hof moet daarom als uitgangspunt nemen dat belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade, nu het financiële belang bij de gevoerde procedure ten minste € 15 bedraagt en dat, behoudens wettelijke uitzonderingen, voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Van een wettelijke uitzondering is in het onderhavige geval geen sprake.

4.26.

De rechtbank heeft de omvang van de vergoeding bepaalt op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2024 en het door de Hoge Raad geformuleerde overgangsrecht ten aanzien van de bagatelgrens (zie 4.25), heeft de rechtbank de hoogte van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte bepaald op € 50 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Het hof stelt de schadevergoeding daarom vast op in totaal € 2.500. Het hoger beroep is daarom gegrond.

4.27.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de bezwaarfase moet worden toegerekend. Deze vaststelling is in hoger beroep niet in geschil. Dat betekent dat het volledige bedrag van de schadevergoeding door de heffingsambtenaar moet worden betaald.

Tussenconclusie

4.28.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.29.

De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.30.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover het de hoogte van de vergoeding van immateriële schade betreft;

  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 2.500, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag;

  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;

  • bepaalt dat, voor zover de in hoger beroep toegekende vergoeding van griffierecht en/of vergoeding van schade niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx B.J. Rubbens

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7920 (voor de aanslagen 2020 en 2021). De heffingsambtenaar heeft het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing eigenaren 2020 aangehouden. Artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De ingebrekestelling met betrekking tot de aanslagen 2020 is van 29 november 2021 en de eerste uitspraak op de bezwaren tegen de aanslagen 2020 is van 10 december 2021. De ingebrekestelling met betrekking tot de aanslagen 2021 is van 1 januari 2022 en de eerste uitspraak op de bezwaren tegen de aanslagen 2021 is van 14 januari 2022. Bij de eerste uitspraken op bezwaar is de heffingsambtenaar dus binnen de veertiendagentermijn van artikel 4:17, lid 3, Awb gebleven. Artikel 4.17, lid 1, Awb. Artikel 4.17, lid 3, Awb. Dit kan anders liggen wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet houdt. Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673. Artikel 229b, lid 1, Gemeentewet. Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777. Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:959. Met uitzondering van de delen die dienen als woning. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5. Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299.