Belastingrecht

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de indexering van de referentieobjecten niet in bezwaar is…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 september 2026

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
2 september 2026
Zaaknummer
24/1687
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2346
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de indexering van de referentieobjecten niet in bezwaar is verstrekt. Het hof oordeelt dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geschonden. De stelling van de heffingsambtenaar dat alle gevraagde informatie van de referentieobjecten ter inzage heeft gelegen, leidt, wat er ook van de juistheid van die stelling zij, niet tot een ander oordeel. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in (hoger) beroep. Hoger beroep gegrond.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 september 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:6447
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2346

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1687

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

(gemachtigde [gemachtigde] van [kantoornaam] )

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 september 2024, nummer BRE 22/4972, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en SchouwenDuiveland,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] 3 in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase het volgende verzoek gedaan:

“Ik verzoek u bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een

controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis

van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2018:357) en de

Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te

overleggen. Indien de door u gebruikte grondstaffel geheel of ten dele het resultaat is van

een geautomatiseerd proces verzoek ik u conform artikel 7:4 lid 2 Awb zorg te dragen

voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van die keuzes, aannames en gegevens.

Tevens verzoek ik u conorm artikel 40 wet WOZ en artikel 7:4 Awb om alle op de zaak

betrekking hebbende stukken, waaronder in ieder geval de onderbouwing van de taxatie,

inzichtelijk te verstrekken, Ik verzoek u, conform voorgaande zin, van het onderhavige

object alsmede van de gehanteerde referentiepanden, de grondstaffels, liggingsfactor,

onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de KOUDV-factoren te

overleggen. Bij een afwijking van de gemiddelde KOUDV-factoren ontvang ik graag inzicht

in de gehanteerde correcties.

Graag ontvang ik deze stukken in een overzichtelijke taxatiekaart. Hieromtrent verwijs ik

naar ECLI:NL:RBNHO:2020:8608 waarin is geoordeeeld dat artikel 7:4 Awb niet alleen

een inzagerecht beschrijft, maar ook een plicht om op verzoek deze stukken toe te

zenden.”

2.2.

De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de door hem gehanteerde grondstaffel verstrekt en de KOUDVL-factoren van de onroerende zaak en de gehanteerde referentieobjecten. Een indexering van de verkoopprijzen van de referentieobjecten naar de waardepeildatum is niet verstrekt.

2.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding wegens schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Aan dat oordeel heeft de rechtbank de volgende motivering ten grondslag gelegd:

“3.6. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een

proceskostenvergoeding wegens schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ.

Voor zover dat artikel door de heffingsambtenaar al zou zijn geschonden, is de rechtbank

namelijk van oordeel dat belanghebbende door die schending niet is benadeeld. De

heffingsambtenaar heeft in zijn emailbericht van 22 juli 2022 de grondstaffels overgelegd.

Voor zover er nog gegevens zouden ontbreken heeft de heffingsambtenaar in de beroepsfase

die schending hersteld door bij het verweerschrift een taxatierapport met matrix te

overleggen. Belanghebbende is daarom, voor zover een schending van artikel 40, tweede

lid, van de Wet WOZ geconstateerd zou kunnen worden, niet langer benadeeld door die

schending. De rechtbank ziet daarom in de feiten en omstandigheden van het geval geen

aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor

de procedure heeft moeten maken.”

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het in 2.3 weergegeven oordeel van de rechtbank juist is.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van rechtbank en tot toekenning van een proceskostenvergoeding in beroep en hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Schending artikel 40, lid 2, Wet WOZ?

4.1.

Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient de heffingsambtenaar aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, op verzoek een afschrift te verstrekken van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak. Deze informatieverplichting van de heffingsambtenaar geldt alleen voor zover de belanghebbende een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. Aan de voorwaarde van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dat het gaat om gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde, is alleen voldaan als de heffingsambtenaar die gegevens bij het geven van de beschikking heeft gebruikt voor het vaststellen van de waarde van een onroerende zaak. Aangezien artikel 40, lid 2, Wet WOZ de heffingsambtenaar de verplichting oplegt een afschrift van bepaalde gegevens te verstrekken, heeft deze verplichting alleen betrekking op gegevens die zijn opgenomen in stukken. Dat kunnen niet alleen op papier vastgelegde gegevens zijn, maar ook in elektronische vorm vastgelegde gegevens, waaronder begrepen grafische weergaven en afbeeldingen, die – op papier of in andere vorm – leesbaar of anderszins waarneembaar kunnen worden gemaakt. Het moet gaan om stukken die reeds bestonden ten tijde van het vaststellen van de beschikking als bedoeld in de Wet WOZ. Artikel 40, lid 2, Wet WOZ legt geen verplichting op om niet-bestaande stukken alsnog (in papieren of in elektronische vorm) te vervaardigen. De beperking tot gegevens die zijn opgenomen in stukken brengt mee dat uit artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet een algemene verplichting voortvloeit om op verzoek inzicht te geven in de wijze waarop de waarde van een onroerende zaak in het desbetreffende geval is bepaald. Het gaat in deze bepaling om een verplichting tot het verstrekken van afschriften, niet tot het geven van uitleg. Als de heffingsambtenaar voor de bepaling van de waarde gebruikmaakt van een computerprogramma, is voor beantwoording van de vraag of bepaalde gegevens rechtstreeks zijn gebruikt voor de waardebepaling niet van belang of die gegevens binnen dat computerprogramma zijn aan te merken als input dan wel als output.

4.2.

Indien de heffingsambtenaar de verkoopprijs van een door hem bij de waardevaststelling gebruikt vergelijkingsobject, na eventuele andere correcties, heeft herrekend naar een waarde op de peildatum, is de bij die herrekening door hem gebruikte indexeringsfactor een gegeven dat aan die waardevaststelling ten grondslag ligt. Aan de verplichting om een dergelijke factor, bijvoorbeeld in de vorm van een indexeringspercentage, op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ op verzoek te verstrekken, voldoet de heffingsambtenaar ook indien hij aan de belanghebbende zodanige gegevens verstrekt over de (gecorrigeerde) verkoopprijs van het vergelijkingsobject en de door hem aangenomen waarde daarvan op de peildatum, dat die factor daaruit eenvoudig kan worden afgeleid.

4.3.

Het hof stelt vast dat de heffingsambtenaar de gevraagde indexering van de referentieobjecten niet uiterlijk bij uitspraak op bezwaar aan belanghebbende heeft verstrekt. De heffingsambtenaar heeft niet betwist dat deze gegevens ten grondslag hebben gelegen aan vastgestelde waarde van de onroerende zaak, zodat ervan uit moet worden gegaan dat dat het geval is geweest. De gehanteerde indexering van de referentieobjecten kan ook niet worden afgeleid uit de in de bezwaarfase overgelegde taxatiekaart of uit andere gegevens die zijn verstrekt. Dit leidt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden. Dat alle gevraagde informatie van de referentieobjecten ter inzage heeft gelegen en dat daarmee voldaan is aan de toen geldende jurisprudentie, zoals door de heffingsambtenaar is gesteld, leidt, wat er ook zij van de juistheid van die stelling, niet tot een ander oordeel.

Toekenning proceskostenvergoeding en veroordeling tot vergoeding van het griffierecht?

4.4.

In geval van schending van de toezendverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, moet als uitgangspunt een proceskostenvergoeding worden toegekend, ook als aan die schending met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt voorbijgegaan. Slechts bij bijzondere omstandigheden kan van een proceskostenvergoeding worden afgezien. Dat geldt ook ten aanzien van eventuele vergoedingen van griffierechten. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken.

Tussenconclusie

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, in totaal derhalve € 188, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.

4.8.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 934 voor de beroepsfase en op 1 (punt) x € 934 x 0,1 is € 93,40 voor de hogerberoepsfase, te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.

4.9.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over het niet toekennen van een proceskostenvergoeding;

  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 188 vergoedt;

  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 934;

  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 93,40.

De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De raadsheer,

R.J.M. de Fouw C.W.M.M. Verkoijen

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.2. tot en met 5.6. Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.11. Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.16.10. 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht. ECLI:NL:GHAMS:2024:2158, Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024. Voor het hoger beroepschrift. Conform artikel 30a, lid 2, onderdeel b, Wet WOZ. Artikel 30a, lid 4, Wet WOZ.