Belastingrecht

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2017 en 2018. De inspecteur heeft…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 september 2026

Zaakgegevens

Op 9 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 september 2026
Datum publicatie
9 september 2026
Zaaknummer
25/776 en 25/777
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2441
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2017 en 2018. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen verminderd naar nihil. Wegens het ontbreken van procesbelang, verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 10 maart 2025

    ECLI:NL:RBZWB:2025:1338
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2441

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 25/776 en 25/777

Uitspraak op het hoger beroep van

de erven van [belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van

10 maart 2025, nummers BRE 23/3906 en BRE 23/3921 in het geding tussen belanghebbenden en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft voor de jaren 2017 en 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd (hierna: de navorderingsaanslagen). Tevens is bij beschikking belastingrente voor 2017 en 2018 in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikkingen).

1.2.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen verminderd (hierna: de verminderde navorderingsaanslagen).

1.3.

[belanghebbende] heeft bezwaar gemaakt tegen de verminderde navorderingsaanslagen. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.

[belanghebbende] heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

[belanghebbende] heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

[belanghebbende] is in de loop van het hoger beroep overleden. Belanghebbenden hebben een verklaring van erfrecht overgelegd en aangegeven het hoger beroep voort te zetten.

1.7.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.8.

De zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbenden, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.9.

De inspecteur heeft tijdens de zitting de verminderingsbeschikking IB/PVV 2018 overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Belanghebbenden hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de verminderingsbeschikking.

1.10.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

[belanghebbende] had tot het jaar 2015 een agrarische onderneming. Tot het ondernemingsvermogen behoorden onder andere grond, opstallen en cultuurgrond (hierna: de onroerende zaken). Vanaf 1 januari 2016 behoorden de onroerende zaken tot het

privévermogen van [belanghebbende] .

2.2.

[belanghebbende] heeft op 28 juni 2018 aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 ingediend. Op 29 november 2019 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd.

2.3.

Op 5 augustus 2019 is door de belastingdienst een controlerapport van een waarde-onderzoek opgesteld in het kader van de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 2015 waarin de onroerende zaken gezamenlijk zijn gewaardeerd op een bedrag van € 644.000.

2.4.

[belanghebbende] heeft op 23 juli 2020 aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 ingediend. Op 3 september 2020 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd.

2.5.

Op 20 juli 2022 heeft met betrekking tot de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De inspecteur is er tijdens de voorbereiding voor deze zitting achter gekomen dat [belanghebbende] de waarde van de onroerende zaken niet had opgenomen als belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in

zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2016 tot en met 2021.

2.6.

Op 15 september 2022 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2016 tot en met 2021 aangekondigd waarin de waarde van de onroerende zaken tot de grondslag van het box 3 vermogen zouden worden gerekend.

2.7.

De inspecteur heeft met dagtekening 24 november 2022 aan [belanghebbende] voor de jaren 2017 en 2018 de navorderingsaanslagen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van respectievelijk € 47.559 en € 37.913. Bij gelijktijdige beschikkingen is voor het jaar 2017 een bedrag van € 1.534 en voor het jaar 2018 een bedrag van € 1.081 aan belastingrente in rekening gebracht. De onroerende zaken zijn daarbij voor een bedrag van € 644.000 gerekend tot de grondslag van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

2.8.

Met dagtekening 25 november 2022 zijn de navorderingsaanslagen ambtshalve verminderd. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in de navorderingsaanslag 2017 bedraagt na vermindering € 34.941 en voor het jaar 2018 na vermindering € 33.828. De onroerende zaken zijn daarbij voor een bedrag van € 644.000 gerekend tot de grondslag van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

2.9.

De inspecteur heeft de bezwaren daartegen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

2.10.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd.

2.11.

Met dagtekening 3 juli 2026 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen verminderd naar nihil. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in de navorderingsaanslag 2017 bedraagt na vermindering € 17.347 en voor het jaar 2018 na vermindering € 10.054. De rentebeschikkingen zijn verminderd naar nihil. Ten aanzien van de onroerende zaken zijn hierbij de pachtinkomsten van € 3.000 per jaar als werkelijk belastbaar inkomen uit sparen en beleggen gerekend.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op vraag of de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd?

3.2.

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot vermindering van de navorderingsaanslagen naar nihil en tot vernietiging van de rentebeschikkingen.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Het hof beoordeelt eerst of belanghebbenden een procesbelang hebben. Als zij dat niet hebben, is het hoger beroep niet-ontvankelijk en komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

4.2.

De inspecteur heeft de verminderingsbeschikking IB/PVV 2017 als nader stuk ingediend en heeft ter zitting de verminderingsbeschikking IB/PVV 2018 overgelegd. Met deze verminderingsbeschikkingen heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen (voor zowel 2017 als 2018) en de rentebeschikkingen verminderd naar nihil.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat er dus geen procesbelang meer is.

4.4.

Omdat belanghebbenden geen procesbelang hebben zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Aan een behandeling van de geschilpunten komt het hof dus niet toe.

Tussenconclusie

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Belanghebbenden hebben namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten hebben gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P.J. Wattel en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van V.J. Weekers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

V.J. Weekers J. Wessels

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.