Belastingrecht
Levering van een paard, toepassing nultarief. Het hof oordeelt dat belanghebbende met haar afnemer een…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2507 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2507
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 16 september 2026
- Zaaknummer
- 24/936
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2507
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Levering van een paard, toepassing nultarief. Het hof oordeelt dat belanghebbende met haar afnemer een levering van het paard naar de Verenigde Staten is overeengekomen, dat niet in geschil is dat het paard daadwerkelijk aan deze afnemer is geleverd en dat het paard zoals overeengekomen het douanegebied van de Unie heeft verlaten. Enig tussentijds gebruik door de afnemer staat de toepassing van het tarief niet in de weg. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat sprake is van fraude, belastingontwijking of misbruik. Belanghebbende mocht daarom het nultarief op deze levering toepassen. Hoger beroep gegrond.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 15 mei 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:3137Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:2507
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/936
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2024, nummer BRE 23/1230, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld door [persoon 1] en [persoon 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2 Feiten
Belanghebbende is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). De activiteiten van de onderneming bestaan (onder meer) uit de handel in springpaarden.
In 2016 heeft belanghebbende een paard genaamd [paard] (hierna: het paard) verkocht aan [manege 1] uit de Verenigde Staten (hierna: de afnemer). Eigenaren van de afnemer zijn [naam 1] en haar twee zonen.
De factuur in verband met de verkoop is gedagtekend 18 juli 2016. Op de factuur is geen omzetbelasting in rekening gebracht. De factuur bevat de tekst:
“Export delivery ex article 146 VAT Directive 2006/112/EG. VAT rate 0%.”.
In de aangifte omzetbelasting voor het derde kwartaal 2016 is de levering aangegeven onder rubriek 3a, getiteld “Leveringen naar landen buiten de EU (uitvoer)”.
Uit internationale wedstrijdgegevens van de Fédération Équestre Internationale (FEI) blijkt dat [naam 2] , de zoon van [naam 1] en mede-eigenaar van de afnemer, in de periode van 29 september 2016 tot en met 21 oktober 2016 met het paard aan in totaal acht wedstrijden binnen Europa heeft deelgenomen (achtereenvolgens drie wedstrijden in Nederland, drie wedstrijden in Duitsland en twee wedstrijden in Denemarken).
In het medisch rapport dat op 8 november 2016 door [A] is opgemaakt, is [naam 1] vermeld als eigenaar van het paard.
Het paard is op 17 november 2016 uitgevoerd naar de Verenigde Staten. Op het uitvoergeleidedocument staat belanghebbende als afzender en [B BV] als aangever vermeld.
Op 18 november 2021 hebben belanghebbende, de afnemer en de heer [persoon 3] de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:
“VERKLARING TEN AANZIEN VAN VERKOOP EN EXPORT PAARD [paard]
1) De heer [persoon 3] van [manege 2] onderhield en onderhoudt een relatie met [manege 1]
, gevestigd in [vestigingsplaats 2] , […] , USA. Die relatie hield en houdt ondermeer in het
trainen van paarden en ruiters van deze ranch, alsmede advies en bemiddeling. Medio 2016
zag de heer [persoon 3] het paard [paard] van [belanghebbende] B.V. actief en
zag in dit paard een potentiële kandidaat voor ruiter [naam 2] van die ranch.
2) Na daartoe strekkende onderhandelingen en met bemiddeling van de heer [persoon 3] ,
zijn partijen [belanghebbende] B.V. (verkoper) en [manege 1] (koper)
verkoop en koop van [paard] overeengekomen voor een prijs van EUR 350.000 en met
beoogde levering naar de Verenigde Staten (export).
3) Gezien het belang van een geschikte en werkbare match tussen ruiter en paard, die niet
anders vastgesteld kan worden dan door het daadwerkelijk beproeven van die match, zijn
partijen overeengekomen dat het paard nog enige tijd in Nederland c.q Europa zou blijven
om onder toezicht van de heer [persoon 3] deze match te beproeven door middel van
training en deelname aan enkele lokale (binnen EU) concours. Ten aanzien van deze probatie
verklaren partijen dat die tussen hen (mondeling overeengekomen) een ontbindende
voorwaarde vormde voor de verkoop en tevens opschortende voorwaarde voor de levering
van het paard en uitvoer naar de Verenigde Staten. De heer [persoon 3] en koper zijn hierna
tot de vaststelling gekomen dat het paard geschikt is en koper heeft daarmee de
kooptransactie bekrachtigd en daarop is het paard uitgevoerd naar de Verenigde Staten.
4) Verkoper heeft bij het bereiken van de overeenstemming over verkoop en koop (gesloten
onder de in deze verklaring opgenomen voorwaarden) een factuur uitgereikt aan koper op
18 juli 2016 en de factuur is door koper betaald op 20 juli 2016. De verkoop en koop werd
tussen partijen bekrachtigd na het concours in [plaats] , Denemarken (derhalve na 21 oktober
2016) en opgevolgd met feitelijke uitvoer naar de Verenigde Staten op 17 november 2016
door [B BV] en met vermelding van [belanghebbende]
BV als exporteur.
Aldus naar waarheid verklaard en ondertekend op 18 november 2021”.
In verband met de levering van het paard heeft de inspecteur op 15 december 2021 een naheffingsaanslag opgelegd, waarbij een bedrag van € 60.743 aan omzetbelasting is nageheven. Daarnaast heeft de inspecteur gelijktijdig een boete opgelegd van € 250 en
€ 11.334 aan belastingrente in rekening gebracht.
Op 13 januari 2023 heeft de afnemer een gestelde vordering op de belastingdienst ter hoogte voor een bedrag gelijk aan de nageheven omzetbelasting gecedeerd aan belanghebbende. In de overeenkomst staat vermeld dat de afnemer slechts op deze manier de op de levering verschuldigde omzetbelasting zal betalen.
Op 3 februari 2023 heeft de afnemer een machtiging verstrekt aan het bedrijf waaraan de gemachtigde van belanghebbende is verbonden voor het terugvragen van omzetbelasting voor het jaar 2016. De gemachtigde heeft op 8 maart 2023 namens de afnemer bij de inspecteur schriftelijk een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting ingediend. Op 14 maart 2024 informeert de inspecteur de gemachtigde middels een brief, waarin onder meer het volgende staat vermeld:
“Ik neem uw verzoek om teruggaaf niet in behandeling. De reden voor die beslissing is als volgt. De inspecteur heeft met inachtneming van artikel 31, lid 2 en lid 4 van de Wet op omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) alsook artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het formulier vastgesteld waarmee het verzoek om teruggaaf in het onderhavige geval ingediend had moeten worden. Het onderhavige verzoek is niet via dat voorgeschreven formulier ingediend. Gezien artikel 4:5, lid 1, onderdeel a van de Awb is dat een reden voor de inspecteur om het verzoek niet in behandeling te nemen. In beginsel zou ik u gezien de laatste volzin van artikel 4:5, lid 1 van de Awb in de gelegenheid moeten stellen om het verzuim te herstellen. In dit geval is er sprake van een onherstelbaar gebrek, aangezien reeds is gebleken dat uw client de noodzakelijke registratieformaliteiten niet wil c.q. kan vervullen. Ik acht het derhalve niet opportuun om een termijn te stellen als bedoeld in artikel 4:5, lid 1, laatste zinssnede van de Awb.
Voor zover uw verzoek om teruggaaf als een ambtshalve verzoek om teruggaaf op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelasting jo. paragraaf 23, lid 7, onderdeel b van het Besluit fiscaal bestuursrecht1 kan dat ook niet tot teruggaaf leiden gezien paragraaf 23, lid 8, onderdeel d van het Besluit fiscaal bestuursrecht.
Bovendien is niet gebleken dat [hof: afnemer] voldoet aan de materiele voorwaarden voor het recht op aftrek.
Voetnoot: [1] Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 november 2023 (Stcrt. 2023, 24452).”.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
i. Wettelijk kader
Artikel 146 van de Btw-richtlijn luidt, voorzover hier van belang:
“1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:
|
a) |
(…) |
|
b) |
de levering van goederen die door of voor rekening van een niet op hun respectieve grondgebied gevestigde afnemer worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van door de afnemer zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik; |
(…)”.
Artikel 9 Wet OB luidt, voorzover hier van belang:
“1. De belasting bedraagt 21 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting:
a. (…);
b. nihil voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij deze wet behorende tabel II, mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden.”.
De in artikel 9 Wet OB genoemde Tabel II luidt onder post 2 als volgt:
“goederen welke door een ondernemer worden:
-uitgevoerd uit de Unie, met uitzondering van goederen welke zijn bestemd voor de bevoorrading in Nederland van vervoermiddelen;
-geplaatst onder de regeling douane-entrepot op basis van artikel 237, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie;
Bijzondere bepaling
Tot de post behoren niet goederen die in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen als reizigersbagage of als zending waaraan elk handelskarakter vreemd is, worden uitgevoerd uit de Unie”.
Artikel 12, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 luidt:
“De aanspraak op toepassing van het tarief van nihil voor leveringen, intracommunautaire verwervingen en invoer van goederen en voor diensten, genoemd in de bij de wet behorende tabel II, geldt slechts, indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt.”.
Het Hof van Justitie EU heeft in zijn arrest van 19 december 2013 onder meer het volgende overwogen:
“23 Dienaangaande zij opgemerkt dat volgens artikel 146, lid 1, sub b, van richtlijn 2006/112 de lidstaten vrijstelling verlenen voor de levering van goederen die door of voor rekening van de afnemer worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Unie. Die bepaling moet worden gelezen in samenhang met artikel 14, lid 1, van die richtlijn, dat bepaalt dat als „levering van goederen” wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.
24 Uit die bepalingen, met name uit de in dat artikel 146, lid 1, sub b, gebruikte term „verzonden”, volgt dat een goed is uitgevoerd en de exportlevering wordt vrijgesteld, wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over dat goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een plaats buiten de Unie is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de Unie ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (zie met betrekking tot intracommunautaire leveringen, arresten van 27 september 2007, Teleos e.a., C-409/04, Jurispr. blz. I‑7797, punt 42; 7 december 2010, R., C-285/09, Jurispr. blz. I‑12605, punt 41, en 6 september 2012, Mecsek‑Gabona, C-273/11, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 In het hoofdgeding staat vast dat leveringen van goederen in de zin van artikel 14 van richtlijn 2006/112 hebben plaatsgevonden en dat de goederen waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde transacties betrekking hebben het grondgebied van de Unie fysiek hebben verlaten.
26 Anders dan de door de Hongaarse regering aangevoerde bepalingen van richtlijn 2006/112 betreffende het recht op aftrek, op grond waarvan dat recht in principe wordt uitgeoefend in de periode waarin het is ontstaan, stelt artikel 146, lid 1, sub b, van die richtlijn voor de toepassing van de in dat artikel bedoelde vrijstelling bij uitvoer niet als voorwaarde dat het exportgoed het grondgebied van de Unie binnen een bepaalde termijn moet hebben verlaten. Een dergelijke termijn is in artikel 147, lid 1, sub b, van die richtlijn slechts bij wijze van uitzondering vastgesteld voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.
27 De kwalificatie van een transactie als exportlevering in de zin van artikel 146, lid 1, sub b, van richtlijn 2006/112 kan bijgevolg niet afhangen van de inachtneming van een bepaalde termijn waarbinnen het betrokken goed het douanegebied van de Unie moet hebben verlaten en waarvan de niet‑inachtneming tot gevolg heeft dat de belastingplichtige de vrijstelling bij uitvoer definitief wordt ontzegd.
(…)
33 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en eventuele misbruiken een doel is dat door richtlijn 2006/112 wordt erkend en gestimuleerd (arrest van 6 december 2012, Bonik, C-285/11, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo heeft het Hof geoordeeld dat de doelstelling van voorkoming van belastingfraude soms rechtvaardigt dat hoge eisen worden gesteld aan de op de leveranciers rustende verplichtingen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Teleos e.a., punt 58, en Netto Supermarkt, punt 22).
34 Derhalve staat het de lidstaten in principe vrij, met inachtneming van de handelspraktijken op het gebied van de uitvoer naar derde staten, een redelijke uitvoertermijn vast te stellen om na te gaan of een goed in het geval van een exportlevering de Unie daadwerkelijk heeft verlaten.
35 Aan de verkoper van een exportgoed een bepaalde termijn opleggen waarbinnen dat goed het douanegebied van de Unie moet hebben verlaten, is, zoals de Commissie in haar opmerkingen naar voren heeft gebracht, daartoe immers een passend middel.
36 Een dergelijke termijn, na afloop waarvan de levering van een exportgoed kan worden belast, mag echter niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is.
(…)
40 In een situatie waarin is voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling bij uitvoer zoals bedoeld in artikel 146, lid 1, sub b, van richtlijn 2006/112, met name het vertrek van de betrokken goederen uit het douanegebied van de Unie, is over die levering immers geen btw verschuldigd (zie naar analogie reeds aangehaald arrest Collée, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dergelijke omstandigheden bestaat in principe geen gevaar meer voor belastingfraude of belastingderving dat kan rechtvaardigen dat de betrokken transactie wordt belast.”.
ii. Stellingen van partijen
Belanghebbende stelt primair dat ter zake van de levering van het paard het tarief van nihil (hierna: nultarief) ten aanzien van de uitvoer van goederen van toepassing is. Belanghebbende stelt dat het paard onder een ontbindende voorwaarde is geleverd en dat de deelname aan enkele wedstrijden in de EU voor de afnemer nodig was om te bepalen of het paard geschikt was. Belanghebbende verwijst daarbij naar de verklaring zoals weergegeven onder 2.7. Vervolgens is het paard daadwerkelijk uitgevoerd. Belanghebbende stelt subsidiair dat het onmogelijk is gebleken om de nageheven omzetbelasting alsnog te vorderen van haar afnemer en dat het haar tevens onmogelijk is gemaakt om namens haar afnemer de nageheven omzetbelasting terug te vragen op de voet van artikel 31, lid 4, Wet OB. De beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid moeten volgens belanghebbende dan meebrengen dat het recht op aftrek van voorbelasting van de afnemer aan haar moet worden toegekend.
De inspecteur stelt dat de macht om als eigenaar over het paard te beschikken op 18 juli 2016 is overgegaan op de afnemer. Voorzover sprake zou zijn van een ontbindende voorwaarde, doet deze daar volgens de inspecteur niet aan af. Daarnaast betoogt de inspecteur dat het temporele en materiële verband tussen de levering en de uitvoer door het tijdsverloop en de deelname aan wedstrijden is verbroken. De inspecteur stelt in dit kader dat een vervoersonderbreking bestaande uit een tijdvak waarin met het paard getraind wordt en aan wedstrijden wordt deelgenomen niet noodzakelijk is om het paard in overeenstemming te brengen met de eventuele (niet schriftelijk vastgelegde) contractuele leveringsvoorwaarden. Verder stelt de inspecteur dat de deelname aan wedstrijden niet slechts diende om het paard in conditie te houden. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van belanghebbende stelt de inspecteur dat de afnemer kennelijk niet bereid was tot het betalen van de verschuldigde omzetbelasting en/of onvoldoende heeft meegewerkt aan het teruggaafverzoek dat op de voet van artikel 31, lid 4, Wet OB namens hem ingediend kon worden. De inspecteur stelt dat dit keuzes van de afnemer zijn geweest, die niet voor rekening van de inspecteur kunnen komen.
iii. Toepassing van het nultarief
Het hof benadrukt allereerst dat uit het rechtskarakter het Europese btw-stelsel, zoals vastgelegd in de Btw-richtlijn, voortvloeit dat de belasting wordt geheven volgens het bestemmingslandbeginsel. Het is daarmee uitdrukkelijk niet de bedoeling van de richtlijngever dat goederen met een bestemming buiten de EU worden belast met omzetbelasting. Hieraan ligt mede ten grondslag dat goederen waarvan de kostprijs verhoogd wordt met belastingen, redelijkerwijs niet kunnen concurreren op markten buiten de Unie. De toepassing van het nultarief voor de uitvoer van goederen is daarmee geen faciliteit of tegemoetkoming, maar een essentieel en kenmerkend onderdeel van het Europese btw-stelsel.
Het hof stelt vast dat belanghebbende een paard heeft verkocht, waarbij beoogd is om dit paard naar de Verenigde Staten te leveren. Dat een levering naar de Verenigde Staten is beoogd, leidt het hof af uit de factuur, waarop het nultarief is toegepast onder vermelding van artikel 146 van de Btw-richtlijn, de vermelding van belanghebbende als afzender op het uitvoergeleidedocument en de verklaring genoemd in 2.7. Ten aanzien van die verklaring wijst het hof daarbij op de ondertekening door de heer [persoon 3] , die geen (direct) belang heeft bij de uitkomst van deze procedure, wat bijdraagt aan de geloofwaardigheid van deze verklaring. Tussen partijen is verder niet in geschil dat het paard daadwerkelijk is geleverd aan de afnemer en dat het paard het douanegebied van de Unie heeft verlaten. In zoverre heeft belanghebbende de toepassing van het nultarief aannemelijk gemaakt en resteert slechts de vraag of het tijdsverloop en hetgeen is gebeurd tussen de uitreiking van de factuur en het moment dat het paard het douanegebied van de Unie heeft verlaten tot een ander oordeel moet leiden.
Met de inspecteur is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat de levering van het paard al heeft plaatsgevonden op het moment van het uitreiken van de factuur en dat het paard het douanegebied van de Unie pas enkele maanden later heeft verlaten. Uit het in 4.1.5. aangehaalde arrest van het Hof van Justitie EU blijkt echter dat een dergelijk tijdverloop tussen de levering en het verlaten van het douanegebied van de Unie de toepassing van de vrijstelling c.q. het nultarief niet in de weg staat.
Dat de afnemer gebruik heeft gemaakt van het paard nadat het aan haar is geleverd, kan belanghebbende evenmin worden tegengeworpen. In het genoemde arrest van het Hof van Justitie EU is sprake van een levering en het verlaten van het douanegebied van de Unie, waartussen meer dan 90 dagen waren verstreken. De levering van deze goederen brengt met zich mee dat de macht om als eigenaar over die goederen te beschikken, op dat moment al was overgegaan op de afnemer. Dit brengt verder met zich mee dat het die afnemer vanaf dat moment vrijstond over die goederen te beschikken, hetgeen getuige het arrest van het Hof van Justitie EU op zichzelf niet reeds de conclusie rechtvaardigt dat de vrijstelling c.q. het nultarief niet kan worden toegepast. De stelling van de inspecteur dat gebruik door de afnemer in de tijd tussen de levering en het verlaten van het douanegebied van de Unie reeds in de weg zou staan aan het nultarief door belanghebbende kan niet worden aanvaard. Het hof verstaat de genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie EU zo dat aan vrijstelling c.q. nultarief zeker niet in de weg staat aan het gebruik van het goed op een wijze die niet uitstijgt boven hetgeen nodig of gebruikelijk is om het in de conditie te houden die het had bij de aanschaf (levering). In geval van een wedstrijdpaard kan het deelnemen aan wedstrijden onder zulk gebruik worden begrepen.
Steun voor het oordeel dat enig tussentijds gebruik door de afnemer de toepassing van het tarief niet in de weg staat, vindt het hof verder in artikel 147 Btw-richtlijn, waaruit volgt dat de vrijstelling van artikel 146, lid 1, punt b onder voorwaarden eveneens van toepassing is op goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers die niet in de Europese Unie zijn gevestigd. De inspecteur heeft bevestigd dat gebruik door de afnemer in de Unie tot het moment van vertrek naar de bestemming buiten de Unie niet aan deze vrijstelling afdoet. Het hof onderschrijft deze opvatting en ziet niet in waarom gebruik door de afnemer dan wel zou afdoen aan de toepassing van het nultarief door belanghebbende, aangezien dat nultarief net als de vrijstelling voor de reizigersbagage is gebaseerd op artikel 146, lid 1, punt b, Btw-richtlijn.
Verder wijst het hof erop dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van fraude, belastingontwijking of misbruik. Ook in die zin bestaat dus geen reden om belanghebbende de toepassing van het nultarief te ontzeggen.
Tot slot is gesteld noch gebleken dat het paard bij het verlaten van het douanegebied van de Unie een ander goed is dan bij de levering. Het hof is van oordeel dat de deelname aan wedstrijden vanaf de levering tot dat moment juist bijdraagt aan het in wedstrijdconditie houden van het paard en dat het kenmerk van een wedstrijdpaard is dat het aan wedstrijden deelneemt.
Samenvattend concludeert het hof dat belanghebbende met haar afnemer een levering van het paard naar de Verenigde staten is overeengekomen, dat niet in geschil is dat het paard daadwerkelijk aan deze afnemer is geleverd en dat het paard zoals overeengekomen het douanegebied van de Unie heeft verlaten. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat sprake is van fraude, belastingontwijking of misbruik. Belanghebbende mocht daarom het nultarief op deze levering toepassen. Het hof zal daarom de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente vernietigen. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling meer. De inspecteur heeft ter zitting toegezegd de opgelegde boete ambtshalve te zullen verminderen als belanghebbende door het hof in het gelijk wordt gesteld.
Tussenconclusie
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 559, in totaal € 924, te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar
De inspecteur heeft bij uitspraak het bezwaar ongegrond verklaard en daarom de kosten van het bezwaar niet vergoed. Zoals volgt uit deze uitspraak, is het bezwaar ten onrechte ongegrond verklaard. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.332.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
Het hof stelt deze tegemoetkoming zowel voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank als de behandeling van het hoger beroep bij het hof op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868, hetgeen leidt tot een totale vergoeding van 3.736.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
-
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-
vernietigt de naheffingsaanslag;
-
vernietigt de beschikking belastingrente;
-
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 3.736.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, H.W.M. van Kesteren en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.