Belastingrecht

WOZ en OZB niet-woning. Gecorrigeerde vervangingswaarde grond en gebouwen van nutsbedrijf. Bepaald op basis…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
24/1429
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2508
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WOZ en OZB niet-woning. Gecorrigeerde vervangingswaarde grond en gebouwen van nutsbedrijf. Bepaald op basis van optelsom van de waarde van de samenstellende onderdelen. Waarde van de grond met bedrijfsbestemming aannemelijk gemaakt met het Kader Grondprijzen van de gemeente en een overzicht met markttransacties onbebouwde bedrijfsgrond.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 2 augustus 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:5362
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2508

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1429

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] N.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 augustus 2024, nummer BRE 22/752, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,

hierna: de heffingsambtenaar,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting eigenaar en onroerendezaakbelasting gebruiker (hierna: de aanslagen) voor het jaar 2020 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.

1.6.

De heffingsambtenaar heeft bij brief van 4 augustus 2026 verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft dit verzoek op 5 augustus 2026 afgewezen.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, samen met [taxateur] (taxateur), en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] (taxateur).

1.8.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de heffingsambtenaar.

1.9.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een productielocatie van drinkwater die bestaat uit bedrijfsgebouwen, benodigd voor de drinkwaterproductie, vier woningen (hierna: de woningen) en grond.

2.2.

De onroerende zaak is gelegen in het buitengebied van [plaats] . De totale kadastrale oppervlakte bedraagt 65.556 m². Daarvan is 3.531 m² toegerekend aan de woningen (zie 2.1) als vier zelfstandige WOZ-objecten en 62.025 m² aan de onroerende zaak.

2.3.

De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2019 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 13.478.000 (hierna: de beschikte waarde). Hij heeft daarbij de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar 2020 vastgesteld op € 28.883 en de aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker op € 24.395.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de beschikte waarde onderbouwd met een taxatieverslag (hierna: het taxatieverslag bezwaar) waaruit een waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum van € 13.478.181 volgt, verdeeld over een totale grondwaarde van € 4.974.450 en een totale opstalwaarde van € 8.503.731. Bij de berekening van de grondwaarde gaat het taxatieverslag bezwaar uit van 37.275 m² bouwgrond met een waarde van € 118 per m², 13.500 m² bosgrond met een waarde van € 1 per m² en 11.250 m² tuingrond met een waarde van € 50 per m².

2.5.

In eerste aanleg heeft belanghebbende een taxatierapport (hierna: het taxatierapport belanghebbende) ingebracht opgemaakt door [taxateur] (verbonden aan [bedrijf 1] ) waaruit een waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum van € 11.938.000 volgt. Daarbij is de totale waarde van de grond berekend op afgerond € 708.000 (berekend als 65.556 m² maal € 10,80 per m²) en de totale waarde van de opstallen op afgerond € 11.230.000.

2.6.

De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg een gewijzigd taxatieverslag overgelegd (hierna: het taxatieverslag beroep) waaruit een waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum van € 14.338.509 volgt. De totale waarde van de opstallen is daarbij (net als in het taxatieverslag bezwaar) bepaald op € 8.503.731 en de totale waarde van de grond op € 5.834.778. Bij de berekening van de grondwaarde gaat het taxatieverslag beroep uit van 38.046 m² grond met bestemming bedrijf met een waarde van € 140 per m² (in totaal € 5.326.440), 10.344 m² grond met bestemming wonen met een waarde van € 45,8479 per m² (in totaal € 474.251) en 13.635 m² grond met bestemming bos met een waarde van € 2,50 per m² (in totaal € 34.087).

2.7.

Voor het instellen van beroep bij de rechtbank heeft belanghebbende griffierecht betaald van € 365. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met zestien maanden. De rechtbank heeft de omvang van de immateriële schade door de overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en de totale immateriële schadevergoeding daarom bepaald op € 150 (drie maal € 50). De rechtbank heeft overwogen dat 3/16de deel hiervan voor rekening van de heffingsambtenaar komt (€ 28,12) en de rest voor rekening van de minister (€ 121,88), maar de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van € 34,62 en de minister tot € 115,38. De rechtbank heeft verder bepaald dat de minister en de heffingsambtenaar ieder de helft van het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende moeten vergoeden. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van een totaal bedrag aan griffierecht van € 50.

2.8.

In hoger beroep heeft belanghebbende een aanvullende taxatienotie grondwaarde (hierna: de aanvullende taxatienotitie) van [taxateur] overgelegd. De aanvullende taxatienotitie (i) corrigeert de aan de onroerende zaak toe te rekenen grond van 65.556 m² naar 62.025 m², (ii) sluit voor de waardering van de opstallen/bedrijfsgebouwen en ook voor de waardering van de grond met de bestemming bos en wonen aan bij de waardering van de heffingsambtenaar in het taxatieverslag beroep en (iii) waardeert de 38.046 m² grond met bestemming bedrijven per m² op respectievelijk € 10,80 (primair standpunt), € 20 (subsidiair standpunt) en € 75 (meer subsidiair standpunt). Uit de aanvullende taxatienotitie volgt een (totale) waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum van respectievelijk € 9.422.000 (primair), € 9.772.000 (subsidiair) en € 11.865.000 (meer subsidiair).

2.9.

De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep een overzicht van tien verkopen (acht in 2020 en twee in 2021) van ongebouwde percelen in [plaats] met bedrijfsbestemming overgelegd (hierna: het Transactieoverzicht).

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  • Is de beschikte waarde te hoog?

  • Is de immateriële schadevergoeding te laag?

  • Is de vergoeding voor het in eerste aanleg betaalde griffierecht te laag?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, verlaging van de beschikte waarde naar € 9.422.000 (primair), € 9.772.000 (subsidiair) of € 11.865.000 (meer subsidiair), een immateriële schadevergoeding van € 1.500, vergoeding van het griffierecht betaald voor de eerste aanleg voor een bedrag van € 365, een immateriële schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en een vergoeding van de bezwaarkosten en de proceskosten. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, bevestiging van de beschikte waarde, een immateriële schadevergoeding van € 1.500 en vergoeding van griffierecht in eerste aanleg voor een bedrag van € 365.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Bij de onder 1.6 vermelde brief heeft de heffingsambtenaar verzocht om uitstel van de zitting van 28 augustus 2026 omdat, zakelijk weergegeven, belanghebbende op 27 juli 2026 nadere stukken in het geding had gebracht met daarin taxatie-technische aspecten die niet met de betrokken taxateurs konden worden afgestemd omdat die gedurende de periode voorafgaand aan de geplande zitting niet beschikbaar waren. Het hof heeft het verzoek om uitstel afgewezen, omdat tussen het indienen van het nader stuk door belanghebbende en de geplande zittingsdatum meer dan vier weken en daarmee voldoende tijd zit om kennis te nemen van het stuk, de inhoud daarvan af te stemmen met een (eventueel vervangende) taxateur en hier eventueel ter zitting of in een tiendagenstuk op te reageren.

Ten aanzien van het geschil

Toetsingskader

4.2.

De waarde van de onroerende zaak is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor de onroerende zaak. De waarde van de onroerende zaak wordt bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde (hierna: de GVW) indien dit leidt tot een hogere waarde. Naar de bedoeling van de wetgever is de GVW van een onroerende zaak de waarde welke de zaak in economische zin voor haar eigenaar heeft. Die hogere waarde voor de eigenaar zelf kan worden gevonden door uit te gaan van de veronderstelling dat voor de te waarderen zaak een markt zou zijn waarop de tegenwoordige eigenaar niet alleen als verkoper zou opereren maar tevens als koper die de zaak zou willen verwerven met handhaving van de aard en bestemming ervan. Zoals bij de bepaling van de verkoopwaarde wordt uitgegaan van een fictieve verkoop, ongeacht of de eigenaar daartoe bereid of in staat is, zo wordt ook bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde uitgegaan van een veronderstelde vervanging, zonder dat daarbij van belang is of de eigenaar tot vervanging zal willen en kunnen overgaan. Voor onroerende zaken die niet met winstoogmerk worden geëxploiteerd wordt de waarde voor de eigenaar zelf bepaald op het bedrag waarvoor de eigenaar een zaak zou kunnen verwerven die voor hem hetzelfde nut oplevert als de te waarderen zaak. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.

Omvang van het geschil over de waardering

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de GVW. Het hof sluit zich aan bij deze, naar zijn oordeel juiste, gezamenlijke opvatting van partijen.

4.4.

De onroerende zaak bestaat uit grond en bedrijfsgebouwen (zie 2.1). Tussen partijen is niet in geschil dat de GVW van de onroerende zaak de som is van de aan de samenstellende delen toegekende deelwaarden en dat de grond is samengesteld uit grond met bestemming van respectievelijk wonen (10.344 m²), bos (13.635 m²) en bedrijf (38.046 m²). Het hof stelt voorop dat artikel 17, lid 3, Wet WOZ ziet op de bepaling van de waarde die de gehele onroerende zaak voor de eigenaar van de zaak heeft en dat de som van de waarden van de delen waaruit de onroerende zaak is samengesteld, niet per definitie gelijk is aan die waarde. Het hof vindt in de feiten en hetgeen partijen ter onderbouwing van hun standpunten inzake de waarde van de onroerende zaak hebben aangevoerd echter geen aanwijzing dat in dit geval de som van de deelwaarden van de samenstellende delen in meer dan verwaarloosbare mate afwijkt van de waarde welke de onroerende zaak in economische zin voor de eigenaar van de zaak heeft. Het een en ander afwegend, volgt het hof partijen in hun gezamenlijke opvatting dat de GVW van de onroerende zaak berekend dient te worden door de optelling van de deelwaarden van de samenstellende delen.

4.5.

Niet in geschil zijn de waarden van de bedrijfsgebouwen en de grond met de bestemming van respectievelijk wonen en bos. De waarde van de bedrijfsgebouwen is € 8.503.731, de waarde van de grond met de bestemming wonen is € 474.251 en de waarde van de grond met bestemming bos is € 34.087 (zie 2.6 hierboven). Uitsluitend de waarde van de grond met de bestemming bedrijf (hierna: de bedrijfsgrond) is in geschil.

Waardering van de bedrijfsgrond

4.6.

De beschikte waarde impliceert een waarde van de bedrijfsgrond van in totaal € 4.465.931 (te weten de WOZ-waarde van € 13.478.000 minus € 8.503.731 minus € 474.251 minus € 34.087). Dat betekent een waarde per m² van de bedrijfsgrond van € 117,38 per m2 (te weten € 4.465.931 gedeeld door 38.046 m2). De heffingsambtenaar onderbouwt deze prijs per m² van de bedrijfsgrond met een verwijzing naar het rapport “Concept Kader Grondprijzen 2019” van de gemeente Tilburg (hierna: het Kader) en daarin opgenomen uitgifteprijs voor:

“5.1 Gronden voor Openbare en Bijzondere Gebouwen (O.B.G.)* in uitleggebieden, niet-commerciële verenigingen en kinderdagverblijven (zowel commercieel als niet-commercieel) incl. transformatorruimtes, gasstations etc.**


€ 118 per m2 bvo met minimum € 118 per m2 terrein. (…)”

** De exploitant moet bij verkoop van het object aan een commerciële partij of bij de overgang van niet commerciële naar commerciële exploitatie, bijbetalen tot de actuele marktprijs van de kavel van betreffende object op moment van doorverkoop. Bij verkoop van sportaccommodaties moet de exploitant het object eerst aan de gemeente aanbieden.”

De heffingsambtenaar verwijst verder naar het Transactieoverzicht (zie 2.9) en met name naar de daarin opgenomen verkopen van de drie grootste kaveloppervlakten (met een oppervlakte tussen 46 en 64 hectaren) waaruit een naar de waardepeildatum geïndexeerde waarde per m² tussen € 123 en € 130 volgt. De heffingsambtenaar betoogt dat (i) voor de waardering beslissend is welk bedrag belanghebbende op de waardepeildatum redelijkerwijs zou moeten betalen voor een vergelijkbaar perceel op een vergelijkbare locatie binnen Tilburg, met dezelfde bestemming en gebruiksmogelijkheden, (ii) dat belanghebbende een vergelijkbaar perceel alleen door uitgifte door de gemeente tegen een prijs van € 118 per m² of door een koop op de vrije markt van grond met de bestemming bedrijf tegen een hogere prijs per m² zou kunnen verkrijgen en (iii) dat de in de beschikte waarde van de bedrijfsgrond geïmpliceerde waarde per m² van € 117,38 voor de bedrijfsgrond dus niet te hoog is.

4.7.

Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde per m² bedrijfsgrond op de waardepeildatum ten minste € 117,38 was. Zij voert daartoe aan dat het door de heffingsambtenaar overgelegde Kader een concept is zonder bewijswaarde en dat de bedrijfsgrond niet valt binnen de categorie ‘Gronden voor Openbare en Bijzondere Gebouwen in uitleggebieden’ van het Kader (omdat het drinkwaterbedrijf niet in een uitleggebied ligt en niet openbaar toegankelijk is) maar binnen de restcategorie waarvoor volgens het conceptrapport Grondprijzen een afzonderlijke taxatie moet worden gemaakt. Verder voert zij aan dat de heffingsambtenaar niet heeft onderbouwd dat de gemeente daadwerkelijk grond heeft uitgegeven aan nutsbedrijven tegen een prijs van € 118 per m² en dat het enkele feit dat deze uitgifteprijs in het Kader is vermeld onvoldoende is om daarmee de waarde van de bedrijfsgrond aannemelijk te maken. Over het Transactieoverzicht betoogt belanghebbende dat daarin ten onrechte naar verkopen van grond met een bedrijfsbestemming wordt gekeken. Volgens belanghebbende moet worden gekeken naar de verkopen van grond met een agrarische bestemming met een opslag van 10% tot 100% op de verkoopprijzen daarvan. Verder voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar in beroep een overzicht met elf verkooptransacties heeft overgelegd waaronder de drie transacties waarop zij zich in hoger beroep bij de onderbouwing van de marktwaarde beroept en dat er substantiële verschillen zijn tussen de in dat overzicht en in het Transactieoverzicht genoemde gegevens. Ook betoogt belanghebbende dat de heffingsambtenaar de verkoopprijzen in het Transactieoverzicht niet op juiste wijze heeft geïndexeerd naar de waarde op de waardepeildatum. Verder heeft de heffingsambtenaar bij de herleiding van de waarde van de onroerende zaak uit de verkoopprijzen in het Transactieoverzicht ten onrechte geen rekening gehouden met het verschil tussen gebouwgebonden en niet-gebouwgebonden grond, aldus belanghebbende. Naar de mening van belanghebbende kan het Transactieoverzicht dan ook niet gebruikt worden ter onderbouwing van de voor de bedrijfsgrond beschikte waarde. Volgens belanghebbende is de waarde van de grond met bedrijfsbestemming het beste te bepalen door uit te gaan van de agrarische grondwaarde met een opslag van 50% en zij heeft deze waarde in het taxatierapport belanghebbende en in de aanvullende taxatienotitie primair berekend op € 10,80 per m². Subsidiair heeft belanghebbende de waarde gesteld op € 20 per m² op basis van haar bekende vergelijkbare drinkwaterdossiers en op € 75 per m² als maximale prijs die belanghebbende als niet-commercieel bedrijf zou kunnen betalen.

4.8.

Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar met het Kader en het Transactieoverzicht aannemelijk gemaakt dat hij de bedrijfsgrond en daarmee ook de beschikte waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Wat belanghebbende daartegen heeft aangevoerd verandert dit oordeel niet. Het hof zal dat hierna motiveren.

Kader

4.9.

Zoals het hof op de zitting aan partijen heeft voorgehouden blijkt uit de informatie opgenomen op de website van de gemeente Tilburg dat het Kader (met op het voorblad de vermelding ‘Concept Kader Grondprijzen 2019’) door de gemeenteraad in de Begrotingsraad vergadering van 8 november 2018 definitief is vastgesteld. Het betreft hier dus, anders dan belanghebbende op grond van de naam veronderstelt, geen concept maar een definitief besluit van de gemeenteraad over de door de gemeente Tilburg te hanteren uitgifteprijzen. Het is aannemelijk dat de gemeente Tilburg bij de uitgifte van grond ook daadwerkelijk de in het Kader vastgestelde prijzen heeft gehanteerd. Anders dan belanghebbende meent is het niet nodig dat de heffingsambtenaar dat verder onderbouwt met informatie over concrete gronduitgiftes. Het hof verwerpt ook de stelling van belanghebbende dat de bedrijfsgrond niet valt binnen de categorie ‘Gronden voor Openbare en Bijzondere Gebouwen in uitleggebieden’ van het Kader. De heffingsambtenaar heeft op de zitting bij het hof toegelicht dat deze categorie mede gronden uitgegeven aan niet-commerciële bedrijven omvat en dat belanghebbende als nutsbedrijf een zodanig niet-commercieel bedrijf is, omdat bij haar een winstoogmerk ontbreekt. Het hof volgt de heffingsambtenaar in zijn uitleg van het Kader en neemt daarbij in aanmerking dat de voetnoot bij deze categorie in het Kader (zie 4.6) de interpretatie van de heffingsambtenaar ondersteunt. Daaruit blijkt immers dat de prijs van € 118 per m² alleen bedoeld is voor niet-commerciële bedrijven. Naar het oordeel van het hof is ook aannemelijk dat de gemeente Tilburg bij de uitgifte van grond binnen deze categorie geen onderscheid maakt tussen gebouwgebonden en niet-gebouwgebonden grond. Het Kader vermeldt immers uitdrukkelijk dat de uitgifteprijs (los van het aantal m2 aan bruto vloeroppervlakte van de gebouwen) minimaal € 118 per m² terrein is. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar met de overlegging van het Kader en zijn toelichting daarop dan ook aannemelijk gemaakt dat belanghebbende voor de bedrijfsgrond € 118 per m² zou hebben moeten betalen als zij deze op de waardepeildatum van de gemeente Tilburg zou hebben verkregen.

Transactieoverzicht

4.10.

Het hof volgt belanghebbende niet in haar betoog dat bij de bepaling van de GVW van de bedrijfsgrond aansluiting zou moeten worden gezocht bij de agrarische grondwaarde. Bij de bepaling van de bedrijfsgrond moet immers uitgegaan worden van de verwerving van grond met handhaving van de aard en de bestemming ervan (zie 4.2). Aangezien de bedrijfsgrond een bedrijfsbestemming heeft is agrarische grond geen bruikbare vergelijkingsmaatstaf. Dat belanghebbende een opslag op de agrarische grondprijs toepast maakt dat niet anders omdat niet aannemelijk is dat daarmee de waarde van grond met een bedrijfsbestemming wordt benaderd.

4.11.

Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat er substantiële verschillen zijn tussen de door de heffingsambtenaar in beroep en later in hoger beroep overgelegde transactiegegevens. Zij betoogt dat het Transactieoverzicht onbetrouwbaar is en niet kan dienen om aannemelijk te maken dat de marktwaarde van de bedrijfsgrond op de waardepeildatum ten minste € 118 per m² bedroeg.

4.12.

In hoger beroep onderbouwt de heffingsambtenaar de waardering van de bedrijfsgrond met drie transacties. Voor deze transacties heeft hij in beroep en in hoger beroep de volgende gegevens verstrekt:

Adres

Datum

Kavel in m²

Transactieprijs

(eerste aanleg)

Transactieprijs (hoger beroep)

m² prijs (eerste aanleg)

m² prijs (hoger beroep)

[adres 2]

30-12-2020

46.075

8.143.300

6.730.000

177

146

[adres 3]

8-1-2020

60.325

8.441.316

8.441.316

140

140

[adres 4]

6-10-2020

64.307

7.609.387

8.721.088

118

136

De transactieprijs voor [adres 3] is gelijk in beroep en in hoger beroep. De transactieprijs voor [adres 2] is in eerste aanleg exact 21% hoger dan in hoger beroep. Het hof heeft op de zitting bij het hof aan partijen voorgehouden dat aannemelijk is dat de heffingsambtenaar in eerste aanleg ten onrechte is uitgegaan van de transactieprijs inclusief omzetbelasting. Voor het verschil in transactieprijs voor [adres 4] heeft de heffingsambtenaar verklaard dat in eerste aanleg hoogstwaarschijnlijk de verkeerde transactieprijs is aangehaald. Belanghebbende betwist dat.

Aan belanghebbende dient te worden toegegeven dat het onzorgvuldig is van de heffingsambtenaar om met betrekking tot de drie transacties waarmee hij zijn waardering verdedigt met tegenstrijdige informatie te komen. Naar het oordeel van het hof betekent dit echter niet dat het Taxatieoverzicht geheel buiten aanmerking moet worden gelaten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat voor de drie transacties waarop de heffingsambtenaar zich beroept alleen bij de transactie [adres 4] een onverklaarbaar verschil zit tussen de in beroep en hoger beroep gebruikte transactieprijs. Omdat er bij de transactie [adres 4] een onverklaarbaar verschil is tussen de transactieprijzen zal het hof, bij de beoordeling of de heffingsambtenaar met het Transactieoverzicht aannemelijk maakt dat de marktwaarde van de bedrijfsgrond per m² niet lager was dan de uitgifteprijs van € 118 per m², voor deze transactie uitgaan van de lagere transactieprijs. De transactieprijzen per m² voor [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] zijn dan respectievelijk € 146, € 140 en € 118.

4.13.

Deze transactieprijzen moeten nog geïndexeerd worden naar de waardepeildatum. De heffingsambtenaar heeft de indexatiepercentages voor de transacties [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] bepaald op respectievelijk 12,3%, 6,3% en 10,6%. Hij is daarbij uitgegaan van de prijsindex commercieel vastgoed – industrie van het CBS. Belanghebbende betoogt dat dit niet de juiste indexeringsmaatstaf is omdat dit een index is voor gebouwen en niet voor grond, dat de grondprijzen in 2020 en 2021 harder stegen dan de gebouwprijzen en dat de geïndexeerde prijzen dus te hoog zijn.

4.14.

Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar met de verwijzing naar de CBS prijsindex commercieel vastgoed – industrie en zijn toelichting op de zitting bij het hof dat er een sterke samenhang is tussen de prijsontwikkeling van commercieel vastgoed en ongebouwde grond met bedrijfsbestemming, aannemelijk gemaakt dat hij de transactieprijzen voldoende heeft gecorrigeerd voor de prijsstijging vanaf de waardepeildatum. Wat belanghebbende daartegenover heeft gesteld is onvoldoende om daar twijfel over te wekken omdat zij haar stelling dat de grondprijzen harder zijn gestegen dan het commercieel vastgoed niet heeft onderbouwd.

4.15.

De gecorrigeerde transactieprijzen per m² voor de transacties [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] zijn respectievelijk € 130, € 132 en € 106. De gemiddelde transactieprijs per m² bij de verkoop van de drie grootste percelen was dus (naar beneden afgerond) € 122. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar met het Transactieoverzicht aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet voor minder dan de grond-uitgifteprijs van de gemeente van € 118 per m² op de vrije markt de bedrijfsgrond zou hebben kunnen kopen. Daarom is aannemelijk dat de heffingsambtenaar de waarde van de bedrijfsgrond met € 117,38 en daarmee de beschikte waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft beschikt.

4.16.

Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft betoogd op grond van de aanvullende taxatienotitie met betrekking tot de waardering van de bedrijfsgrond op € 10,80 (agrarische waarde plus opslag), € 20 (op basis van gestelde vergelijkbare drinkwaterdossiers) en € 75 (de inschatting van de taxateur wat belanghebbende als nutsbedrijf maximaal zou kunnen betalen) treft ook geen doel. De agrarische grondwaarde is geen bruikbare vergelijkingsmaatstaf voor de bepaling van de GVW van grond met een bedrijfsbestemming (zie 4.10). Belanghebbende heeft haar stelling dat in vergelijkbare drinkwaterdossiers een maximale prijs voor grond met bedrijfsbestemming van € 20 is gebruikt ondanks de betwisting daarvan door de heffingsambtenaar niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. Datzelfde geldt voor de stelling over de prijs die belanghebbende maximaal zou kunnen betalen. Overigens zou deze laatste stelling ook geen doel treffen als zij wel aannemelijk zou zijn gemaakt omdat bij de bepaling van de GVW niet van belang is of de eigenaar tot vervanging zal willen en kunnen overgaan (zie 4.2).

Immateriële schadevergoeding

4.17.

Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade voor de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van in totaal € 1.500. De heffingsambtenaar is het daarmee eens.

4.18.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met zestien maanden. Deze overschrijding is in hoger beroep niet in geschil. Dat betekent dat, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden.

4.19.

Het hof stelt vast dat het overgangsrecht met betrekking tot de zogenoemde bagatelgrens zoals de Hoge Raad dat heeft geformuleerd in zijn arrest van 14 juni 2024, van toepassing is. Het hof moet daarom als uitgangspunt nemen dat belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade, nu het financiële belang bij de gevoerde procedure ten minste € 15 bedraagt en dat, behoudens wettelijke uitzonderingen, voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Van een wettelijke uitzondering is in het onderhavige geval geen sprake.

4.20.

De rechtbank heeft de omvang van de vergoeding bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2024 en het door de Hoge Raad geformuleerde overgangsrecht ten aanzien van de bagatelgrens (zie 4.19), heeft de rechtbank de hoogte van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte bepaald op € 50 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Het hof stelt de schadevergoeding daarom vast op in totaal € 1.500. Het hoger beroep is daarom gegrond.

4.21.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 3/16de deel aan de beroepsfase moet worden toegerekend. Deze vaststelling is in hoger beroep niet in geschil. Dat betekent dat de minister met verrekening van eerder betaalde bedragen een bedrag van € 281,25 aan schadevergoeding moet betalen en de heffingsambtenaar een bedrag van € 1.218,75.

Griffierecht in eerste aanleg

4.22.

Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een vergoeding van het volledige bedrag van € 365 dat door haar in eerste aanleg is betaald. De heffingsambtenaar is het daarmee eens.

4.23.

In zijn arrest van 31 mei 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. De Hoge Raad is daarmee teruggekomen van eerdere rechtspraak over deze kwestie. Bij wijze van overgangsrecht heeft de Hoge Raad daarbij bepaald dat in een zaak waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dat arrest heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, en (ii) de redelijke termijn voor die fase van de procedure op de datum van het arrest is overschreden, een aanspraak op vergoeding van griffierecht wordt geëerbiedigd. Omdat belanghebbende vóór 31 mei 2024 heeft verzocht om de vergoeding en de redelijke termijn toen reeds was overschreden, is het voornoemde overgangsrecht van toepassing en dient het griffierecht te worden vergoed. Dat betekent dat de minister en de heffingsambtenaar met verrekening van eerder betaalde bedragen ieder een bedrag van € 182,50 aan griffierecht moet vergoeden.

Tussenconclusie

4.24.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding

4.25.

Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in hoger beroep.

4.26.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. Het hof heeft het hogerberoepschrift op 17 september 2024 ontvangen. Het hof doet vandaag uitspraak en dus vóór 17 september 2026. Voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep is dan ook geen aanleiding.

Ten aanzien van het griffierecht

4.27.

De heffingsambtenaar en de minister dienen aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden, ieder voor de helft, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd (dus € 279,50).

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.28.

De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. Dit verzoek is naar het oordeel van het hof terecht afgewezen, omdat de bestreden besluiten (de WOZ-beschikking en de aanslagen) niet worden herroepen.

Ten aanzien van de proceskosten

4.29.

Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar en de minister tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, ieder voor de helft, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.

4.30.

Het hof zal de vergoeding van de proceskosten berekenen met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Het geval van belanghebbende is namelijk, anders dan zij betoogt, niet aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, omdat de gemachtigde van belanghebbende ( [bedrijf 2] B.V.) niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar bedrijfsmodel in het jaar 2024 (het moment waarop het hoger beroep is ingesteld) niet voldoet aan de kenmerken zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van dat arrest. Omdat het hof de bestreden besluiten (de WOZ-beschikking en de aanslagen) niet zal vernietigen of wijzigen, zal hierbij de vermenigvuldigingsfactor 0,10 worden toegepast.

4.31.

Het hof stelt de proceskostenvergoeding op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 0,10 is € 186,80. Hiervan dient door de heffingsambtenaar en de minister ieder de helft te worden vergoedt (dus € 93,40).

4.32.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen over de immateriële schadevergoeding en het griffierecht;

  • veroordeelt de heffingsambtenaar met verrekening van eerder uitbetaalde bedragen tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.218,75;

  • veroordeelt de minister met verrekening van eerder uitbetaalde bedragen tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 281,25;

  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende met verrekening van eerder betaalde bedragen het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank tot een bedrag van € 182,50 vergoedt;

  • bepaalt dat de minister aan belanghebbende met verrekening van eerder betaalde bedragen het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank tot een bedrag van € 182,50 vergoedt;

  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof tot een bedrag van € 279,50 vergoedt;

  • bepaalt dat de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof tot een bedrag van € 279,50 vergoedt;

  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof tot een bedrag van € 93,40;

  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof tot een bedrag van € 93,40.

De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

E. Royakkers B.J. Rubbens

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Artikel 17, lid 2, Wet WOZ. Artikel 17, lid 3, Wet WOZ. Hoge Raad 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5032 en Hoge Raad 5 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1799. Hoge Raad 5 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5433. Vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Tilburg van 8 november 2018, agendapunt 4, bijlage 5 (https:// tilburg .notubiz.nl/vergadering/559712/Gemeenteraad%20%20%20%20%20%20%20%20%). € 118 gedeeld door 1,106 (afgerond naar beneden). Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5. De Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm voorziet in een lagere schadevergoeding maar deze vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn aanvangt na 1 januari 2024. In de onderhavige zaak is deze termijn aangevangen op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontving, te weten op 14 april 2021. Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507. Artikel 30a, lid 2, letter b, Wet WOZ. 1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.