Belastingrecht
Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor het vervoeren van cocaïne en witwassen van een geldbedrag…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2511 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2511
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 16 september 2026
- Zaaknummer
- 25/853 en 25/854
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2511
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor het vervoeren van cocaïne en witwassen van een geldbedrag. De inspecteur heeft belanghebbende hierover vragen gesteld, die belanghebbende niet heeft beantwoord. Hierna heeft de inspecteur een informatiebeschikking genomen, wie onherroepelijk is geworden. De inspecteur merkt de contanten en de waarde van de aangetroffen cocaïne aan als resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof oordeelt dat de waarde van de cocaïne als resultaat uit overige werkzaamheden kan worden aangemerkt. Omdat belanghebbende samen met een medeverdachte is veroordeeld voor het witwassen van de contanten, rekent het hof de helft van de contanten toe aan belanghebbende. Het hof vernietigt de vergrijpboete, omdat (voorwaardelijk) opzet niet door de inspecteur is aangetoond.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 31 maart 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:1808Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:2511
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/853 en 25/854
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 maart 2025, nummers BRE 23/3858 en 23/3859, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2020 opgelegd (hierna: de aanslag(en)). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking(en)) en bij beschikking een boete opgelegd (hierna: de boetebeschikking(en)).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep deels gegrond en deels ongegrond verklaard en heeft zich deels onbevoegd verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Op 10 april 2020 is belanghebbende aangehouden op verdenking van witwassen en het vervoeren van harddrugs. Belanghebbende is op 6 april 2021 strafrechtelijk veroordeeld ter zake van het medeplegen van het witwassen en van het vervoeren van een bedrag van € 797.690 in contanten en van het vervoeren van 9.470 gram cocaïne in verborgen compartimenten in zijn auto. Bij het vonnis zijn de bij het vervoer gebruikte [bestelauto] (hierna: de bestelauto) van belanghebbende en de aangetroffen cocaïne onttrokken aan het verkeer. Daarnaast is het geldbedrag verbeurdverklaard, omdat de rechtbank niet kon vaststellen aan wie dit geldbedrag toebehoorde. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.
Op 27 februari 2021 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van een aangifte IB/PVV 2020 (hierna: de aangifte). Belanghebbende heeft de aangifte op 3 juni 2021 ingediend. In deze aangifte geeft belanghebbende aan:
- bij vraag 13 (pensioen, lijfrente of andere uitkering) een bedrag van € 10.781, ontvangen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
- bij vraag 37 (aftrek wegens specifieke zorgkosten) een bedrag van € 11.001.
Dit resulteert in een belastbaar inkomen van nihil.
Op 6 april 2021 is [naam] (verder: [naam] ) door de rechtbank veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van € 797.690 door dit geldbedrag in contanten voorhanden te hebben en te vervoeren. In deze procedure is vast komen te staan dat [naam] samen met belanghebbende op 10 april 2021 (zie 2.1) in de bestelauto reed toen beiden werden aangehouden. [naam] is vrijgesproken van het vervoeren van de cocaïne, omdat de rechtbank niet bewezen achtte dat hij wetenschap had van de drugs in de auto van belanghebbende dan wel bewust was van de aanwezigheid van die drugs.
Met zijn brief van 9 februari 2022 heeft de inspecteur belanghebbende om informatie gevraagd. De inspecteur heeft met name gevraagd om een toelichting op de herkomst van het contante geldbedrag van € 797.690 en de wijze waarop belanghebbende de aankoop van 9.470 gram cocaïne heeft gefinancierd. Belanghebbende heeft niet op dit informatieverzoek gereageerd. De inspecteur heeft op 10 maart 2022 een herinnering gestuurd. Belanghebbende heeft evenmin gereageerd op dit herhaalde verzoek om informatie. De inspecteur heeft vervolgens op 26 april 2022 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven. Belanghebbende heeft tegen deze informatiebeschikking geen bezwaar gemaakt.
Op 26 september 2022 heeft de inspecteur zijn voornemen bekend gemaakt om van de aangifte af te wijken en het geldbedrag van € 797.690 en de inkoopwaarde van de cocaïne (9,47 kilo maal € 28.850 per kilo = € 273.209) in totaal, naar beneden afgerond, € 1.070.000 als resultaat uit overige werkzaamheden in 2020 aan te merken. Tevens heeft de inspecteur de persoonsgebonden aftrek niet in aftrek toegelaten. In deze brief heeft de inspecteur daarnaast belanghebbende in kennis gesteld van het opleggen van een vergrijpboete van 40% over de IB/PVV die verschuldigd is wegens de correctie inkomen uit overige werkzaamheden. Daarna zijn de aanslagen en de boete- en rentebeschikkingen opgelegd.
De aanslag IB/PVV 2020 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.080.781. Daarbij is € 31.541 aan belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 208.562 opgelegd.
De inspecteur heeft de aanslag Zvw 2020 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 46.451. Daarbij is € 29 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 1.012 opgelegd.
De inspecteur heeft de aanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft de aanslagen in stand gelaten, de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV verminderd tot € 95.000 (hierna: de boete) en de boetebeschikking bij de aanslag Zvw vernietigd.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- Zijn de aanslagen naar een juist bedrag opgelegd? Meer in het bijzonder: is de schatting die de inspecteur gedaan heeft redelijk?
- Heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn opgelegd?
- Is de boete terecht opgelegd en is deze passend en geboden?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen, de rentebeschikkingen en vernietiging van de boete. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
Omkering bewijslast
Aan belanghebbende is een informatiebeschikking uitgereikt, waarop belanghebbende niet heeft gereageerd en waartegen belanghebbende geen bezwaar heeft ingesteld. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de bewijslast hierdoor is omgekeerd en verzwaard.
Redelijke schatting
De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting van de verzwegen inkomsten. Hiervoor dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een (navorderings)aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten dienen te verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting niet onredelijk en dus niet willekeurig is. De beoordeling of een schatting redelijk (niet willekeurig) is, behelst een minder strenge toets dan de beoordeling of en in hoeverre aannemelijk is dat de belastingplichtige een bedrag aan inkomsten niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Die laatste beoordeling moet plaatsvinden op basis van de normale regels van stelplicht en bewijslast.
De inspecteur stelt dat belanghebbende met zijn eigen auto het aangetroffen geldbedrag van € 797.690 en de cocaïne vervoerde en dat hij niets heeft verklaard over de herkomst van het geld of de cocaïne. De inspecteur gaat er daarom van uit dat zowel het bedrag als de cocaïne aan belanghebbende toebehoorden en dat belanghebbende inkomsten uit onbekende bron moet hebben genoten om de cocaïne te kunnen financieren en het aangetroffen geldbedrag voorhanden te kunnen hebben. De inspecteur heeft deze inkomsten geschat op het bedrag van de aangetroffen contanten van € 797.690 en de inkoopwaarde van de aangetroffen cocaïne heeft hij geschat op € 273.209 (9,470 kg x € 28.850/kg), in totaal € 1.070.000. Volgens de inspecteur zijn deze inkomsten in 2020 verdiend.
Belanghebbende heeft tegenover het standpunt van de inspecteur – kort en zakelijk weergegeven – gesteld dat de cocaïne en de in zijn auto aangetroffen contanten tot een bedrag van € 797.690 niet van hem zijn en dat hij slechts een koerier was. Belanghebbende heeft geen openheid van zaken gegeven over de herkomst van de contanten en de cocaïne of over aan wie de zaken toebehoorden.
De inspecteur heeft met wat hij naar voren heeft gebracht voldoende feitelijke aanknopingspunten verschaft voor de stelling dat de in belanghebbendes auto aangetroffen contanten en cocaïne aan belanghebbende toebehoorden en dat belanghebbende in 2020 inkomsten uit onbekende bron moet hebben genoten om deze contanten en de cocaïne voorhanden te kunnen hebben. Het hof weegt hierin mee dat belanghebbende consequent weigert om informatie te geven over de herkomst van de bij hem aangetroffen cocaïne en contanten hoewel hij bij uitstek in staat is om hierover inzicht te verschaffen.
Het hof acht het echter niet redelijk om de aangetroffen contanten van € 797.690 volledig aan belanghebbende toe te rekenen omdat naast belanghebbende [naam] als mededader strafrechtelijk is veroordeeld voor onder meer het voorhanden hebben van dit geldbedrag (zie 2.3). Het hof oordeelt daarom dat bij de schatting ervan moet worden uitgegaan dat de helft van de aangetroffen contanten aan belanghebbende zijn toe te rekenen als resultaat uit overige werkzaamheden. Voor de aangetroffen cocaïne geldt dat de rechtbank niet bewezen achtte dat [naam] daarvan wist. Het hof acht de schatting met betrekking tot de cocaïne redelijk en niet willekeurig. Het hof schat het resultaat uit overige werkzaamheden in 2020 van belanghebbende op (50% van € 797.690) + € 273.209= € 672.054.
Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover hij de juistheid van de schatting verder betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren. Dat betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat het geschatte bedrag aan inkomen onjuist is. Daarvoor heeft belanghebbende aangevoerd dat hij consequent heeft verklaard dat hij slechts koerier was en dat noch het geld noch de cocaïne zijn eigendom waren. Hij heeft daarnaast betoogd dat zijn stelling dat hij koerier was, maar geen eigenaar van het geld en de cocaïne mede uit het strafvonnis van [naam] blijkt. Ten slotte heeft belanghebbende gesteld dat het beeld dat het geld en de cocaïne niet van hem was, bevestigd wordt door de inhoud van versleutelde chatberichten (de zogenoemde Encrochats).
Het hof ziet in hetgeen belanghebbende tegen de schatting heeft ingebracht geen aanleiding de het geschatte bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden verder te verlagen. De enkele verklaring van belanghebbende zelf en het beeld dat naar voren komt uit de inhoud van de Encrochats zijn onvoldoende om als overtuigend tegenbewijs aan te merken.
Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2020 nader zal vaststellen op het bedrag van € 672.054. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 682.835, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 672.054 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 10.781. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2020, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 682.835 berekent en de inspecteur een aanslag Zvw heeft opgelegd uitgaande van het maximum bijdrage-inkomen van € 57.232.
Boete
De inspecteur heeft op grond van artikel 67d AWR en paragrafen 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst aan belanghebbende een vergrijpboete van 40% van de verschuldigde belasting opgelegd, omdat hij (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste en onvolledige aangifte heeft ingediend. De rechtbank heeft deze boete verlaagd naar € 95.000.
De inspecteur heeft aan de boete ten grondslag gelegd dat belanghebbende een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, omdat belanghebbende aangifte heeft gedaan naar relatief lage bedragen terwijl bij belanghebbende een contant geldbedrag van € 797.690 en 9.470 gram aan cocaïne is aangetroffen en dit niet kan worden verklaard uit het door hem aangegeven inkomen. Door geen inkomsten aan te geven die met deze posten verband houden heeft belanghebbende in de opvatting van de inspecteur bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat een onvolledige aangifte werd gedaan. Het is dan aan zijn voorwaardelijke opzet te wijten dat er een onvolledige aangifte is gedaan.
De inspecteur heeft de volgende onderbouwing gegeven van zijn standpunt dat het aan het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten is dat een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan:
-
In de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV 2020 is geen melding gemaakt van genoten inkomsten ter zake van overige werkzaamheden.
-
Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat belanghebbende een bedrag van € 797.690,00 aan contanten en 9,470 kilogram cocaïne in een verborgen ruimte in zijn auto vervoerde.
-
Belanghebbende is bij vonnis van 6 april 2021 veroordeeld ter zake van het medeplegen van het witwassen van dit geldbedrag en het vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne.
-
Niet gebleken is dat de cocaïne en de contanten van iemand anders zijn. Belanghebbende heeft ter zake niets verklaard en geen enkel aanknopingspunt gegeven dat het geld en de cocaïne mogelijk van iemand anders zijn dan van belanghebbende.
-
Belanghebbende wist of moet hebben geweten dat de hiervoor genoemde contanten en cocaïne niet kunnen worden gefinancierd uit het aangegeven inkomen.
-
Belanghebbende wist dat hij activiteiten heeft ontplooid waarvoor hij gelden heeft ontvangen.
-
Het is een feit van algemene bekendheid dat in de drugswereld grote bedragen worden verdiend.
-
Het is een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van zoveel contant geld en cocaïne aanzienlijke risico's met zich meebrengt. Belanghebbende was bereid dat risico te lopen.
-
Belanghebbende heeft het geld en de cocaïne vervoerd in een professioneel aangebrachte verborgen ruimte in zijn auto. Een professioneel aangebrachte verborgen ruimte is bedoeld voor meermalig gebruik.
-
De hoogte van het aangetroffen bedrag in contanten en de hoeveelheid cocaïne duidt erop dat het niet belanghebbendes eerste en eenmalige activiteit in de drugswereld is.
-
Uit de strafrechtelijke procedure en veroordeling blijkt dat belanghebbende een actieve rol vervult in de drugswereld. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand die een actieve rol heeft binnen een dergelijke criminele (drugs) organisatie en de verantwoordelijkheid heeft om het vervoer te regelen voor dusdanig veel contant geld en drugs, hiermee substantiële bedragen verdient. Het is dus aannemelijk dat het contante geld, gelet op deze actieve rol, belanghebbende toekomt.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat een bron van inkomen buiten het zicht van de inspecteur zou blijven.
Belanghebbende schetst een alternatief scenario, te weten dat hij op 10 april 2020 de contanten en de cocaïne vervoerde voor anderen en dat hij daarvoor niet is betaald.
Artikel 67d, lid 1, AWR luidt:
“Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.”.
Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met de gestelde feiten en omstandigheden niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende een onjuiste of onvolledige aangifte IB/PVV 2020 heeft gedaan en dat belanghebbende daarop, ten minste, het voorwaardelijk opzet had. Uit het strafvonnis volgt dat overtuigend is aangetoond dat belanghebbende cocaïne en contant geld heeft vervoerd, maar niet dat hij daarmee belastbare inkomsten heeft genoten. De inspecteur stelt dat niet gebleken is dat de cocaïne en de contanten niet aan belanghebbende toebehoorden. Daarmee heeft de inspecteur echter niet overtuigend aangetoond dat deze hem wèl toebehoorden. Daarnaast doet de inspecteur de aanname, dat belanghebbende een actieve rol in de drugswereld heeft en dat de inrichting van de bestelauto auto erop wijst dat het vervoer op 10 april 2020 niet de eerste en eenmalige activiteit van belanghebbende in de drugswereld is. Daartegenover staat het niet ondenkbare alternatieve scenario dat belanghebbende heeft geschetst, namelijk dat hij op 10 april 2020 koerier was en dat hij daar geen vergoeding voor ontvangen heeft. Dit tegen elkaar afwegend, komt het hof tot het oordeel dat de inspecteur met de gestelde feiten en omstandigheden niet overtuigend heeft aangetoond dat belanghebbende een onjuiste of onvolledige aangifte IB/PVV 2020 heeft gedaan en dat belanghebbende daarop, ten minste, het voorwaardelijk opzet had.
Uit bovenstaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende tegen de boetebeschikking gegrond is. Het hof zal de boete vernietigen.
Tussenconclusie
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 147 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
Het hof stelt deze tegemoetkoming vast op 2,5 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 2.335.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de boetebeschikking bij de aanslag Zvw, het griffierecht, de vergoeding van proceskosten en de onbevoegdverklaring met betrekking tot het verzoek tot uitstel van betaling;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de aanslag Zvw 2020.
-
vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 682.835;
-
vermindert de rentebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2020 evenredig;
-
vernietigt de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2020;
-
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 147 vergoedt;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van, in totaal, € 2.335.
De uitspraak is gedaan door J. Rietveld, voorzitter, J.M. van der Vegt en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J. Rietveld
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.