Belastingrecht

In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag OB–2011 tijdig is ingediend…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 september 2026

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
30 september 2026
Zaaknummer
25/827
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2668
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag OB–2011 tijdig is ingediend en zo nee, of het bezwaar terecht niet–ontvankelijk is verklaard.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de inspecteur het bezwaar vóór afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen. Het hof is voorts van oordeel dat van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 maart 2025

    ECLI:NL:RBZWB:2025:1621
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2668

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 25/827

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2025, nummer BRE 23/10078, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (hierna: de naheffingsaanslag). Hierbij is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De naheffingsaanslag is gedagtekend 31 mei 2012.

2.2.

Op 17 juli 2012 heeft belanghebbende op digitale wijze bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag (hierna: het bezwaar). Bij brief van 18 juli 2012 heeft de inspecteur de ontvangst van het bezwaar bevestigd.

Daarin heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat het bezwaar buiten de termijn is ontvangen, hij van plan is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren en dat hij het bezwaar als verzoek om ambtshalve vermindering zal behandelen.

2.3.

In een interne (logboek)notitie van de Belastingdienst is opgenomen dat de toenmalige gemachtigde van belanghebbende tijdens een telefonisch onderhoud met de inspecteur op 26 juli 2012, het bezwaar heeft ingetrokken. Deze intrekking is niet schriftelijk vastgelegd.

2.4.

Op 19 oktober 2022 heeft de inspecteur via e–mail aan gemachtigde bericht dat er geen reden is voor een ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslag. Naar aanleiding hiervan hebben de inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende in januari 2023 overlegd over de vraag of de intrekking zoals genoemd in 2.3 rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. In een telefoongesprek van 12 mei 2023 stellen partijen vast dat het bezwaar niet is ingetrokken. De inspecteur heeft aangegeven het bezwaar in behandeling te nemen en belanghebbende uit te nodigen voor een hoorgesprek.

2.5.

Op 23 juni 2023 vindt dit hoorgesprek plaats. In het hoorgesprek overlegt belanghebbende een kopie van een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag, gedateerd op 15 juni 2012, voorzien van een ronde stempel met de tekst ‘BELASTINGDIENST LIMBURG KANTOOR [plaats] ’ en een logo/wapen (hierna: het stuk van 15 juni 2012). Het stuk van 15 juni 2012 is niet voorzien van een door de Belastingdienst geplaatste datum, handtekening of paraaf.

Belanghebbende heeft in het hoorgesprek verklaard dat hij het stuk van 15 juni 2012 in tweevoud heeft afgegeven aan de balie van het belastingkantoor in [plaats] . Beide exemplaren zouden naar mededeling van belanghebbende door de baliemedewerker zijn gestempeld, waarna belanghebbende één exemplaar heeft meegenomen en het andere bij de Belastingdienst is achtergebleven.

2.6.

In het hoorgesprek (onderdeel 2.5) verzoekt de inspecteur belanghebbende om het origineel van het stuk van 15 juni 2012 te overleggen om de authenticiteit van het stuk te kunnen controleren. Belanghebbende heeft toen verklaard dat het stuk van 15 juni 2012 zich vermoedelijk nog in zijn administratie bevond. Later heeft belanghebbende verklaard dat hij het stuk van 15 juni 2012 heeft afgegeven aan twee medewerkers van de Belastingdienst, in een gesprek op 21 juni 2022. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat het stuk van 15 juni 2012 waarschijnlijk door de FIOD is meegenomen.

2.7.

De medewerkers van de Belastingdienst die aanwezig waren bij de bespreking van 21 juni 2022 hebben op 21 maart 2024 ambtsedig verklaard dat het origineel van het stuk van 15 juni 2012 door belanghebbende niet is overgelegd noch ter inzage is aangeboden.

2.8.

Bij uitspraak op bezwaar van 28 september 2023 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat het stuk van 15 juni 2012 binnen de bezwaartermijn is ontvangen door de inspecteur?

  2. Heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkheid van het bezwaar en vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Is het stuk van 15 juni 2012 binnen de geldende bezwaartermijn door de inspecteur ontvangen?

4.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak met betrekking tot het stuk van 15 juni 2012 het volgende overwogen:

‘Toetsingskader

4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken2. Deze

termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.3 Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.4 Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post5 wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.6 Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.

4.1.

Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.7

Is het bezwaarschrift te laat ingediend?

Bezwaarschrift 15 juni 2012

5. Nu de inspecteur voldoende gemotiveerd de ontvangst van het bezwaarschrift betwist, rust op belanghebbende de bewijslast om zijn stelling aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. (…)

5.1.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij het bezwaarschrift van 15 juni 2012 heeft ingediend. De wijze van indiening en ontvangst die belanghebbende schetst wijkt af van de gebruikelijke werkwijze van de balie bij van het kantoor van de Belastingdienst in [plaats] destijds. Alleen een kopie van het bezwaarschrift met een stempel, maar zonder een datumstempel en/of paraaf van ontvangst of een afgiftebewijs, is niet voldoende. Dat de balie in het verleden enkele keren zonder datumstempel heeft gewerkt, maakt het niet anders. Op die stukken staat dan wel een datum van ontvangst en een handtekening of paraaf van de medewerker. Het bezwaarschrift dat belanghebbende stelt afgegeven te hebben bij de balie bevat enkel een algemene stempel van de Belastingdienst en geen ontvangststempel, datumstempel of handtekening of paraaf waaruit opgemaakt kan worden dat een medewerker van de Belastingdienst het bezwaarschrift heeft ontvangen.

5.2.

Uit het bezwaarschrift van 17 juli 2012 is ook niet af te leiden dat mogelijk al eerder bezwaar zou zijn gemaakt. Daarin wordt geen enkele melding gemaakt van een eerder bezwaarschrift en de daarin opgenomen tekst komt ook geenszins overeen met de gronden in het bezwaarschrift van 15 juni 2012. Verder heeft belanghebbende niet eerder dan tijdens het hoorgesprek [hof: op] 23 juni 2023 ervan melding gemaakt dat eerder bezwaar zou zijn gemaakt, ondanks dat de Belastingdienst al in de ontvangstbevestiging van 18 juli 2012 heeft vermeld dat te laat bezwaar is gemaakt.

5.3.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het bezwaarschrift van 17 juli 2012 het eerste ingediende en ontvangen bezwaarschrift is.

2 Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.

3 Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

4 Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

5 Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en

Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.

6 Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.

7 Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.’

4.2.

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende nog gesteld dat het belastingkantoor [plaats] een eigen werkinstructie had waarvan door medewerkers van dat kantoor werd afgeweken. Belanghebbende heeft deze blote stelling niet onderbouwd noch – in het licht van hetgeen de inspecteur ter zake heeft gesteld en overgelegd – aannemelijk gemaakt.

Naar het oordeel van het hof is het dan ook niet aannemelijk dat de inspecteur het stuk van 15 juni 2012 voor afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen.

Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?

4.3.

De rechtbank heeft in haar uitspraak met betrekking tot het bezwaar het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt met ‘de aanslag’ de naheffingsaanslag bedoeld en met ‘het bezwaarschrift’ het bezwaar):

‘Bezwaarschift 17 juli 2012

5.4.

Belanghebbende heeft op 17 juli 2012 digitaal bezwaar gemaakt.

5.5.

Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 31 mei 2012 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 12 juli 2012. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.

Is het te laat indienen verontschuldigbaar?

6. Belanghebbende doet een beroep op de conclusie van advocaat-generaal Widdershoven voor de termijnoverschrijding, waarbij er geconcludeerd wordt dat bestuursrechters een minder strikte koers zouden moeten varen bij de handhaving van bezwaar- en beroepstermijnen. Hij heeft betoogd dat een overschrijding van minder dan een week generiek verschoonbaar moet zijn.8

6.1.

De Hoge Raad en het CBb hebben het voorstel van A-G Widdershoven om een generieke regeling te treffen niet gevolgd.9 De enkele omstandigheid dat de overschrijding minder dan een week is, maakt de overschrijding dus niet verschoonbaar. Beoordeeld dient te worden of in het individuele geval de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening gering is, in welk geval de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend.10 Er is niet gesteld of gebleken van (persoonlijke) omstandigheden waardoor belanghebbende niet in staat was om tijdig bezwaar in te kunnen dienen. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat hij ervan uitging dat hij al op 15 juni 2012 bezwaar had gemaakt, maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De rechtbank gaat er immers van uit dat er op 15 juni 2012 geen bezwaar is afgegeven bij de balie van de Belastingdienst. Verder wist belanghebbende dat hij binnen zes weken bezwaar moest maken en kon hij dat ook, zodat de omstandigheid dat hij geen rechtsbijstand had ook niet leidt tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan hem toe te rekenen is.

6.2.

De rechtbank acht geen sprake van een geringe verwijtbaarheid en ziet in de geschetste omstandigheden geen aanleiding om ruimhartiger om te gaan met de bezwaartermijn. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

8 Conclusie A-G Widdershoven 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476.

9 Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625 en CBb 30 januari 2024,

ECLI:NL:CBB:2024:31.

10 Hoge Raad 19 april 2024, ECLl:NL:HR:2024:625.’

4.4.

Het hof acht voorgaande overwegingen van de rechtbank juist en maakt deze tot de zijne. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het na afloop van de geldende bezwaartermijn door de inspecteur is ontvangen en van een verschoonbare termijnoverschrijding ook in hoger beroep niet is gebleken.

Tussenconclusie

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, B.J. Rubbens en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

A. Muller J.M. van der Vegt

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.