Arbeidsrecht
Arbeidsrecht WWZ. Voorwaardelijk ontbindingsverzoek werkgever in hoger beroep. Voorwaarde waaronder het…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 september 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:3503 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 september 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/arbeidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2019-3503
Zaakgegevens
Op 26 september 2019 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 26 september 2019
- Datum publicatie
- 26 september 2019
- Zaaknummer
- 200.256.941_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.W.J.D Ray-Engels te Roermond, mr. M.B. van Voorthuizen te Utrecht
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3503
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arbeidsrecht WWZ. Voorwaardelijk ontbindingsverzoek werkgever in hoger beroep. Voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan, is niet in vervulling gegaan.
Procesgang
Rechtbank Limburg · 21 december 2018
ECLI:NL:RBLIM:2018:12182Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 september 2019deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2019:3503
Overig
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 26 september 2019
Zaaknummer : 200.256.941/01
Zaaknummer eerste aanleg : 7352082 \ AZ VERZ 18-182
in de zaak in hoger beroep van:
[de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. A.W.J.D. Ray-Engels te Roermond,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] , België,
verweerder,
hierna aan te duiden als [verweerder] ,
advocaat: mr. M.B. van Voorthuizen te Utrecht.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 december 2018.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 21 maart 2019;
-
het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juni 2019;
-
een brief van [appellante] met producties 19 tot en met 22, ingekomen ter griffie op 29 augustus 2019;
- de op 12 september 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
- [appellante] , vertegenwoordigd door [HR-adviseur] (HR-adviseur), bijgestaan door mr. Ray-Engels;
- [verweerder] , bijgestaan door mr. Van Voorthuizen.
en waarbij de advocaten van partijen pleitnota’s hebben voorgedragen en overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.
3 De beoordeling
In deze zaak gaat het om het volgende.
[verweerder] was in dienst van [appellante] op grond van een arbeidsovereenkomst. [appellante] heeft [verweerder] op 27 augustus 2018 op staande voet ontslagen.
[verweerder] heeft een verzoekschrift ingediend inhoudende onder meer het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet. Daarop heeft [appellante] bij de kantonrechter een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend, namelijk voor het geval het ontslag op staande voet geen stand zou houden.
De kantonrechter heeft het verzoek van [verweerder] tot vernietiging van het ontslag op staande voet afgewezen bij beschikking van 21 december 2018 met zaaknummer 7301958 \ AZ VERZ 18-170. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het voorwaardelijk ontbindingsverzoek afgewezen, omdat de voorwaarde waaronder dit verzoek is ingediend niet is ingetreden nu het ontslag op staande voet in stand is gebleven.
[verweerder] is hoger beroep gegaan tegen de beschikking van 21 december 2018 met zaaknummer 7301958 \ AZ VERZ 18-170. Hij verzoekt in dat hoger beroep onder meer herstel van de arbeidsovereenkomst.
Het hoger beroep van [appellante] in de onderhavige procedure strekt er (uitsluitend) toe dat het hof de arbeidsovereenkomst ontbindt, voor het geval [appellante] wordt veroordeeld tot herstel van de arbeidsovereenkomst over te gaan, en de ontbindingsdatum bepaalt op de datum per wanneer [appellante] de arbeidsovereenkomst dient te herstellen dan wel een andere door het hof in goede justitie te bepalen datum.
[verweerder] heeft verweer gevoerd tegen dit voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [appellante] in hoger beroep en heeft zijnerzijds verzoeken gedaan voor het geval het hof zou overgaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
In het hoger beroep tegen de beschikking van 21 december 2018 met zaaknummer 7301958 \ AZ VERZ 18-170, doet het hof heden ook uitspraak. Die uitspraak houdt in dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd en dat de verzoeken van [verweerder] worden afgewezen. Het hof gaat dus niet over tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de voorwaarde waaronder het ontbindingsverzoek in hoger beroep is ingesteld niet is ingetreden.
Het vorenstaande brengt mee dat het ontbindingsverzoek van [appellante] niet in behandeling wordt genomen, nu de voorwaarde waaronder het is ingesteld niet is ingetreden. Aan de behandeling van de (voorwaardelijke) verzoeken van [verweerder] komt het hof derhalve ook niet toe.
De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd, nu daartegen geen grieven zijn gericht. Gelet op de uitkomst van deze procedure en de samenhang met de zaak met zaaknummer 7301958 \ AZ VERZ 18-170 ziet het hof aanleiding een proceskostenveroordeling in hoger beroep achterwege te laten.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
verstaat dat de voorwaarde waaronder het ontbindingsverzoek van [appellante] in hoger beroep is ingesteld niet is ingetreden en dat het ontbindingsverzoek niet in behandeling wordt genomen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.P. de Haan, J.M.H. Schoenmakers en B. Kloppert en is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2019.