Arbeidsrecht

Pensioenrecht; uitleg werkingssfeer verplichtstellingsbesluit Bpf MITT; aanhouding totdat de Hoge Raad heeft…

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14 oktober 2025
Datum publicatie
14 oktober 2025
Zaaknummer
200.346.071_01
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. R van Arkel te 's-Gravenhage, mr. J Kaldenberg te 's-Gravenhage
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2832
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Pensioenrecht; uitleg werkingssfeer verplichtstellingsbesluit Bpf MITT; aanhouding totdat de Hoge Raad heeft geoordeeld over https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2339

zie https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1000 (Hazet)

Procesgang

  1. Rechtbank Limburg · 10 april 2024

    ECLI:NL:RBLIM:2024:1789
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 oktober 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2025:2832

Uitspraak

Inhoudsopgave

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.346.071/01

arrest van 14 oktober 2025

in de zaak van

Drukwerkdeal.nl B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als Drukwerkdeal,

advocaat: mr. R. van Arkel te 's-Gravenhage,

tegen

Stichting bedrijfstakpensioenfonds mode-, interieur-, tapijt- en textielindustrie,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Bpf MITT,

advocaat: mr. J. Kaldenberg te 's-Gravenhage,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 april 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen Drukwerkdeal als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Bpf MITT als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9890949 \ CV EXPL 22-2390)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep;

  • de memorie van grieven met producties;

  • de memorie van antwoord;

  • de op 23 september 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;

  • de door Drukwerkdeal toegezonden producties 25 en 26 en de door Bpf MITT toegezonden productie 2, die partijen bij de mondelinge behandeling in het geding hebben gebracht en waarvan aan hen akte is verleend.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De samenvatting

3.1.1.

Bpf MITT, een bedrijfstakpensioenfonds, heeft zich op het standpunt gesteld dat Drukwerkdeal onder de werkingssfeer van haar verplichtstellingsbesluit valt. Als dat het geval is, dan heeft dat tot gevolg dat Drukwerkdeal gegevens moet verstrekken en pensioenpremies moet afdragen aan Bpf MITT. Volgens Drukwerkdeal valt zij niet onder de werkingssfeer, omdat zij zich (samengevat) richt op het online aanbieden van drukwerk en niet op textiel.

3.1.2.

Voor de vraag of Drukwerkdeal onder de werkingssfeer valt van het verplichtstellingsbesluit moet het hof eerst een oordeel geven over de uitleg van de betreffende bepalingen. Daarover loopt al een procedure in cassatie. Het hof zal de beoordeling van dit hoger beroep aanhouden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in die cassatieprocedure.

De feiten

3.2.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2.1.

Drukwerkdeal is een online drukkerij. Haar activiteiten bestaan uit het verrichten van diensten op het gebied van printen, drukken, grafisch onderwerpen, webdesign, desktop publishing en daaraan gerelateerde activiteiten, relatiegeschenken en reclameproducten. Drukwerkdeal biedt het personeel een eigen verzekerde pensioenregeling.

3.2.2.

Bpf MITT is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000).

3.2.3.

Bij besluit van 5 december 1975, nr. 44896A, Stcrt. 1976, nr. 5 werd overgegaan tot het verplicht stellen van deelneming in Bpf MITT voor werknemers die werkzaam zijn bij werkgevers die vallen onder de werkingssfeer van dit besluit. Dit verplichtstellingsbesluit is meermaals gewijzigd. Voor zover in deze procedure relevant gaat het om de gewijzigde besluiten van 31 mei 2010 (Stcrt. 3 juni 2010, nr. 8494), 9 maart 2015 (Stcrt. 2015, 12 maart 2015, nr. 7175), 5 januari 2016 (Stcrt. 2016, 7 januari 2016, nr. 766) en 1 februari 2018 (Stcrt. 2018, 6 februari 2018, nr. 6910).

3.2.4.

Voor zover in dit hoger beroep relevant, is in deze verplichtstellingsbesluiten (die in dit opzicht gelijkluidend zijn) het volgende bepaald:

“De deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie is verplicht gesteld voor de werknemers (…) die werkzaam zijn bij een werkgever in de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (…)

Wordende te dezen verstaan onder:

1. Werknemer: (…)

2. Werkgever:

De werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon die in zijn in Nederland gevestigde onderneming of afdeling(en) van zijn onderneming het Mode-, Interieur-, Tapijt- of Textielindustriebedrijf (…) uitoefent.

3. Tapijt- en Textielindustrie:
(…)

4. Mode- en Interieurindustrie:onder Mode- en Interieurindustrie moet worden verstaan:

het vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of het ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen of hetgeen ter vervanging daarvan dient, zoals: gerubberd doek, plastic, leder, bont en dergelijke, tot een ge- of verbruiksvoorwerp dan wel halffabrikaten daarvan, met inbegrip van in Nederland gevestigde gordijnateliers, alles met uitzondering van ondernemingen:

I. I. waarin de verwerking geschiedt door detailhandelsondernemingen, die uitsluitend de in de detailhandel gebruikelijke bewerkingen verrichten;

II. II. die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen, waarvan de verwerkte textielstukgoederen, of hetgeen ter vervanging daarvan dient, niet een overwegend bestanddeel uitmaken, zoals schoen-, matrassen- en meubelfabrieken;

III. III. die in hoofdzaak artikelen vervaardigen, ter zake waarvan de algemeen verbindend verklaarde CAO voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie (…) dan wel een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van: zeilmaker; dekkledenvervaardiger; dekkledenverhuur; scheepstuiger; scheepsbenodigdheden handelaar, en/of folieverwerker, dan wel waarop onderdeel 3 van toepassing is;

IV. IV. die in hoofdzaak het maatkledingbedrijf uitoefenen.Van vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken is sprake als een onderneming één of meer van de fasen van de voortbrengingscyclus (van ontwerp tot en met verzendklaar maken) van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen verricht en/of in zijn opdracht door derden laat verrichten.

(…)”.

Het hof zal deze verplichtstellingsbesluiten hierna steeds in enkelvoud aanduiden.

3.2.5.

Bij brief van 8 december 2020 heeft Bpf MITT aan Drukwerkdeal meegedeeld dat zij onderzoekt of aansluiting verplicht is. Zij heeft Drukwerkdeal verzocht om inlichtingen te verschaffen over haar onderneming. Na ontvangst van de reactie van Drukwerkdeal heeft Bpf MITT met een e-mail van 12 juli 2021 laten weten dat zij van oordeel is dat Drukwerkdeal onder de verplichtstelling valt. Vervolgens heeft Drukwerkdeal bezwaar gemaakt, waarop Bpf MITT afwijzend heeft gereageerd.

De vorderingen

3.3.1.

Drukwerkdeal heeft deze procedure aanhangig gemaakt en (samengevat weergegeven) gevorderd:

i. te verklaren voor recht dat Drukwerkdeal niet is aan te merken als een werkgever als bedoeld in het verplichtstellingsbesluit;

ii. Bpf MITT te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand van € 5.228,41, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag der voldoening;

iii. Bpf MITT te veroordelen in de (na eiswijziging in dit opzicht) werkelijk gemaakte kosten van de procedure.

3.3.2.

Bpf MITT heeft een eis in reconventie ingesteld en (samengevat weergegeven) het volgende gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat Drukwerkdeal vanaf 1 januari 2015 valt onder de werkingssfeer van de verplichtstelling, zodat zij deze vanaf die datum moet naleven;

2. Drukwerkdeal te veroordelen om binnen veertien dagen na het vonnis de gegevens te verstrekken aan Bpf MITT van de werknemers die vanaf 1 januari 2015 bij haar in dienst zijn (geweest), op straffe van een dwangsom;

3. Drukwerkdeal te veroordelen in de kosten van het geding.

3.3.3.

De kantonrechter heeft de vorderingen van Drukwerkdeal afgewezen en die van Bpf MITT toegewezen.

3.3.4.

Het hoger beroep van Drukwerkdeal strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van Drukwerkdeal en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Bpf MITT. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Drukwerkdeal desgevraagd toegelicht dat zij haar vordering om Bpf MITT te veroordelen in de werkelijk gemaakte kosten heeft verlaten en dat zij heeft bedoeld dat Bpf MITT moet worden veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief.

De uitleg van het verplichtstellingsbesluit

3.4.1.

Naar vaste rechtspraak moeten verplichtstellingsbesluiten worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde cao norm. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De Hoge Raad heeft dat als volgt geformuleerd (HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1622):

Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende tot uitgangspunt. Het verplichtstellingsbesluit is recht in de zin van art. 79 RO en moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. Een en ander geldt op overeenkomstige wijze voor andere regelingen dan een cao die aan de hand van de cao-norm moeten worden uitgelegd.

3.4.2.

De klanten van Drukwerkdeal kunnen online een product bestellen waarop een bedrukking naar de wensen van de klant is aangebracht. De klant kan kiezen uit een breed scala aan materialen. Zo biedt Drukwerkdeal de mogelijkheid kleding, kledingaccessoires en andere textielstukgoederen te laten bedrukken. Drukwerkdeal bedrukt niets zelf. Zij geeft de opdracht door aan een aan haar gelieerd productiebedrijf (of een ander bedrijf) om het betreffende artikel (dat dit bedrijf zelf op voorraad heeft of bestelt, maar in ieder geval niet van Drukwerkdeal afkomstig is) te bedrukken en aan de klant te leveren. Drukwerkdeal factureert aan de klant.

3.4.3.

Volgens Drukwerkdeal valt zij om meerdere redenen niet onder de verplichtstelling. Een van die redenen is dat zij de voortbrengingscyclus voorbij is. Volgens Drukwerkdeal heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat sprake is van ‘doen ver- en/of bewerken’ in de zin van het verplichtstellingsbesluit (aanhef artikel 4). Wanneer Drukwerkdeal een kledingstuk laat bedrukken, dan blijft dat volgens Drukwerkdeal een volwaardig kledingstuk.

Het hof verwerpt dat standpunt. Het hof is van oordeel dat het toevoegen van een opdruk moet worden opgevat als het bewerken van een kledingstuk waardoor een ander gebruiksvoorwerp ontstaat. Het kledingstuk wordt na het aanbrengen van de opdruk een ander gebruiksvoorwerp, namelijk (bijvoorbeeld) bedrijfskleding in plaats van kleding die door iedere willekeurige klant kan worden gebruikt. Het is een ander gebruiksvoorwerp geworden. In de bepaling staat dat het gaat om het bewerken van (onder andere) kleding en dat is al een gebruiksvoorwerp. Er staat niet dat het alleen mag gaan om het bewerken van textiel tot een ge- of verbruiksvoorwerp.

Voor zover Drukwerkdeal nog heeft bedoeld aan te voeren dat zij niet onder de werkingssfeer valt omdat zij niets zelf bedrukt, verwerpt het hof ook dat standpunt. Uit het verplichtstellingsbesluit blijkt duidelijk dat het in opdracht door een ander laten be- of verwerken, ook valt onder de werkingssfeer (aanhef artikel 4:‘doen ver- en/of bewerken’). Dat zich daardoor de situatie kan voordoen dat de twee tot hetzelfde concern als Drukwerkdeal behorende ondernemingen die zich wel met het bedrukken bezig houden niet zijn aangesloten bij Bfp Mitt en Drukwerkdeal, die zich niet zelf bezig houdt met bedrukken wel, betekent nog niet dat sprake is van een onaannemelijk rechtsgevolg. Zoals Bfp Mitt onbestreden heeft gesteld, is bij deze ondernemingen sprake van overlap en zijn deze aangesloten bij een ander bedrijfstakpensioenfonds.

3.4.4.

Het hof is dus van oordeel dat Drukwerkdeal activiteiten verricht die vallen onder de in het verplichtstellingsbesluit opgenomen definitie. Het hof zal deze activiteiten hierna ‘de MITT-activiteiten’ noemen. Drukwerkdeal houdt zich ook bezig met het bedrukken van materiaal dat evident niet onder de definitie valt, bijvoorbeeld papier. Partijen twisten over de vraag wat de omvang is van de MITT-activiteiten en zij verschillen van mening over de vraag of dat doorslaggevend is.

Volgens Bpf MITT doet het er niet toe of de MITT-activiteiten gering zijn (het standpunt van Drukwerkdeal) of substantieel (het standpunt van Bpf MITT). Volgens Bpf MITT valt Drukwerkdeal onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit, zelfs als de MITT- activiteiten zeer gering zijn. Dat volgt volgens Bpf MITT uit de ruime omschrijving die in het verplichtstellingsbesluit is opgenomen.

3.4.5.

Dit hof heeft in een eerder arrest dat standpunt van Bpf MITT gevolgd. Dit hof heeft in zijn arrest van 16 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2339) over de uitleg van het in dit hoger beroep aan de orde zijnde verplichtstellingsbesluit van Bpf MITT geoordeeld dat het verplichtstellingsbesluit geen hoofdzaakcriterium kent. Dit hof heeft overwogen:

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat vast dat het aanbrengen van de logo’s op bedrijfskleding onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt. Hazet houdt zich hiermee bedrijfsmatig bezig en behaalt daaruit omzet. Hoewel dat slechts een gering deel betreft van haar bedrijfsactiviteiten, kan het hof niet tot de conclusie komen dat Hazet om die reden niet onder de werkingssfeer valt. Dat zou immers betekenen dat het hof zelf een ondergrens zou vaststellen. Daarmee zou het hof de hiervoor genoemde cao-norm verlaten en zelf een invulling geven aan de tekst van het verplichtstellingsbesluit die daarin niet te lezen valt en daar ook niet uit afgeleid kan worden, ook niet als onaannemelijk rechtsgevolg. Anders dan Hazet heeft aangevoerd is dat niet een kwestie van een ruime uitleg, maar van een uitleg volgens de cao-norm van een ruime definitie. Het hof kan die ruime definitie niet opzij zetten en kan uit het doel en de strekking van de Wet Bpf 2000 niet afleiden dat de activiteiten van Hazet te gering zijn om onder de werkingssfeer van dit verplichtstellingsbesluit te vallen. Het hof kan en zal wel rekening houden met de door Hazet bepleite onevenredig benadeling (zoals hierna zal blijken), maar het hof kan de ruime definitie van het verplichtstellingsbesluit niet zó uitleggen dat die werkingssfeer wordt aangepast of ingeperkt.

Tegen dat arrest, en meer specifiek tegen (onder andere) deze overweging, loopt een procedure in cassatie. Op 12 september 2025 heeft Advocaat-Generaal B.F. Assink (hierna: de A-G) geconcludeerd tot vernietiging van dat arrest. Hij heeft daartoe (onder andere) overwogen (ECLI:NL:PHR:2025:1000 onder 3.34):

In het licht van het voorgaande (…) komt het mij in termen van rechtsgevolg evenmin aannemelijk voor om, waar een verplichtstellingsbesluit niet kenbaar een hoofdzaakcriterium (of een andere drempel ter zake) bevat, ondernemingen die activiteiten verrichten die van doen hebben met de activiteiten in de bedrijfstak maar slechts mondjesmaat, per definitie wél aan te merken als een onderneming op dat gebied. Zo’n benadering is m.i. disproportioneel. Het strookt daarmee om een verplichtstellingsbesluit dat niet kenbaar zo’n criterium (of een andere drempel ter zake) bevat, zó uit te leggen dat de werkingssfeer toch een zeker ondergrens heeft.

Partijen twisten ook in dit hoger beroep over de vraag hoe het hof het verplichtstellingsbesluit van Bpf MITT met betrekking tot dat onderwerp moet uitleggen.

3.4.6.

Drukwerkdeal heeft het hof in overweging gegeven deze uitlegkwestie aan te houden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen. Bpf MITT heeft aangevoerd dat dat niet nodig is omdat volgens haar de omzet van Drukwerkdeal die gerelateerd moet worden aan de MITT-activiteiten structureel en substantieel zijn, zodat voor de hiervoor genoemde kwestie van uitleg (de kwestie van de ‘ondergrens’) niet relevant is of de Hoge Raad de A-G volgt of het eerdere oordeel van dit hof daarover in stand laat.

Drukwerkdeal heeft dat op haar beurt betwist en aangevoerd dat haar MITT-activiteiten marginaal zijn.

3.4.7.

Het hof zal nu nog niet beslissen op de standpunten over de omvang van de MITT-activiteiten die Drukwerkdeal verricht, omdat dit, zoals het hof dat nu inschat, niet slechts een kwestie van uitleg is (wat moet worden verstaan onder een ‘ge- of verbruiksvoorwerp’ in de zin van artikel 4 aanhef), maar omdat daarvoor waarschijnlijk ook nader onderzoek naar de feiten nodig is (wat valt onder ‘hetgeen ter vervanging daarvan dient’ in de zin van artikel 4 aanhef). Het hof houdt er rekening mee dat voor wat betreft dit laatste een onderzoek door een deskundige nodig is.
Als de Hoge Raad het eerder genoemde arrest van dit hof vanwege de hiervoor in 3.4.5. weergegeven overweging vernietigt, dan wordt van belang wanneer de omvang zodanig gering is dat Drukwerkdeal niet onder de werkingssfeer valt. Het hof wil afwachten of de Hoge Raad (ook) daarover een oordeel geeft.

Het hof wenst om proceseconomische redenen eerst het oordeel van de Hoge Raad af te wachten.

Het verdere verloop van de procedure

3.5.

Het hof zal om proceseconomische redenen de zaak doorhalen op de rol, met de bepaling dat de meest gerede partij de zaak opnieuw kan opbrengen nadat de cassatieprocedure bij de Hoge Raad is geëindigd. Beide partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de invloed van de uitkomst van die cassatieprocedure in dit hoger beroep, waarna beide partijen met een antwoordakte op elkaars standpunt kunnen reageren.

Indien - naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad - de (geringe) omvang van de omzet relevant wordt, draagt het hof Bfp MITT op om zich gelijktijdig in haar ‘akte uitlating arrest Hoge Raad’ erover uit te laten welke materialen in het door Drukwerkdeal als productie 26 overgelegde overzicht volgens Bpf MITT wel als ‘vervangend’ moeten worden beschouwd en waarom. In de antwoord-akte kan Drukwerkdeal hierop dan reageren.

Indien de uitkomst van de cassatieprocedure voor partijen aanleiding is om een regeling in der minne te beproeven, dan verzoekt het hof partijen om het hof daarvan in kennis te stellen, zodat duidelijk is waarom de zaak niet opnieuw wordt opgebracht.

4 De uitspraak

Het hof:

4.1.

bepaalt dat de zaak wordt doorgehaald op de rol van heden;

4.2.

bepaalt dat de meest gerede partij de zaak opnieuw kan opbrengen, nadat de cassatieprocedure bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof Den Bosch van 16 juli 2024 is beëindigd;

4.3.

bepaalt dat, nadat de zaak opnieuw zal zijn opgebracht, beide partijen een ‘akte uitlating arrest Hoge Raad’ kunnen nemen met het in 3.5 genoemde doel, waarna beide partijen met een antwoordakte op elkaars standpunt kunnen reageren;

4.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, S.M.J. Korthuis-Becks en A.W. Rutten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2025.

griffier rolraadsheer