Arbeidsrecht
Arbeidsrecht WWZ / ontslag op staande voet werknemer wegens diefstal uit kluis en kassa werkgever / sprake…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3321 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/arbeidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-3321
Zaakgegevens
Op 20 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 20 november 2025
- Datum publicatie
- 20 november 2025
- Zaaknummer
- 200.354.548_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. ing. M.T.M. Zusterzeel te Weert, mr. S.J. van der Velde te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3321
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arbeidsrecht WWZ / ontslag op staande voet werknemer wegens diefstal uit kluis en kassa werkgever / sprake van onverwijldheid / sprake van een dringende reden ondanks gokverslaving / ook geen toekenning transitievergoeding omdat ernstig verwijtbaar / bekrachtiging
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 20 november 2025
Zaaknummer : 200.354.548/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11363547 \ EJ VERZ 24-609
in de zaak in hoger beroep van:
[de werknemer] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [de werknemer] ,
advocaat: mr. ing. M.T.M. Zusterzeel te Weert,
tegen
[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna aan te duiden als [de werkgever] ,
advocaat: mr. S.J. van der Velde te Amsterdam.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 11 februari 2025.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 8 mei 2025;
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 januari 2025 (productie 10), ingekomen ter griffie op 12 juni 2025;
-
het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 1 september 2025;
-
de nadere producties 11 t/m 16, ingekomen ter griffie op 19 september 2025;
- de op 23 september 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
- [de werknemer] , bijgestaan door mr. ing. Zusterzeel;
- namens [de werkgever] : de heer [HR Business Partner] (HR Business Partner), bijgestaan door mr. Van der Velde;
- als toehoorders waren in de zaal aanwezig de vader van [de werknemer] en een
kantoorgenoot van mr. Zusterzeel (mr. R. Vaessen);
- de ter zitting door beide advocaten overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.
Het hof heeft ter zitting in hoger beroep de door mr. Zusterzeel op 19 september 2025 (iets te laat) ingediende nadere producties 11 en 16 geweigerd. Deze producties lijken op conclusies van repliek, omdat in beide stukken uitvoerig inhoudelijk op (aspecten van) de zaak wordt ingegaan. Nu dat in strijd is met de twee-conclusieleer, maken de stukken 11 en 16 geen deel uit van het procesdossier.
Ter zitting heeft het hof de behandeling van de zaak op verzoek van beide partijen aangehouden, teneinde een regeling te beproeven.
Bij formulier van 10 oktober 2025 hebben partijen eenstemmig bericht dat geen minnelijke regeling is gesloten. Zij hebben om een uitspraak verzocht.
Het hof heeft vervolgens een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op de hiervoor onder 2.1 vermelde stukken.
3 De beoordeling
De feiten
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [de werknemer] , geboren [geboortedatum] 1990, is sinds 25 november 2013 in dienst bij [de werkgever] . Hij bekleedde laatstelijk de functie Afdelingsverantwoordelijke Verkoop met een loon
van € 2.627,24 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en overige
emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de ‘CAO voor personeel
werkzaam in de doe-het-zelfbranche’ en de ‘Arbeidsvoorwaardenregeling voor
Winkelmedewerkers’ van toepassing verklaard.
In de functie Afdelingsverantwoordelijke Verkoop was [de werknemer] onderdeel van het
managementteam van de vestiging waar hij werkzaam was ( [vestiging] ). Hij was onder meer verantwoordelijk voor het verzorgen van de bezetting en werkverdeling binnen de winkel, het operationeel aansturen van de werknemers en het toezien op de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Daarnaast zag hij toe op de correcte naleving van de regels en procedures rondom arbeidsomstandigheden, veiligheid en derving. Bij afwezigheid van de Winkelmanager droeg [de werknemer] uit hoofde van zijn functie ook zorg voor de kluistelling, meestal samen met de Senior Medewerker Verkoopondersteuning.
In de periode van 29 juli tot 19 augustus 2024 heeft [de werknemer] geen werkzaamheden voor [de werkgever] verricht in verband met vakantie en (aansluitend) geboorteverlof, met uitzondering van maandag 12 augustus 2024 (die dag stond [de werknemer] ingeroosterd van 9:00-13:00 uur).
Op maandag 5 augustus 2024 stuurde een collega een whatsapp-bericht in de appgroep van de winkel met daarin de mededeling: “Kluis geteld met [naam] zat een verschil in. Wisselgeld was geleverd en de kleine kluis meegeteld. Hopelijk morgenvroeg weg!” Bij het bericht zat een foto van de kluisopmaak met een kluisverschil van € 7.956,-. [de werknemer] , lid van deze appgroep, reageerde direct dat hij haar even zou bellen en dat hij de volgende dag - 6 augustus 2024 - zou langskomen ‘om te kijken hoe en wat’.
De Winkelmanager had op 5 augustus 2024 vakantie. Hij heeft diezelfde avond in de appgroep geschreven dat hij de apps over het kluisverschil op dat moment pas zag. In reactie daarop heeft [de werknemer] geschreven dat hij morgenvroeg (6 augustus 2024) even in [vestiging] (in de winkel) zou zijn en ‘het dan wel in orde maakt’. De Winkelmanager heeft daarop met ‘top’ gereageerd en heeft ook aan [de werknemer] gevraagd of hij op dat moment verlof of vakantie had. [de werknemer] heeft daarop gereageerd dat hij verlof had.
Op woensdag 7 augustus 2024 is de Winkelmanager terug van zijn vakantie en heeft hij het kluisverschil in het computersysteem gecontroleerd, waar op dat moment een saldo van € 0,- werd getoond.
Op dinsdag 13 augustus 2024 heeft de Winkelmanager een whatsapp-bericht van de Senior Medewerker Verkoopondersteuning ontvangen met de mededeling dat er vreemde boekingen zichtbaar waren in het systeem en dat er geld uit de kassa leek te ontbreken. De Winkelmanager heeft op woensdag 14 augustus 2024 een controle uitgevoerd, waarbij onregelmatigheden werden geconstateerd. Vervolgens zijn camerabeelden van de kluisruimte en van de kassa bekeken, eerst de beelden van 6 augustus 2024 en naar aanleiding van wat daarop werd gezien, zijn op 14 en 15 augustus 2024 de beelden over een langere periode bekeken. Op de camerabeelden is waargenomen dat [de werknemer] op verschillende dagen verschillende bedragen uit de kluis en kassa heeft weggenomen.
[de werkgever] heeft aan de hand van de camerabeelden geconcludeerd dat [de werknemer] in de periode van april 2024 tot en met augustus 2024 ten minste € 8.000,- heeft weggenomen. De laatste keer was op 6 augustus 2024, toen [de werknemer] verlof had maar naar aanleiding van het bericht in de groepsapp over het kluisverschil naar de winkel was gekomen en had vermeld dat hij het verschil ‘in orde zou maken’.
i. Op 14 en 15 augustus 2024 was [de werknemer] afwezig in verband met verlof. Op 19 augustus 2024 - de eerste dag na de verlofperiode van [de werknemer] - heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de werknemer] , de Winkelmanager en de heer [HR Business Partner] (HR Business Partner). In dit gesprek is [de werknemer] op de hoogte gesteld van het onderzoek en is hij geconfronteerd met de bevindingen. [de werknemer] heeft de feiten waarvan hij verdacht werd erkend.
[de werknemer] heeft in een handgeschreven brief d.d. 19 augustus 2024 het volgende verklaard:
“Eerder dit jaar ben ik in contact gekomen met online gokken. De drang en wil om te winnen werd groter dan ik financieel kon verantwoorden. Vanaf dit moment ben ik geld via andere bronnen gaan zoeken.
Na alles wat ik zelf had te vergokken ben ik begonnen met het stelen van geld uit de kluis. Hierbij heb ik er constant voor gezorgd dat ik zelf verantwoordelijk was voor het tellen van de kluis. Zo kon ik het laten lijken dat er niks miste.
Ik heb mijzelf keer op keer verteld dat dit wel opgelost zou worden. Ik heb dit om de een of andere reden ook altijd geloofd.
Nu zijn we inmiddels aan de andere kant van de lijn waarin ik het simpel gezegd helemaal verpest heb. Ik heb enorme spijt. Vooral ook aan de collega's.
Ik heb het vertrouwen wat zij in mij hadden misbruikt.
Vanaf heden ga ik alles in mijn macht doen om het gestolen bedrag terug te betalen. Voor zover wettelijk mogelijk kan dit bedrag worden ingehouden van mijn salaris."
In het gesprek op 19 augustus 2024 is [de werknemer] op staande voet ontslagen.
Bij brief van 19 augustus 2024 heeft [de werknemer] een schriftelijke bevestiging van het
ontslag op staande voet ontvangen. In deze brief is, onder andere, het volgende opgenomen:
“Naar aanleiding van het gesprek dat heden plaatsvond op maandag 19 augustus 2024, waarbij u in aanwezigheid van ondergetekende (HR Business Partner) en uw leidinggevende, de heer [leidinggevende] , aangesproken bent op uw gedragingen met betrekking tot het halen van wisselgeld uit de kluis.
Wij hebben u verteld dat naar aanleiding van een intern onderzoek aan het licht is gekomen dat u in de periode vanaf 14 april 2024 tot en met 5 augustus als enige de kluistellingen hebt gedaan, er kan dan ook geen misverstand over bestaan dat daar waar hier zaken niet kloppen deze door u zijn veroorzaakt. U kwam zelfs op uw vrije dag terug om de wekelijkse kluistelling te doen, zo had u de mogelijkheid om andere aantallen in te vullen dan er daadwerkelijk in de kluis waren, hiermee bleef u handelen geruime tijd niet zichtbaar.
Daarnaast valt op dat u veel meer dan nodig kan zijn in de grote kluis met geld aan de slag bent, vaak loopt u eerst naar het wisselgeldkluisje bij de balie en kijkt wat er nodig is, vervolgens loopt u naar de grote kluis met tijdslot om geld te pakken en aan te vullen in het wisselgeldkluisje. Deze handeling is zeker niet zo vaak nodig als u dit doet en de afspraak is om dit voor opening of na sluiting te doen. U pakt ook iedere keer maar een heel klein aantal rolletjes wisselgeld en pakketjes briefgeld.
- Zo lijkt u op 6 mei 2024 om 17:39 uur wisselgeld uit de grote kluis te pakken en te verplaatsen naar het wisselgeld kluisje. Maar 10 briefjes van 10 euro gaan niet in het wisselgeldkluisje.
- Op 8 mei 2024 om 14:01 lijkt u weer geld van de grote kluis naar de kleine kluis te verplaatsen, maar nu komen 10 briefjes van 5 euro niet in de kluis terecht.
- Op 11 mei 2024 om 14:20 uur, terwijl uw werktijd liep tot 14:00 uur, pakt u 2 rolletjes 1 euro, 1 rolletje 0,50, 2 rolletjes 2 euro, 1 rolletje 0,05, en een pakje van 10x5 euro. Maar 1 rolletje met 1 euro munten uit de grote kluis wordt niet in het kleine kluisje gedaan.
- Op 26 mei 2024 om 14:23 doet u op uw vrije dag de kluistelling samen met een collega. U laat haar tellen en u voert in, de collega kan niet zien wat u heeft ingevoerd.
- Op 14 juni 2024 om 18:16, terwijl uw werkdag om 18:00 uur is geëindigd, haalt u pakketje briefjes uit de kluis maar doet deze niet in het wisselgeld kluisje en ook niet in de kassa.
- Op 18 juni 2024 om 18:33 uur haalt u wisselgeld uit de grote kluis maar dit wisselgeld gaat niet naar het wisselgeld kluisje en/of de kassa.
- Op 16 juli 2024 om 17:24 pakt 10 briefjes van 10 euro uit de kassa en loopt weg, maar u verschijnt niet in de kluisruimte met het geld.
- Op 16 juli 2024 om 18:34 pakt neemt u 30 briefjes van 10 euro uit de kassa en loopt weg, maar wederom niet naar de kluisruimte.
- Op 17 juli 2024 om 17:16 uur pakt u geld uit de kassalade en loopt naar achteren maar niet naar de kluisruimte, om 18:23 uur doet hij een overboeking van 1.430 euro op de kassa maar dat bonnetje is nergens te vinden en zit niet aan de documenten waar het hoort. Het lijkt er op dat u met deze overboeking het geld dat u uit de kassa heeft genomen via een administratieve boeking wilt verbloemen.
- Op 19 juli 2024 om 17:23 uur pakt u 10 briefjes van 10 euro uit de kluis om naar de kassa te brengen maar heeft niets meer in zijn hand bij de kassa, het geld komt ook nooit in de kassa.
- Op 6 augustus 2024 om 13:30 uur bent u zonder dat u daar iets te zoeken heeft en/of opdracht hebt gekregen om daar te zijn, in de kluisruimte terwijl u geboorteverlof heeft en niet hoeft te werken, u pakt wederom 10 briefjes van 10 euro uit de kluis maar brengt dit niet naar de kassa en/of de kleine kluis.
- Op 8 augustus 2024 pakt u wederom een stapel geldbiljetten uit de kluis en brengt deze niet naar de kassa, maar verdwijnt gewoon met het geld. Extra betreurenswaardig is dat u op deze datum nog steeds geboorteverlof had en dus helemaal niet aan het werk was en ook nu weer geen opdracht en/of toestemming had.
In totaal betreft het geld dat u heeft meegenomen in ieder geval € 8.000,-.
U heeft in voornoemd gesprek mondeling aan ondergetekende en uw leidinggevende toegegeven dat u op meerdere momenten vanaf april 2024 een fors bedrag van, zoals blijkt uit onderzoek [de werkgever] , in totaal € 8.000,- uit de kluis heeft gepakt en heeft toegeëigend, dit heeft u ook schriftelijk aan mij bevestigd.
Als reden heeft u aan ons opgegeven dat u, in verband met een gokverslaving, direct geld nodig had. U vertelde van de veronderstelling uit te gaan dat u op enig moment middels gokken het probleem bij [de werkgever] kon oplossen. U heeft dit probleem nooit eerder met iemand binnen [de werkgever] besproken. U heeft ook schriftelijk akkoord gegeven aan ondergetekende om in eerste instantie zoveel als mogelijk is op uw salarisbetaling en eindafrekening in mindering te brengen. Het overige zullen wij via incasso op u vorderen.
In de Retail branche zijn werknemers continu werkzaam met geld en goederen van de werkgever en klanten. In deze branche is het daarom van extra groot belang dat werknemers van onbesproken gedrag zijn en zorgvuldig omgaan met de eigendommen van de werkgever en klanten. Met de bovenstaande gedragingen heeft u het vertrouwen van [de werkgever] in u als zorgvuldig handelend werknemer ernstig geschonden en uw plichten grovelijk veronachtzaamd. Deze gedragingen zijn ook daarom voor [de werkgever] absoluut niet te tolereren.
Uw handelswijze zien wij dan ook als een dringende reden voor ontslag op staande voet. Na ons onderzoek en overleg met u zien wij ons genoodzaakt om - alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - u per heden, 19 augustus 2024, op staande voet te ontslaan. (...) "
Op 27 augustus 2024 is namens [de werkgever] bij de politie aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking.
Bij brief van 30 augustus 2024 heeft [de werkgever] een betalingsregeling voor de terugbetaling van een bedrag ad € 8.000,- voorgesteld. [de werknemer] heeft met die
terugbetalingsregeling ingestemd.
[de werknemer] heeft zich op 3 oktober 2024 bij de GGZ gemeld in verband met verslavingsproblematiek. Door de GGZ is een gokstoornis (DSM-5) gediagnostiseerd. In de periode van 3 oktober 2024 tot 6 januari 2025 heeft [de werknemer] bij de GGZ een ambulant traject gevolgd, dat bestond uit 13 individuele sessies en 13 groepssessies. [de werknemer] heeft de behandeling met succes afgerond en is terugverwezen naar de huisarts. Bij de huisarts staat [de werknemer] in contact met de praktijkondersteuner. Verder bezoekt hij wekelijks bijeenkomsten van Gamblers Anonymus.
Met ingang van 16 april 2025 heeft [de werknemer] een nieuwe baan.
De procedure bij de kantonrechter
[de werknemer] heeft de kantonrechter primair verzocht (samengevat) om een verklaring voor recht dat het door [de werkgever] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarnaast heeft hij verzocht [de werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. Subsidiair heeft [de werknemer] de kantonrechter verzocht om [de werkgever] te veroordelen tot betaling aan hem van de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente. Zowel primair als subsidiair met veroordeling van [de werkgever] in de proceskosten.
[de werkgever] heeft een verweerschrift ingediend en de kantonrechter als tegenverzoek primair verzocht (samengevat) te verklaren voor recht dat [de werknemer] aansprakelijk is voor de door [de werkgever] geleden schade van € 8.000,- en dat deze schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid en [de werknemer] te veroordelen tot betaling van dit bedrag conform de tussen hen overeengekomen betalingsregeling. In het geval dat de kantonrechter geen aansluiting zou zoeken bij de betalingsregeling, heeft [de werkgever] diverse subsidiaire verzoeken gedaan (die in hoger beroep niet meer relevant zijn). Zowel primair als subsidiair heeft [de werkgever] ten slotte verzocht [de werknemer] te veroordelen in de proceskosten.
In de beschikking waarvan beroep, heeft de kantonrechter (samengevat) het verzoek van [de werknemer] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft het primaire tegenverzoek van [de werkgever] toegewezen, in die zin dat zij voor recht heeft verklaard dat [de werknemer] aansprakelijk is voor de door [de werkgever] geleden schade van € 8.000,- en dat deze schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. De kantonrechter heeft voorts [de werknemer] veroordeeld tot betaling aan [de werkgever] van het hiervoor genoemde bedrag, conform de tussen hen overeengekomen betalingsregeling. Ten slotte heeft de kantonrechter [de werknemer] veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter in het tegenverzoek heeft vastgesteld op nihil, en heeft zij het meer of anders verzochte afgewezen.
De verzoeken in hoger beroep
[de werknemer] kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen.
Primair heeft [de werknemer] het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en
i. te verklaren voor recht dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het door [de werkgever] op 19 augustus 2024 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is;
ii te verklaren voor recht dat het op 19 augustus 2024 door [de werkgever] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is;
iii. [de werkgever] te veroordelen om binnen 14 dagen na deze beschikking aan [de werknemer] te betalen een bedrag van € 71.348,06 bruto uit hoofde van een billijke vergoeding, te vermeerderen met (kort gezegd) de wettelijke rente;
iv. [de werkgever] te veroordelen om binnen 14 dagen na deze beschikking aan [de werknemer] te betalen een bedrag van € 10.345,79 bruto uit hoofde van de wettelijke transitievergoeding, te vermeerderen met (kort gezegd) de wettelijke rente;
v. [de werkgever] te veroordelen om binnen 14 dagen na deze beschikking aan [de werknemer] te betalen een bedrag van € 6.864,73 bruto uit hoofde van de vergoeding vanwege een onregelmatige opzegging, te vermeerderen met (kort gezegd) de wettelijke rente.
Subsidiair heeft [de werknemer] het hof verzocht de bestreden beschikking (deels) te vernietigen en
vi. indien en voor zover er (toch) sprake is van een door [de werkgever] rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, [de werkgever] (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) te veroordelen om binnen 14 dagen na deze beschikking aan [de werknemer] te betalen de wettelijke transitievergoeding van € 10.155,97 bruto, dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met (kort gezegd) de wettelijke rente.
Primair en subsidiair heeft [de werknemer] het hof verzocht
vii. [de werkgever] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, met veroordeling tot terugbetaling van de proceskosten in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente over die proceskosten vanaf de datum van betaling tot de dag dat deze proceskosten volledig zijn terugbetaald, te vermeerderen met (kort gezegd) de wettelijke rente over alle proceskosten.
[de werkgever] heeft het hof primair verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van de gronden. Subsidiair heeft [de werkgever] verzocht de verzoeken van [de werknemer] af te wijzen als ongegrond, niet bewezen en/of niet-ontvankelijk. Indien voor recht wordt verklaard dat het op 19 augustus 2024 door [de werkgever] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, heeft [de werkgever] voorts verzocht de transitievergoeding vast te stellen op een bedrag van ten hoogste € 10.155,97 bruto en het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding af te wijzen, althans de hoogte daarvan vast te stellen op nihil. Zowel primair als subsidiair heeft [de werkgever] verzocht [de werknemer] te veroordelen in (kort gezegd) de proceskosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hoger beroep van [de werknemer] is niet gericht tegen de toewijzing van het primaire tegenverzoek van [de werkgever] , kort gezegd de verklaring voor recht dat [de werknemer] aansprakelijk is voor de door [de werkgever] geleden schade van € 8.000,- en dat deze schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Toch kan het hof [de werkgever] niet volgen in haar betoog dat door de vaststelling dat de schade het gevolg is van opzettelijk of bewust roekeloos handelen, ook de dringende reden en de (ernstige) verwijtbaarheid in rechte onaantastbaar is.
Het hof begrijpt de verklaring voor recht, mede in het licht van het debat daarover in eerste aanleg en het door [de werknemer] in dat kader betrokken standpunt alsook hetgeen [de werknemer] overigens in eerste aanleg heeft aangevoerd ten aanzien van het ontslag op staande voet, niet anders dan dat daarmee door partijen is beoogd dat de schade moet worden terugbetaald. De verklaring voor recht geldt uitsluitend in dat debat (over de schade), en strekt niet verder dan dat debat. In de totale context bezien, mocht en mag [de werkgever] de verklaring voor recht dus niet zo begrijpen dat deze tevens betekenis heeft in het debat over de dringende reden en de (ernstige) verwijtbaarheid, dat een ander wettelijk kader betreft en in welk kader [de werknemer] het standpunt heeft ingenomen als hierna te beoordelen.
[de werknemer] heeft 15 grieven aangevoerd, die zijn onder te verdelen in de volgende onderwerpen (die het hof hierna zal behandelen):
- de onverwijldheid van het ontslag op staande voet (grieven 1 en 2)
- de dringende reden (grieven 3 t/m 10)
- de billijke vergoeding (grief 11)
- de vergoeding wegens onregelmatige opzegging (grief 12)
- de transitievergoeding (grief 13 en 14)
- de proceskosten (grief 15)
Onverwijldheid
Door middel van de eerste twee grieven betoogt [de werknemer] dat [de werkgever] niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Volgens [de werknemer] had [de werkgever] op 5 augustus 2024, maar in ieder geval (ook) op 6,7 en 13 augustus 2024, al een vermoeden dat [de werknemer] geld wegnam uit de kluis en had daarop (eerder) actie moeten ondernemen en hem (daarnaast) op non-actief moeten stellen.
Het hof neemt het volgende tot uitgangspunt.
Opzegging om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW moet blijkens de daarin vermelde eis van onverwijldheid worden gegeven zo spoedig mogelijk nadat de dringende reden zich heeft voorgedaan.
Voor het antwoord op de vraag of de ontslagverlening op staande voet al dan niet onverwijld is geschied, is beslissend het tijdstip waarop de feiten die als de dringende reden tot het ontslag worden aangevoerd ter kennis zijn gekomen van de werkgever. Indien bij een werkgever het vermoeden is gerezen dat zich een dringende reden tot ontslag van een werknemer voordoet, en hij zich, alvorens tot ontslagverlening op staande voet over te gaan, van de juistheid van dat vermoeden wil vergewissen, is de daarbij van hem te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer valt te denken aan de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van zulk onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, de noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrondbevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad.
De chronologie van de feiten voorafgaand aan het ontslag op staande voet is als volgt. Op 5 augustus 2024 kwam in de groepsapp van de winkel in [vestiging] de melding over het kluisverschil, waarop [de werknemer] reageerde dat hij de dag erop langs zou komen om ernaar te kijken en, specifiek heeft geantwoord aan de Winkelmanager, dat hij het in orde zou maken. [de werknemer] is op 6 augustus 2024 in de winkel geweest om zogezegd het kluisverschil ‘op te lossen’. De Winkelmanager, net terug van vakantie, zag op 7 augustus 2024 het kluisverschil op ‘0’ staan. [de werkgever] heeft onweersproken gesteld dat [de werknemer] zich op 12 augustus 2024 ondanks zijn verlof zelf heeft ingeroosterd en die ochtend de kluistelling heeft uitgevoerd. Ook die ochtend liet [de werknemer] aan de Winkelmanager een computeruitdraai zien met daarop het kluisverschil van ‘0’. Op 13 augustus 2024 kreeg de Winkelmanager het bericht van de Senior Medewerker Verkoopondersteuning dat er in het systeem vreemde boekingen zichtbaar waren en dat er geld uit de kassa leek te ontbreken. Op 14 augustus 2024 controleerde de Winkelmanager het kassaverschil (van ongeveer € 100,-) en nam contact op met de interne auditor, die beter zicht heeft op de processen in de winkel. Naast het kassaverschil, zag de interne auditor een kluisverschil van (bijna) € 8.000,-. Op 14 augustus 2024 heeft de Winkelmanager eerst de camerabeelden van 6 augustus 2024 bekeken, waarop te zien was dat [de werknemer] geldbiljetten uit de kluis haalde en in zijn zak stopte. Daarna hebben de Winkelmanager, de regiomanager en de auditor op 14 en 15 augustus 2024 de camerabeelden van een langere periode bekeken en geanalyseerd. Uit de beelden bleek dat [de werknemer] op diverse momenten geld uit de kluis en/of kassa heeft weggenomen. Op (vrijdag) 16 augustus 2024 is vervolgens de HR Business Partner erbij betrokken, die de beelden ook heeft bekeken. Diezelfde middag is voorts overleg gepleegd met de interne jurist van [de werkgever] . [de werknemer] had zorgverlof en zou maandag 19 augustus 2024 weer beginnen met werken. Op 19 augustus 2025 is hij geconfronteerd met zijn handelen en, na een gesprek en bij brief, op staande voet ontslagen.
Deze chronologie duidt naar het oordeel van het hof op voldoende zorgvuldigheid en voortvarendheid, als bedoeld in voornoemd uitgangspunt ten aanzien van de onverwijldheid (onderdeel 3.9.1).
Immers, voor de eerste onregelmatigheid die is gesignaleerd op 5 augustus 2024, waren nog allerlei verklaringen mogelijk, zoals bijvoorbeeld telfouten, die niet direct in de richting van [de werknemer] wezen. [de werknemer] was op 5 augustus 2024 ook al een week met verlof. Daarbij had hij zijn collega’s gerustgesteld door het sturen van de whatsapp en door op 6 augustus 2024 toch even naar de winkel te komen om het kluisverschil ‘op te lossen’, als enig beschikbare verantwoordelijke voor het tellen van de kluis. De Winkelmanager zag vervolgens zowel op 7 augustus 2024 als op 12 augustus in het computersysteem een saldo van ‘0’ staan. Tot en met 12 augustus 2024 had [de werkgever] naar het oordeel van het hof dan ook geen reden om te vermoeden dat [de werknemer] betrokken was bij het ontstaan van het kluisverschil, laat staan bij het verduisteren van gelden.
Pas na de melding van de tweede onregelmatigheid op 13 augustus 2024 en de interne audit op diezelfde dag, dat bevestigde dat (toch) sprake was van een kluisverschil en daarnaast van een kasverschil, begon dat vermoeden bij de Winkelmanager te ontstaan.
Na het zien van de camerabeelden werd dat vermoeden bevestigd. Dat het ‘doorakkeren’ van die camerabeelden vervolgens twee dagen (14 en 15 augustus 2024) in beslag nam, acht het hof logisch en juist zorgvuldig. Voorts is op 16 augustus 2024 de HR Businesspartner erbij betrokken, omdat die de bevoegdheid heeft voor het geven van een ontslag op staande voet, en is nog diezelfde dag de interne jurist geraadpleegd. Omdat (maandag) 19 augustus 2024 de eerste dag na het verlof van [de werknemer] was, is hij op die dag geconfronteerd met zijn handelen en heeft hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Door het verlof was [de werknemer] niet ingeroosterd en was er dus geen reden aanwezig om hem (eerder) op non-actief te stellen.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat [de werkgever] het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. De grieven 1 en 2 slagen niet.
Dringende reden
Door middel van de grieven 3 t/m 10 betoogt [de werknemer] - kort gezegd - dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. Gezien zijn gokstoornis (DSM-5 diagnose), die volgens [de werknemer] als ziekte kwalificeert, had [de werkgever] hem vanuit goed werkgeverschap en zorgplicht eerst naar de bedrijfsarts moeten verwijzen. Daarnaast voert hij aan dat hij door zijn gokstoornis niet in staat was om (de consequenties van) zijn handelwijze te overzien. Ook is hij van mening dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende reden (in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW) beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
Op grond van lid 2 en sub d van voornoemd artikel 7:678 BW kan een dringende reden onder andere aanwezig geacht worden wanneer de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt. Van deze grond, en dus van een dringende reden, is in de onderhavige zaak sprake, nu vast staat dat [de werknemer] gelden uit de kluis en kassa van [de werkgever] heeft gestolen.
Ondanks deze expliciet in de wet genoemde dringende reden, stelt [de werknemer] dat van [de werkgever] toch kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, omdat hij op het moment van het ontslag op staande voet ziek was en dit ook tegen [de werkgever] zou hebben gezegd in zijn handgeschreven brief van 19 augustus 2024 (geciteerd onder (j) van de feiten). [de werkgever] begreep echter, naar het hof oordeelt terecht, uit die brief dat [de werknemer] het geld had weggenomen ter bekostiging van zijn gokverslaving maar niet dat hij door ziekte in het geheel niet in staat was om de consequenties van zijn handelen, namelijk het wegnemen van geld, te overzien. Noch uit die brief, noch uit het op 19 augustus 2024 gevoerde gesprek, noch uit stukken van eerdere datum (die zijn er ook niet), blijkt dat [de werknemer] de consequenties van zijn handelen in het geheel niet meer overzag, dat hij ook andere (financiële) problemen had, dat hij ziek was of dat hij behandeling wilde. [de werkgever] wist niet van zijn klachten als thans aangevoerd, en dat is ook door [de werknemer] niet gesteld. Voor zover [de werknemer] betoogt dat, omdat een gokverslaving kan worden aangemerkt als ziekte daarmee dus ook vaststaat dat het wegnemen van geld voortvloeit uit ziekte, volgt het hof hem daarin niet. [de werknemer] heeft ook niets aangevoerd dat die conclusie zou kunnen rechtvaardigen. Voor [de werkgever] was derhalve geen enkele aanleiding aanwezig om [de werknemer] op 19 augustus 2024 eerst naar de bedrijfsarts te verwijzen, alvorens hem te ontslaan.
Voorts is het hof van oordeel dat, ook als [de werknemer] tijdens het wegnemen van de gelden ziek zou zijn geweest, de aard en de ernst van de vaststaande feiten dusdanig zijn dat het [de werkgever] vrij stond om over te gaan tot ontslag op staande voet. Het hof doelt met name op het tijdpad en de planmatige manier waarop [de werknemer] te werk is gegaan. Zoals blijkt uit de ontslagbrief (geciteerd onder (l) van de feiten) heeft [de werknemer] in ieder geval in de maanden mei t/m augustus 2024 (en wellicht ook daarvoor) op verschillende manieren geld gestolen, via de grote kluis, de wisselgeldkluis en/of de kassa. Hij liet collega’s de kluis tellen en voerde zelf de cijfers in, zonder dat de collega’s het konden zien. Ook heeft hij bijvoorbeeld via een administratieve boeking (op 17 juli 2024) het wegnemen van geld uit de kassa weten te verbloemen. Op 6 augustus 2024 is [de werknemer] op eigen initiatief teruggekomen, om zogezegd het kluisverschil ‘op te lossen’ en tegelijkertijd weer geld weg te nemen. Ook op 12 augustus 2024 is [de werknemer] op eigen initiatief (door zichzelf in te roosteren) teruggekomen, om zelf de kluis te tellen en daarmee te voorkomen dat het kluisverschil aan het licht kwam. De whatsapp-berichten die [de werknemer] in de groepsapp verstuurde alsmede de momenten dat hij tijdens zijn verlof toch op het werk verscheen, zorgden ervoor dat hij het heft in eigen hand hield, de kluis- en kasverschillen kon verhullen en collega’s in de waan liet dat hij het had opgelost. Dit berekenende en rationele gedrag van [de werknemer] gedurende een langere periode, impliceert dat hij zich wel degelijk bewust moet zijn geweest van de consequenties van zijn gedrag. Tenminste kan vanwege dit op het oog berekenend en rationeel gedrag van [de werknemer] worden verlangd dat hij goed onderbouwd waarom hij toch al die tijd de consequenties van zijn handelen niet kon overzien, en die onderbouwing ontbreekt ten enenmale. Daarbij is er ook geen concrete behandelinformatie van [de werknemer] aanwezig, waaruit blijkt dat zijn gokverslaving toen, in de hiervoor gemelde periode, dusdanig was dat hij geen enkele controle meer had over zijn handelen en niet wist wat hij deed.
De huisarts van [de werknemer] (productie 12 bij het verzoekschrift in eerste aanleg) verklaart op 16 januari 2025 enkel zich aan te sluiten bij het advies van GGZ om in gesprek te gaan bij de praktijkondersteuner, voor eventuele verdere hulp. De verzekeringsarts [de verzekeringsarts] (productie 14 en 15 bij het verzoekschrift in eerste aanleg), die [de werknemer] niet zelf heeft gezien, verklaart op 17 januari 2025 in algemene zin dat een persoon met een ernstige gokstoornis door de obsessieve drang om te gokken en de resulterende gedragsveranderingen niet langer in staat kan zijn om rationele beslissingen te nemen. Ook de verklaringen van de (verslavings)coach [(verslavings)coach] (die [de werknemer] ook niet zelf heeft gezien) en van de schoonmoeder van [de werknemer] , voor zover die verklaringen zijn verwoord in de spreekaantekeningen van mr. Zusterzeel (immers, de verklaringen zélf, producties 11 en 16, maken geen deel uit van het procesdossier), blijven steken op dat het ‘zou kunnen’ dat er enig verband is tussen de gokverslaving van [de werknemer] en zijn diefstal. Enig verband blijkt ook niet uit de medische rapportage van de GGZ d.d. 14 januari 2025 (productie 13 verzoekschrift eerste aanleg).
Behalve dat [de werknemer] ter zitting heeft verklaard voor een bedrag van ongeveer € 50.000,- in totaal te hebben vergokt en via leugens geld te hebben geleend van zijn ouders en geld te hebben gestolen van zijn schoonmoeder, is over de ernst van zijn gokverslaving verder niets bekend.
De persoonlijke omstandigheden van [de werknemer] (een 11 jarig dienstverband, de financiële problemen van zijn gezin waarbinnen hij kostwinner is, zijn relatieproblemen en zijn meewerkende houding) wegen niet op tegen de aard en de ernst van zijn handelwijze. [de werkgever] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zij het vertrouwen in [de werknemer] volledig kwijt is geraakt, mede in aanmerking genomen zijn voorbeeldfunctie als Afdelingsverantwoordelijke Verkoop in de Retail-sector. [de werknemer] heeft zich bij de ondertekening van zijn arbeidsovereenkomst geconformeerd aan de ‘Huisregels Winkels’ en de ‘Ondernemingscode’. In de ‘Huisregels Winkels’ is opgenomen dat als na onderzoek wordt geconstateerd dat de werknemer fraude heeft gepleegd, de werknemer wordt ontslagen. In de ‘Ondernemingscode’ is opgenomen dat [de werkgever] van haar medewerkers integriteit en eerlijkheid verwacht, dat medewerkers verantwoordelijk zijn voor het juiste gebruik, de bescherming en het behouden van de financiële middelen (onder andere contant geld) van de onderneming, en dat schending hiervan kan leiden tot beëindiging van het dienstverband.
Het hof concludeert dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. De grieven 3 t/m 10 slagen niet.
Billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging
Nu er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, zijn voor het toekennen van respectievelijk een billijke vergoeding en/of een vergoeding wegens onregelmatige opzegging geen gronden aanwezig. De grieven 11 en 12 slagen ook niet.
Transitievergoeding
De grieven 13 en 14 richten zich tegen de afwijzing door de kantonrechter van de transitievergoeding. Volgens [de werknemer] is er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 sub c BW, dan wel is de afwijzing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 7:673 lid 8 BW).
Het hof stelt voorop dat de aanwezigheid van een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Echter, in dit geval is het hof van oordeel dat de dringende reden als zodanig ernstig verwijtbaar is en dat [de werknemer] dat niet heeft weten te weerleggen. [de werknemer] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de diefstal voldoende verband hield met zijn gokverslaving en hem dus niet of minder zouden kunnen worden verweten.
De uitzonderingsituatie van artikel 7:673 lid 8 BW is evenmin aan de orde. Het hof heeft bij dit oordeel ook de persoonlijke omstandigheden van [de werknemer] betrokken (vergelijk HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203, r.o. 3.4.4.).
Het hof passeert het bewijsaanbod van [de werknemer] tot het horen van hemzelf, zijn partner, zijn schoonmoeder, zijn partner en [(verslavings)coach] als ervaringsdeskundige. Het hof doet dat niet lichtvaardig.
Het hof stelt voorop dat hiervoor reeds is geoordeeld dat, zelfs in het geval [de werknemer] bedoelt te bewijzen dat hij ziek zou zijn geweest ten tijde van het ontslag op staande voet en dat het opzegverbod bij ziekte aan het ontslag op staande voet in de weg zou staan, het hof al heeft geoordeeld dat dit sowieso niet het geval is (eerste zin onderdeel 3.14).
Voor het geval [de werknemer] bedoelt te bewijzen dat hij ziek was omdat daarmee de verwijtbaarheid aan de diefstal zou komen te ontvallen (en hij dus op die grond recht heeft op een transitievergoeding ingevolge art. 7:673 lid 7 onderdeel c BW) is het bewijsaanbod niet ter zake dienend, nu het hof (in het reeds genoemde onderdeel) heeft overwogen dat het berekenende en rationele gedrag van [de werknemer] gedurende een langere periode, impliceert dat hij zich wel degelijk bewust was van zijn handelen. Gezien aard, duur en omvang van het handelen van [de werknemer] is naar het oordeel van het hof sprake van ernstig verwijtbaar handelen. Hier komt bij dat gesteld noch gebleken is dat een gokverslaving zonder meer leidt tot diefstal. De kantonrechter had dit al overwogen, en [de werknemer] heeft ook in hoger beroep niets concreets gesteld dat een andere conclusie kan rechtvaardigen. Er is geen, laat staan voldoende concreet, bewijsaanbod gedaan dat dit toch anders zou zijn.
[de werknemer] heeft in zijn bewijsaanbod aangegeven zelf te kunnen verklaren over de feitelijke gang van zaken, maar hij maakt niet duidelijk waarover hij dan zou kunnen verklaren, naast alles wat hij al in de procedure heeft aangevoerd, wat voor de beoordeling relevant is of zou kunnen zijn.
Zijn partner en schoonmoeder zouden kunnen verklaren (zie punt 91 van het beroepschrift) over de gokverslaving, de impact daarvan en de gevolgen van het ontslag op staande voet, alsmede het feit dat de omgeving van [de werknemer] pas vanaf september 2024 op de hoogte was van de gokverslaving. Ook hier maakt [de werknemer] niet duidelijk waarom het horen van deze getuigen voor de beoordeling van de zaak van belang zou kunnen zijn.
Ten aanzien van getuige deskundige [(verslavings)coach] overweegt het hof voorts dat van hem al een verklaring is ingebracht door [de werknemer] . Ter zitting heeft [de werknemer] bevestigd dat [(verslavings)coach] hem niet heeft behandeld of begeleid, ook niet na het ontslag. [de werknemer] heeft niet aangevoerd dat [(verslavings)coach] iets anders zou kunnen verklaren dan hij al schriftelijk heeft verklaard zodat het hof opnieuw niet inziet waarom het horen van [(verslavings)coach] als getuige deskundige relevant zou kunnen zijn voor de beoordeling.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Proceskosten
Het hof zal [de werknemer] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de werkgever] worden vastgesteld op:
-
griffierecht € 827,-
-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II)
-
nakosten € 178,- (plus verhoging zoals vermeld in de beslissing)
-----------
Totaal € 3.433,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt [de werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep van € 3.433,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [de werknemer] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, moet hij € 92,-- extra betalen, vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [de werknemer] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in hoger beroep als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, F.M.T. Quaadvliet en M. Breur en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.