Arbeidsrecht
Arbeidszaak (WWZ) Recht op billijke vergoeding en hoogte billijke vergoeding bij, ontslag (statutair)…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3392 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/arbeidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-3392
Zaakgegevens
Op 27 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Datum publicatie
- 27 november 2025
- Zaaknummer
- 200.349.396_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. K. Wiersma te Amsterdam, mr. M. Faber te Utrecht
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3392
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arbeidszaak (WWZ)
Recht op billijke vergoeding en hoogte billijke vergoeding bij, ontslag (statutair) directeur met een contractuele beëindigingsvergoeding, diverse nevenvergoedingen (bonus, winstdeling).
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 27 november 2025
Zaaknummer : 200.349.396/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/398791 / EX RK 23-172
in de zaak in hoger beroep van:
[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [de werkgever] ,
advocaat: mr. K. Wiersma te Amsterdam,
tegen
[de werknemer] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [de werknemer] ,
advocaat: mr. M. Faber te Utrecht.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 30 september 2024.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2024;
-
het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 27 mei 2025;
-
het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met een productie, ingekomen ter griffie op 12 juni 2025;
-
een brief van mr. Wiersma namens [de werkgever] met producties 17 t/m 23, ingekomen ter griffie op 11 juni 2025, die tijdens na te melden zitting bij de processtukken zijn gevoegd;
-
een ter griffie op 18 juni 2025 ontvangen mailbericht namens [de werknemer] met productie 18, dat eveneens op de na te melden zitting bij de processtukken is gevoegd;
-
de op 19 juni 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
- dhr. [General Counsel] , General Counsel en dhr. [Shareholder/Consultant] , Shareholder/Consultant namens [de werkgever] , bijgestaan door mr. K. Wiersma en mr. S.R. Sewnath alsmede de beëdigd tolk-vertaler (in de Engelse taal) mw. L.K. Mitzmann;
-
dhr. [de werknemer] , bijgestaan door mr. M. Faber;
-
de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaten overgelegde spreekaantekeningen.
Partijen hebben op het einde van de zitting meegedeeld nog schikkingsonderhandelingen te voeren. Op respectievelijk 2 en 3 juli 2025 hebben partijen meegedeeld dat het niet gelukt is om een regeling te treffen en hebben zij het hof verzocht om uitspraak te doen.
Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.
3 De beoordeling
[de werknemer] is werkzaam geweest als statutair directeur van [de werkgever] . [de werknemer] is bij aandeelhoudersbesluit van 27 juni 2023 met onmiddellijke ingang ontslagen als bestuurder van [de werkgever] . Tussen partijen staat vast dat de arbeidsovereenkomst hierdoor per 1 november 2023 is geëindigd.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [de werknemer] recht heeft op een billijke vergoeding en de eventuele hoogte daarvan alsmede over (de hoogte van) door [de werkgever] verschuldigde betalingen in verband met een bonus over 2023 en winstdelingsuitkeringen over 2022 en 2023. Deze drie kwesties komen hierna bij de beoordeling aan de orde.
De feiten
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de rechtbank vastgestelde feiten, waartegen in hoger beroep geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht.
[de werkgever] is onderdeel van het Chinese [de werkgever] -concern (hierna: [concern] ), dat zich
met haar activiteiten richt op de verlichtingsmarkt. [de werkgever] is de Europese tak van [concern]
en is een dochtervennootschap van [vennootschap] Co Ltd., waarvan mevrouw [CEO]
(hierna: [CEO] ) CEO is. [de werkgever] is op 29 november 2013 voor het eerst geregistreerd bij
de Kamer van Koophandel.
[de werknemer] (geboren op [geboortedatum] 1971) is op 1 december 2013 op basis van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [de werkgever] in de functie van
Managing Director. Per die datum is [de werknemer] ook benoemd tot bestuurder van
[de werkgever] . Het laatstgenoten salaris van [de werknemer] bedraagt € 17.500,00 bruto per maand,
exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Als Managing Director was [de werknemer]
(mede) verantwoordelijk voor het opzetten en aansturen van [de werkgever] in Europa.
[de werknemer] is tevens benoemd als bestuurder van [coöperatie] U.A.
(hierna: [coöperatie] ). [coöperatie] is 100% aandeelhouder van [de werkgever] en is
tevens onderdeel van [concern] .
In de arbeidsovereenkomst is, voor zover relevant voor deze procedure, het
volgende opgenomen:
"4.2 After the first year of employment the annual basic salary will increase with 5%. The
following years the (possible) increase of the annual basic salary will take place at the
Company's (meaning the General Meeting of Shareholders of the Company) sole discretion.
[...]
On top of the fixed salary specified in article 5.1. [de werknemer] has the opportunity to earn a
variable bonus of 50% of the annual basic salary based on the clear performance
target/KPI in accordance with the rules set forth in the March 2014 Scheme as attached to
this Agreement as Appendix I. [de werknemer] acknowledges that these documents are subject to
annual review and that any bonus scheme operated by the Company may be varied,
replaced or discontinued at any time, at the Company's sole discretion without the written
approval of [de werknemer] . […]
[de werknemer] is entitled to profit sharing in conformity with the profit sharing scheme
attached to this Agreement as Appendix II.
The profit sharing will start in the first profitable year of the Company with the
condition that the profit sharing amount is higher than the fixed bonus amount.
The profit sharing scheme is only applicable for organic business growth. The profit
sharing scheme is set for a period of 5 years starting from the first year the profit is shared.
After 5 years starting from the first year the profit is shared, a new scheme will be presented
by the Employer to [de werknemer] . [...]
21. Exit clause
In case the employment agreement is terminated after the first three (3) years of
employment, [de werknemer] will receive a termination severance equal to two (2) years of salary
earned in the two years immediately before termination of the employment agreement plus
two (2) years of the full variable bonus earned over the last two (2) years immediately
before the termination of the agreement.
If the Employer and [de werknemer] cannot agree on a new profit sharing scheme after the first five
(5) years of employment as referred to in article 4.8, [de werknemer] can terminate the employment
agreement by giving notice. In deviation of article 21.5 the Employer shall pay [de werknemer] in
that case a termination severance equal to two (2) years of salary earned in the two (2) years
immediately before the termination of the employment agreement increased by two (2) years
of the full variable bonus earned over the last two (2) years immediately before the
termination of the agreement, as compensation. [...]
If, in deviation from the abovementioned arrangement, a court or arbiter awards a
higher termination severance parties are bound to the agreed arrangement and nothing
more or less.
[de werknemer] will only be eligible for the above-mentioned termination severance in case
both his employment agreement and directorship with the Employer are terminated in
accordance with article 1.3 of this agreement. The termination severance is considered to be
an all in lump sum for termination of his entire directorship."
In Appendix II bij de arbeidsovereenkomst is het volgende opgenomen:
"Appendix II: Profit sharing scheme
[de werknemer] is entitled to profit sharing scheme. Sharing started from first profitable year with
pre-condition that is profit sharing value is higher than bonus.
This profit sharing scheme is only applicable for organic business. And set for a 5 years
period starting from 1st profit sharing year. At the end of 5th year, we can discuss to reset a
scheme. If can not agree on a new scheme, the company shall pay [de werknemer] 2 years salary
plus 2 years bonus as compensation. The profit is calculated based on integral margin
deducted overhead for Newco. We agree the integral margin will be adapted by the impact
of cost price change contributed from China factory backend team and FX changes, which
is the base to calculate incentive."
Bij de uitbetaling van het salaris van de maand februari 2018 heeft [de werkgever] aan
[de werknemer] onder vermelding van de omschrijving ‘Winstuitkering (BT)’ een bedrag van
€ 99.960,00 bruto voldaan.
Bij de uitbetaling van het salaris van de maand februari 2019 heeft [de werkgever] [de werknemer]
onder vermelding van de omschrijving ‘Winstuitkering (BT)’ een bedrag van € 181.230,00
bruto voldaan.
Bij de uitbetaling van het salaris van de maand april 2021 heeft [de werkgever] [de werknemer] onder
vermelding van de omschrijving ‘Eenmalige uitkering (BT)’ een bedrag van € 459.887,43
bruto voldaan.
[de werknemer] heeft tijdens zijn dienstverband na de eerste verhoging in 2014 meerdere
malen om salarisverhoging gevraagd, maar [de werkgever] , althans [concern] c.q. [CEO] , heeft
daarmee niet ingestemd. Op 22 september 2022 heeft [de werknemer] een e-mailbericht gestuurd
naar de (toenmalige) CHO van [concern] , de heer [(toenmalige) CHO] (hierna: [(toenmalige) CHO] ).
Hierin heeft [de werknemer] onder meer het volgende geschreven:
"[...]The main question:
Do the Founders want to continue with me as leader of Europe?
Let me be clear; I want to continue at [de werkgever] as I feel [de werkgever] Europe is my creation from day
1, it feels every day, 7 days a week, 24 hours a day, as my duty, I have enormous energy to
further grow the business - but I can not continue the same way as today - and the outside
opportunities are attractive.
a. Fact; I lost close 25% buying power in the last 9 Years - my salary did not adapt
with the inflation. In my contract it was clearly mentioned that there was a yearly
salary adaptation to be approved by shareholders of [de werkgever] Europe, first year my
increase was 5%. In Europe it is normal that salaries increase for inflation +
performance every year. I asked many times why I never received another increase,
but always received an answer without change. I expect a correction with the
inflation since I started - just to be able to have the same buying power as 9 years
ago. I started at [de werkgever] to grow income, not to decline.
b. If the Founders do not want to continue with me, then that is clear, next
week we can discuss the exit conditions. […]"
Op 4 november 2022 heeft [concern] aan [de werknemer] bericht dat zij dhr. [Shareholder/Consultant] (hierna: [Shareholder/Consultant] ) als consultant van [de werkgever] aanstelt en dat [Shareholder/Consultant] zal optreden als link tussen [de werkgever] en [concern] . Op 7 november 2022 heeft de eerste ontmoeting tussen [de werknemer] en [Shareholder/Consultant] als consultant plaatsgevonden.
Bij e-mailbericht van 9 november 2022 heeft [(toenmalige) CHO] het volgende
geantwoord op de e-mail 22 september 2022:
"Regarding your questions mentioned in your emails below, hereby is my feedback:
The business result of [de werkgever] Europe in the past years was below the Group's expectations.
After the Group's assessment, we cannot increase your basic salary.
If the group decide to replace the Managing Director of [de werkgever] Europe, we will formally
inform you complying with the required procedure. Although the Group currently is not
satisfied with the performance of [de werkgever] Europe, you currently still remain the position of
Managing Director. Of course, if you feel that the company is unable to meet your demands
and expectations and cannot offer you the better opportunities and you decide to resign on
your own initiative, please inform us your decision in advance so as to enable us to make
relevant arrangements."
In een WeChat bericht van 11 november 2022 heeft [de werknemer] aan [Shareholder/Consultant] het volgende geschreven:
“(…) This is why i mentioned, it is better to leave as there is no appreciation, no recognition, no respect at all of what I/we have been doing in the past 9 years. Hitting a dog, does not make it become friendlier, more successful and especially it will not like you and even start to bite or run away. This leaderschip style results in the fact that all executives in China are replaced more then once in my term of 9 years and normal european would already have left years ago. As i described, this EU team, this business, customers etc feel as my baby as I created and built it from nothing. Kids you don’t leave or drop out. So I will not that easily drop my EU responsibility. At the same time – it is clearly time to start looking around for other opportunities as “the Group” prefers to beat in stead of energise and create good workmanship.”
Op 15 mei 2023 is [de werknemer] ontslagen als bestuurder van [coöperatie]
nadat aan hem was verzocht vrijwillig terug te treden, hetgeen [de werknemer] heeft geweigerd.
Op 9 juni 2023 heeft [concern] [de werknemer] een winstdelingsregeling aangeboden
voor de periode 2022-2026. [de werknemer] heeft dit aanbod niet geaccepteerd.
Bij e-mailbericht van 12 juni 2023 heeft [coöperatie] [de werknemer] kenbaar
gemaakt dat zij voornemens is om hem op de aandeelhoudersvergadering van 27 juni 2023
te ontslaan als bestuurder van [de werkgever] . Ook heeft [coöperatie] [de werknemer] in dat
e-mailbericht meegedeeld dat hij per direct is geschorst als haar bestuurder.
Bij aandeelhoudersbesluit van 27 juni 2023 is [de werknemer] met onmiddellijke ingang
ontslagen als bestuurder van [de werkgever] en heeft [de werkgever] het dienstverband met
inachtneming van de geldende opzegtermijn opgezegd tegen l november 2023. Tussen
partijen is niet in geschil dat het vennootschapsrechtelijke ontslag van [de werknemer] als
bestuurder formeel rechtsgeldig is gegeven, zodat de arbeidsovereenkomst tussen [de werknemer] en
[de werkgever] per 1 november 2023 is geëindigd.
In november 2023 heeft [de werkgever] [de werknemer] een bedrag van € 618.093,-- bruto aan
contractuele beëindigingsvergoeding voldaan. Ook is het niet opgenomen (boven)wettelijk
verlof en het vakantiegeld uitgekeerd.
Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
In de onderhavige procedure verzocht [de werknemer] -na wijziging van eis- om uitvoerbaar bij voorraad (voor zover in hoger beroep relevant):
I. [de werkgever] te veroordelen tot het betalen van:
- een billijke vergoeding van € 950.000,00 bruto;
- een bedrag van € 87.500,00 bruto aan bonus over 2023 (pro rata);
- alles vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag na de
dag waarop de beschikking is gegeven tot de dag van voldoening;
II. [de werkgever] te veroordelen tot het betalen van:
primair
-
€ 516.744,00 bruto aan winstdeling over 2021;
-
€ 707.970,00 bruto, althans € 436.460,40 bruto aan winstdeling over 2022;
-
€ 1.112.520,00 bruto, althans € 1.005.450,00 bruto, dan wel € 602.004,00 bruto dan
wel € 366.555,00 bruto aan winstdeling over 2023, berekend tot 1 november 2023;
alles vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente
hierover vanaf de 15e dag na de dag waarop de beschikking is gegeven tot de
dag van voldoening;
subsidiair
- € 618.093,00 € 618.093,00 bruto vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de
wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag na de dag waarop de beschikking
is gegeven tot de dag van voldoening;
(…)
IV [de werkgever] te veroordelen in de volledige advocaatkosten van [de werknemer] , begroot op € 44.234,24 inclusief btw, althans in de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente vanaf de 15e dag na de dag waarop de beschikking is gegeven tot de dag van voldoening.
[de werkgever] voerde verweer.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer overwogen dat geen sprake was van een redelijke ontslaggrond en dat [de werknemer] daarom recht heeft op een billijke vergoeding. De rechtbank heeft (naast de vernietiging van een relatiebeding; deze kwestie is in hoger beroep niet meer aan de orde) -voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad-:
- [de werkgever] veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van de volgende bedragen:
€ 800.000,00 bruto als billijke vergoeding;
€ 87.500,00 bruto aan bonus over 2023;
€ 436.460,40 bruto uit hoofde van de winstdelingsregeling over 2022, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dit bedrag, gematigd tot 20%;
€ 864.895,83 bruto uit hoofde van de winstdelingsregeling over 2023, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dit bedrag, gematigd tot 10%;
- [de werkgever] veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hiervoor genoemde toegewezen bedragen met ingang van de 15e dag na de dag waarop de beschikking is gegeven tot de dag van algehele voldoening;
- [de werkgever] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [de werknemer] vastgesteld (conform het liquidatietarief) op € 11.169,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met een bedrag van € 92,00 plus de kosten van betekening als [de werkgever] niet binnen veertien dagen aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
- [de werkgever] veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten;
- afgewezen wat meer of anders is verzocht.
De conclusies in hoger beroep:
[de werkgever] heeft in hoger beroep ‘verzoeken’ geformuleerd (hetgeen niet mogelijk was gelet op artikel 362 Rv). Het hof begrijpt dat [de werkgever] wil dat het hof de bestreden beschikking vernietigt en de verzoeken van [de werknemer] alsnog geheel, althans gedeeltelijk, afwijst met veroordeling tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van de beschikking onverschuldigd aan [de werknemer] heeft betaald, met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten.
[de werknemer] verzoekt in incidenteel hoger beroep om de bestreden beschikking deels te vernietigen met dien verstande dat het hof in aanvulling daarop of in afwijking daarvan:
- voor recht verklaart dat sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [de werkgever] in de zin van artikel 7:682 lid 1 sub b BW;
- [de werkgever] veroordeelt in de werkelijke advocaatkosten in eerste aanleg en in hoger beroep
- de wettelijke verhoging over de winstdelingsregeling van 2022 en 2023 alsnog stelt op 50% althans op een door het hof te bepalen percentage.
Redelijke ontslaggrond
Met grief 1 komt [de werkgever] op tegen de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van een redelijke ontslaggrond .
[de werkgever] beroept zich daarbij op de h-grond (verschil van inzicht), de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding), de d-grond (disfunctioneren) en subsidiair de i-grond (een combinatie van niet voldragen gronden).
Anders dan de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat ten tijde van het ontslagbesluit op 27 juni 2023 sprake was van een voldragen g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) en dat herplaatsing niet in de rede lag gelet op de zeer diepgaande verstoring van het vertrouwen over en weer en (los daarvan ook) vanwege de unieke positie die [de werknemer] bij [de werkgever] had.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
In de hiervoor onder 3.2.9. weergegeven mail van 22 september 2022 stelt [de werknemer] de vraag of [de werkgever] nog wel met hem verder wil. Hij deelt mee dat hij al jaren geen loonsverhoging heeft gehad en dat hij, gelet op de inflatie sinds zijn aantreden, er feitelijk 25% in reëel inkomen op achteruit is gegaan. Hij verzoekt zijn loon te verhogen met dit percentage. Hij voegt toe dat hij anders niet op dezelfde voet en met de dezelfde energie kan doorgaan en dat er ook aantrekkelijke mogelijkheden voor hem zijn buiten [de werkgever] . Hij sluit af met de mededeling dat als [de werkgever] niet verder met hem wil de exit-voorwaarden de volgende week kunnen worden besproken.
Uit de reactie van [de werkgever] blijkt dat zij niet tevreden is over [de werknemer] . Zo schrijft [(toenmalige) CHO] in de hiervoor onder 3.2.11 weergegeven mail onder meer dat [de werkgever] het salaris niet verhoogt omdat sprake is van teleurstellende resultaten, dat men niet tevreden is over [de werknemer] , maar dat hij voorlopig (currently, hof) Managing Director blijft en dat [de werknemer] , als [de werkgever] niet voldoet aan zijn verwachtingen, de overeenkomst kan opzeggen.
Deze communicatie tussen de aandeelhouder en de statutair directeur getuigt al van een uiterst gespannen verhouding en dat geldt ook voor het WeChat bericht van 11 november 2022 (geciteerd in 3.2.12).
Uit de handelwijze van [de werkgever] sindsdien leidt het hof af dat [de werkgever] weinig tot geen vertrouwen meer had in de verdere samenwerking met [de werknemer] (en dat is de uiteindelijk aan het ontslag ten grondslag gelegde reden, zoals blijkt uit de e-mail van 21 juni 2023). Dat blijkt uit het feit dat [de werkgever] [Shareholder/Consultant] als consultant positioneerde en [Shareholder/Consultant] steeds verdergaande bevoegdheden gaf. Dat blijkt ook uit het feit dat [de werkgever] vanaf begin 2023 reeds juridisch advies inwon over de rechten van [de werknemer] bij een eventueel vertrek. Het hof is het met [de werknemer] eens dat de inzet van [Shareholder/Consultant] feitelijk de positie van [de werknemer] ondermijnde. Zo mocht [de werknemer] al gauw na de komst van [Shareholder/Consultant] niet meer zelfstandig beslissingen nemen en werd hij, ondanks dat hij bestuurder was, feitelijk vleugellam gemaakt. Volgens [de werkgever] zat [de werknemer] kennelijk niet te wachten op bemoeienis, maar daarmee gaat [de werkgever] eraan voorbij dat de positie van [de werknemer] (bestuurder) maakte dat hij geen bemoeienis hoefde te verwachten of zomaar te accepteren en zeker niet op de manier zoals [de werkgever] dat heeft vorm gegeven. Naar het oordeel van het hof stuurde [de werkgever] daarbij willens en wetens en uiteindelijk met succes aan op een verstoorde arbeidsverhouding, met, naar het zich laat aanzien, in de hoop dat [de werknemer] zelf zou opzeggen en [de werkgever] aldus de contractuele beëindigingsvergoeding niet zou zijn verschuldigd. Deze handelwijze, te weten het willens en wetens aansturen op een verstoorde arbeidsverhouding, is ernstig verwijtbaar handelen als bedoeld in art. 7:682 lid 3 aanhef en onder b BW.
[de werknemer] heeft deze grondslag mede aan zijn verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding ten grondslag gelegd. Dit betekent dat grief 1 geen doel treft voor zover daarmee beoogd is dat [de werknemer] geen recht heeft op een billijke vergoeding. Daarmee slaagt ook grief 6 in principaal hoger beroep niet die voortbouwt op de aanname dat geen billijke vergoeding verschuldigd is. Grief 2 in incidenteel appel, waarmee [de werknemer] betoogt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [de werkgever] , behoeft daarmee ook geen bespreking meer.
Grief 7 in principaal hoger beroep, waarmee [de werkgever] betoogt dat de billijke vergoeding substantieel gematigd dient te worden zal het hof beoordelen na de hierna te bespreken grieven ten aanzien van de toegewezen bedragen uit hoofde van de winstdelingsregeling en bonus.
Winstdelingsregeling
Met grief 2 in principaal hoger beroep komt [de werkgever] op tegen de overweging van de rechtbank dat de winstdelingsregeling stilzwijgend is verlengd. [de werkgever] voert aan dat [de werknemer] , anders dan de rechtbank heeft beslist, geen recht heeft op de winstdelingsuitkering over 2022 en 2023.
Het hof is van oordeel dat de vraag of de winstdelingsregeling stilzwijgend verlengd is, niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of [de werknemer] over de jaren 2022 en 2023 recht heeft op winstdelingsuitkeringen op grond van de overeengekomen winstdelingsregeling. Het hof is met [de werknemer] van oordeel dat de aanvankelijk overeengekomen periode van winstdeling ook de jaren 2022 en 2023 omvat.
Het gaat daarbij om uitleg van de volgende passage.
This profit sharing scheme is only applicable for organic business. And set for a 5 years
period starting from 1st profit sharing year. At the end of 5th year, we can discuss to reset a
scheme. If can not agree on a new scheme, the company shall pay [de werknemer] 2 years salary
plus 2 years bonus as compensation.
Partijen zijn het er over eens dat de periode waarop de regeling ziet niet eerder is ingegaan dan 2017. Vervolgens is de vraag of sprake is van een aaneengesloten periode (van 2017 tot en met 2021) zoals [de werkgever] betoogt, of dat enkel de jaren tellen waarover [de werknemer] daadwerkelijk recht had op winstdeling zoals [de werknemer] betoogt.
Het hof stelt het volgende voorop. De betekenis van een omstreden bepaling van een overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan onder meer een rol spelen de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan die bepaling.
Het hof acht daarbij doorslaggevend de mail van dhr. [medewerker 1] namens [de werkgever] van 16 april 2020 waarin [medewerker 1] onder meer het volgende aan [de werknemer] schrijft:
PROFIT SHARE for 2020 :
Profit share will remain the same as defined in 2014 (definition completely same like 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, except that per 2020 we transfer
the direct people cost of the European-PM team in China (260K) into the BU Europe P&L for Management Report). This means there is 45% of Operational
Profit made shared with KEY MT Member, when the total Profit Pool is >= (529.000-260.000) = 269.000 euro. Note that 2 out of 5 Profit Share runs are
executed in 2017 and 2018. Still 3 out of 5 Profit Share runs to go according to initial contract (for initial Profit Share employees [medewerker 2] and [de werknemer]
.[onderstreping hof]
Hieruit blijkt dat er binnen [de werkgever] op dat moment (in 2020) ook vanuit werd gegaan dat [de werknemer] uit hoofde van de aanvankelijk overeengekomen regeling nog recht had op winstdeling gedurende drie jaren na 2020.
Ook de omstandigheid dat [de werkgever] in 2022, geen nieuwe winstdelingsregeling voorstelde, terwijl de arbeidsovereenkomst daarin wel uitdrukkelijk voorzag (After 5 years starting from the first year the profit is shared, a new scheme will be presented by the Employer to [de werknemer] ), sterkt het hof in de overtuiging dat ook de wijze waarop [de werkgever] uitvoering gaf aan de winstdelingsregeling aansluit bij de uitleg van [de werknemer] . De omstandigheid dat [de werkgever] zich vanaf 2023 op het standpunt stelde dat de winstdelingsregeling eindigde in 2021 kan naar het oordeel van het hof niet los gezien worden van de inmiddels verslechterde verhouding tussen [de werkgever] en [de werknemer] en aan dat standpunt kent het hof in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen weinig gewicht toe.
Dit betekent dat het hof er vanuit gaat dat partijen met de vijfjaarstermijn kennelijk het oog hadden op vijf jaren waarop daadwerkelijk een winstkeringsuitdeling zou plaatsvinden. In die uitleg heeft [de werknemer] recht op de overeengekomen winstdeling over 2022 en 2023. Aan de aan grief 2 ten grondslag gelegde vraag of sprake is van een stilzwijgende verlenging komt het hof niet toe. De grief treft geen doel en het hof zal -nu behoudens de hierna te bespreken grief 3 geen grieven zijn aangevoerd tegen de hoogte van de door de rechtbank toegewezen bedragen uit hoofde van de winstdelingsregeling- de beslissing bekrachtigen.
Grief 1 in incidenteel hoger beroep is hiermee deels besproken en ziet deels op een additionele grondslag voor de verzochte winstdelingsuitkeringen behoeft daarmee bij gebrek aan belang evenmin besproken te worden.
Met grief 3 in principaal beroep doet [de werkgever] een beroep op de maximering van de opt-out compensatie van art 21.1 van de arbeidsovereenkomst voor wat betreft de hoogte van de winstdelingsregeling. Dat artikel ziet voor wat betreft de winstdelingsregeling echter uitsluitend op de situatie dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe regeling, terwijl [de werknemer] in deze procedure op grond van de aanvankelijk overeengekomen regeling recht heeft op winstdeling. Grief 3 kan dus niet leiden tot een ander oordeel.
Bonus
Met grief 4 in principaal hoger beroep voert [de werkgever] (onder andere) aan dat [de werknemer] geen recht heeft op enige bonus over 2023.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [de werknemer] ook over 2023 recht heeft op de
overeengekomen bonus, berekend pro rata tot 1 november 2023. Uit de
arbeidsovereenkomst, specifiek artikel 4.4, blijkt niet dat [de werknemer] een volledig jaar in dienst
moet zijn om in aanmerking te komen voor een bonus. [de werkgever] heeft dat ook niet
aannemelijk gemaakt. [de werkgever] voert in hoger beroep aan dat de arbeidsovereenkomst niet voorziet in een pro-rata regeling, maar [de werkgever] heeft in hoger beroep niet duidelijk gemaakt waarom dat zo is. Aangezien andere arbeidsrechtelijke vergoedingen ook naar rato worden afgerekend (zoals vakantiebijslag) lag het op de weg van [de werkgever] om in haar toelichting op deze grief aan te voeren waarom [de werknemer] moest begrijpen (Haviltex) dat dit bij de bonusregeling anders zou zijn.
Daar komt bij dat [de werkgever] heeft aangestuurd op een ernstig verstoorde arbeidsverhouding, die heeft geleid tot een sneller einde van de arbeidsovereenkomst, waardoor [de werknemer] het jaar niet volledig in dienst van [de werkgever] heeft voltooid. [de werkgever] heeft wel terecht aangevoerd dat het uiteindelijk aan haar was om de KPI’s vast te stellen, maar dat baat haar niet, omdat zij [de werknemer] vanwege de schorsing en de aansturing op het eindigen van de arbeidsovereenkomst de kans heeft ontnomen de target te behalen. Grief 4 faalt.
Met grief 5 in principaal hoger beroep komt [de werkgever] op tegen de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de bonus van € 87.500,00. [de werkgever] voert als verweer dat [de werknemer] hoogstens recht heeft op een (pro rata) bonus over 2023 van € 62.737,50 bruto.
[de werkgever] voert daartoe het volgende aan. [de werknemer] heeft hoogstens recht op 71,7% van de bonus over 2023. Dat percentage heeft [de werkgever] vastgesteld indien zij kijkt naar de resultaten van [de werkgever] EU in 2023 (productie 15), zoals overgelegd tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg als productie 38). Voornoemd percentage komt neer op een bonusbetaling van maximaal EUR 62.737,50 bruto (€ 210.000 bruto x 50%) x 71.7% x (10 maanden/12 maanden).
[de werkgever] voert nog aan dat de KPI’s over 2023 op vergelijkbare wijze zijn vastgesteld als in voorgaande jaren en zij wijst er ook op dat [de werknemer] op het jaar 2016 na nooit 100% heeft gescoord op de vastgestelde KPI’s.
[de werknemer] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de KPI’s reëel en daarmee maatgevend zijn voor de bonusberekening. Zo heeft [de werknemer] aangevoerd dat de cijfers ten tijde van zijn vertrek aanzienlijk beter waren en ter zitting heeft [de werknemer] meegedeeld dat ten tijde van zijn op non-actief stelling zelfs voldaan werd aan de nieuwe targets die door [de werkgever] werden gesteld. Dit alles sterkt het hof in de overtuiging dat de over 2023 vastgestelde KPI’s als maatgevend kunnen worden aangemerkt voor de vaststelling van de bonus. [de werknemer] heeft onvoldoende betwist dat hij andere jaren ook niet de maximale bonus heeft behaald en dat, daarvan uitgaande, 71,7% verschuldigd is. Het hof zal uitgaan van die criteria. Grief 5 slaagt. Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen en uitgaan van een bonusbedrag over 2023 van € 62.737,50 bruto.
Hoogte billijke vergoeding
[de werkgever] voert met grief 7 in principaal hoger beroep aan dat de billijke vergoeding substantieel moet worden gematigd (tot nihil).
Het hof is het met [de werkgever] eens dat de billijke vergoeding op een substantieel lager bedrag dient te worden vastgesteld en acht bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding het volgende van belang:
-
Aan [de werkgever] kan het ernstige verwijt worden gemaakt dat zij heeft getracht om [de werknemer] te bewegen zelf ontslag te nemen, teneinde te ontkomen aan de contractuele beëindigingsvergoeding en de transitievergoeding, althans dat zij zich zodanig heeft gedragen dat zij het [de werknemer] feitelijk onmogelijk heeft gemaakt zijn taak als bestuurder uit te voeren. Dat neemt echter niet weg dat de verhoudingen tussen partijen reeds voorafgaand aan de acties van [de werkgever] (het zenden van [Shareholder/Consultant] als consultant en het vervolgens toekennen van vérgaande bevoegdheden aan [Shareholder/Consultant] en het feitelijk vleugellam maken van [de werknemer] ) zodanig gespannen waren dat, ook zonder die acties van [de werkgever] , een einde van de arbeidsovereenkomst op korte termijn in zicht was. De resterende waarde van de arbeidsovereenkomst is daarmee zeer beperkt.
-
[de werknemer] heeft recht op een contractuele beëindigingsvergoeding van € 618.093,--. Die vergoeding strekt tot compensatie van de gevolgen van het ontslag en is bedoeld voor een situatie waarin de aandeelhouder het vertrouwen in de statutair directeur verliest en overgaat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het hof wijst er verder op dat ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst de billijke vergoeding als hier aan de orde nog niet in wetgeving was neergelegd. Toen gold voor een situatie als hier aan de orde enkel de schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag. Daarbij zou zeker volledig rekening zijn gehouden met de contractuele beëindigingsvergoeding. Het komt erop neer dat het hof bij de bepaling van de billijke hoogte van groot belang acht dat [de werknemer] tevens een contractuele beëindigingsvergoeding heeft ontvangen van € 618.093,-- bruto. Dat acht het hof een doorslaggevende factor om de billijke vergoeding op een aanzienlijk lager bedrag vast te stellen dan de kantonrechter heeft gedaan.
-
Het hof gaat uit van een aanzienlijke verdiencapaciteit van [de werknemer] elders. [de werknemer] heeft ter zitting verklaard dat hij sinds juli 2023 is begonnen met wat advieswerk en sinds november 2024 een grote opdracht heeft aanvaard voor de duur van 2 jaar, waarbij hij maandelijks € 21.000,00 factureert aan de opdrachtgever.
-
[de werknemer] heeft klaarblijkelijk tot juli 2023 een uitkering ontvangen waarvan de hoogte een fractie is van zijn loon bij [de werkgever] . Hij heeft toen dus te maken gehad met een fors inkomensverlies. Het hof acht dat voor de begroting van de billijke vergoeding echter van minder gewicht. Daartoe is redengevend dat het hof hiervoor al heeft overwogen dat de arbeidsovereenkomst sowieso nog slechts enkele maanden langer zou hebben geduurd en dat de contractuele beëindigingsvergoeding en transitievergoeding strekken tot compensatie van de gevolgen van het ontslag. Het komt erop neer dat [de werknemer] in die zin dus geen ‘schade’ heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de billijke vergoeding in dit geval echter niet op nihil kan worden gesteld, omdat dit een effectieve bescherming tegen ernstig verwijtbaar gedrag illusoir zou maken. De hoogte van het bedrag kan echter niet nader dan hiervoor en hierna weergegeven worden beredeneerd.
Rekening houdend met de contractuele vergoeding, de transitievergoeding en de ernst van het aan [de werkgever] te maken verwijt zal het hof de billijke vergoeding vaststellen op € 50.000,-- bruto.
In zoverre slaagt grief 7 in principaal hoger beroep.
Wettelijke verhoging
Met grief 3 in incidenteel hoger beroep voert [de werknemer] aan dat de rechtbank ten onrechte de wettelijke verhoging over de winstdelingsregeling heeft gematigd tot 20% (over 2022) en 10% (over 2023). De grief faalt. Vaststaat dat partijen discussieerden over de verschuldigdheid van de winstdelingsuitkeringen. Daarbij acht het hof de grief van [de werkgever] tegen de door de rechtbank aangenomen grondslag, te weten stilzwijgende verlenging van de winstdelingsregeling, een pleitbaar standpunt. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de beslissing van de rechtbank op dit punt, met name (ook) niet omdat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met de samenloop met de wettelijke rente.
Proceskosten
Met grief 4 in incidenteel hoger beroep verzoekt [de werknemer] om [de werkgever] te veroordelen in de werkelijke proceskosten van [de werknemer] .
Naar het oordeel van het hof is geen sprake van misbruik van recht door [de werkgever] door verweer te voeren tegen de verzoeken en nevenvorderingen van [de werknemer] (vgl. onder meer HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934).
[de werknemer] voert voorts aan dat sprake is van strijd van goed werkgeverschap. Dat rechtvaardigt -zonder nadere toelichting die niet is gegeven- geen vergoeding van de volledige advocaatkosten in deze procedure. Het zou een vergoeding voor de werkelijke buitengerechtelijke kosten kunnen rechtvaardigen, maar die zijn niet gevorderd noch inzichtelijk gemaakt. De grief faalt.
Aangezien [de werkgever] in eerste aanleg (zoals uit het voorgaande blijkt) terecht is veroordeeld tot meerdere betalingen, is zij in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld.
In hoger beroep zijn partijen op wezenlijke onderdelen over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.
Slotsom
Het vorenstaande betekent dat het hof de beslissing van de rechtbank zal wijzigen ten aanzien van de vastgestelde bedragen voor de billlijke vergoeding en de bonus en bekrachtigen voor het overige. [de werknemer] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het uit dien hoofde teveel betaalde.
3 De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep:
- vernietigt de bestreden beschikking voor zover [de werkgever] is veroordeeld tot betaling van € 800.000,00 bruto als billijke vergoeding en € 87.500,00 bruto aan bonus over 2023 en in zoverre opnieuw rechtdoende (dus daarvoor in de plaats lezende):
veroordeelt [de werkgever] om aan [de werknemer] te betalen:
€ 50.000,00 bruto als billijke vergoeding;
€ 62.737,50 bruto aan bonus over 2023;
- bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen);
en in aanvulling daarop rechtdoende:
- verklaart voor recht dat [de werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten in de zin van artikel 7:682 lid 1 sub b BW;
- veroordeelt [de werknemer] tot terugbetaling van hetgeen op grond van de bestreden
beschikking teveel is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag
vanaf de dag van ontvangst door [de werknemer] van die te veel betaalde bedragen;
- compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, M. van Ham en N. Zekić en is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.