Verbintenissenrecht
Kort geding over aanbiedingsplicht ter zake drie percelen. Kan de aanbiedingsplichtige partij nog terugtreden…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 september 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2548 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 september 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-ghshe-2025-2548
Zaakgegevens
Op 16 september 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 16 september 2025
- Datum publicatie
- 19 september 2025
- Zaaknummer
- 200.350.238_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.C Teeuw te Middelharnis, mr. J.O de Wilde te 's-Hertogenbosch
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2548
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding over aanbiedingsplicht ter zake drie percelen. Kan de aanbiedingsplichtige partij nog terugtreden nadat zij de percelen heeft aangeboden en de aanbiedingsgerechtigde de prijs overeenkomstig de aanbiedingsregeling wil laten vaststellen door deskundigen?
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.350.238/01
arrest van 16 september 2025
in de zaak van
[xx] Beheer B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. A.C. Teeuw te Middelharnis,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep, geïntimeerde sub 1 tevens appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna tezamen aan te duiden als [geïntimeerden] , en elk afzonderlijk als respectievelijk [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ,
advocaat: mr. J.O. de Wilde te 's-Hertogenbosch,
op het bij exploot van dagvaarding van 15 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 18 december 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, met toepassing van artikel 29a Rv mondeling gewezen tussen [xx] Beheer als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/429387 / KG ZA 24-585)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 en 2;
-
de aantekening op de rol waaruit blijkt dat de verzochte behandeling als spoedappel is geweigerd;
-
de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 15 tot en met 17;
-
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
Het gaat in dit kort geding kort samengevat om het volgende.
[xx] heeft drie percelen grond te koop aangeboden aan [geïntimeerde sub 1] voor een koopprijs van € 925.000,--. [geïntimeerde sub 1] heeft te kennen gegeven dat hij van zins is van het aanbod gebruik te maken overeenkomstig de bepalingen van de in 2012 tussen partijen overeengekomen aanbiedingsverplichting. Partijen verschillen van mening over de vraag of [xx] overeenkomstig onderdeel 4 van die aanbiedingsverplichting een deskundige moet benoemen die dan samen met een door [geïntimeerde sub 1] te benoemen deskundige tot een waarde moet komen waarvoor [geïntimeerde sub 1] tot aankoop kan overgaan, dan wel of [xx] van de verkoop mag afzien nu [geïntimeerde sub 1] de door [xx] genoemde koopprijs van € 925.000,-- niet heeft geaccepteerd.
In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.
-
a. [geïntimeerden] hebben bij notariële akte van 6 december 2012 de percelen agrarische grond aan [straatnaam A] te [A] , kadastraal bekend als gemeente [B] , sectie [--] [perceel A] , [perceel B] en [perceel C] , gezamenlijk groot 4.49.40 hectare (hierna: de percelen) aan [xx] verkocht en geleverd voor een bedrag van € 300.000,--.
-
b. In de akte zijn partijen een aanbiedingsverplichting voor [xx] jegens [geïntimeerde sub 1] overeengekomen. Over die aanbiedingsverplichting staat in de akte onder meer het volgende:
“ AANBIEDINGSVERPLICHTING
De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden nog het volgende te zijn
overeengekomen:
-
Voor het geval koper het bij deze akte aan haar geleverde geheel of gedeeltelijk wenst te vervreemden, is zij verplicht alvorens tot vervreemding over te gaan, het betreffende registergoed eerst schriftelijk te koop aan te bieden aan de verkoper sub 1.a. genoemd in deze akte (hierna ook te noemen: aanbiedingsgerechtigde). (…)
-
Indien de aanbiedingsplichtige het hiervoor bepaalde niet nakomt, zal zij ten behoeve van de aanbiedingsgerechtigde een direct opeisbare boete verbeuren van éénhonderd euro (€ 100,--), onverminderd het recht van de aanbiedingsgerechtigde om alsnog nakoming en/of aanvullende schadevergoeding te vorderen.
-
De aanbiedingsgerechtigde dient binnen één maand na gedaan aanbod aan de aanbiedingsplichtige te kennen te geven of hij van bedoeld aanbod gebruik wenst te maken. Indien de aanbiedingsgerechtigde binnen vermelde termijn bedoelde wens niet te kennen heeft gegeven, is de aanbiedingsplichtige vrij het aangeboden registergoed te vervreemden aan derden.
-
Indien de aanbiedingsgerechtigde op de wijze als hiervoor sub 3 vermeld te kennen heeft gegeven van bedoeld aanbod gebruik te maken, zal de vaststelling van de koopprijs geschieden in onderling overleg en wel binnen één maand na het verstrijken van de hiervoor sub 3 vermelde periode. Indien partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, zal de vaststelling van de koopprijs geschieden tegen de vrije verkoopwaarde van het verkochte op het tijdstip van de aanbieding, welke waarde alsdan zal worden vastgesteld door twee, door ieder van partijen voor wat betreft zijn “eigen” deskundige, te benoemen deskundigen die tezamen tot een waardebepaling dienen te komen.
(…)
5. De aanbiedingsgerechtigde is vervolgens verplicht binnen één maand na vaststelling van voormelde koopprijs aan de aanbiedingsplichtige mede te delen of hij/zij het aanbod tot koop al dan niet accepteert. Bij niet acceptatie of uitblijven van enige mededeling door de aanbiedingsgerechtigde binnen de gestelde termijn, is de aanbiedingsplichtige vrij het aangeboden registergoed aan (een) derde(n) te vervreemden.”
Het hof zal deze regeling hierna aanduiden als de Aanbiedingsverplichting.
- c. In het voorjaar van 2024 heeft de gemeente [C] (hierna: de gemeente) contact opgenomen met [xx] en met [xx] onderhandeld over de mogelijke aankoop van de drie percelen door de gemeente. Deze onderhandelingen hebben geleid tot een concept-koopovereenkomst tussen [xx] als verkoper en de gemeente als koper van de drie percelen. In de concept-koopovereenkomst is een koopsom genoemd van € 925.000,-- kosten koper. In artikel 11 van de concept-koopovereenkomst staat onder meer het volgende:
“ Opschortende voorwaarde
In de eigendomsakte van verkoper de dato 6 december 2012 is een aanbiedingsplicht opgenomen, inhoudende dat ingeval van gewenste vervreemding van het verkochte, de gronden eerst schriftelijk te koop worden aangeboden aan [geïntimeerde sub 1] (hierna: aanbiedingsgerechtigde). (…)
Verkoper zal uiterlijk 15 juli 2024 het verkochte schriftelijk te koop aanbieden aan de
aanbiedingsgerechtigde. Deze koopovereenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat de aanbiedingsgerechtigde geen gebruik maakt van het aanbod zoals in lid 3 van de aanbiedingsverplichting bedoeld. Indien lid 4 van de aanbiedingsplicht in werking treedt, zullen partijen met elkaar in overleg treden om te bezien hoe met de aanbiedingsplicht in relatie tot dit artikel wordt opgegaan.”
- d. Bij brief van 29 juli 2024 heeft [xx] aan [geïntimeerde sub 1] het volgende meegedeeld:
“Bij leveringsakte 6 december 2012 leverden u en uw broer de van u beiden aangekochte landbouwgrond [straatnaam A] te [A] , kadastraal bekend gemeente [B] sectie [--] de [perceel A] , [perceel B] en [perceel C] tezamen groot 4.49.40 hectare.
Ter uwe behoeve werd een aanbiedingsplicht opgenomen ter mijner laste. Indien ik voornemens zou worden het destijds gekochte te verkopen.
Hoewel ik geenszins voornemens was over te gaan tot verkoop heeft zich echter spontaan een kandidaat koper aangediend namelijk de gemeente [C] .
Het enthousiasme van laatst genoemde is zover gegaan dat, in concept, een koopovereenkomst werd geredigeerd een kopie dezes sluit ik als bijlage hierbij.
Zoals u zult lezen omvat de bieding van de Gemeente een koopsom ad. € 925.000,-- kosten levering voor de koper, voorbehoud akkoord gemeenteraad.
Op basis van hetgeen in 2012 werd overeengekomen voldoe ik hierbij namens [xx] Beheer B.V. aan de destijds aangegane verplichting en wordt u hierbij in de gelegenheid gesteld het destijds verkochte terug te kopen tegen voormelde koopsom € 925.000,-- k.k.
Uitdrukkelijk stel ik hierbij dat de vennootschap [xx] Beheer B.V. slechts bereid is tot verkoop tegen een koopsom als voormeld.
Indien gemeente [C] van een aankoop af zou zien om welke reden dan ook bestaat absoluut geen behoefte tot verkoop van de genoemde percelen.
In het vertrouwen hierbij op correcte wijze aan de in 2012 aangegane verplichting te hebben voldaan verblijf ik met vriendelijke groet,
in afwachting,”
- e. Bij brief van 30 augustus 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld aan [xx] :
1. Met deze brief bericht ik u dat cliënt van zins is gebruik te maken van het aanbod uit uw brief die hij op 6 augustus 2024 van u heeft ontvangen (gedateerd 29 juli 2024, doch met poststempel van 5 augustus 2024). Een en ander in overeenstemming met de bepalingen uit de Aanbiedingsverplichting.
2. Aldus treedt cliënt (uit hoofde van het vierde lid van de Aanbiedingsverplichting) graag met u in overleg om – binnen één maand na 6 september 2024, derhalve uiterlijk 5 oktober 2024 – tot de vaststelling van de koopprijs te komen.
3. Graag verneem ik van u.”
- [--] . Bij ongedateerde brief, door de advocaat van [geïntimeerden] ontvangen op 2 oktober 2025, heeft [xx] aan de advocaat van [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld:
“(…) verwijs ik naar mijn schrijven aan [geïntimeerde sub 1] door laatstgenoemde ontvangen op 6 augustus j.l. waarvan de inhoud voor zich spreekt.
De markt heeft de koopprijs bepaald op een koopsom ad. € 925.000,-.
Uw klient is gerechtigd hier gebruik van te maken, overdracht in nader overleg.
Blijkt uw klient niet van zins aan te kopen zal het hem toekomende voorkeursrecht tot
aankoop vervallen zijn. Ik zal alsdan tot verkoop overgaan. (…)
Ik wens uiterlijk 10 oktober a.s. te vernemen of uw klient tot aankoop over wenst te gaan.”
-
g. De gemeente heeft op 1 oktober 2024 contact opgenomen met [geïntimeerde sub 1] en met hem een afspraak gemaakt voor 9 oktober 2024. [geïntimeerde sub 1] laat zich hierbij adviseren door [YY] Beheer B.V.
-
h. De advocaat van [geïntimeerden] heeft [xx] bij brief van 9 oktober 2024 verzocht en bij brief van 15 november 2024 gesommeerd om een deskundige aan te wijzen die namens hem medewerking zal verlenen aan de op grond van onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting te verrichten waardebepaling.
-
i. Bij brief van 10 december 2024 heeft [xx] aan de advocaat van [geïntimeerden] onder meer het volgende meegedeeld:
“Ten overvloede breng ik nogmaals onder uw aandacht dat ik nimmer voornemens ben geweest verkoop aangaande de betreffende percelen te overwegen. Ik wens wel in te gaan op de vergaande interesse van de spontane gegadigde, de gemeente [C] . Het protocol inzake het geldende voorkeursrecht werd mijnerzijds correct gevolgd in het aanbieden aan uw cliënt.
Opmerkelijk is dat uw cliënt nimmer heeft (doen) aangeven of hij wilde kopen en zo ja voor welke koopsom.
De koopsom waarvoor ik wens te vervreemden omvat de bieding van de gemeente. Ik onderwerp mij niet aan getaxeerde bedragen, uitslagen hiervan binden mij niet. (…)
Gezien de opstelling van uw cliënt, dan wel van u namens uw client overweeg ik in sterke mate mijn voornemen tot verkoop te staken.”
- j. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
Het kort geding bij de voorzieningenrechter
In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde sub 1] in het geding bij de voorzieningenrechter, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat, [xx] te bevelen een deskundige te benoemen in de zin van onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting, middels het kenbaar maken van de naam en het (kantoor)adres van een deskundige die de bereidheid tot het verrichten van de betreffende werkzaamheden binnen een redelijke termijn en tegen een gebruikelijke vergoeding, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens de tekst van de inleidende dagvaarding is de vordering ingesteld namens beide geïntimeerden, maar in de pleitnotities van [geïntimeerden] is duidelijk gemaakt dat de vordering geacht moet worden alleen door [geïntimeerde sub 1] te zijn ingesteld, omdat de aanbiedingsplicht alleen ten gunste van hem is overeengekomen.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde sub 1] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Omdat [xx] de percelen aan [geïntimeerde sub 1] heeft aangeboden, worden de rechten en verplichtingen van partijen met betrekking tot het aanbod bepaald door de Aanbiedingsverplichting. [xx] weigert ten onrechte om overeenkomstig onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting een deskundige aan te wijzen die samen met een deskundige van [geïntimeerde sub 1] de waarde moet bepalen waarvoor [geïntimeerde sub 1] desgewenst tot aankoop van de percelen mag overgaan.
[xx] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
In het met toepassing van artikel 29a Rv mondeling gewezen kortgedingvonnis van 18 december 2024 heeft de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt geoordeeld:
-
De in geding zijnde vordering wordt alleen door [geïntimeerde sub 1] gehandhaafd. Ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] hoeft dus geen beslissing meer te worden genomen (rov. 4.1).
-
[geïntimeerde sub 1] heeft een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering in kort geding (rov. 4.2).
-
[geïntimeerde sub 1] heeft de termijnen van de Aanbiedingsverplichting in acht genomen. De regeling zoals overeengekomen in de Aanbiedingsverplichting, heeft dus werking kunnen krijgen (rov. 4.3).
-
[xx] heeft aan [geïntimeerde sub 1] een aanbod gedaan als bedoeld in de Aanbiedingsverplichting. [geïntimeerde sub 1] heeft dit aanbod aanvaard, ook al heeft hij de genoemde koopsom afgewezen. De mededeling van [geïntimeerde sub 1] dat hij met [xx] wil overleggen over de koopprijs, is in lijn met de regeling van de Aanbiedingsverplichting (rov. 4.4).
-
De Aanbiedingsverplichting betreft geen regeling waar [xx] zich na een gedaan aanbod uit kan terugtrekken. [geïntimeerde sub 1] krijgt bij terugkoop de volle vrije eigendom en mag daarmee handelen zoals hem goeddunkt (rov. 4.5).
-
Dat geen terugtrekkingsmogelijkheid bestaat voor [xx] volgt uit de systematiek van de Aanbiedingsverplichting, waarbij de koopprijs van de percelen zal worden vastgesteld door deskundigen indien de partijen daarover geen overeenstemming bereiken (rov. 4.6).
-
Dat [geïntimeerde sub 1] een vastgoedhandelaar heeft geraadpleegd en dat er namens [geïntimeerde sub 1] contact is geweest met de gemeente, is niet onrechtmatig. Dit handelen levert geen misbruik van recht op (rov. 4.7).
-
De vordering van [geïntimeerde sub 1] is dus toewijsbaar, met dien verstande dat de termijn tot benoeming moet worden verruimd tot vier weken na betekening van het vonnis (rov. 4.8).
-
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Van belang is dat de deskundigen tot één gezamenlijke waardebepaling komen, in lijn met het bepaalde in onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting, en dat zij daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod (rov. 4.10).
Op grond van deze oordelen heeft de voorzieningenrechter:
-
[xx] bevolen om binnen vier weken na betekening van het vonnis een deskundige te benoemen in de zin van sub 4 van de Aanbiedingsverplichting, middels het kenbaar maken van de naam en het (kantoor)adres van de deskundige die de bereidheid tot het verrichten van de betreffende werkzaamheden binnen een redelijke termijn en tegen een gebruikelijke vergoeding heeft uitgesproken,
-
[xx] veroordeeld om aan [geïntimeerde sub 1] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling uit rechtsoverweging 5.1. voldoet, tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt.
Verder heeft de voorzieningenrechter [xx] in de proceskosten veroordeeld, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Gebeurtenissen na het beroepen vonnis
[geïntimeerde sub 1] heeft het beroepen kortgedingvonnis op 30 december 2024 aan [xx] laten betekenen en [xx] daarbij bevel gedaan om binnen vier weken na die datum een deskundige te benoemen in de zin van onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting, middels het kenbaar maken van de naam en het (kantoor)adres van de deskundige die de bereidheid tot het verrichten van de betreffende werkzaamheden binnen een redelijke termijn en tegen een gebruikelijke vergoeding heeft uitgesproken.
[geïntimeerde sub 1] heeft daarbij aan [xx] aangezegd dat bij niet- of niet tijdige voldoening aan vorenstaand bevel het vonnis tegen [xx] zal worden ten uitvoer gelegd door gebruik te maken van de in het vonnis neergelegde dwangsomveroordeling.
Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep en de partijen daarbij
Tussen partijen staat vast dat de vorderingen in eerste aanleg, voor zover mede ingesteld namens [geïntimeerde sub 2] , door hem zijn ingetrokken. Daarna resteerde als enig eiser in het geding bij de voorzieningenrechter nog [geïntimeerde sub 1] . De voorzieningenrechter heeft in overeenstemming daarmee alleen ten aanzien van [geïntimeerde sub 1] beslist over de vordering. Dit past bij de stelling van beide partijen dat de Aanbiedingsplicht alleen is overeengekomen ten gunste van [geïntimeerde sub 1] en niet mede ten gunste van [geïntimeerde sub 2] . Dit brengt mee dat [xx] de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte mede heeft gericht tegen [geïntimeerde sub 2] . [xx] heeft ook niet duidelijk gemaakt waarom zij [geïntimeerde sub 2] mede heeft betrokken in dit hoger beroep. Het hof zal [xx] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover gericht tegen [geïntimeerde sub 2] . Het hof zal [xx] voorts in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] veroordelen, maar die kosten op nihil begroten omdat niet gebleken is van door [geïntimeerde sub 2] in hoger beroep gemaakte proceskosten.
[xx] heeft in principaal hoger beroep 10 grieven aangevoerd. [xx] heeft op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen kortgedingvonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van – naar het hof begrijpt – [geïntimeerde sub 1] , met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
[geïntimeerde sub 1] heeft de grieven van [xx] in principaal hoger beroep bestreden. Verder heeft [geïntimeerde sub 1] in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd tegen het beroepen vonnis.
[geïntimeerde sub 1] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen kortgedingvonnis met uitzondering van de in incidenteel hoger beroep bestreden overweging.
In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde sub 1] geconcludeerd tot vernietiging van de laatste zin van rechtsoverweging 4.10 van het vonnis luidende: “en dat zij daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod.” , en opnieuw rechtdoende, te oordelen dat de vaststelling van de koopprijs zal geschieden “tegen de vrije verkoopwaarde van de Percelen op het tijdstip van de aanbieding, zonder rekening te houden met het bod van de Gemeente”.
Tot slot heeft [geïntimeerde sub 1] in principaal en incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot veroordeling van [xx] in de proceskosten.
[xx] heeft de grief van [geïntimeerde sub 1] in incidenteel hoger beroep bestreden.
Over grief 2 in principaal hoger beroep: het spoedeisend belang van [geïntimeerde sub 1] bij zijn vordering
Het hof ziet aanleiding om eerst grief 2 in principaal hoger beroep te behandelen. Deze grief is gericht tegen rov. 4.2 van het beroepen vonnis, luidende als volgt:
“Het spoedeisend belang wordt aangenomen aangezien de markt zodanig is, dat er een transactiewaarde voor de Percelen bestaat die ook in het belang van [geïntimeerde sub 1]
op dit moment binnen zijn bereik moet kunnen komen.”
In de toelichting op de grief betoogt [xx] dat die overweging onjuist is en dat [geïntimeerde sub 1] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.
[geïntimeerde sub 1] heeft de grief bestreden en gesteld dat hij wel een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.
Het hof moet in kort geding ambtshalve beoordelen of de partij die de vorderingen in kort geding heeft ingesteld, ten tijde van het hoger beroep (nog) een spoedeisend belang heeft bij die vorderingen. Het hof is daarbij niet gebonden aan hetgeen de voorzieningenrechter over het spoedeisend belang heeft geoordeeld.
In dit geval heeft [geïntimeerde sub 1] naar het oordeel van het hof, uitgaande van zijn stellingen, in hoger beroep een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vorderingen. Die stellingen komen er immers op neer dat [xx] mee moet werken aan bepaling van de waarde van de percelen door deskundigen, waarna [geïntimeerde sub 1] desgewenst tot aankoop van de percelen kan overgaan en [xx] dan gehouden is de percelen aan [geïntimeerde sub 1] te leveren. De omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] nu door de – volgens [geïntimeerde sub 1] onterechte – weigering van [xx] de percelen niet geleverd kan krijgen, maakt naar het oordeel van het hof dat hij een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vorderingen in kort geding. Daarbij speelt mee dat de gemeente op dit moment serieuze belangstelling heeft voor de percelen en dat niet zonder meer duidelijk hoe lang die belangstelling zal blijven bestaan.
Hiermee is nog niet gezegd dat de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] in dit kort geding toewijsbaar zijn. Dat zal afhangen van de beoordeling van de andere grieven die [xx] in principaal hoger beroep tegen het kortgedingvonnis heeft aangevoerd.
Over grief 1 in principaal hoger beroep: de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten
De voorzieningenrechter heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.4 van (het proces-verbaal van) het mondeling vonnis enkele feiten vastgesteld. Grief 1 in principaal hoger beroep is tegen deze feitenvaststelling gericht. Volgens [xx] heeft de voorzieningenrechter in de feitenvaststelling essentiële feiten onvermeld gelaten, die de noodzaak van afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] ondersteunen.
Het hof heeft in overweging 3.1.2 van dit arrest een ruimere feitenvaststelling gegeven dan in de onderdelen 2.1 tot en met 2.4 van (het proces-verbaal van) het mondeling vonnis is neergelegd. In zoverre heeft [xx] geen belang meer bij beoordeling van grief 1 in principaal hoger beroep. Die grief kan overigens geen doel treffen omdat een feitenvaststelling in een rechterlijke uitspraak zich mag beperken tot de hoofdlijnen, mits eventuele nadere feiten zo nodig bij de beoordeling worden besproken. Grief 1 in principaal hoger beroep is niet gericht tegen dragende overwegingen uit het vonnis. Of de voorzieningenrechter tot een juist oordeel is gekomen, zal blijken nadat het hof de andere grieven in principaal hoger beroep heeft behandeld.
Over grief 3 in principaal hoger beroep: heeft [xx] op 29 juli 2024 een aanbieding gedaan zoals bedoeld in onderdeel 1 van de Aanbiedingsverplichting?
De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.3 van het vonnis geoordeeld dat [xx] aan [geïntimeerde sub 1] een aanbod heeft gedaan zoals bedoeld in de Aanbiedingsverplichting.
Grief 3 is tegen dat oordeel gericht. In de toelichting op de grief heeft [xx] naar de kern genomen betoogd dat zij nooit heeft bedoeld en ook niet heeft hoeven te begrijpen dat door het doen van de aanbieding zoals neergelegd in de brief van 29 juli 2024 de regeling zoals neergelegd in de Aanbiedingsverplichting van toepassing zou worden.
[geïntimeerde sub 1] heeft de grief bestreden. Volgens hem is het aanbod dat [xx] via de brief van 29 juli 2024 aan hem heeft gedaan, wel degelijk een aanbieding zoals bedoeld in de Aanbiedingsverplichting, en is de betreffende regeling daardoor toepasselijk geworden.
Het hof overweegt als volgt. Volgens onderdeel 1 van de Aanbiedingsverplichting is [xx] , als hij de percelen wil vervreemden, verplicht om de percelen alvorens tot vervreemding over te gaan, eerst schriftelijk te koop aan te bieden aan [geïntimeerde sub 1] . Dat is wat [xx] naar het voorshands oordeel van het hof heeft gedaan door middel van de brief van 29 juli 2024, zodat de regels uit de Aanbiedingsverplichting van toepassing zijn geworden.
Dat [xx] in de brief meteen een prijs heeft genoemd die hij voor de percelen wil ontvangen, leidt naar het voorshands oordeel van het hof niet tot een ander oordeel. Dat laat namelijk onverlet dat [xx] , omdat hij de percelen wilde verkopen aan de gemeente, vanwege de Aanbiedingsverplichting de percelen eerst te koop heeft aangeboden aan [geïntimeerde sub 1] . [xx] heeft daarbij in de brief bovendien tot driemaal toe verwezen naar de aanbiedingsverplichting:
“Ter uwe behoeve werd een aanbiedingsplicht opgenomen ter mijner laste. Indien ik voornemens zou worden het destijds gekochte te verkopen.
(…)
Op basis van hetgeen in 2012 werd overeengekomen voldoe ik hierbij namens [xx] Beheer B.V. aan de destijds aangegane verplichting en wordt u hierbij in de gelegenheid gesteld het destijds verkochte terug te kopen (…)
In het vertrouwen hierbij op correcte wijze aan de in 2012 aangegane verplichting te hebben voldaan verblijf ik (…)”
In de ongedateerde brief, door de advocaat van [geïntimeerden] ontvangen op 2 oktober 2025, heeft [xx] bovendien geschreven dat de Aanbiedingsplicht zou vervallen als [geïntimeerde sub 1] het aanbod om de percelen voor € 925.000,-- aan te kopen, niet zou accepteren, en dat [xx] zich dan vrij zou achten de percelen aan de gemeente te verkopen. Ook hieruit blijkt dat [xx] beoogde om een aanbod te doen zoals bedoeld in de Aanbiedingsverplichting. Hetzelfde blijkt uit de brief van [xx] van 10 december 2024 aan de advocaat van [geïntimeerde sub 1] , waarin de directeur van [xx] schrijft: “Het protocol inzake het geldende voorkeursrecht werd mijnerzijds correct gevolgd in het aanbieden aan uw cliënt.”
De regels van de Aanbiedingsverplichting zijn dus toepasselijk geworden, inclusief de in de onderdelen 4 en 5 neergelegde regels over de bepaling van de verkoopprijs en de gevolgen daarvan.
Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief 3 in principaal hoger beroep.
Over de vraag of [xx] zich vervolgens nog uit de in de Aanbiedingsverplichting omschreven procedure mocht terugtrekken, zal het hof hierna bij de behandeling van de grieven 5 tot en met 7 in principaal hoger beroep oordelen.
Over grief 4 in principaal hoger beroep: heeft [geïntimeerde sub 1] de termijnen van de aanbiedingsverplichting in acht genomen?
In rov. 4.3 van het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter onder meer geoordeeld:
-
dat [geïntimeerde sub 1] de termijnen die in de regeling van de Aanbiedingsplicht worden genoemd, in acht heeft genomen;
-
dat het feit dat [xx] de aangetekende brief van [geïntimeerde sub 1] , waarin hij ingaat op het aanbod van [xx] , niet heeft afgehaald, niet maakt dat [xx] een beroep kan doen op een latere kennisneming van die brief.
Grief 4 in principaal hoger beroep is tegen die overweging gericht. In de toelichting op de grief stelt [xx] dat niet gebleken is dat [geïntimeerde sub 1] binnen één maand te kennen heeft gegeven van het aanbod gebruik te willen maken.
Het hof stelt naar aanleiding van deze grief het volgende voorop. [geïntimeerde sub 1] heeft gesteld dat hij de brief van [xx] van 29 juli 2024, waarin [xx] de percelen aan [geïntimeerde sub 1] te koop aanbood, op 6 augustus 2024 heeft ontvangen. Deze ontvangstdatum is ook genoemd in de brief van de advocaat van [geïntimeerde sub 1] aan [xx] van 9 augustus 2024, met vermelding van het feit dat op de envelop een poststempel van 5 augustus 2024 stond. Hetzelfde is vermeld in de brief van de advocaat van [geïntimeerde sub 1] aan [xx] van 30 augustus 2024. [xx] heeft niet betwist dat hij de brief pas op (maandag) 5 augustus 2024 of in het daaraan voorafgaande weekend heeft gepost en dat [geïntimeerde sub 1] de brief op 6 augustus heeft ontvangen. In de hiervoor in rov. 3.1.2 onder f genoemde brief heeft [xx] bovendien zelf geschreven dat [geïntimeerde sub 1] de brief op 6 augustus 2024 heeft ontvangen. Het hof gaat er dus vanuit dat [geïntimeerde sub 1] de brief op 6 augustus 2024 heeft ontvangen. Volgens onderdeel 3 van de Aanbiedingsverplichting diende [geïntimeerde sub 1] binnen één maand na die datum, dus uiterlijk op 5 september 2024, aan [xx] te kennen te geven of hij van het aanbod gebruik zou maken.
Bij brief van 30 augustus 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde sub 1] aan [xx] te kennen gegeven dat [geïntimeerde sub 1] van zins was om van het aanbod gebruik te maken. Uit de in het geding bij de voorzieningenrechter overgelegde zendingsgegevens van PostNL blijkt naar het oordeel van het hof dat deze brief op 31 augustus 2024 bij het adres van [xx] is aangeboden, maar dat de bezorging niet is gelukt, kennelijk omdat niemand aanwezig was of niemand bereid was om de brief in ontvangst te nemen. De zending is vervolgens op 7 september 2024 afgehaald. Het hof deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat deze vertraging voor rekening van [xx] komt. [geïntimeerde sub 1] heeft dus tijdig te kennen gegeven dat hij op het aanbod in wilde gaan. De daarbij gebruikte bewoordingen “dat cliënt van zins is gebruik te maken van het aanbod” zijn voldoende duidelijk, mede gelet op het feit dat het [geïntimeerde sub 1] volgens onderdeel 5 van de aanbiedingsverplichting nog vrij stond om na prijsbepaling door deskundigen, alsnog van de aankoop af te zien.
Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief 4 in principaal hoger beroep.
Over de grieven 5, 6 en 7 in principaal hoger beroep: mocht [xx] zich uit de in de Aanbiedingsverplichting omschreven procedure terugtrekken?
Het hof zal de grieven 5, 6 en 7 in principaal hoger beroep gezamenlijk behandelen. Door middel van die grieven betoogt [xx] naar de kern genomen dat het haar vrij stond om, toen [geïntimeerde sub 1] in de brief van 30 augustus 2024 meedeelde dat hij van zins was gebruik te maken van het aanbod maar niet de door [xx] genoemde koopprijs van € 925.000,-- accepteerde, zich terug te trekken en van de verkoop van de percelen af te zien.
[geïntimeerde sub 1] heeft de grieven bestreden. Volgens [geïntimeerde sub 1] volgt uit de systematiek van de Aanbiedingsverplichting, zoals neergelegd in de notariële akte van 6 december 2012, dat [xx] zich niet meer terug kon trekken nadat zij de percelen aan [geïntimeerde sub 1] te koop had aangeboden, althans nadat [geïntimeerde sub 1] te kennen had gegeven van zins te zijn op het aanbod in te gaan, waarmee de prijsbepalingsregeling uit de Aanbiedingsverplichting van toepassing was geworden. [geïntimeerde sub 1] heeft er hierbij ook op gewezen dat onderdeel 5 van de Aanbiedingsverplichting wel aan hem de mogelijkheid biedt om na de prijsbepaling door deskundigen van de aankoop af te zien, maar niet aan [xx] de mogelijkheid biedt om dan alsnog van de transactie af te zien.
Het hof is voorshands van oordeel dat uit de systematiek van de Aanbiedingsverplichting, zoals omschreven in de akte van 6 december 2012, volgt dat [xx] , nadat hij vanwege zijn voornemen om de percelen te verkopen aan de gemeente de percelen ter voldoening aan de Aanbiedingsverplichting te koop had aangeboden aan [geïntimeerde sub 1] , zich niet meer eenzijdig aan de regeling zoals neergelegd in de Aanbiedingsverplichting kon onttrekken. Dat tussen [xx] en [geïntimeerde sub 1] nog geen verkoopprijs was overeengekomen of komen vast te staan, en dat er dus in zoverre nog geen onvoorwaardelijke koopovereenkomst tot stand was gekomen, leidt naar het voorshands oordeel van het hof niet tot een ander oordeel. Onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting bevat immers een uitgewerkte regeling voor de vaststelling van de koopprijs, ook voor het geval [xx] en [geïntimeerde sub 1] over de koopprijs geen overeenstemming kunnen bereiken. De vaststelling van de koopprijs moet dan volgens onderdeel 4 geschieden tegen de vrije verkoopwaarde van het verkochte op het tijdstip van de aanbieding, welke waarde dan moet worden vastgesteld door twee, door ieder van partijen voor wat betreft zijn “eigen” deskundige, te benoemen deskundigen die tezamen tot een waardebepaling moeten te komen. Dat partijen onderling geen overeenstemming bereiken over de koopprijs laat dus onverlet dat de onderdelen van de Aanbiedingsverplichting bepalen hoe dan de koopprijs tot stand moet komen. Dat kan een andere prijs zijn dan de door [xx] (of de door [geïntimeerde sub 1] ) gewenste prijs.
Onderdeel 5 van de Aanbiedingsplicht geeft vervolgens uitsluitend aan [geïntimeerde sub 1] de keuze om het aanbod tot koop voor de overeenkomstig onderdeel 4 door deskundigen bepaalde koopprijs te accepteren, dan wel van de aankoop af te zien. Indien [geïntimeerde sub 1] dan van de aankoop afziet, staat het [xx] vrij de percelen aan een derde (zoals bijvoorbeeld de gemeente) te verkopen. De regeling van de Aanbiedingsplicht geeft aan [xx] niet het recht om, nadat hij op grond van de Aanbiedingsplicht de percelen aan [geïntimeerde sub 1] te koop heeft aangeboden, alsnog van de verkoop af te zien. Het hof acht dit een voorstelbare en niet onredelijke regeling. Aangenomen moet immers worden dat bij [xx] (de aanbiedingsplichtige) daadwerkelijk de wens bestond om de percelen te verkopen. Dat die verkoop dan vervolgens moet plaatsvinden tegen de door deskundigen bepaalde vrije verkoopwaarde op het tijdstip van de aanbieding, ook indien [xx] wellicht op een hogere prijs had gehoopt, acht het hof niet onredelijk. Het hof verwijst op dit punt ook naar hetgeen hierna met betrekking tot het incidenteel hoger beroep zal worden overwogen over de door de deskundigen te verrichten waardebepaling.
[xx] heeft naar het voorshands oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden gesteld die van dien aard zijn dat zij tot een andere (met de bewoordingen van de aanbiedingsplicht strijdige) uitleg van de aanbiedingsplicht moeten leiden.
De door [xx] genoemde rechterlijke uitspraken waarin anders is geoordeeld, brengen het hof niet tot een ander oordeel. Dat betreft andere gevallen met andere omstandigheden, en het hof is bovendien niet gebonden aan oordelen van andere feitenrechters tussen andere partijen.
Om bovenstaande redenen verwerpt het hof de grieven 5, 6 en 7.
Over grief 8 in principaal hoger beroep: maakt [geïntimeerde sub 1] misbruik van recht?
[xx] heeft in het geding bij de voorzieningenrechter nog betoogd dat [geïntimeerde sub 1] misbruik van recht maakt door zich in de gegeven omstandigheden op de regeling van de aanbiedingsverplichting te beroepen. De voorzieningenrechter heeft dat verweer verworpen in rov. 4.7 van het vonnis.
Grief 8 in principaal hoger beroep is tegen dat oordeel gericht. Volgens [xx] is het kwalijk dat [geïntimeerde sub 1] , bijgestaan door een vastgoedadviseur, in overleg is getreden met de gemeente over de door de gemeente gewenste ontwikkeling van de percelen.
Het hof verwerpt deze grief. Het staat [geïntimeerde sub 1] naar het voorshands oordeel van het hof vrij om van de aanbiedingsplicht gebruik te maken, en hij is vervolgens vrij om met de percelen te doen wat hem goeddunkt. [xx] ontvangt op haar beurt de door deskundigen bepaalde vrije verkoopwaarde voor de percelen, voor de bepaling waarvan het hof verwijst naar hetgeen hierna over het incidenteel hoger beroep wordt overwogen..
Over grief 9 in principaal hoger beroep: moet [xx] meewerken aan benoeming van een erkende taxateur?
Grief 9 in principaal hoger beroep heeft, mede gelet op de daarbij gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven. Deze grief hoeft dus niet nader besproken te worden.
Over grief 10 in principaal hoger beroep: moet aan de veroordeling van [xx] een dwangsom worden verbonden.
Grief 10 in principaal hoger beroep is gericht tegen de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling van [xx] om aan [geïntimeerde sub 1] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt. In de toelichting op de grief stelt [xx] dat hij bereid is om aan iedere veroordeling vrijwillig mee te werken, zodat een prikkel in de vorm van een dwangsom niet nodig is.
Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief allereerst dat het beroepen vonnis aan [xx] betekend is op 30 december 2024. De partijen hebben zich in de gedingstukken niet uitgelaten over de vraag of [xx] inmiddels heeft voldaan aan de veroordeling, waartegen hij het onderhavige hoger beroep heeft ingesteld.
Het hof acht het juist dat de voorzieningenrechter op de vordering van [geïntimeerde sub 1] een dwangsom heeft verbonden aan de hoofdveroordeling, nu [xx] zich in de correspondentie en in de onderhavige procedure uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gehouden is om een deskundige zoals bedoeld in de aanbiedingsverplichting aan te wijzen. Het hof acht voorts de hoogte van de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom en het daarbij bepaalde maximum passend. Het hof verwerpt daarom grief 10 in principaal hoger beroep.
Over de grief in incidenteel hoger beroep
De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.10 van het beroepen vonnis “ten overvloede” onder meer het volgende overwogen:
“Verder is van belang dat de deskundigen tot één gezamenlijke waardebepaling komen, in lijn met de prijsvormingsmethode zoals die is vervat in sub 4 van de aanbiedingsverplichting, en dus niet met twee losse waardebepalingen die in een gemiddelde resulteren en dat zij daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod.”
De door [geïntimeerde sub 1] aangevoerde grief in incidenteel hoger beroep is gericht tegen deze overweging. In de toelichting op deze grief betoogt [geïntimeerde sub 1] , samengevat, het volgende.
De overweging van de voorzieningenrechter dat de taxateurs in het bijzonder acht moeten slaan op het door de gemeente uitgebrachte bod, is in strijd met lid 4 van de Aanbiedingsverplichting, en moet daarom worden vernietigd. Dat geldt te meer omdat de door de gemeente geboden prijs het gevolg is van de specifieke wensen van de gemeente en de in dat verband ingebrachte mogelijkheid tot het realiseren van 8 woningen op een van de percelen, waarbij de gemeente invloed heeft op de bestemming van de percelen. De prijs die de gemeente wil betalen staat daarom los van de vrije verkoopwaarde zoals bedoeld in onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting. De overweging is bovendien onduidelijk, en het bod van de gemeente was nog afhankelijke van bestuurlijke goedkeuring (hof: van het college van B&W en de gemeenteraad).
[xx] heeft de grief in incidenteel hoger beroep bestreden en daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
Vanwege de door de gemeente gewenst planontwikkeling om op de percelen onder meer woningen te realiseren, is sprake van zogeheten “warme” grond. De deskundigen moeten daarmee rekening houden bij het bepalen van de waarde van de percelen. Zij moeten immers alle feiten meewegen die de waarde van de percelen beïnvloeden. De gemeente ziet voor de door haar gewenste planontwikkeling geen andere mogelijkheid dan het gebruiken van de onderhavige percelen. Het zou bovendien misbruik van recht opleveren en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zij als [geïntimeerde sub 1] de percelen tegen de agrarische waarde zou kunnen overnemen van [xx] en de perelen vervolgens voor een veel hogere prijs zou kunnen verkopen aan projectontwikkelaars of de gemeente.
Het hof stelt voorop dat de deskundigen de koopprijs volgens onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting moeten vaststellen “tegen de vrije verkoopwaarde van het verkochte op het tijdstip van de aanbieding”. Daarbij moeten de deskundigen naar het voorshands oordeel van het hof rekening houden met alle feiten en omstandigheden die op het tijdstip van de aanbieding aan de orde waren, waaronder:
-
de serieuze belangstelling die de gemeente had getoond voor de percelen;
-
het in dat kader door de gemeente uitgebrachte bod van € 925.000,--;
-
het feit dat dit bod “op het tijdstip van de aanbieding” (hof bij brief van 29 juli 2024 die door [geïntimeerde sub 1] op 6 augustus 2024 is ontvangen) was neergelegd in een concept koopovereenkomst tussen [xx] en de gemeente;
-
de omstandigheid dat in de concept koopovereenkomst de ontbindende voorwaarde is opgenomen van – naar het hof begrijpt – het niet verlenen van goedkeuring door het college van burgemeester en wethouders en/of de gemeenteraad aan de aankoop van de percelen;
-
de mate van de kans die eind juli/begin augustus 2024 aanwezig was dat die goedkeuring zou worden geweigerd;
-
mogelijke belangstelling van projectontwikkelaars voor de percelen.
De deskundigen moeten dus niet alleen, zoals door de voorzieningenrechter overwogen, “in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod”. Dat bod is één van de relevante feiten en omstandigheden waar de deskundigen acht op moeten slaan, naast onder meer de andere feiten en omstandigheden die hiervoor in rov. 3.13.4 zijn opgesomd. De grief in incidenteel hoger beroep is in zoverre gegrond. Het hof zal het beroepen vonnis daarom vernietigen, voor zover het betreft de in rov. 4.10 opgenomen overweging dat de deskundigen “daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod.”
Het hof ziet overigens geen aanleiding om, zoals door [xx] bepleit, te bepalen dat de vaststelling van de koopprijs zal geschieden tegen de vrije verkoopwaarde van de percelen op het tijdstip van de aanbieding, “zonder rekening te houden met het bod van de gemeente”. Het bod van de gemeente is namelijk wel degelijk één van de relevante factoren bij de prijsbepaling die de deskundigen moeten verrichten. Het hof zal dienaangaande geen nadere instructie aan de deskundigen geven, aangezien onderdeel 4 van de Aanbiedingsverplichting in samenhang met hetgeen hiervoor in rov. 3.13.4 is overwogen, aan de deskundigen voldoende duidelijkheid geeft.
De grief in incidenteel hoger beroep heeft dus ten dele doel getroffen.
Conclusie en afwikkeling
Omdat de grieven in principaal hoger beroep geen doel hebben getroffen, zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen voor zover in principaal hoger beroep aangevochten.
Omdat de grief in incidenteel hoger beroep ten dele doel heeft getroffen, zal het hof rechtsoverweging 4.10 van het beroepen vonnis vernietigen voor zover het betreft de zinsnede “dat zij daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod.” Het hof zal volstaan met die vernietiging en er geen andere zinsnede voor in de plaats stellen.
Het hof zal [xx] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Het hof zal die kosten aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] vaststellen op:
-
Griffierechten € 362,--
-
Salaris advocaat € 1.214,-- (1 punt x tarief II)
-
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in
de beslissing)
+
Totaal € 1.754,--
In incidenteel hoger beroep zijn partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten van het incidenteel hoger beroep daarom compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen.
Al het voorgaande leidt tot de onderstaande uitspraak.
4 De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep:
verklaart [xx] niet ontvankelijk in het principaal hoger beroep, voor zover ingesteld tegen [geïntimeerde sub 2] ;
veroordeelt [xx] in de proceskosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] , en begroot die kosten (aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] ) op nihil;
bekrachtigt het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaak-/rolnummer C/02/429387 / KG ZA 24-585 mondeling tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 18 december 2024, voor zover in principaal hoger beroep aangevochten;
vernietigt naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep de zinsnede “dat zij daarbij in het bijzonder acht slaan op het door de gemeente [C] uitgebrachte bod.” uit rov. 4.10 van het genoemde vonnis;
veroordeelt [xx] in de proceskosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] ten bedrage van € 1.754,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [xx] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [xx] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten van het incidenteel hoger beroep tussen partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen;
wijst het in principaal en incidenteel hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2025.
griffier rolraadsheer