Strafrecht overig

Afwijzing ontnemingsvordering Het hof is van oordeel dat, als er voordeel is genoten, dat voordeel in…

Zaakgegevens

Op 16 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16 april 2026
Datum publicatie
15 april 2026
Zaaknummer
20-002004-23 (OWV)
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1005
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Afwijzing ontnemingsvordering

Het hof is van oordeel dat, als er voordeel is genoten, dat voordeel in beginsel is genoten door de ultimate beneficial owners van de betrokken rechtspersoon. Ondanks dat de betrokken rechtspersoon over een eigen, afgescheiden vermogen beschikte, acht het hof aannemelijk dat de ultimate beneficial owners desalniettemin zonder meer en tot het volledige bedrag hebben kunnen beschikken over het geld dat als resultaat van de bedrijfsvoering in het vermogen van de betrokken rechtspersoon is gevloeid. De ultimate beneficial owners hadden immers gezamenlijk de volledige zeggenschap over de betrokken rechtspersoon en de gehele bedrijfsvoering van de betrokken rechtspersoon was erop gericht dat het voordeel uiteindelijk bij hen terecht kwam. De betrokken rechtspersoon is slechts als instrument en tussenschakel gebruikt om dat te bewerkstelligen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-002004-23 (OWV)

Uitspraak : 16 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 juli 2023 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-997518-16 OWV tegen:

[betrokkene] ,

zonder bekende vestigingsplaats in Nederland,

doch gevestigd te [adres] ,

vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 11.307.400,-, aan de betrokken rechtspersoon een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 6.154.951,- en de vordering voor het overige afgewezen.

Namens de betrokken rechtspersoon is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2024, 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025, 15 januari 2026, 5 maart 2026 en 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokken rechtspersoon naar voren is gebracht.

De advocaten-generaal (hierna gezamenlijk: de advocaat-generaal) hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.

Namens de betrokken rechtspersoon is primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering voor zover deze betrekking heeft op het wederrechtelijk verkregen voordeel dat correspondeert met het belastingnadeel. Subsidiair is namens de betrokken rechtspersoon bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen. Meer subsidiair is matiging van de ontnemingsvordering bepleit.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering

De vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon heeft primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering op grond van artikel 74 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitaantekeningen verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

Artikel 74 AWR bepaalt dat artikel 36e Wetboek van Strafrecht geen toepassing vindt ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. De vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon leidt uit de wetsgeschiedenis af dat deze uit artikel 74 AWR voortvloeiende beperking ermee verband houdt dat de overheid beschikt over een eigen instrumentarium om uit de belastingwet voortvloeiende schulden in te vorderen, om zo het nadeel dat de overheid lijdt als gevolg van het bij de belastingwet strafbaar gestelde feit ongedaan te maken. Gelet hierop staat artikel 74 AWR in de weg aan oplegging van een ontnemingsmaatregel voor zover deze betrekking heeft op wederrechtelijk verkregen voordeel dat correspondeert met het belastingnadeel, dat wil zeggen de belastingschuld die met het begaan van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit is ontweken. Nu het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat sprake is van belastingfraude en de rechtbank gelijkluidend heeft geoordeeld, staat artikel 74 AWR in de weg aan het opleggen van de ontnemingsmaatregel.

Het hof overweegt als volgt.

De betrokken rechtspersoon is in de met deze ontnemingszaak verband houdende strafzaak veroordeeld voor onder meer medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en witwassen, begaan door een rechtspersoon (feit 1). De door de vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon benoemde uitgangspunten zoals afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2021, zijn juist. Echter, artikel 74 AWR vormt geen belemmering voor de oplegging van een ontnemingsmaatregel als het gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel dat op een andere wijze samenhangt met het begaan van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit. Het kan dan onder meer gaan om het voordeel dat is behaald als gevolg van het gebruik van een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als witwasgedragingen worden verricht met betrekking tot een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel en die gedragingen tot een vermogensvermeerdering hebben geleid. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen vormt dat nu juist het uitgangspunt van de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie. Het tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie strekkende verweer van de vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon wordt derhalve door het hof verworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het zich daarmee niet kan verenigen.

Afwijzing van de ontnemingsvordering

Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht, uitgegaan te worden van het voordeel dat de betrokken rechtspersoon in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.

Het hof is van oordeel dat, als er voordeel is genoten, dat voordeel in beginsel is genoten door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , zijnde de ultimate beneficial owners van de betrokken rechtspersoon. Ondanks dat de betrokken rechtspersoon over een eigen, afgescheiden vermogen beschikte, acht het hof aannemelijk dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] desalniettemin zonder meer en tot het volledige bedrag hebben kunnen beschikken over het geld dat als resultaat van de bedrijfsvoering in het vermogen van de betrokken rechtspersoon is gevloeid. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden immers gezamenlijk de volledige zeggenschap over de betrokken rechtspersoon en de gehele bedrijfsvoering van de betrokken rechtspersoon was erop gericht dat het voordeel uiteindelijk bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] terecht kwam. De betrokken rechtspersoon is door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] slechts als instrument en tussenschakel gebruikt om dat te bewerkstelligen.

Op grond van het voorgaande schat het hof het door de betrokken rechtspersoon wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil (al het voordeel is terecht gekomen bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) en wijst de vordering af.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.

Dit arrest is gewezen door:

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier,

en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Geerling en mr. Van Middelkoop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vgl. Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703, r.o. 2.4.1. Vgl. Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703, r.o. 2.4.2. Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703. Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703, r.o. 2.4.2. Vgl. Hoge Raad 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714 en Hoge Raad 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721. Hoge Raad 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5645, r.o. 2.5.