Gerechtshof 's-Hertogenbosch, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHSHE:2026:2096

Op 30 July 2026 heeft de Gerechtshof 's-Hertogenbosch een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 20-002296-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHSHE:2026:2096. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
20-002296-23
Datum uitspraak:
30 July 2026
Datum publicatie:
30 July 2026

Indicatie

Het hof stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat vast op een bedrag van € 135.045,33 en legt aan de betrokkene (hoofdelijk) een betalingsverplichting ter hoogte van dit bedrag op.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002296-23 (OWV)

Uitspraak : 30 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 juli 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-688145-15 tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 27 juli 2023 het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 196.343,00. Aan de betrokkene is hoofdelijk de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 191.343,00, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de gijzeling die bij niet-betaling van het ontnemingsbedrag ten hoogste kan worden gevorderd is bepaald op 1080 dagen.

Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

De verdediging heeft verzocht de hoogte van het ontnemingsbedrag te verminderen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.

De veroordeling in de hoofdzaak

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023 (parketnummer

20-003634-19) is de betrokkene:

vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde ‘medeplegen van mishandelingen’;

veroordeeld wegens ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd’, in de periode van 1 maart 2013 tot en met 2 november 2015 (feit 1 primair), alsmede wegens ‘de eendaadse samenloop van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd’, in de periode van 19 maart 2014 tot en met 10 april 2014 (feit 2 en feit 3) en

- is aan haar een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

De wettelijke grondslag

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van de bewezenverklaarde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 27 juli 2023 zal bevestigen. In dit vonnis is het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van (afgerond)

€ 196.343,00. Dit bedrag is gebaseerd op de volgende onderdelen:

schenking, ad € 100.000,00;

vervolgvoordeel uit de schenking, ad € 4.265,95;

mantelzorgcompliment, ad € 200,00;

kasopnames in 2014 en 2015 – kosten, ad € 89.292,56;

ingevulde overschrijvingsformulieren (hierna: OLO’s), ad € 2.585,33.

Nadat de rechtbank voornoemd vonnis heeft gewezen, is de betrokkene in de hoofdzaak op 19 december 2023 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld terzake van de hiervoor onder het kopje ‘De veroordeling in de hoofdzaak’ genoemde strafbare feiten. Die veroordeling is inmiddels onherroepelijk geworden.

Schenking

In de hoofdzaak is onder feit 1 het medeplegen van diefstallen tenlastegelegd van een totaalbedrag van ongeveer € 232.606,00. Het hof begrijpt deze tenlastelegging aldus dat het bedrag van € 100.000,00, dat door de betrokkene en haar mededader [medebetrokkene] (hierna: [medebetrokkene] ) op wederrechtelijke wijze als een ‘schenking’ zou zijn verkregen en zij zich zouden hebben toegeëigend, (impliciet) onderdeel uitmaakte van dit aan de betrokkene gemaakte strafrechtelijke verwijt.

In het arrest in de hoofdzaak is vervolgens ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat zij zich in de periode van 1 maart 2013 tot en met 2 november 2015 samen met een ander

– kort gezegd – schuldig heeft gemaakt aan diefstal van geldbedragen van [slachtoffer] (feit 1 primair). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in dit verband in de bewijsoverweging de conclusie getrokken dat “de verdachte en de medeverdachte de contante geldbedragen die [slachtoffer] eerst zelf opnam en die zij daarna opnamen voor [slachtoffer] terwijl zij

gemachtigd waren te pinnen met zijn bankpas, niet bij [slachtoffer] hebben achtergelaten, maar hebben gestolen.” Een specifieke op de tenlastegelegde ‘schenking’ geënte bewijsoverweging ontbreekt in het arrest. In de strafmaatoverweging heeft het hof overwogen dat de betrokkene ”zich tezamen en in vereniging met haar partner, medeverdachte [medebetrokkene] , schuldig heeft gemaakt aan diefstal van hoeveelheden contant geld.

Gelet op het vorenstaande begrijpt het hof de bewijsbeslissing van het hof in de strafzaak aldus dat de betrokkene uitdrukkelijk is vrijgesproken voor zover aan haar ten laste was gelegd dat zij (samen met een ander) middels een schenking ten bedrage van € 100.000,00 wederrechtelijk een geldbedrag van [slachtoffer] heeft toegeëigend. Deze vrijspraak impliceert – gelet op de zogenaamde ‘Geerings-jurisprudentie’ (Voetnoot 1) – dat de desbetreffende schenking in het onderhavige geval niet bij de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden betrokken.

Vervolgvoordeel uit de schenking

Nu de post ‘vervolgvoordeel uit de schenking, ad € 4.265,95’ direct samenhangt/het gevolg is van voornoemde schenking, wordt voornoemd geldbedrag eveneens buiten beschouwing gelaten bij de schatting van de hoogte van het door de betrokkene wederechtelijk verkregen voordeel.

Mantelzorgcompliment

Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ook de post ‘mantelzorgcompliment, ad € 200,00’ buiten beschouwing gelaten. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat uit het arrest in de hoofdzaak blijkt dat de rechtbank de betrokkene partieel heeft vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, namelijk voor wat betreft het valselijk opmaken of vervalsen van een aanvraag mantelzorgcompliment en dat de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard voor zover dat tegen voornoemde partiële vrijspraak was gericht. Bovendien heeft de betrokkene als mantelzorger (in toenemende mate) verschillende taken voor [slachtoffer] verricht.

Kasopnames

Ten laste van de betrokkene is bewezenverklaard dat zij zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal van geldbedragen van [slachtoffer] , gepleegd in de periode van 1 maart 2013 tot en met 2 november 2015 (feit 1 primair). Zoals hiervoor reeds genoemd, heeft het hof in de hoofdzaak beschreven dat het hierbij gaat om contante geldbedragen. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat van de bankrekeningen van [slachtoffer] de volgende kasopnames zijn gedaan:

totaal 2013, vanaf 1 maart 2013 € 41.780,00

totaal 2014 € 52.930,00

totaal 2015, tot en met 10 september 2025 € 37.750,00

Voor wat betreft 2013 heeft het hof overigens, zoals volgt uit bijlage 2 bij het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel de vier opnames in 2013 (voor een totaalbedrag van € 1.880,00) die plaatsvonden vóór 1 maart 2013, hier buiten beschouwing gelaten, reden waarom het totaalbedrag € 41.780,00 bedraagt in plaats van de in het rapport vermelde som van € 43.660,00.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof het totaal van de kasopnames vast op € 132.460,00.

OLO’s

In het arrest in de hoofdzaak is ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat zij zich in de periode van 19 maart 2014 tot en met 10 april 2014 samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – valsheid in geschrift en oplichting, meermalen gepleegd, door op overschrijvingsformulieren telkens een handtekening te plaatsen die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer] , waardoor de [bank] telkens werd bewogen tot afgifte van een geldbedrag. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat het gaat om een bedrag van in totaal € 2.585,33.

Totaal opbrengsten

Het totaal aan verkregen opbrengsten wordt geschat op een bedrag van € 135.045,33

(€ 132.460,00 + € 2.585,33).

Voor zover de advocaat-generaal zich op het standpunt heeft gesteld dat een hoger bedrag aan opbrengsten dient te worden vastgesteld, wordt dat afgewezen.

Kosten

Het hof stelt het volgende voorop.

Bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op aannemelijk geworden kosten. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Onder kosten die in directe relatie staan tot het delict moeten die kosten worden gerekend die bespaard zouden zijn geweest als het delict niet zou zijn gepleegd. Daartoe kunnen ook kosten behoren die niet ten behoeve van de voltooiing van het delict zijn gemaakt en in zoverre dus niet noodzakelijk waren.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat een bedrag van in totaal € 22.682,40 aan contante uitgaven voor [slachtoffer] zijn gedaan. In een Excel-overzicht is dit bedrag nader toegelicht. Van de zijde van de verdediging is verzocht om dit bedrag in mindering te brengen op het voordeelbedrag.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen is de betrokkene blijkens het arrest in de hoofdzaak veroordeeld voor het medeplegen van diefstal van de contante geldopnames in de bewezenverklaarde periode. Het hof begrijpt de stelling van de verdediging aldus dat van deze contant opgenomen gelden in totaal een bedrag van € 22.682,40 zou zijn uitgegeven aan kosten ten behoeve van [slachtoffer] en aldus (zo begrijpt het hof) niet door de betrokkene(n) zich wederrechtelijk zouden zijn toegeëigend. Het hof concludeert dan ook dat dit een verweer is dat in de kern de omvang van de gestolen gelden ter discussie stelt. Naar het oordeel van het hof kwalificeren deze gestelde uitgaven in ieder geval niet als rechtstreekse kosten die voor het begaan van de bewezenverklaarde diefstallen zijn gemaakt. Daar komt bij dat de betrokkene (met [medebetrokkene] ) omtrent de door haar (hen) opgevoerde kosten (als bijlage gevoegd bij de conclusie van antwoord van 9 oktober 2025) een

(Excel-)overzicht heeft gemaakt dat naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze nader is onderbouwd en/of inzichtelijk is gemaakt. Bovendien heeft medebetrokkene [medebetrokkene] op 3 november 2015 verklaard dat hij sinds mei 2014 de financiën regelde voor [slachtoffer] en dat boodschappen met de pin werden betaald. Naar het oordeel van het hof is gelet hierop dan ook niet aannemelijk geworden dat in zoverre sprake is geweest van contante uitgaven ten behoeve van [slachtoffer] . Voor zover de verdediging heeft verzocht om het bedrag van

€ 22.682,40 (als kosten) in mindering te brengen op het voordeelbedrag, wordt dat dan ook afgewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging voorts verzocht om de uitgaven ad in totaal € 78.291,02 als kosten aan te merken. Het gaat in dit verband om de lasten van de nalatenschap (erfbelasting/inkomstenbelasting) die de betrokkene en [medebetrokkene] hebben moeten dragen en waardoor hun vermogen is afgenomen. Subsidiair is verzocht om dit bedrag in mindering te brengen op een op te leggen betalingsverplichting. Gelet op een rentevergoeding van 4% over dit bedrag, maakt de betrokkene – als vervolgnadeel – aanspraak op een bedrag van € 22.228,71. De verdediging heeft ook ten aanzien van dit bedrag primair verzocht om dit als kosten aan te merken en subsidiair is verzocht om dit in mindering te brengen op een op te leggen betalingsverplichting.

Het hof overweegt als volgt.

De verkrijging van de erfenis van [slachtoffer] is niet meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar was in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel slechts als PM-post vermeld. Naar het oordeel van het hof gaat het ook niet om kosten die als aftrek kunnen gelden in de onderhavige ontnemingsprocedure. Het verzoek van de verdediging om voornoemde bedragen als kosten aan te merken en/of om die in mindering te brengen op een op te leggen betalingsverplichting wordt afgewezen.

Redelijke termijn

De verdediging heeft – indien en voor zover het hof tot enige voordeelschatting mocht komen – verzocht om bij de vaststelling van het terug te betalen bedrag rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds het aanvangsmoment van de redelijke termijn (3 november 2015) en het moment waarop het hof in deze zaak arrest zal wijzen, is een aanzienlijke tijd verstreken. Het overgrote deel van de overschrijding van de redelijke termijn vloeit voort uit de eerste aanleg, maar ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden. Bovendien is er – zoals in het onderhavige geval ook aan de orde is – geen rechtsregel die zich verzet tegen het toepassen van een compensatie in een ontnemingszaak in het geval in de strafzaak reeds compensatie heeft plaatsgevonden, aldus de verdediging.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat in de strafzaak reeds rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en dat in de ontnemingszaak geen compensatie meer behoeft plaats te vinden. In dit verband heeft de advocaat-generaal in bijzonder nog naar voren gebracht dat op verzoek van de verdediging de behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in hoger beroep langere tijd is aangehouden geweest om de uitkomst van het cassatieberoep in de strafzaak af te wachten, alsmede dat op verzoek van de verdediging – weliswaar met instemming van het Openbaar Ministerie – is verzocht om een schriftelijke conclusiewisseling. Deze factoren hebben gezorgd voor een jarenlange vertraging van de ontnemingsprocedure.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

In ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op een ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaraan hij of zij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als aanvangsdatum voor de redelijke termijn kan onder omstandigheden een moment worden aangewezen waarin de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering.

Op basis van de inhoud van de gedingstukken kan worden vastgesteld dat tijdens de doorzoeking op 3 november 2015 conservatoir beslag is gelegd. Gelet hierop bepaalt het hof de aanvang van de redelijke termijn op 3 november 2015. De rechtbank heeft in de ontnemingszaak op 27 juli 2023 – en aldus niet binnen twee jaren na voornoemde datum – vonnis gewezen. In eerste aanleg is de redelijke termijn met een periode van 7 jaar en bijna 9 maanden overschreden. Van de zijde van de betrokkene is op 3 augustus 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 30 juli 2026 arrest wijst. In hoger beroep is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 11 maanden.

Het hof stelt vast dat bij arrest in de strafzaak d.d. 19 december 2023 reeds rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep; ten faveure van de betrokkene is de hoogte van de gevangenisstraf met drie maanden gematigd. Voor wat betreft het (verdere) verloop van de ontnemingszaak in hoger beroep, stelt het hof vast dat van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht dat de sterke voorkeur bestond om de ontnemingszaak in hoger beroep pas te behandelen nadat de Hoge Raad het ingestelde cassatieberoep van de verdediging in de strafzaak had behandeld. In januari 2025 heeft de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Bovendien heeft de verdediging verzocht om in hoger beroep nog een schriftelijke conclusiewisseling te laten plaatsvinden.

Ofschoon sprake is van een (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in (mindere mate in) hoger beroep zal het hof – nu de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak van de betrokkene is verdisconteerd in de straftoemeting en in het licht van voornoemde proceshouding – volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zal aan de betrokkene (hoofdelijk) de verplichting opleggen tot betaling van

€ 135.045,33 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gijzeling

Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt. De maximale duur van de gijzeling bedraagt 1080 dagen.

Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepalen op 1080 dagen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde

van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 135.045,33 (honderdvijfendertigduizend vijfenveertig euro en drieëndertig cent).

Legt de betrokkene de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 135.045,33 (honderdvijfendertigduizend vijfenveertig euro en drieëndertig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de mededader van betrokkene heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat.

Aldus gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,

en op 30 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. C.P.J. Scheele en mr. N. van der Laan zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

EHRM 1 maart 2017, Case of Geerings vs The Netherlands, Application no. 30810/03.