De vordering en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van het vonnis van 14 november 2019. In dit vonnis is onder meer geoordeeld dat [benadeelde01] vanaf
1 januari 2014 niet meer wilsbekwaam was, omdat zijn oordeels- en kritiekvermogen toen zodanig door de dementie was aangetast dat hij niet meer in staat mocht worden geacht om adequaat zijn wil te kunnen bepalen en dat dit (ook) voor betrokkene kenbaar moet zijn geweest. Dat betrokkene zich niet met het vonnis kan verenigen en daartegen hoger beroep heeft ingesteld, op welk beroep nog niet is beslist, speelt in deze procedure geen rol. De bijlagen die de verdediging bij het verzoek tot aanhouding van 7 november 2022 heeft gevoegd, geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Met betrekking tot de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank dan ook uit van het rapport van de politie met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van
12 april 2021.
De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in het hiervoor genoemde rapport, juist is. Ten aanzien van de stellingen van de verdediging merkt de rechtbank het volgende op.
De rechtbank heeft in de strafzaak ten aanzien van de contante kasopnames overwogen dat er weinig aanleiding is om aan te nemen dat dit geld door of ten behoeve van [benadeelde01] werd uitgegeven. Dit, in combinatie met de omstandigheid dat geen contant geld in de woning van [benadeelde01] is aangetroffen, dat de bank- en spaartegoeden van betrokkenen in 2014 konden stijgen met het bedrag van bijna € 75.000,- en dat uiteindelijk op
17 september 2015 is gebleken dat bij [benadeelde01] sprake was van (extreme) vervuiling, verwaarlozing, vermagering, ondervoeding, maakt dat voldoende aannemelijk is geworden dat eventuele contante kasopnames door of met de bankpas van [benadeelde01] (wederrechtelijk) ten goede van betrokkenen zijn gekomen.
Ten aanzien van de schenking en het mantelzorgcompliment heeft de rechtbank in de strafzaak overwogen dat de ondertekening van de schenkingsovereenkomst van € 100.000,- op 10 juni 2014 en de ondertekening van de aanvraag voor het mantelzorgcompliment op
1 augustus 2014 niet rechtsgeldig zijn geweest en daarom door betrokkenen wederrechtelijk zijn toegeëigend. De rechtbank volgt deze conclusie.