Strafrecht overig
Feit 1: oplichting (bonafide klant), feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2311 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2311
Zaakgegevens
Op 26 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2026
- Datum publicatie
- 26 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-000550-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2311
Samenvatting
Feit 1: oplichting (bonafide klant), feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie, feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000550-25
Uitspraak : 26 augustus 2026
TEGENSPRAAK (ex. artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-381505-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999 ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van
-
‘oplichting’ (feit 1);
-
‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie’ (feit 2) en
-
‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (feit 3).
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] toegewezen tot een bedrag van €82,90 aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2024 tot aan de dag der voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van het wijzen van het vonnis door de politierechter begroot op nihil.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis wordt bevestigd.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit. Voorts heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 1 december 2024 te Tilburg, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, medewerker(s) van [bedrijf 1] heeft bewogen tot het verlenen van een dienst, te weten het serveren van eten en/of drinken, waarbij hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk, vals en/of listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid: - zich heeft voorgedaan als een betalende klant, en/of - een (deels) verzonnen/onwaar verhaal heeft verteld over de reden van het niet kunnen betalen wetende dat hij, verdachte, onvoldoende saldo op zijn rekening had en/of niet in staat was om te kunnen betalen, en/of - te kennen heeft gegeven dat de vrouw met wie hij van de genoemde dienst genoten heeft zou betalen, waardoor die medewerker(s) werd(en) bewogen tot het verlenen van genoemde dienst;
2.
hij, op of omstreeks 1 december 2024 te Tilburg een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [verbalisant 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood" en/of "ik maak je af" en/of "je gaat eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij, op of omstreeks 1 december 2024 te Tilburg opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [verbalisant 2] (werkzaam als brigadier bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "pussy's" en/of "pannenkoeken" en/of "flikkers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij, omstreeks 1 december 2024 te Tilburg, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, medewerkers van [bedrijf 1] heeft bewogen tot het verlenen van een dienst, te weten het serveren van drinken, waarbij hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk, vals en in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als een betalende klant, waardoor die medewerkers werden bewogen tot het verlenen van genoemde dienst.
2.
hij, op 1 december 2024 te Tilburg een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [verbalisant 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood" en "ik maak je af" en "je gaat eraan";
3.
hij, op 1 december 2024 te Tilburg opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [verbalisant 2] (werkzaam als brigadier bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door [verbalisant 1] het woord toe te voegen: "pannenkoek" en [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de woorden toe te voegen: "pussy's" en "flikkers".
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, kort gezegd, oplichting en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Ten aanzien van feit 1
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde in de kern aangevoerd dat de verdachte zijn eigen identiteit kenbaar heeft gemaakt, een betaalpoging heeft gedaan en oplossingen tot het voldoen van de betaling heeft aangedragen, zodat van een valse naam, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels geen sprake is. Voorts voert de raadsvrouw aan dat het enkele optreden als klant geen valse hoedanigheid oplevert en dat het dossier slechts een betalingsconflict ná het nuttigen van de consumpties toont, waardoor niet vast komt te staan dat de verdachte een vooropgezet plan had om niet te betalen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Bij het oplichtingsmiddel dat bestaat uit een valse hoedanigheid gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, diens naam of diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.
In de onderhavige zaak heeft de verdachte op 30 november 2024 plaatsgenomen op het terras van [bedrijf 1] en heeft daar achttien (alcoholische) consumpties besteld en genuttigd. Die consumpties zijn hem, naar het bestendige gebruik in de horeca, verstrekt zonder dat vooraf betaling is verlangd. Toen de verdachte werd gevraagd af te rekenen, heeft hij meerdere keren tegen de serveerster [getuige 1] gezegd dat hij het openstaande bedrag niet ging betalen (dossierpagina’s 8- 9). Vervolgens heeft de verdachte deze weigering tegenover de eigenaar [aangever] herhaald. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vrouw met wie hij aan tafel zou hebben gezeten, en die al eerder zou zijn vertrokken, maar moest afrekenen. Hij kon niet afrekenen, zei hij, en [aangever] moest dan maar de politie bellen (dossierpagina 5). Tegenover de ter plaatse gekomen verbalisant heeft de verdachte gevraagd of zij konden bewijzen dat hij op het terras had gezeten. De verbalisant heeft de verdachte een laatste kans geboden om het op te lossen ‘tussen hem en [bedrijf 1] ”. De verbalisant zag dat de verdachte en de eigenaar in gesprek waren en dat de verdachte vervolgens met zijn bankpas probeerde te betalen, maar dat dit niet lukte. Melder liet de verbalisant weten dat er een melding verscheen ‘geen saldo’(politiedossier pagina 13).
Het hof acht de verklaring dat de verdachte in gezelschap van een vrouw op het terras heeft gezeten, die inmiddels was vertrokken niet geloofwaardig. Die lezing is immers in strijd met de verklaring van [getuige 1] : “Op zaterdag 30 november 2024 om 22:15 uur kwam hij de zaak binnen en kreeg hij een tablet zodat hij kon bestellen. De persoon heeft meerdere dingen besteld” (dossierpagina 9 met de rekening op pagina 8). Bovendien heeft de verdachte die lezing pas geponeerd tegenover de eigenaar van het restaurant nadat hij tegenover [getuige 1] diverse keren had gezegd niet te gaan betalen. Na zijn aanhouding heeft de verdachte tegenover de politie weer anders verklaard. Volgens die verklaring was hij met zijn vriendin, werd zij boos en is zij weggegaan met zijn pinpas waardoor hij niet kon afrekenen (dossierpagina 30). Hij had in het restaurant duidelijk aangegeven dat hij even naar zijn auto moest omdat zijn vriendin daar was met zijn bankpas in haar tas en in die auto lag ook nog een andere pas waarmee hij wel kon betalen. Hij mocht echter niet weg om even naar zijn auto te lopen (dossierpagina’s 36-36). In hoger beroep heeft de verdediging gevraagd de vriendin van de verdachte te mogen horen. De vriendin van de verdachte, [getuige 2] , heeft op 28 november 2025 ten overstaan van de raadsheer-commissaris een nog weer andere lezing van de gebeurtenissen gegeven en verklaard dat zij die avond met de verdachte naar [bedrijf 1] is gegaan, dat zij daar samen drankjes hebben gedronken, dat zij eerder is weggegaan omdat ze werd opgehaald door haar broertje en dat ze de pinpas van de verdachte niet bij zich had.
Het hof houdt het er dan ook voor dat de lezing van de verdachte over de aanwezige vriendin achteraf is geconstrueerd, teneinde de rekening op een derde af te wentelen. Het hof schuift die lezing en de getuigenverklaring van [getuige 2] derhalve als ongeloofwaardig terzijde.
De verdachte en medewerkers van [bedrijf 1] bevonden zich in een bepaalde situatie in het maatschappelijk verkeer waarbij het gebruikelijk is dat op basis van goed vertrouwen wordt gehandeld op basis van een in het maatschappelijk verkeer geldend gedragspatroon. In de horeca is het namelijk gebruikelijk en algemeen geaccepteerd dat pas na de maaltijd en/of het verblijf de rekening wordt betaald.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na het nuttigen van achttien consumpties op het terras van [bedrijf 1] onmiddellijk na het presenteren van de rekening heeft gezegd en meermalen herhaald dat hij niet ging betalen. Tegenover de eigenaar heeft de verdachte bevestigd dat hij niet wilde afrekenen. Hij zei ook dat hij dat niet kon, hetgeen later duidelijk werd door het feit dat er geen saldo op zijn bankpas stond. De verdachte was daarvan klaarblijkelijk al op de hoogte toen hij zijn bestellingen plaatste. Vervolgens heeft de verdachte een smoes opgehangen over een derde die bij hem zou zijn geweest en die de rekening maar moest betalen.
Het hof leidt uit het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, af dat de verdachte van meet af aan niet de intentie heeft gehad om de door hem bestelde consumpties af te rekenen. De verdachte heeft de medewerkers van [bedrijf 1] met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen bewogen tot de afgifte van drankjes door een valse hoedanigheid aan te nemen, te weten die van bonafide klant die de bestelde consumpties na gebruik zou afrekenen, maar niet met de intentie om ook de rekening te betalen.
Het hof komt dan ook tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Ten aanzien van feit 2
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw in de kern aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte voortkwamen uit frustratie en onmacht en dat de uitlatingen dan ook dienen te worden beoordeeld in de context van de situatie, waarmee naar het oordeel van de verdediging de woorden geen redelijke vrees voor uitvoering kunnen hebben opgewekt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Op het moment dat de verdachte werd aangehouden en begeleid werd naar het politievoertuig zei de verdachte tegen verbalisant [verbalisant 1] “ik maak jou dood!”. Toen de verbalisant de verdachte in het voertuig zette, fluisterde de verdachte in zijn oor: “ik maak je af” en “je gaat eraan”. Nu de verdachte deze uitlatingen heeft gedaan in het oor van verbalisant [verbalisant 1] kan er geen redelijke twijfel bestaan dat de dreigementen tegen hem gericht waren. Voorts heeft de verdachte kenbaar gemaakt het dienstnummer van de verbalisant in zijn telefoon te hebben, nadat de verdachte hier eerder om had gevraagd, waardoor bij de verbalisant de vrees ontstond dat de verdachte zijn identiteit kon achterhalen. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat bij de verbalisant wel degelijk de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte zijn dreigementen daadwerkelijk zou uitvoeren en dat daarmee de aard van de tenlastegelegde uitlatingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [verbalisant 1] opleveren. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Ten aanzien van feit 3
Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
oplichting;
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie;
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit om, indien het hof tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde komt, een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan waartoe de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld. Bij de straftoemeting dient rekening te worden gehouden met de situatie waarin het tenlastegelegde is begaan, evenals de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van medewerkers van restaurant [bedrijf 1] , door zich voor te doen als een bonafide klant die tot betaling in staat en bereid was en vervolgens niet te betalen voor de genuttigde consumpties. Daarmee veroorzaakte de verdachte schade en overlast voor het restaurant en deed hij afbreuk aan de in het maatschappelijk verkeer geldende normen. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven van een politieambtenaar gericht. Niet alleen heeft hij de politieambtenaar vrees aangejaagd, dergelijk gedrag getuigt bovendien van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – ongehinderd hun werk kunnen doen. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Niet alleen getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag, ook heeft de verdachte de ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met ernstige beledigingen. Dit geldt temeer omdat hun werk het in de regel niet toelaat dat zij zich distantiëren van een situatie waarin zulke gedragingen zich zouden kunnen voordoen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2026, waaruit volgt dat artikel 63 Sr van toepassing is en de verdachte reeds eerder terzake van soortgelijke feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte bij [bedrijf 2] in de logistiek werkt, een HBO-opleiding volgt en een relatie en een kind heeft.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, onvoldoende tot uitdrukking komt, alsmede de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Er kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden. De feiten dragen een sluw karakter: de verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat een horecaondernemer in zijn gasten moet kunnen stellen en niet geschuwd om daarbij allerlei ongeloofwaardige verklaringen af te leggen. Daarbij komt de wijze waarop hij de verbalisant heeft bedreigd. Hij heeft niet alleen geschreeuwd, maar ook fluisterend in zijn oor gezegd dat hij hem af zou maken en daarbij te kennen gegeven dat hij over het dienstnummer van de verbalisant beschikt. Verder heeft de verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en geen inzicht getoond in het kwalijke karakter daarvan. Het hof heeft in de proceshouding van de verdachte geen aanknopingspunt gevonden voor een andere, dan wel lagere of voorwaardelijke straf. Ten slotte heeft de verdachte de eigenaar van het restaurant tot op heden niet betaald, zodat deze nog altijd de dupe is van het handelen van de verdachte.
Alles afwegende, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]
De benadeelde partij [bedrijf 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 82,90 aan materiële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [bedrijf 1] als gevolg van de verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof overweegt daartoe als volgt. De verdachte heeft voor een bedrag van € 82,90 aan (alcoholische) drank besteld en vervolgens geweigerd om hiervoor te betalen. Deze kosten zijn op basis van de aangeleverde stukken voor het hof voldoende aannemelijk geworden. Bovendien is de vordering door de verdediging niet betwist. De gevorderde materiële schade zal derhalve ten laste van de verdachte tot een totaalbedrag van € 82,90 worden toegewezen, met vermeerdering van de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade, te weten 1 december 2024.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [bedrijf 1] is toegebracht tot een bedrag van € 82,90. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 266, 267, 285 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 82,90 (tweeëntachtig euro en negentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 82,90 (tweeëntachtig euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 december 2024.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.E. Joosen, griffier,
en op 26 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.