Strafrecht overig
Medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A en B en C van de Opiumwet gegeven…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2625 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2625
Zaakgegevens
Op 1 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 1 september 2026
- Datum publicatie
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- 20-003132-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2625
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A en B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A en B en C van de Opiumwet gegeven verbod.
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 derde lid, artikel 10 vierde lid, artikel 10 vijfde lid en artikel 11 vierde lid van de Opiumwet.
Uitspraak
Parketnummer : 20-003132-25
Uitspraak : 1 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 december 2025, in de strafzaak met parketnummer 71-066862-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
-
‘medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A en B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A en B en C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1);
-
‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 derde lid, artikel 10 vierde lid, artikel 10 vijfde lid en artikel 11 vierde lid van de Opiumwet’ (feit 2),
en de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit partieel vrijgesproken.
Voorts heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Door de verdediging is bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Subsidiair heeft de raadsman van de verdachte een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de strafoplegging.
Hetgeen door de verdediging in hoger beroep nog is aangevoerd ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit, brengt het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.
Uit de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen blijkt onder andere dat:
- de verdachte samenwerkte met de medeverdachten en voor de communicatie met de medeverdachten gebruik maakte van een Encrochat account onder de naam [accountnaam] ;
- dat hij wist dat de organisatie drugs verzond in pakketten naar het Verenigd Koninkrijk en Ierland (hij hoorde de medeverdachten hierover praten en heeft ook pakketten geopend);
- dat zijn rol bestond uit het verzendklaar maken van de pakketten waarin drugs zaten door ze te adresseren en labelen, met plastic in te pakken en te beheren totdat de pakketten waren opgehaald;
- dat hij voorafgaand aan de zendingen steeds contact had met een van de leiders van de organisatie en dat hij, ter controle, foto’s verstuurde van zijn werk;
- dat gebruik werd gemaakt van het bedrijf op zijn naam “ [bedrijf] ” van waaruit de pakketten werden verstuurd;
- dat hij een bestelbus op naam had ten behoeve van de organisatie;
- dat hij per zending werd betaald door het samenwerkingsverband;
- dat na het onderscheppen van zendingen in het Verenigd Koninkrijk er door de organisatie werd gezorgd voor een advocaat voor de verdachte.
Hieruit heeft de rechtbank, naar het oordeel van het hof, terecht afgeleid dat de verdachte behoorde tot een samenwerkingsverband en een aandeel heeft gehad in, dan wel heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Dat volgens de verdediging de verdachte als loopjongen of katvanger moet worden aangemerkt, zo al juist, leidt niet tot een ander oordeel, gelet op bovenstaande gedragingen.
Op te leggen straf
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd. Daartoe is – kort gezegd en op gronden nader verwoord in de door de raadsman overgelegde pleitnota – aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zware gevolgen zal hebben voor de verdachte. Hij zal zijn baan kwijtraken en zal zijn huur en openstaande schulden niet meer kunnen betalen. Ook zal hij zijn gezin niet meer kunnen onderhouden. Bovendien ondervindt de zoon van de verdachte gedragsproblemen als gevolg van de lopende strafzaak en zal een gevangenisstraf dit slechts verergeren. De raadsman heeft het hof verzocht te volstaan met een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de omvang gelijk is aan het voorarrest.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de grootschalige (internationale) handel in (verscheidene soorten) harddrugs en softdrugs, met een totaalgewicht van ongeveer 93 kilogram harddrugs (64 kilogram cocaïne en 29 kilogram heroïne) en 95 gram cannabis. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze criminele organisatie bestond uit medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , en had als oogmerk het exporteren, verkopen, afleveren en vervoeren van voornoemde harddrugs en softdrugs.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. De handel in cocaïne en heroïne is in handen van de zware georganiseerde criminaliteit, omdat er veel geld mee is gemoeid. Het bestrijden van de georganiseerde criminaliteit die deze handel omringt, legt een grote druk op de capaciteit van politie en justitie en het geweld binnen dit criminele circuit vormt een groot veiligheidsrisico voor de maatschappij. Deelname aan dergelijke criminele organisaties met het oogmerk tot het plegen van Opiumwet gerelateerde feiten ontwricht de openbare orde en houdt de criminele subcultuur in stand, met name in het drugsmilieu. De verdachte heeft als een onmisbare schakel binnen de criminele organisatie gefungeerd door pakketten met verdovende middelen te verpakken, te labelen en te verzenden naar het Verenigd Koninkrijk, en hierover te communiceren met andere leden van de criminele organisatie middels een PGP-telefoon, waarbij onder andere gebruik werd gemaakt van een transportbedrijf op naam van de verdachte, [bedrijf]. Hij deed dat om geld te verdienen. Door aldus te handelen heeft de verdachte kennelijk gehandeld uit puur winstbejag en heeft hij zich niets aangetrokken van de belangen van anderen en de maatschappij. Het hof rekent het de verdachte ten zeerste aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Zij gaan als vertrekpunt voor de uitvoer van harddrugs van meer dan 20.000 gram (20 kilogram), als bedoeld in artikel 2 onder A van de Opiumwet, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van meer dan 60 maanden.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 25 juni 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Het hof zal de verdachte dan ook aanmerken als first offender en hier rekening mee houden bij de beslissing omtrent de strafoplegging.
Het hof heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een straf zoals is opgelegd door de rechtbank en is gevorderd door de advocaat-generaal of met een andere of lichtere sanctie dan een die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt van na te noemen duur.
Door de raadsman is onder meer nog gewezen op de straf die is opgelegd aan medeverdachte [medeverdachte 4] . Het hof heeft daarvan kennisgenomen. Wat daar ook van zij, het hof komt tot een andere waardering van de feiten (waaronder de rol en de gedragingen van de verdachte daarbij), en de straf die daarbij passend en geboden is, dan de rechtbank. Daaraan doet niet af dat aan een medeverdachte, naar de verdediging stelt, met een min of meer vergelijkbare rol door de rechtbank een lagere c.q. andere straf is opgelegd.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt het hof niet tot een vermindering van de straf dan wel tot de oplegging van een andere strafmodaliteit vanwege de door de verdediging aangevoerde gevolgen die een gevangenisstraf voor de verdachte en zijn gezin zullen hebben, te weten verlies van baan en inkomsten en psychische problemen bij de zoon van de verdachte.
Het andersluidende verweer wordt verworpen.
Redelijke termijn
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 22 maart 2022, zijnde de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst op 7 juli 2022. De rechtbank heeft op 2 december 2025 vonnis gewezen. Tussen het aanvangen van de redelijke termijn en het wijzen van het vonnis waarvan beroep is een termijn van iets meer dan 44 maanden verstreken. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen de hier toepasselijke termijn van twee jaren en de redelijke termijn is daarmee overschreden met een periode van iets meer dan 20 maanden.
Tegen het vonnis van de rechtbank is op 9 december 2025 hoger beroep ingesteld door de verdachte. Het hof wijst dit arrest op 1 september 2026. De behandeling in hoger beroep wordt derhalve afgerond met een eindarrest binnen de hier toepasselijke termijn van twee jaren nadat het rechtsmiddel werd ingesteld. In hoger beroep is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met voornoemde termijnoverschrijding. In beginsel acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof zal evenwel vanwege de termijnoverschrijding volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.F. Jansen, griffier,
en op 1 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.