Strafrecht overig
Artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof verklaart het door de verdachte ingestelde…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 augustus 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2746 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2746
Zaakgegevens
Op 27 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 augustus 2026
- Datum publicatie
- 8 oktober 2026
- Zaaknummer
- 20-000593-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2746
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van grieven.
Uitspraak
Parketnummer : 20-000593-26
Uitspraak : 27 augustus 2026
VERSTEK (DIP)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 9 februari 2026, in de strafzaak met parketnummer 01-228427-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’, de verdachte conforma eis strafbaar verklaard zonder hem een straf of maatregel op te leggen. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en deze toegewezen voor een bedrag van € 233,--..
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.
Aanhoudingsverzoek
Met betrekking tot de procesgang in hoger beroep overweegt het hof het volgende.
Op de zittingsdag 27 augustus 2026 om 11.21 uur bereikte het hof een e-mailbericht van de raadsman met daarin een verzoek tot aanhouding van de strafzaak. De raadsman onderbouwde dat verzoek als volgt:
Namens cliënt, de heer [verdachte] , verzoek ik u de behandeling van bovengenoemde zaak, die vandaag om 11:50 uur op zitting staat, aan te houden.
Ik ben zojuist op de hoogte geraakt van deze zitting. Ik had een tijd geen contact met cliënt. Ik heb mij gesteld en controle van het dossier leerde dat er een zitting gepland staat. Cliënt heeft mij medegedeeld dat hij wegens zijn werk niet in staat is heden ter terechtzitting te verschijnen. Cliënt stelt uitdrukkelijk prijs op berechting in zijn aanwezigheid en wenst zijn aanwezigheidsrecht, gewaarborgd in artikel 6 lid 3 onder c EVRM, te effectueren.
Zelf kan ik ook niet aanwezig zijn omdat ik momenteel letterlijk in de zittingszaal zit bij het gerechtshof te Den Haag. Op grond van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, ter terechtzitting een aanhoudingsverzoek doen, voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de machtiging als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv (HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142; HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:79; HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:330). Dit verzoek doe ik dan ook uitsluitend met dat doel.
Van belang is dat de Hoge Raad in een zaak met een vergelijkbare feitelijke grondslag heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte geen vrij kon krijgen van zijn werk, een grond voor aanhouding kan vormen, en dat de rechter bij afwijzing van een aanhoudingsverzoek steeds blijk moet geven van een afweging tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en het belang van een doeltreffende en spoedige berechting (HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1005). Nu de aan dit verzoek ten grondslag liggende omstandigheid, verhindering wegens werk, zich hier op identieke wijze voordoet, dient bij toewijzing van dit verzoek een zwaarwegende plaats toe te komen aan het belang van cliënt bij aanwezigheid. Niet in de laatste plaats omdat eerder zijn verblijf in Nederland was ingetrokken en het nu gaat om een strafzaak welke gevolgen kan hebben voor zijn verblijfsstatus. Het is daarom van gigantisch belang dat cliënt zelf aanwezig kan zijn bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Ik verzoek u dan ook de behandeling van de zaak aan te houden en een nieuwe zittingsdatum te bepalen waarop cliënt wel in de gelegenheid is te verschijnen. Ik verzoek u dit verzoek, gelet op de zeer korte termijn, met de hoogste spoed in behandeling te nemen en mij zo spoedig mogelijk, zo mogelijk per e-mail, te informeren over de beslissing.
Dit is de eerste keer dat de zaak zou worden aangehouden waardoor naar mijn oordeel het strafvorderlijk belang nog niet dient te prevaleren boven de persoonlijke belangen van cliënt.
Het hof stelt in dat kader de volgende feiten en omstandigheden vast. De raadsman was ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 februari 2026 als gemachtigd raadsman namens de verdachte verschenen. Op 23 februari 2026 heeft de raadsman, middels een bijzondere volmacht, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Door of namens de verdachte worden geen grieven tegen het vonnis van de politierechter opgegeven.
Op 20 maart 2026 heeft de strafgriffie van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch de raadsman een e-mail verzonden. In die e-mail werd aan de raadsman uitgelegd dat een stelbrief onderdeel dient uit te maken van het dossier en dat, indien de raadsman het dossier wenst te ontvangen ten behoeve van de behandeling in hoger beroep, hij een officieel stelbericht aan het gerechtshof moet doen toekomen, zodat dit systematisch verwerkt kan worden. Op deze e-mail heeft de raadsman niet gereageerd. Vervolgens heeft de strafgriffie van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 7 april 2026 een herinnering verstuurd en de raadsman verzocht zich alsnog te stellen. De raadsman heeft niet op deze e-mails gereageerd.
Op de zittingsdag 27 augustus 2026 heeft het hof om 9.36 uur een e-mail ontvangen van de raadsman, waarin hij zich als raadsman stelt en verzoekt om het dossier. De strafgriffie van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft hem op 27 augustus 2026 om 10.23 uur per e-mail medegedeeld dat de stelbrief is ontvangen en verwerkt en dat de zaak op 27 augustus 2026 om 11.50 uur op zitting zal worden behandeld. Vervolgens heeft de raadsman om 11.21 uur de eerdergenoemde e-mail naar het gerechtshof verzonden met daarin het aanhoudingsverzoek.
Het hof stelt verder vast dat de dagvaarding in hoger beroep voor de zitting van 27 augustus 2026 reeds op 7 juli 2026 in persoon aan de verdachte is uitgereikt.
Het hof zal het verzoek tot aanhouding afwijzen en overweegt daartoe als volgt.
De raadsman heeft het aanhoudingsverzoek pas gedaan nadat hij door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch gewezen is op de datum en tijd van de zitting in het hoger beroep. Als motivering van het aanhoudingsverzoek heeft de raadsman slechts genoemd dat hij niet gemachtigd is en dat hij het verzoek doet om alsnog een machtiging te verkrijgen.
Gelet op de inhoud van de e-mail waarin staat dat verdachte vanwege zijn werk verhinderd zou zijn om op zitting te verschijnen is er kennelijk wel contact (geweest) tussen de raadsman en verdachte. Er is geen reden gesteld waaruit blijkt waarom er voor het verkrijgen van de machtiging nog meer tijd nodig zou zijn.
Het hof is daarom, gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden, van oordeel dat de raadsman genoeg tijd heeft gehad om een machtiging te verkrijgen.
De raadsman heeft in zijn aanhoudingsverzoek nog gesteld dat de verdachte aanwezig wenst te zijn en dat hij wegens zijn werk niet in staat is vandaag ter terechtzitting te verschijnen. Het hof acht die reden gelet op de omstandigheid dat verdachte al ruim anderhalve maand op de hoogte was van de zitting in combinatie met de arbeidsrechtelijke verplichting van werkgevers om verlof te verlenen om ter terechtzitting te verschijnen, zonder nadere uitleg onvoldoende aannemelijk. Nader (ambtshalve) onderzoek daarnaar acht het hof mede gelet op de het geringe gewicht van de zaak niet geïndiceerd.
De verdachte heeft immers ruim de tijd en gelegenheid gehad om een raadsman te machtigen, zelf een (onderbouwd) aanhoudingsverzoek te doen of grieven tegen het vonnis in eerste aanleg op te geven.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling (of via een gemachtigd advocaat) bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden, is het hof van oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. P.J. Wattel en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 27 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.