Strafrecht overig

Openlijke geweldpleging. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 september 2026

Zaakgegevens

Op 9 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
9 september 2026
Datum publicatie
9 oktober 2026
Zaaknummer
20-001983-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2752
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Openlijke geweldpleging. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof met betrekking tot het handelen “in vereniging” af dat de verdachte zowel een intellectuele als een materiële bijdrage aan de bewezenverklaarde gedraging heeft geleverd van voldoende gewicht. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001983-25

Uitspraak : 9 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-289545-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en deze gedeeltelijk hoofdelijk toegewezen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een gedeelte van € 2.581,97 hoofdelijk toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voorzover de vordering is toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering echter volledig gehandhaafd. De vordering van de benadeelde partij is in hoger beroep daarom aan de orde tot een bedrag van € 2.781,97.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren behoudens hetgeen achter het tweede gedachtestreepje staat vermeld en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.731,97 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, hoofdelijk op te leggen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is namens de verdachte een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 10 september 2024 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, openlijk, te weten aan de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

- een goed, te weten een ruit, door tegen deze ruit een steen te gooien, en/of

- een goed, te weten een kozijn, door tegen dit kozijn een bierfles te gooien;

subsidiair
hij op of omstreeks 10 september 2024 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit en/of een kozijn, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 10 september 2024 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, openlijk, te weten aan de [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een ruit, door tegen deze ruit een steen te gooien.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. In het bijzonder acht het hof niet bewezen hetgeen achter het tweede gedachtestreepje is opgenomen, reeds nu niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat een bierfles tegen een kozijn van de desbetreffende woning is gekomen en het hof gebonden is aan de tekst van de tenlastelegging.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024233190, gesloten d.d. 13 september 2024 (doorgenummerde dossierpagina’s 1-95). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover dienstig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 september 2024 (pg. 8-10), inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde] :

Ik doe aangifte van vernieling. Ik ben de bewoner van een rijtjeswoning gelegen aan [adres 2] , binnen de gemeente Geertruidenberg.

Op dinsdag 10 september 2024 omstreeks 07:40 uur werd ik wakker van glasgerinkel. Ik ben naar beneden gegaan en zag onderaan de trap een grote steen liggen. Ik zag dat er een groot gat in de ruit van de voordeur zat. Ik zag in de hal glasscherven liggen. Ik ben de beelden van mijn Ring-videodeurbel gaan bekijken. Ik zag op de beelden 2 personen. Ik herkende de personen als [medeverdachte] en de andere persoon kende ik van gezicht. Ik weet dat hij het neefje van [medeverdachte] is en uit Hank komt. Ik ken zijn naam niet. Ik zag op de beelden dat [medeverdachte] een steen door de ruit van de voordeur gooide. Ik zag dat het neefje een bierfles tegen de voorruit aangooide. Ik zag dat ze vervolgens wegrenden.

Ik zag op de beelden dat [medeverdachte] en zijn neefje al heel de nacht bij mijn woning bezig waren. Dit begon op maandag 09 september 2024 om 22:07 uur. Ik zag dat ze meerdere malen in de loop van de nacht bij mij hadden aangebeld.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 september 2024 (pg. 13-18), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op dinsdag 10 september 2024 omstreeks 07.50 uur bevond ik mij aan [adres 2]

. Ik keek naar de voordeur van de woning. Ik zag dat er een gat in de ruit van de voordeur zat. Ik zag dat binnen in de hal een kei op de grond lag.

Ik bekeek de beelden en zag dat de beelden het volgende weergaven:

Ik zag dat achter [medeverdachte] een tweede persoon stond, hierna verder genoemd de tweede verdachte [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] een grijze pet op zijn hoofd en een zwarte jas droeg met daaroverheen een motorvestje met oranje bedrukking op de achterzijde. Ik zag dat hij een grijze joggingbroek droeg met daaronder zwarte schoenen met witte zool. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een bruin flesje bier vasthad van het merk Hertog Jan. Ik zag tijdens het afspelen van de video dat [verdachte] onvast ter been was en dronk van het flesje Hertog Jan.

Ik hoorde vervolgens dat [medeverdachte] en [verdachte] tegen elkaar iets zeiden.

Ik zag dat [medeverdachte] links wegliep richting [adres 3] en tijdelijk uit beeld verdween. Ik zag dat [medeverdachte] vervolgens weer op beeld verscheen en terugliep richting de voordeur met een kei in zijn rechterhand. Ik zag dat [medeverdachte] zijn blauwe plastic fles SPA op de grond zette en vervolgens met zijn rechterhand met een voorwaartse beweging de kei richting de voordeur gooide. Ik hoorde, toen de kei uit beeld verdween, glasgerinkel. Ik zag dat vervolgens [verdachte] zijn flesje bier gooide in de richting van het raam van de woning. Ik zag dat zowel [medeverdachte] als [verdachte] vervolgens wegrende richting [adres 4] en even later uit beeld verdween.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2024 (pg. 52-55), voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant 2] :

Op vrijdag 13 september 2024 beschreef ik, verbalisant [verbalisant 2] , de camerabeelden van een vernieling dan wel openlijke geweldpleging tegen goederen, die plaats zou hebben gevonden op 10 september 2024 aan [adres 2] .

Ik kan persoon 1 als volgt omschrijven:

- man,

- geschatte leeftijd 22 jaar,

- blanke huidskleur,

- kort, krullend, rood haar,

- kort stoppelbaardje,

- grijze pet op,

- zwarte jas aan,

- zwart hesje over de jas met rode vlakken, aan de voor- en achterzijde, erop met zwarte letters erop. Het woord 'loyalty' is te lezen op de rug,

- grijze broek aan,

- zwarte sneakers aan.

Deze zal ik verder in dit proces-verbaal van bevindingen 'persoon 1' noemen.

Camerabestand 3

Ik zie rechts onderin in het camerabeeldbestand dat de datum van opname 10 september 2024, om 07.14;38 uur, betreft. Op het camerabeeldbestand is te zien en te horen dat persoon 1 aanbelt.

Camerabestand 4

Dit betreft een ringdeurbelbestand dat in kleur is gefilmd. Het camerabestand heeft de duur van 34 seconden en is voorzien van geluid. Ik zie rechts onderin in het camerabeeldbestand dat de datum van opname 10 september 2024, om 07.44;34 uur, betreft.

Op het camerabeeldbestand zijn persoon 1 en 2 weer te zien. Ik hoor dat persoon 2 zegt: "Maar wordt er nou nog niet opengedaan?" Ik zie dat persoon 2 vervolgens richting de ringdeurbel loopt en ik hoor en zie dat hij nogmaals aanbelt. Ik hoor dat persoon 2 zegt: "Nou nog steeds niet". Ik hoor dat persoon 1 ook wat zegt, echter, dit is niet te verstaan. Ik zie dat persoon 1 staat te wankelen op zijn benen, en dus onvast ter been is, mogelijk vanwege de genuttigde alcohol. Ik zie dat persoon 1 vervolgens richting de voorruit wijst en zegt: "doe jij die". Vervolgens wijst hij naar de ruit in de voordeur en zegt: "Doe ik dees, ja?". Ik zie dat vervolgens persoon 2 in beeld verschijnt met een grote steen. Deze steen is ongeveer 25 centimeter lang en 10 centimeter dik. Ik hoor dat persoon 2 zegt: "Nee, ik pak dees wel joh". Ik zie dat persoon 2 vervolgens richting de voordeur loopt en de steen richting de voordeur gooit. Ik hoor direct glasgerinkel. Ik zie dat persoon 2 direct uit beeld rent. Ik zie dat persoon 1 vervolgens een bierflesje richting de voorruit gooit. Hierdoor is een hard geluid te horen. Ik zie dat persoon 1 vervolgens ook wegrent. Ik zie dat hiermee het ringdeurbelbestand eindigt.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw overeenkomstig haar overgelegde pleitnota bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat van openlijk in vereniging geweld plegen als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen sprake is, omdat geen sprake is van een voldoende significante of wezenlijke bijdrage van de verdachte aan het openlijke geweld tegen de ruit en het kozijn. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het onduidelijk is of de bewezenverklaring van de politierechter ten aanzien van het gooien van de bierfles ziet op de voordeurruit, het kozijn daarbij of de dakkapelruit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het dossier volgt dat de verdachte op 10 september 2024 samen met de medeverdachte bij het huis van de aangever, gelegen aan [adres 2] , aanwezig was. De verdachte en de medeverdachte bevonden zich op de openbare, voor het publiek toegankelijke, weg. De verdachte en de medeverdachte belden meerdere keren beurtelings bij de aangever aan, maar de aangever deed niet open. Ondertussen dronk de verdachte uit een bierflesje van het merk Hertog Jan. De verdachte en de medeverdachte praatten met elkaar, waarna de verdachte naar de voorruit van de woning wees en zei: “Doe jij die.” Vervolgens wees de verdachte naar de voordeur en zei: “Doe ik dees, ja?”. De medeverdachte pakte een grote steen, liep richting de voordeur en zei: “Nee, ik pak dees wel joh”. De medeverdachte gooide de steen tegen de voordeurruit, die daarop direct brak. De medeverdachte rende vervolgens weg. Daarop gooide de verdachte zijn bierflesje richting de woning en rende ook weg.

Ten aanzien van de openlijke geweldpleging tegen de ruit overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat sprake is van het “in vereniging” plegen van geweld indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als medepleger. Het hof zal moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het geweld van voldoende gewicht is. Als daarvan sprake is, is de verdachte ook strafrechtelijk aansprakelijk voor het niet door hemzelf gepleegde, in de tenlastelegging genoemde, geweld.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof met betrekking tot het handelen “in vereniging” het volgende af:

  • de verdachte was op de tenlastegelegde datum samen met de medeverdachte aanwezig bij het huis van de aangever;

  • zij belden daar meerdere keren beurtelings aan;

  • de verdachte dronk uit een bierflesje van het merk Hertog Jan;

  • op enig moment wees de verdachte naar de voorruit en zei tegen de medeverdachte: “doe jij die”;

  • daarna wees de verdachte naar de voordeur en zei: “Doe ik dees, ja?”;

  • de medeverdachte pakte een grote steen, liep richting de voordeur en zei: “Nee, ik pak dees wel, joh”;

  • daarop gooide de medeverdachte de steen door de ruit van de voordeur en rende weg;

  • de verdachte gooide daarna zijn bierflesje richting de woning en rende ook weg.

Nu sprake was van een gezamenlijke aanwezigheid bij het huis van de aangever, beurtelings bij de aangever aanbellen, het bespreken van de te treffen doelen, het verdelen van de rollen en de bijdrage aan het geweld door het bierflesje richting de woning te gooien, is het hof van oordeel dat de verdachte zowel een intellectuele als een materiële bijdrage aan de bewezenverklaarde gedraging heeft geleverd van voldoende gewicht.

Het hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer dat namens de verdachte is gevoerd.

Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem primair tenlastegelegde feit heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Namens de verdachte is bepleit, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, aan de verdachte een aanzienlijk lagere taakstraf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met een geheel voorwaardelijke sanctie. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen relevante strafbare feiten op de justitiële documentatie van de verdachte staan, en heeft zij gewezen op het tijdsverloop sinds de tenlastegelegde datum en het ontbreken van een afzonderlijke veroordeling voor medeplegen van openlijk geweld in de zaak van de medeverdachte. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn medische voorgeschiedenis.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, door een steen door de ruit van de aangever te gooien. Door aldus te handelen heeft de verdachte samen met zijn medeverdachte de openbare orde verstoord in de straat waar aangever woont. Uit het politiedossier en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat meerdere mensen in de buurt dit hebben meegekregen. Tegelijkertijd heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft hij de aangever overlast en schade berokkend. Bovendien waren ten tijde van het plegen van het feit mensen aanwezig in de woning. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij een relatie heeft, niet meer drinkt en niet meer blowt. Hij heeft een behandeling gehad voor PTSS. Hij is werkzoekend en heeft inmiddels zijn rijbewijs gehaald om een baan in de bouw te kunnen vinden.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.781,97, waarvan € 2.031,97 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een bedrag van € 2.581,97 toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade voor een bedrag van € 1.731,97 toe te wijzen. Ten aanzien van de overige materiële schade en de immateriële schade heeft de advocaat-generaal gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Namens de verdachte is aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, de vordering slechts dient te worden toegewezen voor zover per schadepost rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte blijkt. De precieze schade die de verdachte zou hebben veroorzaakt is niet objectief vast te stellen, aldus de raadsvrouw, en derhalve verzoekt de raadsvrouw het hof gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 2.031,97 aan materiële schade. De eerste schadepost bestaat uit een totaalbedrag van € 660,17, waarvan € 194,32 betreft het vervangen van de ruit van de kinderkamer en € 465,85 betreft het vervangen van de ruit van de voordeur. De tweede schadepost bestaat uit een bedrag van € 654,00 en betreft het schilderen van de kozijnen en de verf. De derde schadepost bestaat uit een bedrag van € 717,80 en betreft het herstellen van de vloer.

Ruit kinderkamer

Ten aanzien van de ruit van de kinderkamer is het hof onvoldoende gebleken dat er een causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde en de ontstane schade. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering ter grootte van € 194,32 worden ontvangen.

Ruit voordeur

Ten aanzien van de ruit van de voordeur is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 465,85. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat hiervan € 300,00 reeds is vergoed. Om deze reden zal het hof het verzoek tot schadevergoeding tot een bedrag van € 165,85 toewijzen en het bedrag van € 300,00 afwijzen.

Schilderen kozijnen en verf

Het hof is van oordeel dat behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de noodzaak van het schilderwerk onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en het een onevenredige belasting zou opleveren wanneer de benadeelde partij daartoe alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld. De vordering van de benadeelde partij kan daarom thans in dit deel niet worden ontvangen en de benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Herstellen vloer

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 717,80, bestaande uit de kosten voor het herstellen van de vloer. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen.

Daarmee is uit het onderzoek ter terechtzitting het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 883,65, bestaande uit het vervangen van de ruit van de voordeur en de vloer. Deze gevorderde schade houdt rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit en de verdachte is (met zijn mededader) hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Immateriële schade

De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering tot immateriële schadevergoeding hoofdelijk toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 550,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat – hierna ook te noemen: immateriële schade – recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in persoon is aangetast. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding is het hof – anders dan de politierechter – van oordeel dat de benadeelde partij niet rechtstreeks schade heeft geleden, nu niet is gebleken van aantasting van de persoon op andere wijze of van een andere grondslag voor toewijzing van immateriële schade. De benadeelde partij zal derhalve in de vordering voor zover betreffend een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie

Het hof zal de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] toewijzen tot een bedrag van € 883,65 aan materiële schade. Dit bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op 10 september 2024, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit.

De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 883,65. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] :

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 883,65 (achthonderddrieëntachtig euro en vijfenzestig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van materiële schade tot een bedrag (reeds vergoede schade betreffende de post ‘ruit voordeur’) van € 300,00 (driehonderd euro) af;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding voor zover betreffend materiële schadevergoeding (post ‘ruit kinderkamer’) tot een bedrag van € 194,32 (honderdvierennegentig euro en tweeëndertig cent), alsmede voor zover betreffend immateriële schadevergoeding voor een bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro).

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige (€ 654,00, post ‘schade kozijnen en verf’) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 883,65 (achthonderddrieëntachtig euro en vijfenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 september 2024.

Aldus gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. G.J. Hanssen en mr. P. Jeeninga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.A.C.G. Heijse, griffier,

en op 9 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. P. Jeeninga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.