Strafrecht overig
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onthouden van zorg…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2755 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2755
Zaakgegevens
Op 23 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 20-002145-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2755
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onthouden van zorg aan meerdere honden, terwijl hij houder was van deze honden. Namens de verdachte is bepleit dat sprake was van een overmachtssituatie, die bovendien slechts tijdelijk van aard was. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk geworden. Daarnaast blijkt uit de verslagen van de dierenarts dat de honden in een toestand verkeerden die erop wijst dat zij op die dag en minstgenomen kort voordien niet de nodige verzorging van hun houder kregen.
Uitspraak
Parketnummer : 20-002145-25
Uitspraak : 23 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 28 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-117012-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van het tenlastegelegde ‘zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet Dieren, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter de inbeslaggenomen honden verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Tevens is verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen honden.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 oktober 2024, te Kloetinge, gemeente Goes, als houder van een of meer dieren, te weten een of meerdere honden, de nodige verzorging aan dat/deze dier(en) heeft onthouden, immers
- heeft verdachte onvoldoende zorg gedragen voor een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden, immers werden die honden gehuisvest in een verblijf waarvan de vloer was bezaaid met urine en/of uitwerpselen, en/of
- heeft verdachte die honden niet onmiddellijk en op passende wijze verzorgd, immers hadden een of meerdere honden een vervuilde vacht en/of wratachtige structuren en/of een zwerende wond schoft en/of te lange nagels.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 23 oktober 2024, te Kloetinge, gemeente Goes, als houder van meerdere honden, de nodige verzorging aan deze dieren heeft onthouden, immers
- heeft verdachte onvoldoende zorg gedragen voor een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden, immers werden die honden gehuisvest in een verblijf waarvan de vloer was bezaaid met urine en uitwerpselen, en
- heeft verdachte honden niet onmiddellijk en op passende wijze verzorgd, immers hadden een of meerdere honden een vervuilde vacht en een zwerende wond schoft en te lange nagels.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. In het bijzonder acht het hof niet bewezen dat de verdachte de nodige verzorging heeft onthouden ten aanzien van de wratachtige structuren op de huid van een van de honden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de dierenarts heeft geadviseerd de hond niet te opereren, nu dit meer gezondheidsrisico’s voor de hond zou meebrengen. Derhalve kan het hof niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen dat sprake is geweest van het onthouden van de nodige verzorging ten aanzien van de wratachtige structuren op de huid van een van de honden.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024273523-12 (doorgenummerde dossierpagina’s 1-116). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 24 oktober 2024 (pg. 3-22), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 1] :
Op woensdag 23 oktober 2024, omstreeks 14.20 uur, waren wij ter plaatse aan [adres] . Ik, verbalisant [verbalisant 1] , kende dit adres omdat ik hier al vaker was geweest voor een controle op dierenwelzijn. Ik wist dat de schuur achter de woning vaker ernstig vervuild was aangetroffen en dat de Landelijke Inspectiedienst Dieren de bewoner meerdere keren bestuursrecht [naar het hof begrijpt: een last onder bestuursdwang] had opgelegd over het verbeteren van de situatie om honden te mogen houden. Het is mij bekend dat de bewoner, meneer [verdachte] , een aantal honden in zijn bezit heeft.
Ik zag dat er een aantal hondendrollen op de binnenplaats lagen. Ik hoorde veel geblaf, komende uit de schuur. Ik zag vervolgens dat er een man vanuit de woning naar buiten liep. Ik herkende de man als [verdachte] . Ik legde aan hem uit dat wij kwamen voor een controle op zijn honden. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat we mochten kijken en zag dat hij de deur van de schuur openmaakte.
Ik rook gelijk een sterke ammoniakgeur. Ik zag in de schuur geen andere goederen waar de ammoniakgeur van afkomstig kon zijn. Ik herkende de ammoniakgeur als de geur die afkomstig is van urine van dieren. Ik zag dat er op de vloer veel hopen hondenpoep lagen en dat er karton op de vloer lag. Ik zag dat het karton donker was geworden vermoedelijk door de urine van de honden. Ik zag dat de hele vloer nat was, vermoedelijk was dit ook urine. Ik vermoedde dit door de sterke ammoniakgeur die ik rook in de schuur. Ik zag dat er tussen de urine veel hondenbrokjes en modder lag. Ik zag vier witte honden in de schuur. Ik zag dat dit drie puppy's waren en één grotere hond. Ik zag aan de kop van de honden dat zij een witte vacht hadden. Ik zag dat de rest van hun vacht, op de kop na, geel gekleurd was door de urine. Ik zag dat de poten van één puppy donker van kleur waren, dit door de viezigheid in de schuur. Ik zag dat de honden continu door hun eigen hopen ontlasting liepen.
Ik zag dat er in de woning nog vijf andere honden aanwezig waren. Ik zag dat dit kleine honden waren. Ik zag dat twee van de honden bloed bij hun vagina hadden. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat de honden loops waren. Ik zag dat één van de honden opgezwollen tepels had door de melkproductie. Ik vroeg aan [verdachte] of er puppy's van de hond
aanwezig waren en hoorde dat hij zei dat de puppy's allemaal weg waren. Ik zag dat een aantal honden kale plekken in hun vacht hadden en dat de vacht vies was. Ik zag dat de vacht van een aantal honden nat was en rook dat de eerdergenoemde ammoniakgeur ook sterk aanwezig was bij deze honden.
Ik hoorde dat hij zei dat alle honden op zijn naam staan.
2. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 23 oktober 2024 (pg. 35-38), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 4 (bruin, reu)
6 maanden oud.
Behandelplan: kennelhoest, behandeling dhp lepte (inenting) en stronghold (middel voor behandeling en preventie van parasieten zoals vlooien, hartwormen en oormijten.
3. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 24 oktober 2024 (pg. 39-42), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 7 (shitzu/boomer)
5,5 jaren oud. Vacht vervilt op verschillende plaatsen, nagels te lang, slecht verzorgde huid, conjunctivis beide zijden (oogontsteking).
Behandelplan: dhp lepte, kennelhoest, behandeling oogzalf, trimmen van vacht, knippen nagels, stronghold, controle dracht.
4. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 24 oktober 2024 (pg. 43-46), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 2 (Samojeed, reu)
4 maanden oud. Vacht geel verkleurd, urinegeur, vervuild met onder meer zand.
Behandelplan: kennelhoest, dhp lepto, stronghold.
5. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 24 oktober 2024 (pg. 47-50), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 5 (kruising, bruin/witte voetjes, reu)
6 maanden oud, sterke onderbeet.
Behandelplan: dph lepto, stronghold, kennelhoest.
6. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 24 oktober 2024 (pg. 51-54), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 8 (Samojeed, teef)
2 jaren oud. Vacht vervuild onder staart, tekenen van loopsheid.
Behandelplan: KC, dhp lepto, controle dracht na 4 tot 6 weken.
7. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 24 oktober 2024 (pg. 55-58), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 3 (Samojeed, reu)
4 maanden oud. Vacht vervild, geel verkleurd, urine geur, mediaal ooghoeken verkleurd. Puistje linkerlies.
Behandelplan: dhp lepto, stronghold, kennelhoest, vacht wassen en verzorgen.
8. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 24 oktober 2024 (pg. 59-62), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 6 (Yorkshire, teef)
13,5 jaren. Linkerknie patella luxatie. Gepigmenteerde wratachtige structuren buik, geïrriteerde huid rug, sporen van vlooien, anaalklieren overvult, boven anus linus zwelling, harde consistentie (tumor). Beide ogen staar en conjunctivitus.
Behandelplan: ogen zalven, wratachtige structuren afwachten, stronghold, KC en dhp.
9. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 24 oktober 2024 (pg. 63-66), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 9 (teef)
3 jaren oud. Zwerende wond schoft, kale plek halverwege staart, verstopte neustraankanaaltjes.
Behandelplan: kennelhoest, dhp lepto, stronghold, wondbehandeling (schoft), dagelijks schoonmaken ogen, controle dracht na 4 tot 6 weken.
10. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een dierenartsverklaring, d.d. 24 oktober 2024 (pg. 67-70), voor zover inhoudende als verslag:
Code dierenarts: 113k
Hond 1 (Samojeed, reu)
4 maanden oud. Vacht urine geur, geel verkleurd, verkleuring mediale ooghoek door links voornamelijk traanvloei neustraankanaal, neustraankanaal verstopt.
Behandelplan: kennelhoest, stronghold, dhp lepto.
11. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 december 2024 (pg. 78-84), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Wat kun je hier zelf over vertellen?
A: Er zaten ook nog honden in de kleine woning [naar het hof begrijpt: de schuur]. De kleine woning was nog niet schoongemaakt. Ik zeg niet dat de kleine woning niet vies was.
V: De honden die aanwezig waren op dat moment van de controle en die in beslaggenomen zijn, van wie waren die?
A: Die zijn van mij, dat is mijn eigendom.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
Ten aanzien van het tenlastegelegde is namens de verdachte vrijspraak bepleit. Daartoe is door de verdediging aangevoerd dat sprake was van een overmachtssituatie waardoor de honden tijdelijk in de schuur en in de woning moesten worden ondergebracht. Doorgaans verblijven de honden op de binnenplaats, maar omdat een klusjesman bezig was op de binnenplaats en de verdachte een gevaarlijke situatie wilde voorkomen waarin de honden naar de openbare weg zouden kunnen lopen en ze gescheiden moesten verblijven van de andere honden in de woning vanwege animositeit tussen de honden, heeft de verdachte de honden tijdelijk in de schuur en de woning gehuisvest, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren (hierna: Wd) bepaalt dat het houders van dieren verboden is aan die dieren de nodige verzorging te onthouden. Het hof stelt voorop dat deze norm een objectief karakter heeft. Bepalend is niet wat de houder zelf toereikend of gebruikelijk acht, maar welke verzorging het dier redelijkerwijze nodig heeft. Van het ‘onthouden van de nodige verzorging’ in de zin van artikel 2.2, achtste lid, Wd kan onder meer sprake zijn bij overtreding van een specifieke wettelijke bepaling, zoals een overtreding van de norm uit het Besluit houders van dieren, maar ook als de gezondheid of het welzijn van het dier op een andere manier wordt geschaad (Hoge Raad 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1703). Voor de hier aan de orde zijnde onderdelen is in het bijzonder van belang dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd en dat het dier een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden (artikel 1.7 Besluit houders van dieren).
Het hof overweegt dat uit het dossier volgt dat de politie op 19 oktober 2024 een melding heeft ontvangen en daarop ter plaatse kwam bij de woning van de verdachte op [adres] . Op dit adres zijn voorheen meerdere controles geweest in het kader van dierenwelzijn. Op voornoemde datum zagen collega’s van de verbalisanten dat de bij de woning horende binnenplaats vol lag met hondenpoep. Op 23 oktober 2024 vond daarom opnieuw een controle plaats op voornoemd adres. Hier troffen verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in totaal negen honden aan. Vier honden bevonden zich in de schuur. Bij het betreden van de schuur rook verbalisant [verbalisant 1] direct een sterke ammoniakgeur, herkenbaar als de geur van urine van dieren. De verbalisant constateerde dat op de vloer veel hopen hondenpoep lagen, waar de honden continue doorheen liepen. Daarnaast constateerde de verbalisant dat de vloer helemaal nat was van de urine en dat tussen de urine veel modder en hondenbrokjes lagen. Bovendien constateerde de verbalisant dat de honden witte vachten hadden, maar dat deze op de kop na geel gekleurd waren door de urine. In de woning werden vijf honden aangetroffen. De vachten van deze honden waren vies en bij een aantal zaten kale plekken in hun vachten. Van een aantal honden was de vacht nat en de verbalisant constateerde ook bij deze honden een sterke ammoniakgeur. Uit de verslagen van de dierenarts d.d. 23 oktober 2024 en 24 oktober 2024 blijkt dat meerdere honden een vervuilde vacht, huidproblemen, te lange nagels en andere (medische) klachten hadden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Namens de verdachte is bepleit dat sprake was van een overmachtssituatie, die bovendien slechts tijdelijk van aard was vanwege de aanwezigheid van de klusjesman. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk geworden. Allereerst heeft de verdachte zijn verklaring omtrent de aanwezigheid van klusjesman en de daaruit voortvloeiende overmachtssituatie niet onderbouwd en is deze ook niet uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden. Bovendien had de verdachte ook dan de schuur en de woning nog kunnen schoonmaken, zelfs in aanwezigheid van de honden. Daarnaast is de lezing van de verdachte in strijd met de gebezigde bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat geen sprake is van een incidentele tekortkoming of momentopname. Op 19 oktober 2024 werd al vastgesteld dat de binnenplaats bezaaid was met hondenpoep. Tevens constateerden de verbalisanten op 23 oktober 2024 een situatie die niet binnen enkele uren kan zijn ontstaan. Er was sprake van een sterke ammoniakgeur, de vachten van meerdere honden waren nat van de urine en ook waren de vachten geel verkleurd. Voorts blijkt uit de verslagen van de dierenarts d.d. 23 oktober 2024 en 24 oktober 2024 dat de honden in een toestand verkeerden die erop wijst dat zij op die dag en minstgenomen kort voordien niet de nodige verzorging van hun houder kregen.
Net als de politierechter en anders dan door de verdediging gesteld, kwalificeert het hof de bewezenverklaarde gebreken overeenkomstig de hiervoor geldende normen uit de Wet dieren en het Besluit houders van dieren als het onthouden van de nodige verzorging aan de tenlastegelegde dieren als bedoeld in artikel 2.2 lid 8 van de Wet dieren.
Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet Dieren.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onthouden van de nodige verzorging van dieren. Hij heeft negen honden in behoeftige, onhygiënische en vervuilde omstandigheden gebracht en gelaten. De woning en de schuur waar de honden verbleven waren ernstig vervuild en roken sterk naar urine. Meerdere honden hadden vervuilde vachten en medische problemen. Honden zijn voor hun verzorging volledig afhankelijk van hun omgeving. Zij kunnen zich niet aan de situatie onttrekken of om hulp vragen. Het houden van dieren is dan ook niet vrijblijvend; wie dieren houdt, draagt daar ook verantwoordelijkheid voor. De verdachte heeft die verantwoordelijkheid vrijwillig op zich genomen en niet waargemaakt. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 juni 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Namens de verdachte is aangevoerd dat de inbeslagname van de honden grote impact heeft gehad op de zoon van de verdachte, die met persoonlijkheidsproblematiek kampt.
Het hof overweegt in het bijzonder dat de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming op 3 december 2021 een rapport heeft opgemaakt, waarin meerdere soortgelijke overtredingen zijn geconstateerd als op 23 oktober 2024, waarna uit een last onder dwangsom herstelmaatregelen zijn gelast. Daarop hebben drie hercontroles plaatsgevonden: op 23 december 2021, 1 maart 2022 en 29 april 2022. De verdachte is dus meermalen op zijn tekortkomingen in de verzorging van de dieren gewezen en heeft desondanks wederom niet aan zijn verplichtingen als houder van de dieren voldaan. De verdachte was dan ook een gewaarschuwd mens. Voorts heeft de verdachte er geen blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Om deze redenen is het hof, anders dan de politierechter, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke straf.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden.
Beslag
De beslagbeslissing had oorspronkelijk betrekking op negen honden. Het Openbaar Ministerie heeft op 25 november 2024 beslist tot teruggave van twee honden (nummers 2785412 en 2785411). Uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken dat een van de inbeslaggenomen honden, te weten de Yorkshire, in het dossier aangeduid als hond 6, is overleden. Derhalve constateert het hof dat het beslag dat aan het oordeel van het hof onderworpen is, ziet op zes in beslag genomen honden.
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven zes honden, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.2 en 8.12 van de Wet dieren, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;
verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Hond (boomer) 2785404; Hond (samojeed) 2785409; Hond (samojeed) 2785406; Hond (samojeed) 2785414; Hond (samojeed) 2785413; Hond (klein hondje) 2785647.
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. P.J.D.J. Muijen en mr. I.R. Rigter, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.A.C.G. Heijse, griffier,
en op 23 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. P.J.D.J. Muijen en mr. I.R. Rigter zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.