Strafrecht overig

Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Hoger beroep · Strafrecht overig

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 september 2026

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
20-003164-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2756
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Rechtbank Limburg · 2 december 2025

    ECLI:NL:RBLIM:2025:11938
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 15 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2756

Uitspraak

Parketnummer : 20-003164-25

Uitspraak : 15 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 december 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-149388-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte partieel vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde gebruik van geweld en van de onder feit 5 tenlastegelegde sieraden en/of geldbedragen.

De rechtbank heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:

  • ‘diefstal’ (feit 1 primair),

  • ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd’ (feit 2),

  • ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel’ (feiten 3 en 4), en

  • ‘medeplegen van poging tot oplichting’ (feit 5),

de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem ter zake van alle bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) afgewezen en de proceskosten van partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van € 1.135,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is bij vonnis waarvan beroep afgewezen, gelet op het geslaagde mediationtraject dat heeft plaatsgevonden tussen de benadeelde partij en de verdachte.

De benadeelde partij [benadeelde] heeft de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet gehandhaafd. Derhalve is deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen dezelfde bijzondere voorwaarden gekoppeld te worden zoals geformuleerd in het reclasseringsadvies d.d. 14 november 2025.

De raadsvrouw van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg zal de daarmee samenhangende overweging van de rechtbank in zijn geheel worden vervangen op de wijze zoals hierna vermeld.

Op te leggen straf

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd en heeft het hof – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – primair verzocht om een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 3 dagen, alsmede een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden, eventueel gecombineerd met een taakstraf. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om bij de oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf rekening te houden met het feit dat de verdachte een baan heeft en derhalve verzocht om de duur van het onvoorwaardelijke deel te beperken tot ongeveer een maand, zijnde het aantal beschikbare vakantiedagen van de verdachte.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof komt tot een andere strafoplegging dan is gevorderd door de advocaat-generaal en dan is verzocht door de verdediging nu deze geen recht doen aan de ernst van de feiten. Het hof heeft daartoe in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in een zeer kort tijdsbestek schuldig heeft gemaakt aan een poging tot oplichting en een viertal gekwalificeerde diefstallen, door zonder toestemming van de slachtoffers geldbedragen te pinnen met hun bankpassen. Deze bankpassen (met pincodes) waren kort daarvoor door middel van een geraffineerde babbeltruc die bekend staat als de ‘nepagenten-truc’ verkregen. Via dezelfde truc heeft de verdachte ook zelf toegang weten te krijgen tot twee woningen. In één geval is hij er vervolgens met een envelop met geld vandoor gegaan en in het andere geval kreeg het slachtoffer argwaan en is het bij een poging gebleven.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in opdracht van anderen de geldbedragen heeft moeten stelen en in twee gevallen zich heeft moeten voordoen als een medewerker van de politie. Hiermee bevestigt de verdachte het vermoeden van zowel de rechtbank als van het hof dat hij onderdeel is geweest van een criminele samenwerking die zich bezighoudt met oplichting en diefstal van personen voor financieel gewin. Wat daarbij opvalt, is dat uitsluitend personen van hoge leeftijd slachtoffer van de bewezenverklaarde misdrijven zijn geworden. Klaarblijkelijk is keer op keer bewust misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van deze bejaarde slachtoffers.

Dat de verdachte bij de feiten 2 tot en met 4 mogelijk niet de persoon is geweest die in de

woning van de slachtoffers is geweest, maakt het handelen van de verdachte niet minder ernstig. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte immers verklaard dat hij buiten de woning stond te wachten terwijl de diefstal van pinpassen in de woning plaatsvond, waarna deze hem direct ter beschikking werden gesteld. Hij ging daarna direct over tot het wegnemen van geld. Feiten als de onderhavige hebben grote impact op de slachtoffers, wier (zelf-)vertrouwen en veiligheidsgevoel danig aangetast worden. Feiten als de onderhavige komen steeds vaker op grote schaal voor in onze maatschappij en dit creëert maatschappelijke onrust en leidt tot angst en wantrouwen. Nota bene in hun eigen huis, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen, worden mensen bedrogen en bestolen. De verdachte heeft hieraan een significante bijdrage geleverd en dit neemt het hof hem zeer kwalijk.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest, maar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Ook heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Voorts hof heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 14 november 2025, waaruit blijkt dat de reclassering aanwijzingen ziet voor gebrekkige coping- en oplossingsvaardigheden. Hoewel de verdachte onder diverse andere parketnummers bijzondere voorwaarden opgelegd heeft gekregen, zoals tevens door de verdediging naar voren is gebracht, ziet de reclassering nog meerwaarde in het inzetten van aanvullende interventies op het gebied van dagstructuur en een gedragsinterventie, met als doel het risico op recidive te kunnen verlagen. De reclassering adviseert derhalve bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, is het hof van oordeel dat op grond van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Hierbij heeft het hof ook acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] heeft meegewerkt aan mediation en dat deze bemiddeling tot een overeenkomst heeft geleid. Naar het oordeel van het hof kan echter niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.

Al het vorenstaande afwegend acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof acht het met de reclassering, de advocaat-generaal en de verdediging van belang dat de verdachte zal deelnemen aan aanvullende interventies en zal bij het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf een aantal bijzondere voorwaarden stellen, te weten een meldplicht bij Fivoor reclassering, deelname aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden, een verplichting tot het volgen van een ambulante behandeling, een contactverbod met de slachtoffers in deze zaak, en een medewerkingsverplichting aan schuldhulpverlening. Voor een locatiegebod met elektronische monitoring, zoals in het reclasseringsrapport vermeld, ziet het hof thans niet langer aanleiding.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 63, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich meldt op afspraken met Fivoor reclassering, aan de [adres 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- de verdachte actief deelneemt aan de Gedragsinterventie CoVa of een andere Gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

- de verdachte zich laat behandelen door een nader te bepalen zorgverlener. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- de verdachte geen contact zal leggen of laten leggen met de slachtoffers in deze zaak, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Indien er (vanuit beide partijen) de wens is voor herstelbemiddeling kan het verbod voor desbetreffende slachtoffer(s) tijdelijk, met instemming van de reclassering én onder begeleiding van Perspectief Herstelbemiddeling, onderbroken worden om dit mogelijk te maken;

- de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene;

beveelt de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. van Campen, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffier,

en op 15 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.