Strafrecht overig

Vrijspraak van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen nu niet is komen vast te staan dat de…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
20-002462-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2800
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen nu niet is komen vast te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002462-25

Uitspraak : 8 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-361422-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde (het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen) en is de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 7.123,92 te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat-generaal heeft gevorderd ten behoeve van het slachtoffer voor dat bedrag hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na het door de advocaat-generaal in hoger beroep alsnog op grond van artikel 312 jo 415, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering mondeling ten laste te leggen van een omstandigheid die volgens de wet tot verzwaring van straf grond oplevert - tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 16 augustus 2024 te Lage Zwaluw, openlijk, te weten aan de [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] ,

- met kracht aan zijn armen en/of benen te trekken en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of schoppen

terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat op vrijdagavond 16 augustus 2024 een verkeersruzie is ontstaan tussen aangever en verdachte. Er is vervolgens een situatie ontstaan waarbij zowel de aangever als de verdachte anders had moeten handelen. Verhaal willen halen is in een dergelijk geval zelden een passende (re)actie, zo ook hier.

De verkeersruzie is uiteindelijk in de [locatie] te Lage Zwaluwe geëscaleerd. Daar zijn de auto’s van de aangever, de verdachte en (tegemoetkomend) die van de medeverdachte tot stilstand gekomen. De verdachte – die stelt dat de aangever hem bij een confrontatie kort daarvoor over zijn voet had gereden – is uit zijn auto gestapt, naar de auto van aangever gelopen en heeft op het raam van die auto gebonkt.

Er zijn camerabeelden van de gebeurtenissen. Zij beginnen op het moment dat de portier van de auto van aangever al geopend is en de verdachte daarnaast staat. Aangever is ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij zijn portier had ontgrendeld en uit de auto wilde stappen toen de verdachte op zijn raam bonkte. De verdachte zou vervolgens voorovergebogen hebben gestaan en aangever, die op dat moment nog in zijn auto zat, ter hoogte van zijn hoofd, nek en/of schouders hebben gevat en naar buiten hebben getrokken. Aan het begin van de camerabeelden is verder te zien dat de medeverdachte, zijnde de vader van de verdachte, vanaf zijn eigen auto richting de verdachte en aangever loopt.

Zoals de raadsman ter zitting bij het bekijken van de beelden heeft opgemerkt en ook door het hof is waargenomen staat de verdachte op het moment dat aangever uit zijn auto komt niet voorovergebogen maar rechtop en op enige afstand van de auto van aangever. Deze lichaamshouding van de verdachte laat zich niet rijmen met de verklaring van de aangever op dit punt en past evenmin bij het in de auto vatten van aangever ter hoogte van zijn hoofd, nek en/of schouders. Immers, in dat geval had de verdachte zich vanaf zijn door het hof waargenomen positie naar voren en enigszins naar beneden moeten bewegen om de aangever op voornoemde wijze te kunnen vatten. De voorhanden zijnde beelden geven derhalve geen steun aan de verklaring van de aangever op dit punt, hetgeen dan ook geen aanknopingspunt biedt voor het aannemen van een significante bijdrage aan het op de aangever uitgeoefende geweld. Het hof hecht eraan daarbij op te merken dat het geen reden ziet om aan te nemen dat aangever hierover bewust een onjuiste voorstelling van zaken heeft willen geven. Het geheugen is, zoals algemeen bekend, nu eenmaal feilbaar, zeker als een gebeurtenis bijzonder veel impact heeft gehad, van zeer korte duur is geweest en inmiddels twee jaar geleden heeft plaatsgevonden.

Het hof neemt verder op de camerabeelden waar dat de aangever uit zijn auto stapt en met zijn hoofd en armen de verdachte met kracht van zijn auto wegduwt en achteruit dwingt. De medeverdachte versnelt dan zijn pas. Het videobestand stopt wanneer de aangever, de medeverdachte en de verdachte zich rechts in beeld achter geparkeerde auto’s bevinden.

Aangever heeft over de gebeurtenissen verklaard dat hij de verdachte naar de grond heeft gewerkt en bovenop hem is terecht gekomen. Aangever stelt dat hij daarna door een klap of trap omhoog is gekomen en dat hij daarna door de medeverdachte is neergeslagen waarbij hij met zijn hoofd en schouder op het trottoir is terechtgekomen. Omdat aangever tijdens de gebeurtenissen niet de gehele tijd bij bewustzijn is geweest kan hij zich niet alles herinneren. De medeverdachte heeft verklaard dat toen hij zijn zoon onder een ander zag liggen hij maar een doel voor ogen had en dat was zijn zoon bevrijden. Mogelijk heeft hij daarbij geweld gebruikt. De verdachte heeft verklaard dat hij zelf alleen heeft geduwd om zo de aangever van zich af te krijgen. Er zijn geen andere getuigen die over het geweld hebben verklaard. Vaststaat dat aangever behoorlijk letsel heeft opgelopen waaronder diverse blauwe plekken op ogen, armen en een schouderfractuur.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de medeverdachte zich heeft gemengd in de gebeurtenissen en daarbij geweld tegen aangever heeft toegepast.

Van enige bijdrage door de verdachte aan dit geweld, zoals hiervoor bedoeld, is het hof echter niet gebleken. Reeds nu niet is komen vast te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld, moet de verdachte van het tenlastegelegde ‘in vereniging geweld plegen’ worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding à € 28.203,92. Deze vordering is ter terechtzitting in eerste aanleg bijgesteld naar € 28.123,92. De vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Nu aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering niet worden ontvangen.

Het hof beslist over de proceskosten als hierna te melden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,

en op 8 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.