Strafrecht overig
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 oktober 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2958 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2958
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 20-002436-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2958
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met bijzondere voorwaarden.
Procesgang
Rechtbank Oost-Brabant · 17 september 2025
ECLI:NL:RBOBR:2025:5777Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:2958
Uitspraak
Parketnummer : 20-002436-25
Uitspraak : 27 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 17 september 2025, parketnummer 01-080009-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 05-212962-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
thans verblijvende in P.I. Arnhem te Arnhem.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren vergezeld van dwang’ (feit 1 primair) en ‘opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 05-212962-22 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies d.d. 2 oktober 2026 worden verbonden. Tevens is gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk zal toewijzen, te weten tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 05-212962-22 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden gevorderd.
Namens de verdachte is integrale vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 05-212962-22 dient te worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primair
hij, op of omstreeks 14 maart 2025 te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten: [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), één of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, en deze poging tot verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of te volgen door dwang, geweld en/of bedreiging, immers heeft hij, verdachte:
- voornoemde [slachtoffer] meegenomen in zijn/een auto en (vervolgens)
- voornoemde [slachtoffer] naar zijn/een woning gebracht, welke woning voor voornoemde [slachtoffer] onbekend was en (vervolgens)
- voornoemde [slachtoffer] gedwongen verdovende middelen te gebruiken, althans verdovende middelen laten gebruiken,
- voornoemde [slachtoffer] vastgepakt en op de bank geduwd,
- het oor van voornoemde [slachtoffer] gelikt,
- de nek van voornoemde [slachtoffer] gekust,
- zijn, verdachtes, hand in de BH van voornoemde [slachtoffer] gebracht,
- de borst(en) van voornoemde [slachtoffer] betast,
- het lichaam van voornoemde [slachtoffer] betast,
- een condoom gehaald,
waarbij tevens sprake is van een groot leeftijdsverschil en fysiek overwicht tussen verdachte en voornoemde [slachtoffer] en
verdachte voorbij is gegaan aan tekenen van verzet van voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij, op of omstreeks 14 maart 2025 te Oss, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten: [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:
- het likken van het oor van voornoemde [slachtoffer] ,
- het kussen van de nek van voornoemde [slachtoffer] ,
- het brengen van zijn, verdachtes, hand in de BH van voornoemde [slachtoffer] ,
- het betasten van de borst(en) van voornoemde [slachtoffer] ,
- het betasten van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] ,
en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:
- voornoemde [slachtoffer] mee te nemen in zijn/een auto en (vervolgens)
- voornoemde [slachtoffer] naar zijn/een woning te brengen, welke woning voor voornoemde [slachtoffer] onbekend was en (vervolgens)
- voornoemde [slachtoffer] te dwingen verdovende middelen te gebruiken, althans verdovende middelen te laten gebruiken,
- voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en op de bank te duwen,
- een condoom te halen,
waarbij tevens sprake is van een groot leeftijdsverschil en fysiek overwicht tussen verdachte en voornoemde [slachtoffer] en
verdachte voorbij is gegaan aan tekenen van verzet van voornoemde [slachtoffer] ;
2.
hij, op of omstreeks 14 maart 2025 te Oss en/of 's-Hertogenbosch, opzettelijk, [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door:
- die [slachtoffer] aan haar arm te trekken danwel te begeleiden naar een auto en
- die [slachtoffer] (vervolgens) mee te nemen in deze/een auto en (vervolgens)
- deze auto te vergrendelen en (vervolgens)
- met die [slachtoffer] in de auto te gaan rijden en (vervolgens)
- die [slachtoffer] mee te nemen naar een voor haar onbekende woning.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot verkrachting, heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het om een samenstel van gedragingen gaan.
Het hof stelt vast dat uit het procesdossier het volgende blijkt:
- de verdachte heeft met aangeefster in de auto gesproken over geslachtsgemeenschap;
- in zijn woning heeft de verdachte haar achterover op de bank geduwd, waarna aangeefster zelf weer overeind kwam;
- op enig moment heeft de verdachte zijn riem uitgedaan.
Naar het oordeel van het hof zijn deze gedragingen onvoldoende om een begin van
uitvoering van verkrachting aan te nemen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. subsidiair
hij, op 14 maart 2025 te Oss, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten: [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), seksuele handelingen heeft verricht, te weten:
- het likken van het oor van voornoemde [slachtoffer] ,
- het kussen van de nek van voornoemde [slachtoffer] ,
- het brengen van zijn, verdachtes, hand in de BH van voornoemde [slachtoffer] ,
- het betasten van de borst van voornoemde [slachtoffer] ,
welke aanranding werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, door:
- voornoemde [slachtoffer] mee te nemen in zijn auto en
- voornoemde [slachtoffer] naar zijn woning te brengen, welke woning voor voornoemde [slachtoffer] onbekend was,
waarbij tevens sprake is van een groot leeftijdsverschil en fysiek overwicht tussen verdachte en voornoemde [slachtoffer] ;
2.
hij, op 14 maart 2025 te Oss en/of 's-Hertogenbosch, opzettelijk, [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door:
- die [slachtoffer] mee te nemen in een auto en
- met die [slachtoffer] in de auto te gaan rijden en
- die [slachtoffer] mee te nemen naar een voor haar onbekende woning.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , verbalisant van politie Eenheid Oost-Brabant, Team Seksuele Misdrijven, onderzoek Brazos, OBRBC25035, registratienummer PL2100-2025055170, gesloten d.d. 24 april 2025, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie alsmede overige geschriften, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 208. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2025 (pg. 30 t/m 32), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 14 maart 2025 waren wij belast met de algehele surveillance voor de politie-eenheid Oost-Brabant, district 's-Hertogenbosch, basisteam Maasland.
Op bovengenoemde datum kregen collega's, omstreeks 15.25 uur, een melding van het Operationeel Centrum dat er iemand in had gebeld via 112 Driebergen en fluisterend zei dat zij in Oss in een huis was en daar naar toe meegenomen was door een man. De AML-positie zou aangeven [adres 1] te Oss. Verder werd in melding uitgifte gezegd dat meldster zich opgesloten zou hebben op het toilet van de woning.
Toen wij de [adres 1] inreden, hoorden wij van het Operationeel Centrum dat de man die bij de meldster was uit de woning zou lopen. Wij hoorden dat het een man betrof die donker getint was en een pet op had. Direct zagen wij een man die aan het genoemde signalement voldeed. Wij zagen dat hij de woning uit kwam bij [adres 1] . Later bleek de man verdachte [verdachte] te zijn.
Wij en collega [verbalisant 4] vroegen aan de man of er een meisje in de woning was. Wij hoorden dat hij verklaarde dat er een meisje in de woning was.
Wij hebben samen met collega [verbalisant 5] de woning [adres 1] betreden en troffen daar een meisje dat later [slachtoffer] bleek te zijn. Wij zijn met haar in gesprek gegaan. Wij zagen dat [slachtoffer] heel erg ingetogen was en zachtjes praatte. Wij zagen dat haar haren voor haar gezicht hingen en dat zij haar handen voor haar gezicht hield.
Ik, [verbalisant 2] , vroeg aan [slachtoffer] wat er was gebeurd. Wij hoorden dat [slachtoffer] verklaarde dat zij door de man die buiten bij onze collega's stond was mee genomen een auto in. Zij verklaarde dat dit een blauwe auto betrof, maar kon ons niet vertellen wat voor auto het betrof. Vervolgens vroeg ik, [verbalisant 2] , wat er toen allemaal is gebeurd. Wij hoorden dat [slachtoffer] verklaarde dat de man boos tegen haar deed en dat zij naar hem moest luisteren. Verder verklaarde zij dat zij met de man naar Den Bosch is gereden en dat de man daar drugs heeft gekocht. Vervolgens zijn zij naar het adres gereden waar wij [slachtoffer] hebben getroffen.
Vervolgens vroeg ik, [verbalisant 2] , aan [slachtoffer] wat er in de woning was gebeurd. [slachtoffer] verklaarde dat de man haar in de nek had gekust en haar bij de borsten had gepakt. Hierop vroeg ik, [verbalisant 2] , of dit op haar kleren was of direct op haar lichaam. Wij hoorden dat [slachtoffer] verklaarde dat de man onder haar kleren ging met zijn hand en haar op het lichaam bij de borsten heeft gepakt. Ook heeft hij geprobeerd haar shirt uit te trekken. Verder vroeg ik, [verbalisant 2] , aan [slachtoffer] of zij een mogelijkheid heeft gezien om te vluchten. Wij hoorden dat zij dit niet kon en dat zij ontzettend bang was voor wat er zou kunnen gebeuren.
Slachtoffer
Achternaam : [slachtoffer]
Voornamen : [slachtoffer]
Geboren : [geboortedatum]
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2025 (pg. 22 t/m 29), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 14 maart 2025 om 15.25 uur werd door [slachtoffer] contact opgenomen met de 112-
centrale. Deze melding werd gelet op de locatie van de melding doorgezet naar het Operationeel Centrum van de Politie Eenheid Oost Brabant. De geluidsopname van deze melding werd opgevraagd. Door het Operationeel Centrum werden 13 afzonderlijke geluidsbestanden aangeleverd die betrekking hadden op deze melding. Deze geluidsbestanden werden woordelijk uitgewerkt.
M = melder
P =politie
M: Een man heeft mij naar zijn huis meegenomen (zacht fluisterend)
P: Oh, en jij weet niet waar je bent.
M: Nee
P: Heeft hij jouw pijn gedaan?
M: Hij heeft mij aangeraakt.
P: Hoe heeft die man jou meegenomen, weet je dat?
M: In een auto
P: Maar hoe ben je, ben jij gewoon in de auto gestapt? Of heeft hij jou of heeft hij een
smoesje gebruikt? Hoe is het gebeurd?
M: (fluisterend onverstaanbaar) ... lopen ... duwde mij. (fluisterend onverstaanbaar)...
P: Oké. En zit jij nou opgesloten ergens? Of hoe moet ik het zien?
M: (fluisterend onverstaanbaar) ... WC.
P: Want jij kan niet ontsnappen daar, hè?
M: Nee.
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 maart 2025 (pg. 41 t/m 54), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :
Tegen wie doe je deze aangifte?
- Tegen die de man die mij heeft aangeraakt en meegenomen.
Wanneer is dit gebeurd?
- 14 maart 2025 rond 14.30 uur.
Vertel eens in je eigen woorden wat er gisteren precies gebeurd is.
- Eerst was ik aan het lopen en toen zei die man tegen mij: "Hee wacht eens." Toen liep ik nog een stukje door. Toen kwam die man naar mij toe. Hij vroeg aan mij: "Hoe gaat het, wat is je naam, waar woon je". Toen had ik alle vragen beantwoord alleen niet waar ik woonde. Toen zei de man dat hij mij naar huis wilde brengen. Ik zei toen dat dit niet hoefde want dat het dichtbij was. Ik ben toen doorgelopen. Hij stond verder van mij af want hij ging een sigaretje roken. Toen kwam hij weer dichterbij bij mij toen zijn sigaret op was. Toen ging hij mij een beetje meelokken. Toen gingen wij naar zijn auto. Hij ging toen rijden maar hij reed de verkeerde richting uit van mijn huis. Hij zei dat hij rondjes ging rijden omdat hij samen wilde chillen. Toen reed toen naar Den Bosch. Onderweg hadden we nog een beetje gepraat. Hij vertelde dat hij wiet wilde halen voor mij en hemzelf. Hij ging toen praten over seksuele dingen. Hij ging toen vragen over mijn seksuele leven. Hij vroeg of ik ooit geneukt had, met jongens dingen had gedaan. Ik zei toen dat dit te vroeg was. Ik zei dat ik te jong was, ik ben pas 14 jaar. Hij zei toen dat dit geen kwaad kon. Hij zei dat hij mij kon helpen daarbij. Toen waren al in Den Bosch. Hij ging uit de auto. Hij zei dat ik niet uit de auto weg mocht gaan. Ik heb toen mijn vriend geappt. Ik appte dat ik niet mocht bellen van die man. Ik zei toen tegen de vriend dat ik daarom mijn telefoon niet kon gebruiken. Toen kwam die
man terug. Toen reden wij weer terug naar Oss.
Toen waren wij bij die woning. Ik ging toen naar de wc want daar moest ik echt naar toe. Toen ik van de wc kwam ging ik naar de huiskamer. Daar moest ik op de bank gaan zitten. De man ging rechts naast mij zitten. Toen moest ik van hem opstaan. Ik stond toen op. Hij tilde mij toen op terwijl hij mij onder aan de rug vasthield. Toen kuste hij in mijn nek. Toen gingen we weer zitten. Hij likte toen in mijn oor. Hij legde toen zijn linker arm om mijn schouder heen en met zijn rechterhand ging hij in mijn bh. Toen wou hij mij op de bank duwen zodat ik ging liggen en toen wilde ik opstaan omdat ik dat niet wilde. Ik pakte toen mijn telefoon en ik zei dat ik die in mijn tas ging doen en dat ik naar de wc ging. Dat vond hij goed. Ik ging toen naar de wc en daar heb ik de politie gebeld.
(…)
Wat was zijn reactie daarop?
- Hij vroeg toen hoe laat ik zou worden gebeld en wat ik dan zou gaan zeggen. Eerder had hij gezegd dat ik niks mocht vertellen aan iemand. Ik moest dan van hem zeggen als ze zouden bellen dat ik oké was en dat ik bij een vriendin was.
Wat heb je toen gezegd?
- Ik zei dat als iemand mij zou bellen dat ik het tegen niemand zou vertellen.
Wat zou je tegen niemand vertellen?
- Dat ik bij hem was in zijn woning.
Want?
- Anders zou hij boos worden want hij eerder gezegd dat ik niemand iets mocht vertellen. Dat ik undercover moest blijven.
Hoe wist je dat hij boos zou worden?
- Hij had al eerder agressief tegen mij gereageerd. Altijd als ik zei dat ik iets niet wilde als naar zijn auto gaan bijvoorbeeld, dan had hij zijn stem verhoogd.
Je vertelde dat hij de verkeerde richting uit reed?
- Hij zou links af moeten rijden naar mijn huis maar hij reed rechtsaf richting Den Bosch.
Je had jouw adres toch niet gegeven?
- Ik had gezegd dat hij mij bij een winkel in de buurt van mijn huis af moest zetten.
Wat maakt dat je toch in de auto stapt bij hem?
- Hij had mij meegelokt. Hij had mij bij mijn arm gepakt Toen we bij de auto waren gaf hij mij een hand. Hij zei: “geloof me, ik doe je geen kwaad”.
Toen vertelde hij in de auto dat hij wiet ging halen. Wat vond je je daarvan?
- Ik vond het raar en ik wilde het ook niet. Dat heb ik ook aangegeven toen ik in de auto zat.
Hij ging toen praten over seksuele dingen. Wie begon daarmee?
- Hij.
- Ik gaf wel antwoord maar dat antwoord gaf geen privéinformatie over mij.
Wat bedoel je dan geen privéinformatie over mij?
- Heb je ooit geneukt en of ik online ooit iets gekeken heb. Op de eerste vraag zei ik: nee” en op de tweede vraag heb ik gezegd dat dit iets voor mij is en hij dat niet hoeft te weten.
Hoe reageerde hij?
- Hij begon te lachen en hij zei: ”Je kan mij vertrouwen. Je moet niet tegen mij liegen want dan word ik boos. Daar houd ik niet van”.
Je zit in die auto en hij zei dat je er niet uit mocht. Wat denk je dan?
- Ik begon bang te worden. Het enige wat ik toen kon doen was mijn vriend appen en dat heb ik toen gedaan.
Welke vriend is dat?
- [getuige] .
Wat app je hem precies?
- Dat ik was meegenomen door een man.
Eerst geloofde hij mij niet. Ik stuurde toen een foto van de auto. Toen geloofde hij mij wel. Hij zei dat ik 112 moest bellen. Ik zei toen dat ik dat niet kon omdat de man zo terug kwam.
Heb je geprobeerd de auto open te krijgen?
- Nee ik was bang dat het alarm van de auto af zou gaan.
Dan kom je bij de woning aan. Zei de man iets?
- Hij zei dat ik uit moest stappen en dat ik naar de woning moest lopen tegenover ons.
Heb je toen de eerste keer op de wc nog iemand gebeld of geappt?
- Nee.
Hoe kwam dat je dat niet gedaan hebt?
- Ik was geschrokken. Ik was heel erg bang en ik kon niks.
De man begint jou aan te raken. Wat doet hij dan als eerste?
- Hij gaat als eerste onder mijn shirt in mijn BH.
Wat doet hij dan precies?
- Dan gaat hij met zijn rechterhand in mijn BH. Dan gaat hij knijpen in mijn borsten.
In welk borst deed hij dat knijpen?
- Hij ging in mijn linkerborst knijpen.
Wat voelde je toen?
- Dat zijn hand koud was. Ik voelde mij heel raar en heel vies.
En hoe stopte het knijpen in jouw linkerborst?
- Ik duwde zijn arm een beetje weg.
Hoe reageerde hij op dat wegduwen?
- Hij was geschrokken maar toen zei hij: “Oké ik wacht er wel mee”.
Toen hij begon had hij toen iets gezegd?
- Dat hij koude handen had en dat hij die moest opwarmen.
En heb jij toen iets gezegd?
- Nee ik zei er niets van. Ik kreeg geen woorden er uit.
Want?
- Ik was helemaal in shock en dan voel je jezelf ook verlamd. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik wist niets.
Hij begon te kussen. Waar kuste hij jou precies?
- In de rechterkant van mijn nek.
Hij heeft nog in je oor gelikt. Wanneer was dat dan?
- Dat was nadat hij mij in mijn nek had gekust.
In welk oor heeft hij jou gelikt?
- Ook in mijn rechter oor.
- En toen?
- Toen ging hij weer met zijn arm om mijn heen. Toen ging hij weer naast mij op de bank zitten. Hij duwde mij in een liggende positie maar ik ging weer omhoog zelf.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2025 (pg. 60 t/m 74), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Aangeefster [slachtoffer] deed aangifte en verklaarde dat zij terwijl zij bij de verdachte [verdachte] was, dat zij haar vriend [getuige] appte. Haar gsm ( lphone goednummer 2318728) werd in beslag genomen en met haar toestemming onderzocht.
In haar gsm trof ik snapchat gesprekken aan tussen aangeefster [slachtoffer] en [getuige] .
Deze gesprekken zijn als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gevoegd.
[slachtoffer] li ben gekidnapped 14-3-2025 14:34:42(UTC+1)
[slachtoffer] Ik maak geen grap [getuige] 14-3-2025 14:34:46(UTC+1)
[slachtoffer] ik zwwer 14-3-2025 14:34:50(UTC+1)
[slachtoffer] Ik ben oprevhr den bisch 14-3-2025 14:45:06(UTC+l)
[getuige] Door wie 14-3-2025 14:45:07(UTC+l)
[slachtoffer] Ui ben evhr bang 14-3-2025 14:45:09(UTC+l)
[slachtoffer] Door zo man 14-3-2025 14:45:11 (UTC+1)
[slachtoffer] Ik kan niet typen 14-3-2025 14:45: 14(UTC+1)
[getuige] Ben je serieus 14-3-2025 14:45:16(UTC+1)
[slachtoffer] Ik kan niet 14-3-2025 14:45:23(UTC+1)
[getuige] Bel 112 14-3-2025 14:45:27(UTC+1)
[slachtoffer] Hij mag mijn tekefoon niet zisn 14-3-2025 1445:28(UTC+1)
[slachtoffer] Ik kan niet 14-3-2025 1445:31(UTC+1)
[getuige] Ben je serieus of niet 14-3-2025 14:45:33(UTC+1)
[slachtoffer] Hij komt zo terug 14-3-2025 14:45:34(UTC+1)
[slachtoffer] Ik ben sts 14-3-2025 14:45:36(UTC+1)
[slachtoffer] Srs 14-3-2025 14:45:38(UTC+1)
[slachtoffer] Ik moet gaan 14-3-2025 14:46.08(UTC+l)
5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 21 maart 2025 (pg. 96 t/m 99), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige] :
Vertel eens alles over wat [slachtoffer] jou verteld heeft?
- Ze had me geappt dat ze gekidnapt was.
Wat viel je op toen je met [slachtoffer] contact had?
- Ze was wel bang.
Waarom denk je dat?
- Ze zei dat ze helemaal aan het trillen was.
Weet jij hoe zij uit de woning is gegaan?
- Ze is door de politie uit dat huis gehaald en naar huis gebracht. Dezelfde avond appte ze mij via haar laptop of ik naar het speeltuintje kon komen bij haar om de hoek. Ik was toen bij mijn neefjes en heb me door oma daar af laten zetten. Ze was helemaal overstuur. Ze was aan het huilen.
6. Het proces-verbaal uitslag extern forensisch onderzoek d.d. 20 april 2025 (pg. 105 t/m 107), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Op 14 maart 2025 heeft er een aanranding van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer] plaatsgevonden in een woning aan [adres 1] .
Tijdens het forensisch onderzoek aan het slachtoffer werd haar bh veiliggesteld in een breathable bag en voorzien van SIN AASD2840NL. Vervolgens werden de borsten afzonderlijk van elkaar bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal volgens de nat/droog methode. Deze bemonsteringen werden veiliggesteld en voorzien van SIN AASD2838NL (rechterborst nat en droog) en AASD2839NL (linkerborst nat en droog).
Aansluitend werden de bemonsteringen en de bh verzonden naar het TMFI (The Maastricht Forensic Institute) voor het genereren van DNA-profielen.
Op 25 maart 2025 ontving ik, verbalisant [verbalisant 7] , de deskundige rapportage Forensisch DNA onderzoek voorzien van TMFI-zaaknummer TMFI2025.1575.
Tijdens het biologisch sporenonderzoek op het TMFI aan spoor AASD2840NL (bh) werd de buitenzijde van de rechtercup (#01), de buitenzijde van de linkercup (#02), de binnenzijde van de rechtercup (#03) en de binnenzijde van de linkercup (#04) bemonsterd.
In alle bemonsteringen werd een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een vrouw waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard, waarvan het DNA afkomstig kan zijn van slachtoffer [slachtoffer] .
In alle bemonsteringen is op basis van het DNA-profiel en/of de kwantificering een geringe hoeveelheid DNA van minimaal één man aanwezig. Indien gewenst kan met aanvullend Y-chromosomaal DNA-onderzoek worden getracht een Y-chromosomaal DNA-profiel van de mannelijke donor(en) te verkrijgen.
Op 27 maart 2025 werd namens verbalisant [verbalisant 7] een Y-chromosomaal onderzoek aangevraagd voor de volgende sporen/sporendragers:
- AASD2838NL (rechterborst)
- AASD2839NL (linkerborst)
- AASD2840NL (BH)
Het Y-chromosomaal DNA-profiel van verdachte [verdachte] RABI6386NL dient te worden vergeleken met de Y-chromosomale DNA-profielen verkregen van het sporenmateriaal.
Uitslag extern Y-chromosomaal onderzoek
Op 17 april 2025 ontving ik, verbalisant [verbalisant 7] , de deskundige rapportage Forensisch DNA onderzoek voorzien van TMFI-zaaknummer TMFI2025.1575-1.
In de bemonstering binnenzijde linkercup bh AASD2840NL werd een Y-chromosomaal DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Er is een enkelvoudig Y-chromosomaal DNA-hoofdprofiel afgeleid, waarvan het DNA afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] met een bewijskracht van één op 82 miljoen.
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2025 (pg. 89 t/m 90), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :
Op 14 maart 2025 is er een melding binnen gekomen bij de politie dat een 14 jarig meisje ontvoerd zou zijn door een man. Het meisje zou zich hebben opgesloten op het toilet.
Vervolgens zijn de collega's ter plaatse gegaan en troffen het meisjes inderdaad aan op het toilet in de woning aan [adres 1] .
De man is door de politie aangehouden en uit onderzoek is gebleken dat hij met zijn voertuig voorafgaand een bezoekje heeft gebracht aan de koffieshop [bedrijf] , gelegen aan [adres 2] .
Door mij is contact gelegd met de bovengenoemde koffieshop en heb ik middels een 126 NDA BOB vordering camerabeelden ontvangen waarop het volgende te zien is:
-
14-03-2025 om 14.44 uur rijdt een blauwe Seat Ibiza via de Oisterwijkstraat de Kempenlandstraat in.
-
Deze blauw Seat Ibiza parkeert op de eerste parkeerplaats rechts.
-
Kort daarna stapt een getinte manspersoon uit aan de bestuurderskant.
-
Deze draagt witte sneakers, lichte broek, wit shirt, donkere jas en een donkerkleurige pet Deze persoon loopt richting de voorzijde/entree van de koffieshop.
-
Om 14.46 uur loopt deze manspersoon terug naar zijn auto en stapt aan de bestuurderskant in.
-
Om 14.47 uur rijdt het voertuig weg in de richting Kempenlandstraat.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 6 oktober 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat [slachtoffer] op 14 maart 2025 in Oss in mijn auto is gestapt, dat ik met haar in de auto naar [bedrijf] , een coffeeshop in Den Bosch, ben gereden en vervolgens naar mijn huis in Oss. Daar zijn we enige tijd geweest.
Bewijsoverwegingen
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 1
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van hetgeen onder feit 1 subsidiair ten laste is gelegd. Hiertoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De verklaringen van aangeefster zijn onbetrouwbaar omdat zij op enkele onderdelen niet consistent zijn en strijdig zijn met andere bevindingen in het procesdossier, waaronder de ontkennende verklaring van de verdachte. Haar verklaring vindt ook onvoldoende bevestiging in steunbewijs, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de beweerde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer de veronderstelde dader de seksuele handelingen ontkent, leidt dat in veel gevallen ertoe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn. Ten aanzien van de getuigenverklaring van het veronderstelde slachtoffer geldt dat deze slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar het oordeel van het hof betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt vervolgens dat de enkele verklaring van één getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Hier staat echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het tenlastegelegde feit kan opleveren.
De Hoge Raad heeft beslist dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering slechts geldt voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen daarvan mogen wel degelijk op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de tenlastegelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen één getuigenverklaring voldoende, op de voorwaarde dat deze op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn uit een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal (ook wel steunbewijs genoemd).
Daarnaast stelt het hof voorop dat bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring onder meer kan worden gelet op consistentie, plausibiliteit, accuratesse en volledigheid. Het enkele feit dat een verklaring op een enkel of enkele punten tegenstrijdigheden of ongerijmdheden bevat, maakt een verklaring op zichzelf nog niet onmiddellijk onbetrouwbaar. Dergelijke tegenstrijdigheden of ongerijmdheden kunnen bijvoorbeeld ook te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties veroorzaakt door het delict, of door tijdsverloop.
Betrouwbaarheid van de verklaringen
De eerste vraag waarvoor het hof zich ziet gesteld, is de vraag of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Aangeefster heeft op verschillende momenten een verklaring afgelegd. Allereerst heeft zij tegen de verbalisanten ter plaatse op 14 maart 2025 het een en ander verteld over wat er die middag was gebeurd, waarna op diezelfde dag een informatief gesprek zeden heeft plaatsgevonden. De volgende dag, op 15 maart 2025, is aangifte gedaan en op 8 mei 2026 is aangeefster tijdens een studioverhoor onder leiding van de raadsheer-commissaris een vierde keer gehoord. Het hof is van oordeel dat haar verklaringen in de kern gelijkluidend zijn: de verdachte heeft haar in de nek gekust, heeft haar oor gelikt, is met zijn hand in haar BH geweest en heeft haar borst betast. Ook heeft zij herhaaldelijk verklaard dat zij – kort samengevat – bang was voor de verdachte en vreesde voor wat hij zou doen als zij niet naar hem zou luisteren. Hoewel de verklaringen, zoals door de verdediging is betoogd, niet telkens volledig gelijkluidend zijn, ziet het hof in die inconsistenties geen aanleiding om deze verklaringen van aangeefster ongeloofwaardig te achten. Het hof is van oordeel dat die inconsistenties hoofdzakelijk ondergeschikte onderdelen betreffen die niet de kern raken van het aan de verdachte tenlastegelegde verwijt.
Derhalve is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en tot het bewijs kunnen worden gebezigd.
Het verweer wordt verworpen.
Steunbewijs
Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of voor de verklaringen van aangeefster voldoende (steun)bewijs in het procesdossier aanwezig is.
Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting het navolgende vast.
- De verdachte heeft (ook) ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat aangeefster op 14 maart 2025 in Oss in zijn auto is gestapt, dat hij met haar in de auto naar [bedrijf] , een coffeeshop in Den Bosch, is gereden en vervolgens naar zijn huis in Oss, waar ze enige tijd zijn geweest.
- Uit snapchatgesprekken die zijn aangetroffen op de telefoon van aangeefster en uit de verklaring van haar toenmalig vriendje [getuige] volgt dat aangeefster hem tijdens de autorit met de verdachte berichten heeft gestuurd dat zij was gekidnapt en bij een vreemde man in de auto zat in Den Bosch. Zij verklaarde dat ze bang was, niet met 112 kon bellen en dat hij zo terug zou komen. Deze berichten worden (merendeels) gevoerd op het moment dat de verdachte de auto had verlaten bij de coffeeshop, namelijk om 14:45u. Uit het proces-verbaal met betrekking tot het uitkijken van de camerabeelden van de coffeeshop blijkt dat de verdachte omstreeks 14:44u de auto verlaat en om 14:46u terugkeert naar de auto.
- Uit een proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 2) volgt dat verdachte 112 heeft gebeld zacht fluisterend sprak en vertelde dat een man haar mee naar zijn huis heeft genomen in een auto, dat ze niet wist waar ze was, dat hij haar heeft aangeraakt en dat ze op de wc zit en niet kan ontsnappen.
- [getuige] heeft verklaard dat aangeefster erg overstuur was en moest huilen toen hij de avond van 14 maart 2025 met haar had afgesproken.
- In de bemonstering van de binnenzijde van de linker BH-cup van aangeefster is een Y-chromosomaal DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man, aangetroffen Er is een enkelvoudig Y-chromosomaal DNA-hoofdprofiel afgeleid, waarvan het DNA afkomstig kan zijn van de verdachte met een bewijskracht van één op 82 miljoen. Dit ondersteunt de verklaring van aangeefster dat de verdachte zijn hand in haar BH heeft gebracht en haar borst daarbij heeft aangeraakt. Het standpunt van de verdediging dat het DNA op de BH terecht is gekomen door contaminatie (het schudden van elkaars handen en vervolgens overdracht van het DNA van de verdachte via de hand van aangeefster op haar BH), acht het hof – mede gelet op de overige bewijsmiddelen – zeer onwaarschijnlijk en onaannemelijk.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster op wezenlijke onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Seksuele handelingen
Het hof overweegt dat het likken van het oor, het kussen van de nek, het met de hand in de BH komen en het aanraken van de borst van aangeefster zonder meer seksuele handelingen zijn.
Dwang
Het hof stelt de navolgende feiten en omstandigheden vast:
- Aangeefster was veertien jaar oud en de verdachte dertig jaar oud. De verdachte had dan ook een psychisch en fysiek overwicht op haar.
- De verdachte heeft aangeefster onder een vals voorwendsel in zijn auto gelokt. Hij zou haar immers naar huis brengen, maar uit zijn handelen volgt dat hij dit niet van plan is geweest.
- Ondanks het feit dat aangeefster liet weten dat niet te willen, is hij met haar naar ’s-Hertogenbosch gereden, waar haar is gezegd dat ze de auto niet mocht verlaten.
- De verdachte is vervolgens met haar naar zijn woning is Oss gegaan. Aangeefster wist niet waar ze was.
- De verdachte heeft aangeefster verteld dat zij niet tegen derden mocht zeggen waar ze was in het geval die haar belden; ze moest undercover blijven.
- De verdachte stelde zich intimiderend ten opzichte van aangeefster op. Hij reageerde agressief. Als ze zei dat ze iets niet wilde, bijvoorbeeld naar zijn auto gaan, dan verhoogde hij zijn stem. Ze moest niet tegen hem liegen want dan werd hij boos. Hij deed boos tegen haar en ze moest luisteren.
- Als gevolg van dit alles was aangeefster bang en geschrokken. Ze kon niks. Ze was helemaal in shock en voelde zich verlamd. Ze wist niet wat ze moest zeggen. Ze wist niks.
Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien leiden tot de conclusie dat er sprake was van dwang in de zin van artikel 247 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdachte heeft immers door zijn handelen een zodanige (bedreigende) situatie gecreëerd dat aangeefster zich niet aan de door haar niet gewenste intimiteiten kon onttrekken.
Conclusie
Resumerend acht het hof, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer al zijn onderdelen.
Feit 2
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd. Hiertoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat gedragingen of feitelijkheden welke gericht waren op een wederrechtelijke vrijheidsberoving op basis van het onderhavige procesdossier niet, althans in onvoldoende mate, zijn komen vast te staan. Deze feitelijkheden kennen telkens maar één onbetrouwbare bron, aangeefster, en vinden onvoldoende steun in objectief vaststaand steunbewijs.
Het hof heeft hiervoor onder de kopjes “betrouwbaarheid verklaringen” en “steunbewijs” reeds overwogen en beslist dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn, bruikbaar zijn voor het bewijs en voldoende steun vinden in overige bewijsmiddelen, zodat het verweer wordt verworpen.
Hiervoor heeft het hof reeds de relevante feiten en omstandigheden uiteengezet op grond waarvan het hof komt tot een bewezenverklaring van dwang als bedoeld in artikel 247 lid 2 Sr. Die feiten en omstandigheden kunnen ook in onderling verband en samenhang bezien redengevend worden geacht voor bewezenverklaring van de onder feit 2 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dat de verdachte aangeefster niet in fysieke zin heeft gedwongen in zijn auto te blijven en later in de woning dan wel die auto en/of de woning niet had afgesloten, maakt dat niet anders.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van feit 2.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om, in het geval van een bewezenverklaring, rekening te houden met de ernst van het/de bewezenverklaarde feit(en), de strafoplegging in soortgelijke zaken, de omstandigheid dat verdachte een first offender is, de duur van het voorarrest en de omstandigheden waaronder hij zijn detentie heeft ondergaan. Voorts is erop gewezen dat de verdachte alles kwijt is (woning, auto en werk) en de band met zijn zes kinderen ernstig is aangetast. Tot slot is bepleit geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van een 14-jarig meisje en het verrichten van seksuele handelingen bij haar. De verdachte heeft haar op klaarlichte dag zijn auto in gelokt. Hij is vervolgens met het slachtoffer in de auto naar Den Bosch gereden en heeft haar daarna meegenomen naar zijn woning in Oss, die voor het slachtoffer totaal onbekend was. In de woning heeft hij haar vervolgens gekust, gelikt, heeft zijn hand onder haar BH gebracht en haar borst aangeraakt. Het slachtoffer heeft vervolgens op het toilet 112 gebeld, waarna de politie ter plaatse kwam. De verdachte heeft met zijn handelen op bijzonder ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de 14-jarige [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] nog steeds last heeft van het bewezenverklaarde handelen, blijkt ook uit hetgeen namens haar naar voren is gebracht ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes. Voorts is een wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals de onderhavige niet alleen extreem beangstigend voor het slachtoffer zelf, maar het roept ook ernstige gevoelens van onveiligheid en onrust op binnen de maatschappij. Het hof rekent de verdachte dan ook ten zeerste aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Het hof heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 2 oktober 2026. Hieruit blijkt dat de reclassering bij een veroordeling nader diagnostisch onderzoek en behandeling geïndiceerd acht. Vanwege de noodzaak van een veilige, gestructureerde en controleerbare woonomgeving, adviseert de reclassering een verplicht verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang als bijzondere voorwaarde. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met, naast voorgenoemde voorwaarden in de vorm van een ambulante behandeling en een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke omvang, ook bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met het slachtoffer op te leggen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken.
Gelet op al het vorenstaande kan, naar het oordeel van het hof, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Daarnaast ziet het hof grond om, conform het advies van de reclassering, aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de in het dictum nader te noemen bijzondere voorwaarden te verbinden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, is onder de verdachte een joint aangetroffen en in beslag genomen.
Het hof zal dit verdovende middel onttrekken aan verkeer, aangezien dit aan de verdachte toebehorende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, primair gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat – naar het hof begrijpt – de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de benadeelde partij van haar vrijheid heeft beroofd en seksuele handelingen met haar heeft verricht, terwijl de benadeelde destijds pas veertien jaar oud was. Uit de toelichting bij het schadevergoedingsformulier blijkt dat benadeelde door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte veel angst heeft om over straat te gaan en dat haar gevoel van veiligheid is aangetast. Ook voelt zij zich door het handelen van de verdachte nog steeds ‘vies’ en vindt zij het moeilijk om andere mensen te vertrouwen. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de gemachtigde van de benadeelde partij medegedeeld dat de benadeelde nog steeds herbelevingen ervaart, slecht slaapt en kampt met concentratieproblemen. Naar het oordeel van het hof kan het als een feit van algemene bekendheid worden geacht dat een zedendelict als het onderhavige leidt tot psychisch letsel bij het slachtoffer, waarvan het slachtoffer nog vele jaren last kan ondervinden. Met de schriftelijke toelichting bij de vordering alsmede de nadere toelichting ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen.
De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, zoals hiervoor omschreven, vormen nadeel als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Dat brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt laten meewegen en voorts gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Tot slot heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde.
Gelet op alle omstandigheden van het geval begroot het hof de immateriële schade die de benadeelde rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten heeft geleden naar billijkheid op het bedrag van minstens € 3.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag aan immateriële schade toewijsbaar is.
Het hof kan op basis van de thans voorhanden zijnde (medische) informatie niet vaststellen of en in hoeverre het toewijzen van een hoger bedrag aan schadevergoeding zou zijn aangewezen. De behandeling van de vordering voor het overige zou aldus een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof zal bepalen dat de vordering ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, zijnde 14 maart 2025. De schade wordt geacht op die datum te zijn geleden.
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 3.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 30 (dertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 21 februari 2025 in de zaak met parketnummer 05-212962-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57, 247 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
meldplicht reclassering
- de verdachte meldt zich op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
ambulante behandeling
- de verdachte laat zich diagnosticeren en behandelen door een nader aan te wijzen forensisch psychiatrische polikliniek, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag.
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- de verdachte verblijft in een nader aan te wijzen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
contactverbod
- de verdachte zal op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoeken of hebben met:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;
van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL2100-2025055170-G2319368 één joint, Hennep);
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt dat de vordering ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 30 (dertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 21 februari 2025 in de zaak met parketnummer 05-212962-22 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 27 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.