Strafrecht overig
Bedreiging met een terroristisch misdrijf en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 oktober 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2959 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2959
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 20-002058-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2959
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bedreiging met een terroristisch misdrijf en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, meermalen gepleegd.
Diefstal.
Het hof zal aan de verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 19 juli 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:4994Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:2959
Uitspraak
Parketnummer : 20-002058-24
Uitspraak : 27 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 juli 2024 (aangevuld bij herstelvonnis van 6 augustus 2024) in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder parketnummers 02-300723-23 en 02-283114-23, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
-
bedreiging met een terroristisch misdrijf (in de zaak met parketnummer 02-300723-23), en
-
diefstal (in de zaak met parketnummer 02-283114-23),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijke strafdeel naast de algemene voorwaarde tevens bijzondere voorwaarden verbonden en daarbij bepaald dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Voorts is de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd en heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het moment dat de voorlopige hechtenis gelijk is aan de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, in die zin dat het hof:
-
de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren,
-
daaraan naast de algemene voorwaarde tevens bijzondere voorwaarden zal verbinden conform het meest recente reclasseringsadvies van 29 september 2026, welke voorwaarden dadelijk uitvoerbaar dienen te worden verklaard,
-
geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr zal opleggen.
Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:
Zaak met parketnummer 02-300723-23:
op of omstreeks 14 november 2023 te Oisterwijk, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zijnde beiden werkzaam als docent op de basisschool [school 1] en/of een of meer andere docenten in die basisschool, met een terroristisch misdrijf en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting heeft bedreigd, door
- die basisschool te betreden en/of
- een klaslokaal, waarin zich die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bevonden, te betreden en/of
- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend toe te voegen: "Allahu akbar" en/of
- in de Engelse taal dreigend toe te voegen "I have a bomb inside", waarbij hij, verdachte, wees op zijn buik en/of "I will kill everybody" en/of "I have a gun", waarbij hij, verdachte, een beweging maakte alsof hij een wapen vanuit zijn vest of broekzak pakte en/of " [naam] , I will stab him with a knife", althans telkens woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;
Zaak met parketnummer 02-283114-23:
op of omstreeks 28 oktober 2023, te Tilburg ( [locatie] ), een zonnebril, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-300723-23 en in de zaak met parketnummer 02-283114-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:
Zaak met parketnummer 02-300723-23:
op 14 november 2023 te Oisterwijk, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zijnde beiden werkzaam als docent op de basisschool [school 1] , met een terroristisch misdrijf en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting heeft bedreigd, door
- die basisschool te betreden en
- een klaslokaal, waarin zich die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bevonden, te betreden en
- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend toe te voegen: "Allahu akbar" en
- in de Engelse taal dreigend toe te voegen "I have a bomb inside", waarbij hij, verdachte, wees op zijn buik en "I will kill" en "I have a gun", waarbij hij, verdachte, een beweging maakte alsof hij een wapen vanuit zijn vest of broekzak pakte en " [naam] , I will stab him with a knife", althans telkens woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;
Zaak met parketnummer 02-283114-23:
op 28 oktober 2023, te Tilburg ( [locatie] ), een zonnebril die aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de zaak met parketnummer 02-300723-23
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, Team Opsporing Tilburg / Hart van Brabant, dossiernummer 2023290477/ Cochise ZB4R023087, gesloten op 16 januari 2024 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 253). Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover dienstig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 november 2023 (pagina’s 99 en 100), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [aangever] :
Ik ben directeur van basisschool [school 1] in Oisterwijk. Op 14 november 2023 omstreeks 7:50 uur is er een man de school binnengelopen. Door het gedrag en de uitlatingen van die man had mijn personeel zich ernstig bedreigd gevoeld. Ik hoorde van collega [slachtoffer 1] dat er ‘s-morgens plotseling een man in haar lokaal stond die in het Arabisch dingen zei en riep ‘Allahu Akbar". De man riep toen in de Engelse taal: “I have a bom inside" en daarbij wees hij op zijn buik. Hij riep: “I have a gun" en daarbij maakte hij een beweging alsof hij een wapen in zijn vest of broekzak had. De man sprak ook over [naam] en zei "I will stab him with a knife". Ik hoorde en zag dat [slachtoffer 1] bij het vertellen van haar verhaal hevig geëmotioneerd en angstig was. Op het moment van het incident waren er nog geen leerlingen aanwezig in het schoolgebouw van [school 1] . In het aangesloten gebouw van de voorschoolse opvang ‘ [school 2] " waren al wel 10 kinderen aanwezig, twee begeleiders en een conciërge. Deze ruimte is, met een deur die niet op slot was, gescheiden van [school 1] . En in de sporthal was een gymdocent aanwezig. Op [school 1] waren enkele medewerkers, waaronder [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , en een schoonmaakster aanwezig.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 november 2023 (pagina’s 101 t/m 103), voor zover inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 1] :
Op 14 november 2023 kwam ik op mijn werk. Ik werk op de basisschool [school 1] te Oisterwijk. Mijn collega [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hier: getuige [slachtoffer 2]) was al binnen. Ik ben direct naar haar toegegaan. Er stond ineens een man in het lokaal. Hij heeft een paar keer ‘Allahu Akbar" geroepen. Ik hoorde de man in het gebrekkig Engels zeggen: ‘I have a bomb inside". Hij wees hierbij naar zijn buik. Vervolgens zei hij "I have a gun". Ik zag dat hij een beweging maakte alsof hij een wapen vanuit zijn vest of broekzak pakte. Ik hoorde de man toen iets zeggen over [naam] . Ik hoorde dat hij die naam uitsprak en ik hoorde hem zeggen: ‘I will stab him with a knife". Ik was erg bang voor de man. Toen liep de man op een boze manier op ons af met veel handgebaren. Hij maakte een soort van vechtersbewegingen met zijn armen.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 30 mei 2024, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 1] :
U vraagt mij of ik het woord terrorisme of de Engelse variant daarvan heb gehoord. Ja in het Engels, halverwege de gebeurtenis riep hij ‘ik ben een terrorist’ in het Engels, dat hij half Syrisch en half Marokkaans was en hij bleef het woord terrorist in het Engels herhalen. U vraagt mij hoe zeker ik hiervan ben. Duizend procent. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat hij toen ‘dingen in het Arabisch begon te roepen’. U vraagt mij of dit klopt. Ja. Ik kan geen Arabisch maar Allah oe Akbar ken ik. U vraagt mij of dit automatisch vrees of angst bij mij teweeg brengt als iemand dit zegt. Niet direct maar wel door de context of setting. Hoe hij dit riep was ik bang en brak ik. Ik dacht dat wij eraan gingen.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 november 2023 (pagina’s 107 t/m 110), voor zover inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 2] :
Ik werk als docent op basisschool [school 1] te Oisterwijk. Op 14 november 2023 ben ik naar mijn lokaal gegaan. Mijn collega kwam binnengelopen. Dit betreft [slachtoffer 1] (het hof begrijpt hier: getuige [slachtoffer 1]). Uit het niets komt er een jongeman binnengelopen. Hij zei toen: ‘I have a bomb". Ik zag dat hij met zijn rechterhand zijn jas opentrok en met zijn linkerhand op zijn buik tikte/sloeg/klopte. Ik realiseerde me dat ik niet wist hoe dit ging aflopen, ik had geen grip op wat er ging gebeuren.
Het was beangstigend. Hij heeft ook ergens tijdens dat moment gezegd “Terrorisme” en ‘Allahu Akbar" en “Do you understand half Syrië, half Marokkaan”, hierbij wees hij naar zichzelf. Hij zei toen tegen mij: "Do you know [naam] . He’s no good. I will fight him”. Ik zag dat hij hierbij bewegingen maakte met zijn beide vuisten. Hij maakte ook met zijn rechterhand voorwaartse bewegingen welke ik zou omschrijven als stekende bewegingen, alsof hij een mes vast had.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 30 mei 2024, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 2] :
U vraagt mij of ik heb gehoord dat de verdachte I will kill everybody heeft geroepen. Hij zei “do you know [naam] , he is no good, I will fight him, kill kill”.
U vraagt mij of ik hem Allah oe Akbar heb horen zeggen. Ja. Dit heeft hij twee keer gezegd. Het voelt bedreigend, omdat je bij dat soort aanslagen op het nieuws hoort dat dit wordt gezegd. U vraagt mij of deze woorden standaard angst of vrees oproepen. In combinatie met wat hij toen zei wel.
6. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 14 november 2023 (pagina’s 40 t/m 52), voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
Ik ben op 14 november 2023 naar [school 1] gegaan. Ik liep gewoon naar binnen en ik heb daar lopen schreeuwen. Het was niet in het Nederlands. Ik sprak buitenlands, Marokkaans, Arabisch.
In de zaak met parketnummer 02-283114-23
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, zaakregistratienummer PL2000-2023276003, gesloten d.d. 28 oktober 2023 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 33). Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover dienstig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 oktober 2023 (pagina’s 5 t/m 9), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 3] :
Op 28 oktober 2023 liep ik vanuit mijn woning, [locatie] te Tilburg, naar de
parkeerplaats waar mijn auto stond. Ik zag dat er op de parkeerplaats een man stond welke direct naar mij toe kwam gelopen. De man stapte vervolgens in mijn auto en ging als bijrijder naast mij zitten. Ik zag dat de man een zonnebril uit mijn auto pakte. Het was een zwarte zonnebril met opvallende gele pootjes. De man ging vervolgens de auto uit en fietste weg. De man zag er als volgt uit: licht getint. Noord-Afrikaans uiterlijk, haar zwart van kleur en krullend.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 oktober 2023 (pagina’s 10 t/m 12), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 28 oktober 2023 omstreeks 12:05 uur kregen wij de melding te gaan naar de
[locatie] te Tilburg. Aldaar zou een vervelende man hebben gestaan. De man had een zonnebril uit de auto van melder weggenomen. Omstreeks 12:30 uur troffen wij in de [locatie] een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk, zwart krulhaar en hij had een herenfiets bij zich. De melder gaf mij het signalement van de man en deze leek erg op de man die wij nu hier staande hadden. Ik vroeg of de melder de zonnebril kon omschrijven. Het betrof een zwarte zonnebril met opvallend gele pootjes. In de jaszak van de man trof ik een zwarte zonnebril aan met gele pootjes. Deze zonnebril kwam overeen met de eerdere melding van de [locatie] . Verdachte: [verdachte] .
Bewijsoverwegingen
1. Algemene bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
2. Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 02-300723-23
Standpunt van de verdediging
Door de raadsman van de verdachte is in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging – op de gronden zoals nader in de pleitnota vermeld – allereerst aangevoerd dat niet alle tenlastegelegde bedreigende uitlatingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Volgens de verdediging zijn de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar en bevatten ze diverse tegenstrijdigheden, waardoor deze niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden. Daarnaast blijkt uit die verklaringen onvoldoende dat bij de getuigen en/of andere docenten van de school de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte door de hem gedane uitlatingen daadwerkelijk zou uitvoeren. Immers volgt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat de verdachte verward en dronken overkwam en dat zij meer van elkaars reactie schrokken dan van verdachtes gedragingen zelf.
Indien het hof van oordeel is dat wel sprake is van bedreigende uitlatingen waaruit redelijke vrees kon ontstaan, heeft de verdediging verzocht om dit in ieder geval niet te kwalificeren als een bedreiging ‘met terroristisch misdrijf’ en de verdachte daarvan vrij te spreken. Uit de omstandigheden waaronder de uitlatingen zijn gedaan, blijkt niet dat de verdachte heeft gedreigd met een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De enkele omstandigheid dat de bedreiging plaatsvond in een klaslokaal bij twee docenten, maakt dit niet anders. Eveneens kan niet bewezen worden verklaard dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, dat bij de bedreigden in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij een terroristisch misdrijf zou plegen. Daartoe heeft de raadsman gewezen over de verwarde toestand van de verdachte, het ontbreken van een waargenomen wapen of bom, de onduidelijkheid over de precieze bewoordingen van de bedreigingen, het ontbreken van een concrete aankondiging van een terroristische aanval en het – volgens het NIFP en de reclassering – ontbreken van een terroristisch motief bij het tenlastegelegde.
Inleiding
Het hof stelt op basis van het dossier het volgende vast. De verdachte is op 14 november 2023 rond 07.50 uur basisschool [school 1] in Oisterwijk binnengelopen. Basisschool [school 1] bevindt zich in het buurtcentrum waar eveneens basisschool [school 3] , een voorschoolse opvang en een sporthal zijn gevestigd. Op het moment dat de verdachte [school 1] binnenliep, waren er geen leerlingen in de school aanwezig. In de voorschoolse opvang waren tien peuters, twee begeleidsters en een conciërge aanwezig en in de sporthal was een gymdocent aanwezig. Op [school 1] waren enkele medewerkers, waaronder [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en een schoonmaakster aanwezig. De verdachte is het lokaal waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich bevonden binnengelopen en heeft daar diverse bewoordingen geuit, die als bedreiging (met een terroristisch misdrijf) ten laste zijn gelegd. De verdachte erkent dat hij bij [school 1] is geweest, maar ontkent dat hij daar bedreigende woorden heeft geuit.
De getuigenverklaringen
Getuigen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben verklaard dat de verdachte in het Arabisch en
gebrekkig Engels sprak en meermalen “Allah oe Akbar” naar hen heeft geroepen. De verdachte heeft vervolgens gezegd “I have a bomb (inside)”, waarbij hij naar zijn buik wees.
Vervolgens heeft de verdachte tegen hen gezegd dat hij een "gun" bij zich had. [slachtoffer 1]
heeft verklaard dat de verdachte daarbij een beweging maakte alsof hij een wapen uit zijn vest of broekzak pakte en [slachtoffer 2] zag de verdachte op dat moment met zijn hand naar de zijkant van zijn buik wijzen. Zij heeft verklaard dat ze geen bomgordel heeft gezien bij de verdachte, maar zij heeft ook verklaard dat de verdachte meerdere lagen kleding droeg (verklaring getuige bij rechter-commissaris). [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte best een bomvest had kunnen dragen, omdat hij ruime kleding droeg (verklaring getuige bij rechter-commissaris).
Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt eveneens dat de verdachte herhaaldelijk “terrorist” dan wel “terrorisme” heeft gezegd. Verder verklaren beiden dat de verdachte de naam [naam] heeft genoemd. [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte daarbij heeft gezegd “I will stab him with a knife”. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat verdachte heeft gezegd “I will kill [naam] with a knife”. Getuige [slachtoffer 2] heeft weliswaar niets over een mes verklaard, maar zij heeft wel verklaard dat de verdachte heeft gezegd “Do you know [naam] , he is no good. I will fight him, kill kill” en daarbij bewegingen heeft gemaakt die zij omschrijft als stekende bewegingen, alsof hij een mes vast had.
De verdachte kwam tijdens het uiten van bovenstaande bewoordingen verward op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over. Zij verklaren beiden bij de rechter-commissaris dat verdachte erg dichtbij kwam, handgebaren en slaande bewegingen maakte en dat er een dreigende sfeer hing. Zij konden op dat moment het lokaal niet uit. De getuigen hebben verklaard dat zij door de houding van de verdachte, zijn verwarde indruk en zijn bewoordingen erg bang waren. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij dacht dat zij dood zouden gaan en [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij niet wist hoe de situatie zou aflopen en dat ze geen grip had op wat er zou gebeuren. Over de woorden “Allah oe Akbar” heeft zij verklaard dat dit bedreigend voelde, omdat uit nieuwsberichten volgt dat deze woorden veelal bij aanslagen worden geuit.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van getuigen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ten aanzien van het verloop van het incident grotendeels en op belangrijke, specifieke punten met elkaar overeenkomen. Zij hebben beiden vlak na het incident een verklaring afgelegd bij de politie. Enige tijd later zijn zij bij de rechter-commissaris gehoord en verklaren zij in lijn met wat zij eerder bij de politie hebben verklaard. Ook hebben zij blijkens de aangifte bij de directeur van [school 1] verklaard in overeenstemming met wat zij bij de politie en rechter-commissaris hebben verklaard. Nu de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] overeenkomen en zij consistent verklaren, is het hof van oordeel dat deze verklaringen betrouwbaar zijn en gaat zij uit van de juistheid van deze verklaringen. Slechts ten aanzien van de tenlastegelegde uitlating “I will kill everybody” is het hof van oordeel dat onvoldoende vastgesteld kan worden dat de verdachte hierbij ook “everybody” heeft gezegd, nu dit alleen door [slachtoffer 1] bij de politie is verklaard terwijl dit in de verhoren bij de rechter-commissaris noch door [slachtoffer 1] zelf, noch door [slachtoffer 2] is bevestigd. Het hof zal de verdachte daarvan partieel vrijspreken. Verder acht het hof bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde bewoordingen heeft geuit.
Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de uitingen van de verdachte een
bedreiging met een terroristisch misdrijf opleveren.
Juridisch kader
Voor bedreiging met een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 285, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, moet het gaan om een terroristisch misdrijf zoals bedoeld in artikel 83 Sr. Voor zover uit artikel 83 Sr volgt dat het terroristische misdrijf waarmee wordt gedreigd het in artikel 83a Sr omschreven ‘terroristisch oogmerk’ vereist, brengt die omstandigheid niet mee dat de verdachte van de bedreiging zelf ook met dit terroristische oogmerk moet hebben gehandeld.
Wel is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden plaatsvindt, dat bij de bedreigden in redelijkheid de vrees kon ontstaan a) dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Gelet op de omschrijving van een terroristisch oogmerk in artikel 83a Sr brengt dit voor de terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor een veroordeling is vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat bij de bedreigden in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht
-
de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel
-
een overheid of internationale organisatie wederrechtelijke te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel
-
de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Daarnaast is voor zo een veroordeling vereist dat het – ten minste voorwaardelijke – opzet van de verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan.
Beoordeling door het hof
Het hof gaat op basis van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten. De verdachte is rond 07.50 uur, kort voordat de school open zou gaan, basisschool [school 1] binnengegaan en heeft daar in een klaslokaal tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , twee onderwijzers die daar al aanwezig waren, gezegd dat hij een bom en een vuurwapen had en daarbij naar zijn buik gewezen. Daarnaast heeft de verdachte meerdere malen “Allahu akbar” geroepen en gebruikte hij woorden als “kill kill” en “terrorisme” en heeft hij gezegd dat hij [naam] iets wilde aandoen. Uit het dossier volgt dat Basisschool [school 1] zich bevindt in een buurtcentrum waar eveneens basisschool [school 3] , een voorschoolse opvang en een sporthal zijn gevestigd. Op het moment dat de verdachte [school 1] binnenliep, waren al meerdere medewerkers in deze gebouwen aanwezig en bevonden zich tien peuters in de voorschoolse opvang.
Het hof is, anders dan de verdediging van oordeel dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , in de gegeven omstandigheden en naar objectieve maatstaven, mede bezien in de context waarin de gedragingen van de verdachte hebben plaatsgevonden, de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte een misdrijf zou uitvoeren dat erop was gericht om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen.
Het spreken over een bom of het tot ontploffing brengen daarvan of een schietpartij in combinatie met de woorden terrorisme, kill, kill en Allahu Akbar en een aanval op [naam] , terwijl je in een klaslokaal van een basisschool bent binnengedrongen, in welk gebouw al kinderen en leraren aanwezig zijn en binnen afzienbare tijd meer kinderen naar binnen zullen komen, duidt naar het oordeel van het hof op een terroristisch motief. De omvang van de gevolgen van een bomaanslag dan wel een schietpartij op een zodanige plaats, zouden zó groot en veelomvattend zijn, dat daarmee (een deel van) de bevolking ernstige vrees zou worden aangejaagd.
Hoewel [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet daadwerkelijk een bomvest of wapen hebben gezien, hebben zij wel verklaard dat de verdachte ruime kleding droeg en dus mogelijk iets onder zijn kleding kon dragen. Anders dan door de verdediging betoogd, maakt de omstandigheid dat de verdachte verward overkwam, dreigende bewegingen maakte en in gebrekkig Engels en Arabisch sprak, naar het oordeel van het hof juist dat bij hen de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte daadwerkelijk een terroristisch misdrijf zou uitvoeren. Dat maakte immers dat zij geen grip op de situatie kregen en niet wisten wat er ging gebeuren. De stelling van de verdediging dat uit de verklaringen van de getuigen volgt dat zij ‘slechts’ voor hun eigen leven vreesden en er daardoor geen vrees was voor een terroristische aanslag op de school, volgt het hof dan ook niet.
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf, een bom laten afgaan dan wel schieten met een vuurwapen in een basisschool, zou worden uitgevoerd en dat het misdrijf erop was gericht de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen. Deze vrees maakt ook dat het hof vindt dat deze bedreiging ook valt te kwalificeren als de overige verweten varianten van bedreiging.
(Voorwaardelijk) opzet
Voorts moet het hof beoordelen of het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, erop was gericht de vrees voor een terroristisch misdrijf te laten ontstaan. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze vrees ontstaat. Niet vereist is dat de bedreiging zelf met een terroristisch oogmerk plaatsvindt.
Uit het dossier volgt niet dat de verdachte vol opzet had op het doen ontstaan van die vrees. Het hof is echter van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht zijn op het veroorzaken van vrees voor een terroristisch misdrijf, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat die vrees zou ontstaan bewust heeft aanvaard. De verdachte gebruikte niet alleen herhaaldelijk het woord ‘terrorisme’ maar ook een islamitische tekst die veelal voorafgaand aan terroristische aanslagen worden geroepen. Daarbij sprak hij in het Engels en Arabisch en deed hij het voorkomen alsof hij uit het buitenland kwam. Dat het niet de werkelijke bedoeling was van de verdachte om hen vrees aan te jagen en dat hij naar eigen zeggen enkel grappig probeerde te doen en heel erg onder invloed was van alcohol en drugs, doet daar niets aan af. Hoe de verdachte heeft kunnen denken dat dit grappig zou zijn, is het hof een raadsel. Daarbij is op geen enkele wijze gebleken dat de verdachte aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft kenbaar gemaakt dat ze hem niet serieus hoefden te nemen.
Conclusie
Alles afwegende is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de bedreiging met een terroristisch misdrijf heeft gepleegd. De door de verdachte
geuite bewoordingen brengen naar het oordeel van het hof eveneens een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of bedreiging met zware mishandeling en/of bedreiging
met brandstichting met zich mee, waarmee het feit zoals is tenlastegelegd, wettig en overtuigend is bewezen.
Het hof verwerpt daarmee de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
3. Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 02-283114-23
Door de verdediging is in hoger beroep tevens vrijspraak van de tenlastegelegde diefstal bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de door de verbalisant gedane herkenning van de verdachte gebaseerd is op een summiere omschrijving van de aangever. Dat vervolgens een zonnebril met gele pootjes bij de verdachte is aangetroffen, kan niet bijdragen aan een bewezenverklaring. Volgens de verdediging kan immers uit het dossier onvoldoende worden vastgesteld dat deze zonnebril ook daadwerkelijk de gestolen zonnebril van de aangever betrof. Nu de verklaring van de aangever verder geen steun vindt in de overige stukken van het dossier, is sprake van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de diefstal heeft gepleegd en dient hij derhalve van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Aangever [slachtoffer 3] heeft omstreeks 12:05 uur bij de politie gemeld dat een man op een parkeerplaats naast hem in zijn auto ging zitten en zijn zonnebril uit het dashboardkastje heeft gehaald en heeft meegenomen. Hij heeft de zonnebril omschreven en een signalement van de dader opgegeven. De verdachte is vervolgens zeer kort na de melding aangetroffen in de nabijheid van de pleeglocatie en voldeed aan het opgegeven signalement. Bovendien trof de politie bij de verdachte een zonnebril aan met dezelfde specifieke kenmerken als de gestolen zonnebril van aangever, namelijk zwart met opvallende gele pootjes. Gelet op het korte tijdsbestek tussen de diefstal en het aantreffen van de verdachte, de omstandigheid dat de verdachte voldeed aan de door aangever opgegeven signalementen, en het feit dat bij de verdachte vervolgens een zonnebril is aangetroffen met exact hetzelfde kleurontwerp van de gestolen zonnebril, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte degene is geweest die de zonnebril van aangever [slachtoffer 3] heeft gestolen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de diefstal zoals tenlastegelegd heeft gepleegd.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-300723-23 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
bedreiging met een terroristisch misdrijf en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 02-283114-23 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
diefstal.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om allereerst te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen. Daartoe is door de raadsman aangevoerd dat de verdachte sinds het incident positieve stappen heeft gezet om zijn leven weer op te bouwen. De verdachte woont inmiddels weer bij zijn moeder en is een tweejarig re-integratietraject gestart via het UWV. Binnen [traject] neemt hij deel aan een programma met sport en coaching. Daarnaast sport hij zelfstandig en probeert hij zijn daginvulling verder uit te breiden. Ook heeft hij naar eigen zeggen sinds juli 2026 het gebruik van cannabis gestaakt en is hij bezig met een medisch traject in verband met zijn langdurige slaapproblematiek. Voorts heeft de raadsman gewezen op het functioneren van de verdachte ten tijde van het incident: de verdachte kampte met ernstige slaapproblemen, ADHD en had problemen met alcohol- en cannabisgebruik. Bovendien dient bij de strafoplegging rekening gehouden te worden met de detentie- en mediaschade die de verdachte heeft opgelopen.
Verder is aan het hof verzocht om geen bijzondere voorwaarden aan een eventueel voorwaardelijk strafdeel te verbinden, zodat de verdachte de ingezette hulpverlening op vrijwillige basis kan voortzetten. Indien het hof het noodzakelijk acht om bijzondere voorwaarden op te leggen, verzoekt de verdediging aan het hof om deze zo beperkt en doelgericht mogelijk vorm te geven.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een terroristisch misdrijf, enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en/of brandstichting. De verdachte is in de ochtend van 14 november 2023 basisschool [school 1] binnengelopen en heeft
daar twee docenten bedreigd. Het dreigen met een terroristisch misdrijf is een ernstig,
indringend en angstaanjagend delict. De bedreiging heeft een grote impact op [slachtoffer 1]
en [slachtoffer 2] gehad. Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij sinds het incident slecht slaapt en
last heeft van concentratieproblemen en paniekaanvallen. Het incident heeft haar angstig
gemaakt en haar is EMDR-therapie geadviseerd. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij de week na
het incident slecht sliep en veel last had van hoofdpijn. De weken na het incident is zij
steeds op haar hoede geweest. Naast de impact op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , heeft het
incident ook gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. Zo was er sprake van zeer grootschalige politie-inzet, hielden alle basisscholen in de regio die
dag hun deuren gesloten en ook een aantal openbare gebouwen werden afgesloten. Bovendien zijn de basisscholen [school 1] en [school 3] voor twee dagen gesloten geweest. Het is daarbij nauwelijks voorstelbaar hoe beangstigend het incident en de daarop volgende politie-inzet moet zijn geweest voor niet alleen de in het gebouw aanwezige kinderen, maar ook voor de ouders van kinderen die op die scholen of in een andere school in de omgeving zaten. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Daarnaast heeft verdachte zich op 28 oktober 2023 schuldig gemaakt aan diefstal van een zonnebril. De verdachte heeft bij het plegen van dit feit geen blijk gegeven van respect voor de eigendommen van anderen. Bovendien komt ook in dit dossier overlastgevend en agressief gedrag van de verdachte naar voren, waarbij hij weinig tot geen rekening houdt met de gevoelens van anderen.
Justitiële Documentatie
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 juli 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft verder nog kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport opgemaakt door psycholoog [psycholoog] , psychiater [psychiater] en forensisch milieuonderzoeker [onderzoeker] d.d. 29 april 2024.
Uit dit rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van ADHD en een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis. Daarnaast is het intelligentieprofiel van de verdachte disharmonisch opgebouwd, waarbij hij overwegend op licht verstandelijk beperkt
niveau presteert. De verdachte overziet situaties vaak niet en legt verbanden minder snel.
Onder invloed van middelen is de verdachte bekend met verward gedrag. Hij is dan niet in staat zijn gedrag bij te sturen, wat kan leiden tot grensoverschrijdend gedrag naar anderen. De verdachte begon al vanaf de 14-jarige leeftijd met het experimenteren van drugs en vanaf zijn vijftiende jaar begon de verdachte al overmatig alcohol te drinken. De genoemde problematiek was ten tijde van de bedreiging aan de orde en de deskundigen stellen dat deze problematiek ook van invloed is geweest. De deskundigen adviseren om de bedreiging in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het hof is van oordeel dat bovengenoemd rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van het onderzoek met betrekking tot de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. Het hof neemt de conclusies van deze deskundigen, dat de bewezenverklaarde bedreiging de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, dan ook over. Het hof houdt hier rekening mee in de strafoplegging.
De gedragsdeskundigen hebben verder geconcludeerd dat de kans op gewelddadig recidive zonder interventies hoog is. Bij het tekortschieten van adequate coping strategieën en van het vermogen op tijdig oorzaak-gevolgrelaties te kunnen leggen en zich te kunnen verplaatsen in de ander, geeft de verdachte toe aan zijn impulsen, die naarmate hij ouder wordt ook zorgelijker worden. Het risico op gewelddadig extremisme wordt daarentegen op laag geschat, nu vanuit het onderzoek onvoldoende aanleiding voor een terroristisch motief of islamitische radicalisering bij de bedreiging is aangetroffen.
Gelet op de verslavingsproblematiek van de verdachte achten de deskundigen een langere
klinische behandeling in een forensische verslavingskliniek met aansluitend een forensisch
ambulant kader van belang. Het is wenselijk dat de verdachte wordt geholpen bij het stoppen met alcohol en drugs, het leren reguleren van zijn impulsen en het beter uiten van zijn emoties. Tot op heden is het niet gelukt om hulpverlening vanuit huis op te starten,
waardoor ambulante hulp niet meer wenselijk wordt geacht. Bovendien is de motivatie van
verdachte voor behandeling gering. Een klinische fase met behandeling in een gedwongen
kader is daarom aangewezen en de mogelijkheid tot onttrekking aan toezicht en zorg in een
klinisch kader wordt significant kleiner geacht dan binnen een ambulant kader. De
deskundigen zien voor wat betreft de oplegging van een straf of maatregel twee mogelijke
opties. Een eerste optie is een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en
daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. De deskundigen merken daarbij op dat zonder oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel het advies van een (deels) voorwaardelijke straf wegvalt, nu het niet wenselijk is dat verdachte bij het niet meewerken aan voorwaarden na het uitzitten van zijn straf weer zonder voorwaarden in vrijheid wordt gesteld. Een tweede optie die door de deskundigen wordt voorgesteld, is de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden. De deskundigen geven aan dat het feit dat bij niet naleving van de afspraken een tbs-maatregel met voorwaarden kan worden omgezet naar een tbs-maatregel met dwangverpleging voor verdachte een motiverend kader kan bieden en fungeert als een forse stok achter de deur om zich aan de voorwaarden te houden. Het direct opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging wordt door de deskundigen op dit moment passend noch nodig geacht.
Het hof heeft, in aanvulling op de in eerste aanleg uitgebrachte reclasseringsadviezen, acht geslagen op ook in hoger beroep uitgebrachte reclasseringsadviezen van respectievelijk 25 februari 2026 en 29 september 2026. In het reclasseringsadvies d.d. 25 februari 2026 heeft de reclassering gerapporteerd dat bij vonnis waarvan beroep bijzondere voorwaarden aan de verdachte zijn opgelegd welke dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard en dat deze sinds 29 juli 2024 worden uitgevoerd. Gezien de aard van de veroordeling werd het reclasseringstoezicht ondergebracht bij de TER-unit. Omdat na enige tijd bleek dat er geen sprake was van zorgelijke ideologieën of politiek-religieuze motivatie en er geen aanwijzingen waren voor gewelddadig extremisme, werd het reclasseringstoezicht in februari 2025 overgedragen naar een reguliere unit. Gedurende het reclasseringstoezicht heeft de verdachte reeds een klinische behandeling ondergaan binnen de FPA (forensische psychiatrische afdeling) [kliniek], heeft hij daar deelgenomen aan verschillende therapieën en is gedurende het gehele verblijf van circa 9 maanden abstinent gebleven van alcohol en drugs. Het lukt de verdachte echter niet om abstinent te blijven van alcohol en softdrugs. Door de aanwezige psychische problematiek en middelenproblematiek is het voor hem erg lastig om verbetering aan te brengen op de diverse leefgebieden. Volgens de reclassering hebben de aanhouding in de onderhavige zaak en met name het daaropvolgende verblijf in het Huis van Bewaring in volledige beperkingen hun sporen nagelaten bij de verdachte. Hoewel de hulpverlening nog niet bestendigd is, haakt de verdachte gedurende het reclasseringstoezicht wel redelijk aan bij de praktische ondersteuning van Unitio, hetgeen een mogelijk beschermende factor ter voorkoming van delictgedrag in de toekomst is. In samenhang met de forensische verslavingsbehandeling door [verslavingskliniek] , moet de geboden hulpverlening leiden tot abstinentie van middelen, stabilisatie van de psychische problemen en het vergroten van steunende- en beschermende factoren in het leven van de verdachte, hetgeen een verdere afname van de aanwezige risico's als gevolg zal hebben. De reclassering acht het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr niet langer geïndiceerd, nu is gebleken dat de verdachte voldoende meewerkt aan het reclasseringstoezicht.
Blijkens het reclasseringsadvies d.d. 29 september 2026 ziet de reclassering een positieve verandering ten aanzien van de dagbesteding bij de verdachte. De verdachte is, met ondersteuning van zijn moeder, met een tweejarig traject bij het UWV gestart. Vanuit dit traject neemt hij deel aan een programma bij [traject] , waar hij middels sport en coaching werkt aan re-integratie. De verdachte dient zingeving te krijgen in zijn dagen en kan daarnaast middels dagbesteding positieve afleiding zoeken, zodat de drang naar middelen verder zal afnemen. De verdachte is, naar eigen zeggen, zelfstandig gestopt met het gebruik van cannabis en ziet bij zichzelf een positieve verandering hiermee gepaard gaan. Hij heeft een betere concentratie en zit beter in zijn vel. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. Voorts heeft de reclassering geadviseerd om bij een veroordeling een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij vlak voor het incident een tweede operatie had gehad aan zijn borstkas, kampte met slaapproblemen en in die periode weinig naar school ging in verband met COVID. In die periode gebruikte de verdachte veel cannabis en alcohol en had hij, gezien ook zijn slaapproblemen, weinig structuur in zijn leven. De verdachte heeft er op gewezen dat hij pas 19 jaar oud was ten tijde van het delict en nog aan het herstellen was van zijn operatie. De slaapstoornis is verergerd in de detentieperiode wegens een gebrek aan daglicht, doordat de verdachte 22 uur in zijn cel moest blijven. Verder heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij weliswaar een aantal keren een terugval in zijn middelengebruik heeft gehad sinds hij de kliniek heeft verlaten, maar dat het inmiddels beter gaat. De verdachte volgt een re-integratietraject bij het UWV, kan zijn energie kwijt in het sporten, is gestopt met zijn cannabis- en alcoholgebruik en heeft weer meer structuur in het leven. De verdachte heeft aan het hof verzocht om hem geen bijzondere voorwaarden op te leggen, zodat hij de hulpverlening in een vrijwillige kader kan voortzetten. Hij kan dan zelf verantwoordelijkheid nemen en heeft daarvoor al stappen gezet.
De op te leggen sanctie
Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de duur daarvan, weegt het hof het volgende mee. Zoals hierboven reeds overwogen, acht het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar als gevolg van zijn problematiek ten tijde van het tenlastegelegde: bij de verdachte is sprake van ADHD, hij kampt met verslavingsproblematiek en presteert volgens de gedragsdeskundigen op een licht verstandelijk beperkt niveau.
Ten tijde van de aanhouding in de onderhavige zaak was de verdachte bovendien pas 19 jaar oud. Ondanks de jonge leeftijd van de verdachte en zijn kwetsbare achtergrond, heeft de verdachte uiteindelijk 9 maanden lang onafgebroken in detentie gezeten in een Huis van Bewaring, waarvan hij 8 maanden in preventieve hechtenis verkeerde. Die periode heeft een grote indruk gemaakt op de verdachte en de verdachte is daarom gemotiveerd om zijn leven weer op te bouwen. Na zijn detentie verbleef de verdachte, op grond van het dadelijk uitvoerbaar verklaarde vonnis, vervolgens 10 maanden in een FPA alwaar hij diverse therapieën heeft gevolgd en werd hij aansluitend geplaatst in een beschermd wonen voorziening. Dit heeft maar een korte periode geduurd, omdat deze plek – ook gelet op zijn leeftijd en mate van zelfstandigheid – niet passend werd geacht, maar een passende plek was niet beschikbaar. Pas sinds 30 juli 2025, 20 maanden na het incident, woont de verdachte weer bij zijn moeder en is hij inmiddels gestart met een re-integratietraject bij het UWV.
Hoewel het hof de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de impact daarvan op geen enkele wijze wil miskennen, heeft het hof ook oog voor de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het traject dat hij reeds heeft doorlopen. Nu tevens uit meerdere onderzoeken is gebleken dat bij de verdachte geen sprake was van een terroristisch motief dan wel islamitische radicalisering, heeft het hof de indruk gekregen dat het hier niet gaat om een persoon met extreme ideologieën die een vooropgezet plan had om een terroristisch aanslag te plegen, maar dat sprake was van een opzichzelfstaande situatie waarbij de verdachte op een impulsieve en beschonken wijze het bewezenverklaarde heeft gepleegd en onvoldoende stil heeft gestaan bij de gevolgen van zijn handelen.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de verdachte reeds voldoende bestraft is en zal het hof een straf opleggen waarbij de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd niet overstijgt, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Het hof ziet – in afwijking van het meest recente reclasseringsadvies – geen meerwaarde om daarnaast nog een voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte op te leggen noch om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden. Het hof overweegt daarbij dat er al sinds juli 2024 sprake is van reclasseringsbegeleiding, dat de verdachte sindsdien een klinisch behandeltraject heeft afgerond waarin hij allerlei behandelingen heeft doorlopen. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij graag zelf verantwoordelijkheid wil nemen om zijn leven op te bouwen en heeft daarvoor stappen ondernomen om te re-integreren in de samenleving. Om die reden zal het hof afzien van het opleggen van een voorwaardelijke straf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Het hof wenst aan de verdachte wel te benadrukken dat het nu zijn eigen verantwoordelijkheid is om de ingezette positieve lijn vol te houden en gaat er daarbij vanuit dat de verdachte de inmiddels ingezette hulpverlening vrijwillig zal voortzetten en er alles aan zal doen om zijn verslavingen blijvend het hoofd te bieden en een zinvol bestaan op te bouwen. Nu er geen bijzondere voorwaarden meer zullen worden opgelegd, zal het hof volledigheidshalve het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht opheffen.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Namens de verdachte is op 1 augustus 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 27 oktober 2026 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met bijna 3 maanden overschreden.
Het hof constateert echter dat de inhoudelijke behandeling in de onderhavige zaak eerder gepland stond op de zitting van 17 maart 2026, maar dat deze behandeling, op verzoek van de verdediging in verband met de medische situatie van de verdachte, op voorhand werd aangehouden. Nu de vertraging in hoger beroep is veroorzaakt door een gehonoreerd aanhoudingsverzoek van de verdediging, zal het hof volstaan met een constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en daaraan geen consequenties verbinden.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
Het hof zal, in lijn met het reclasseringsadvies d.d. 27 februari 2026, geen gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte opleggen, omdat van de noodzaak daartoe niet langer is gebleken.
Conclusie
Samengevat zal het hof aan de verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-300723-23 en in de zaak met parketnummer 02-283114-23 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-300723-23 en in de zaak met parketnummer 02-283114-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 27 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.