Strafrecht overig
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in vier maanden schuldig heeft gemaakt aan zes…
ECLI:NL:GHSHE:2026:716 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-716
Zaakgegevens
Op 13 maart 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Datum publicatie
- 16 maart 2026
- Zaaknummer
- 20-002149-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:716
Samenvatting
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in vier maanden schuldig heeft gemaakt aan zes strafbare feiten, uiteenlopend van aard. De verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan drie diefstallen, waarbij de verdachte bij één diefstal zelfs heeft ingebroken. Daarnaast heeft de verdachte op 10 december 2024 verkeersborden op straat beschadigd en op 26 januari 2025 ruiten van twee winkels vernield. Ten slotte is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk. Het hof heeft aan de verdachte opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren met aftrek van het voorarrest ten aanzien van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 6 primair bewezenverklaarde feiten.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 15 augustus 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:5457Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:716
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-002149-25
Uitspraak : 13 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 15 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-395248-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Vught, PPC te Vught.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
diefstal (feiten 1 en 3 primair), en
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen (feit 2), en
de eendaadse samenloop van de feiten 4 en 5 (uitsluitend met betrekking tot [benadeelde 1] ):
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermaals gepleegd (feit 4), en
in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen (feit 5),
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak (feit 6),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en de plaatsing van verdachte gelast in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor 2 jaren ter zake feiten 1, 2, 3, 4, en 6. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel wordt opgelegd ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde feit. Ten slotte heeft de rechtbank de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven hennep onttrokken aan het verkeer.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met dien verstande dat:
-
de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen worden aangevuld met betrekking tot feit 4, en
-
met verbetering van de bewezenverklaringen en kwalificaties van feiten 3 en 6, nu daarin onvoldoende naar voren komt dat het primair tenlastegelegde is bewezenverklaard.
De verdachte heeft ten overstaan van het hof de onder 1, 2, 3 tenlastegelegde feiten ontkend. De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Voor het overige tenlastegelegde heeft de raadsvrouw van de verdachte zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Zo komt het hof tot een iets andere bewezenverklaring dan de rechtbank ten aanzien van de onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten. Omwille van de leesbaarheid zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 december 2024 te Vlissingen, althans in Nederland, een flesje water, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] (gelegen aan [adres 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 10 december 2024 te Vlissingen, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere verkeersborden, in elk geval enige goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3. primair
hij op of omstreeks 26 september 2024 te Goes, althans in Nederland, een (buitensensor van een) weerstation, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3. subsidiair
hij op of omstreeks 26 september 2024 te Goes, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (buitensensor van een) weerstation, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4.
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Vlissingen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruit(en), in elk geval enig goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] / [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
5.
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Vlissingen, althans in Nederland, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [benadeelde 1] aan [adres 2] , bij een ander, te weten bij [benadeelde 6] en/of [benadeelde 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
6. primair
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Vlissingen, althans in Nederland, de fooienpot, gevuld met een onbekend bedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
6. subsidiair
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Vlissingen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de fooienpot, gevuld met een onbekend bedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, door de ruit in de voordeur te vernielen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6. meer subsidiair
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Vlissingen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk de ruit in de voordeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft vernield, beschadig en/of onbruikbaar gemaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 10 december 2024 te Vlissingen, een flesje water, dat aan [benadeelde 2] (gelegen aan [adres 1] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 10 december 2024 te Vlissingen, opzettelijk en wederrechtelijk verkeersborden, die aan [benadeelde 3] toebehoorden, heeft vernield;
3. primair
hij op 26 september 2024 te Goes, een buitensensor van een weerstation, die aan [benadeelde 4] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op 26 januari 2025 te Vlissingen, opzettelijk en wederrechtelijk ruiten, die aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] toebehoorden, heeft vernield;
5.
hij op 26 januari 2025 te Vlissingen, het besloten lokaal, [benadeelde 1] aan [adres 2] , bij een ander, te weten bij [benadeelde 6] en/of [benadeelde 1] in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
6. primair
hij op 24 januari 2025 te Vlissingen, de fooienpot, gevuld met een onbekend bedrag, die aan [benadeelde 7] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, zaak-registratienummer PL2000-2024317857, gesloten d.d. 12 december 2024 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 41). Alle processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 december 2024 (pg. 5 t/m 8), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] , die namens [benadeelde 2] , [adres 1] , aangifte deed:
Op 10 december 2024 was ik werkzaam als manager in de [benadeelde 2] aan de
[adres 1] . Er kwam een man de winkel uitlopen. Ik kan de man als volgt omschrijven: man, blanke huidskleur, kalend hoofd. Ik liep naar binnen om de bewakingsbeelden terug te kijken. Ik zag dat de persoon die ik eerder buiten zag op de camera's aan kwam lopen. Ik zag dat hij bij het schap van het water stopte. Ik zag dat hij met zijn ene hand de rits van zijn jas opende en dat hij vervolgens het flesje water pakte en dit wegstak in zijn jas. Vervolgens zag ik dat hij in de richting van de uitgang liep en de kassa passeerde zonder iets af te rekenen.
Na enkele seconden hoorde ik dat enkele omstanders zeiden dat de man terug kwam. Ik zag dat hij verkeersborden passeerde. Ik zag dat de man de borden vastpakte en met kracht deze borden omboog. Ik zag dat borden meebogen en onbruikbaar werden.
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 december 2024 (pg. 16 t/m 18), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] , die namens het slachtoffer [benadeelde 3] aangifte deed:
U neemt contact met mij op in verband met het feit dat er twee verkeersborden
vernield zijn aan [adres 3] die aan ons bedrijf zouden
toebehoren. Na uw omschrijving van de vernielde verkeersborden herken ik deze als de borden van ons bedrijf. Ik wil aangifte doen van vernieling. Ik ben werkzaam als projectleider bij het bedrijf [benadeelde 3] in Goes. Ons bedrijf is werkzaam aan [adres 3] . Om werkzaamheden te beveiligen staan daar onze
verkeersborden. Dit zijn kunststofborden met een voet. U vertelt mij dat er twee borden zijn omgebogen bij de voet. Deze borden kunnen helaas niet worden rechtgebogen omdat dan het gevaar is dat ze direct afbreken of dat ze bij een beetje wind of iets dergelijks afbreken doordat het kunststof waarvan ze gemaakt zijn beschadigd is en zijn stevigheid heeft verloren.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 december 2024 (pg. 12 en 13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Ik was belast met het bekijken van de bewakingsbeelden van de gepleegde winkeldiefstal en de vernieling, gepleegd op 10 december 2024 in Vlissingen. Ik kreeg van aangever [aangever 1] , manager van de [benadeelde 2] aan [adres 1] , de bewakingsbeelden verstrekt van de winkeldiefstal. Ik zag dat een man in beeld kwam die ik als volgt kan omschrijven: man, blanke huiskleur, kalend hoofd.
Ik zag dat de man voor het schap ging staan. Ik zag dat de man vervolgens een
handeling deed met zijn rits en zijn jas een stukje opende. Ik zag vervolgens dat de
man met zijn hand het flesje uit het schap pakte en dit flesje onder zijn jas stopte. Ik zag dat de man met zijn hand zijn rits van zijn jas dicht deed en in de richting van de uitgang van de winkel liep. Ik zag dat de man de zelfscankassa's passeerde zonder iets af te rekenen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 december 2024 (pg. 14 en 15), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 10 december 2024, was ik belast met het onderzoek naar de gepleegde vernieling en winkeldiefstal gepleegd bij de [benadeelde 2] aan [adres 1] . Ik bekeek de bewakingsbeelden en zag in het beeld een persoon die ik direct herkende als zijnde [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] . Ik herkende hem meteen aan de specifieke uiterlijke gelijkenissen zoals zijn manier van lopen, zijn kalende hoofd en het overige haar wat zich in een krans om zijn hoofd bevind. Zijn baardgroei en zijn spitse gezicht.
Ten aanzien van het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, zaak-registratienummer PL2000-2025022020, gesloten d.d. 28 januari 2025 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 62). Alle processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 3
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 5 oktober 2024 (pg. 6 t/m 9), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [benadeelde 4] :
Voor mijn werk ben ik werkzaam in het gebouw [bedrijf 1] gevestigd te [adres 4] . Ik heb een weerstation (merk Qumax) aangeschaft. Dit weerstation bestaat uit een basisdeel en een buitensensor. Op 26 september 2024 bemerkte ik dat de buitensensor niet meer aanwezig was. Ik begreep van de politie dat de sensor kapot was en dat deze in een container weg gegooid is.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 oktober 2024 (pg. 10 t/m 12), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Toen ik op 26 september 2024 ter hoogte van het gebouw de [bedrijf 1] op [adres 4] liep werd ik aangetroffen door een man die mij mededeelde dat er
een persoon rondliep waarvan het leek op die verward was. De persoon zou gekleed zijn
in een grijze joggingsbroek, een zwarte rugzak dragen en een baardje hebben. Deze
persoon zou op de parkeerplaats van het station iets van afval weg gegooid hebben op
de grond, dit werd mij aangewezen. Ik zag dat op de grond een stuk rechthoekig plastic lag met een schermpje erin. Ik zag dat het schermpje het niet deed. Op het voorwerp stond Qumax gedrukt. Via het station liep ik in de richting van de [bedrijf 2] , alwaar ik de mij ambtshalve bekende [verdachte] zag lopen. Ik zag dat hij gekleed was in een grijze joggingsbroek en een lichtbruine jas. Ik zag dat hij op zijn rug een zwarte rugzak droeg. Ik zag dat hij kalend was en een baardje van een aantal dagen had. Ik vertelde hem dat was gezien dat hij op de parkeerplaats van het station afval weggooide. Ik toonde hem het voorwerp met de tekst Qumax erop en hoorde hem zeggen dat hij dat inderdaad had weggegooid, omdat hij het niet meer hoefde.
Feiten 4 en 5
Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de navolgende opgave van de bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 27 januari 2025 (pg. 13 en 14), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [aangever 3] , die namens het slachtoffer [benadeelde 5] aangifte deed;
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 27 januari 2025 (pg. 37 t/m 39), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [benadeelde 6] ;
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 januari 2025 (pg. 54 t/m 57), voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;
4. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 februari 2026, voor zover inhoudende dat hij op 26 januari 2025 ook een ruit bij [benadeelde 1] in Vlissingen heeft vernield.
Ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, zaak-registratienummer PL2000-2025019784, gesloten d.d. 6 maart 2025 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 53). Alle processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 24 januari 2025 (pg. 7 t/m 14), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [aangever 4] :
Ik doe aangifte van een gekwalificeerde inbraak uit mijn kapsalon. Mijn kapsalon bevindt zich op [adres 5] . Op 24 januari 2025 omstreeks 08.30 uur werd ik gebeld door een buurtbewoner die mij vertelde dat er was ingebroken. Ter plaatse hoorde ik van de politie dat de ruit van de voordeur was vernield.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 januari 2025 (pg. 20 en 21), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 24 januari 2025 meldde aangeefster [aangever 4] dat bij de inbraak haar fooienpot weggenomen was. Dit betreft een wit spaarvarken dat tot ongeveer de helft gevuld was. Ze heeft geen indicatie hoeveel geld er in de fooienpot zit.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2025 (pg. 28 t/m 30), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Ik was belast met het uitkijken van camerabeelden. De kapsalon welke was vernield en waaruit een spaarpot is weggenomen bevind zich aan [adres 5] . De camerabeelden welke waren gevorderd binnen dit onderzoek zijn afkomstig van een deurbelcamera welke zich bevind aan [adres 6] (het hof: [adres 6]).
Fragment 1:
Ik zag dat er links in beeld een persoon verscheen. Ik zag dat deze persoon door het
beeld liep en rechts weer uit beeld verdween. Ik kan deze persoon als volgt
omschrijven: man, stoppelbaard.
Fragment 2:
Ik hoorde het geluid van brekend glas.
Fragment 3:
Ik zag dat en persoon door het beeld liep en links uit beeld verdween. Ik zag dat dit dezelfde persoon betrof zoals hierboven beschreven onder fragment 1. Ik zag dat de man zijn rechterhand in of tegen zijn rechterjaszak hield. Ik zag dat er ter hoogte van zijn rechterjaszak zich een verdikking bevond onder zijn jas.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2025 (pg. 31 en 32), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op 6 maart 2025 zag ik de beelden van een deurbelcamera van het adres [adres 6] . Dit pand bevind zich op 5 panden afstand van
het pand waar in de nacht van 24 januari 2025 was ingebroken. De beelden zijn ook van die nacht.
Ik zag op de beelden een manspersoon voorbij lopen. Het was mij reeds bekend dat bij deze inbraak DNA-sporen waren aangetroffen in het bloed wat was aangetroffen. Dit DNA bleek na onderzoek door het NFI te zijn van [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] .
Toen ik de beelden zag herkende ik de mij ambtshalve bekende [verdachte] als
zijnde de man op de beelden. De persoon op de beelden vertoond grote gelijkenis met genoemde [verdachte] . Ik heb [verdachte] de afgelopen maanden diverse keren gehoord nadat hij was aangehouden en ik ken [verdachte] al vele jaren.
5. Het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres 5] ) d.d. 26 februari 2025 (pg. 33 t/m 36), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :
Op 24 januari 2025 kwamen wij voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 5] . Wij zagen dat het glas van de voordeur kapot was. Wij zagen glasscherven op de stoep voor de voordeur. Wij zagen glasscherven achter de voordeur. Wij zagen een bloedspat op de stoep voor de voordeur. Wij zagen een bloedspat op de deurklink. Wij zagen meerdere bloedspatten op het deurkozijn. Wij zagen meerdere bloedspatten op het glas dat zich nog in de sponning bevond. Ik, [verbalisant 6] , bemonsterde één van de bloedsporen op het deurkozijn en stelde het spoor veilig op eventuele aanwezigheid van humaan DNA-houdend celmateriaal. Dit spoor werd voorzien van Spoor Identificatie Nummer (SIN) AAPL5063NL.
Wij onderzochten de kapsalon op sporen. Wij zagen meerdere bloedspatten op de vloer van de kapsalon. Ik, [verbalisant 6] , bemonsterde één van deze bloedsporen en stelde het spoor veilig op eventuele aanwezigheid van humaan DNA-houdend celmateriaal. Dit spoor werd voorzien van SIN AAPQ9742NL.
6. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 10 februari 2025, zaaknummer 2025.01.31.074 (aanvraag 001), opgesteld door NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek W.A. Kanhai, rapporteur (pg. 37 t/m 39), voor zover inhoudende:
|
SIN en omschrijving |
Beschrijving DNA-profiel |
Celmateriaal kan afkomstig zijn van |
Matchkans |
|
AAPL5063NL#01 |
DNA-profiel van een man |
[verdachte] |
Kleiner dan één op één miljard |
|
AAPQ9742NL#01 |
DNA-profiel van een man |
[verdachte] |
Kleiner dan één op één miljard |
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de onder 2 tenlastegelegde vernieling. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte op 10 december 2024 de dader was die de verkeersborden heeft vernield. Volgens de verdediging berust de verdenking op de verdachte slechts op de verklaring van [aangever 1] . Aangever [aangever 2] heeft de tenlastegelegde gedragingen niet gezien en zijn verklaring is dan ook niet onbruikbaar als steunbewijs. Voorgaande dient te leiden tot vrijspraak van het tenlastegelegde, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het betoog van de raadsvrouw wordt naar het oordeel van het hof weerlegd door de inhoud van de door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang gezien, zodat het verweer geen verdere bespreking behoeft. Het hof ziet overigens geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde
Daarnaast heeft de raadsvrouw in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 3 primair tenlastegelegde feit, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het de verdachte is geweest die de buitensensor van het weerstation heeft weggenomen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte enige wegnemingshandeling heeft verricht, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het vast dat aangever [benadeelde 4] een buitensensor van een weerstation van het merk Qumax had geplaatst bij het gebouw [bedrijf 1] aan [adres 4] . Op 26 september 2024 bemerkte de aangever dat het weerstation niet goed meer werkte en zag toen dat de buitensensor niet meer aanwezig was. Diezelfde dag werd verbalisant [verbalisant 2] ter hoogte van het gebouw de [bedrijf 1] in Goes aangesproken door een man dat een verward persoon op de parkeerplaats van het station iets had weggegooid. De persoon zou gekleed zijn in een grijze joggingsbroek, een zwarte rugzak dragen en een baardje hebben. Verbalisant [verbalisant 2] vond ter plaatse een stuk plastic met een schermpje erin aan van het merk Qumax. Vervolgens trof verbalisant [verbalisant 2] de verdachte aan in de buurt van het station, die tevens voldeed aan de eerder opgegeven signalementen. De verdachte werd door de verbalisant aangesproken en bij het tonen van het voorwerp heeft de verdachte verklaard dat hij deze had weggegooid, omdat hij het niet langer hoefde.
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, kan naar het oordeel van het hof het niet anders zijn dan dat de verdachte op 26 september 2024 zich de buitensensor wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het hof wijst hierbij op het relatief korte tijdsverloop tussen het moment van de diefstal en het moment dat de verdachte zich heeft ontdaan van de buitensensor, alsmede het gegeven dat de verdachte de buitensensor had weggegooid zeer dicht bij de locatie alwaar de buitensensor oorspronkelijk was geplaatst. Dat de verdachte de buitensensor uiteindelijk niet langer in zijn bezit wilde hebben en het heeft weggegooid, doet aan het voorgaande niet af. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 3 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het onder 4 en 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
de voortgezette handeling (uitsluitend met betrekking tot [benadeelde 1] ) van
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd
en
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Het onder 6 primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om geen ISD-maatregel aan de verdachte op te leggen en te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is aangevoerd dat een ISD-maatregel niet de gewenste gedragsverandering teweeg zal brengen en derhalve niet opportuun is. Volgens de raadsvrouw kampt de verdachte met een enorme en langdurige verslavingsproblematiek. De eerder doorlopen ISD-maatregel is niet succesvol geweest om zijn verslavingsproblematiek aan te pakken, nu de verdachte in staat was om tijdens die ISD-maatregel verdovende middelen te blijven gebruiken. Nadat de eerdere ISD-maatregel was afgelopen, is de verdachte weer op straat beland en is hij weer het verkeerde pad op gegaan. Echter staat de verdachte sindsdien onder begeleiding bij [stichting] en dit heeft ondanks het feit dat verdachte recent ter zake van een diefstal met geweld is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, een (voorzichtig) positief effect gehad op de verdachte, mede gelet op een ontstane vertrouwensband. De raadsvrouw heeft bepleit dat een verdere begeleiding bij [stichting] de voorkeur verdient boven een ISD-maatregel, zodat niet alleen verdachte maar ook de maatschappij daar op lange termijn bij gebaat is.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in vier maanden schuldig heeft gemaakt aan zes strafbare feiten, uiteenlopend van aard. De verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan drie diefstallen, waarbij de verdachte bij één diefstal zelfs heeft ingebroken. Daarnaast heeft de verdachte op 10 december 2024 verkeersborden op straat beschadigd en op 26 januari 2025 ruiten van twee winkels vernield. Ten slotte is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk, door zich wederrechtelijk in de winkel van [benadeelde 6] te bevinden. Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft de verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander en heeft hij de benadeelden overlast en financiële schade berokkend. De verdachte heeft gehandeld uit louter eigenbelang, hetgeen het hof de verdachte kwalijk neemt.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in strafverzwarende zin acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 december 2025, waaruit volgt dat de verdachte eerder veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Bovendien is het hof gebleken dat de verdachte herhaaldelijk ter zake een vernieling is veroordeeld. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht meermaals van toepassing is. Tevens is het hof uit voornoemd uittreksel gebleken dat aan de verdachte bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 24 januari 2020 een eerdere ISD-maatregel is opgelegd, hetgeen niet heeft geleid tot gedragsverandering bij de verdachte.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van de door de Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadviezen van 13 december 2024 en 15 juli 2025. In het meest recente reclasseringsadvies zijn de leefgebieden middelengebruik, sociaal netwerk, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte als risico verhogende factoren aangemerkt. Er is sprake van een verstandelijke beperking en daarnaast is er al tientallen jaren sprake van forse verslavingsproblematiek. De verdachte wordt begeleid bij [stichting] en zij hebben erkend dat ook zij de bestaande patronen niet kunnen doorbreken. Om die reden kan de Reclassering die begeleiding niet als beschermend kenmerken. De Reclassering heeft gerapporteerd dat het erop lijkt dat de verdachte zich binnen de eerder opgelegde ISD-maatregel zich nog het meest positief had ontwikkeld. De Reclassering ziet geen enkele mogelijkheid binnen een forensisch ambulant kader en acht reclasseringstoezicht en -interventies niet haalbaar, omdat de verdachte zich niet wil conformeren aan afspraken. Het risico op recidive en onttrekken aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat. De Reclassering adviseert het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel met name ter bescherming van de maatschappij, nu het de vraag is of het iets zal gaan bijdragen aan het doorbreken van de problematiek van de verdachte.
Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat de verdachte thans gedetineerd zit in een andere strafzaak. In dat kader heeft de advocaat-generaal voorafgaand aan de zitting bij het hof een e-mailbericht d.d. 24 februari 2026 overgelegd, afkomstig van de Casemanager bij de penitentiaire inrichting in Vught. Daaruit volgt dat de verdachte momenteel verblijft binnen het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (hierna: PPC) op een LVB-afdeling. Sinds zijn verblijf bij het PPC is de verdachte stabiel en medicatietrouw. De verdachte wenst geen behandeling binnen het PPC en daarom wordt overwogen om de verdachte weer aan te melden voor een regulier regime.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij al jarenlang verslaafd is aan alcohol en drugs, maar dat hij nu hulp wil zoeken voor zijn verslavingsproblematiek. De verdachte had zich aangemeld bij [GGZ] voor een intakegesprek. Dit traject is echter weer stopgezet wegens zijn huidige dententie.
Het hof stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden ex artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor oplegging van de ISD-maatregel. Het hof acht immers bewezen dat de verdachte zich in de onderhavige zaak heeft schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen en vernielingen, zijnde misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 december 2025, in de vijf jaar voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld, welke straffen volledig ten uitvoer zijn gelegd.
Voorts moet er naar het oordeel van het hof ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte, gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de reclasseringsadviezen en gelet op de justitiële voorgeschiedenis van verdachte, wederom een misdrijf zal begaan. Naar het oordeel van het hof eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte vele misdrijven heeft gepleegd en de oplegging van (vrijheidsbenemende) straffen, waaronder ook een eerdere ISD-maatregel, hem er kennelijk niet van weerhoudt te recidiveren. De kans dat verdachte zonder nadere interventie in het kader van de ISD-maatregel opnieuw zal overgaan tot het plegen van strafbare feiten acht het hof daarom groot. Het hof is dan ook van oordeel dat thans geen andere optie resteert dan het opleggen van die maatregel.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte meer gebaat is bij begeleiding bij [stichting] en een (vrijwillige) opname bij [GGZ] , volgt het hof niet. Naar het oordeel van het hof biedt dit onvoldoende perspectief om de hardnekkige (verslavings-)problematiek van de verdachte aan te pakken, temeer de verdachte al jarenlang kampt met zijn verslavingen en in het verleden herhaaldelijk is gebleken dat de verdachte zich niet zelfstandig kan onthouden van alcohol en verdovende middelen. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat een ISD-maatregel een meer passende bijdrage kan leveren aan de oplossing van zijn verslavingsproblematiek. Bovendien is de verdachte, ondanks zijn verblijf bij het [stichting] , veelvuldig overlast gevend gedrag blijven vertonen en is de ISD-maatregel ook gericht op de beveiliging van de maatschappij tegen dit gedrag.
Het hof komt dan ook tot de slotsom dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders moet worden opgelegd voor de duur van 2 jaren met aftrek van het voorarrest ten aanzien van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 6 primair bewezenverklaarde feiten.
Ter zake van de onder 5 bewezenverklaarde lokaalvredebreuk is geen voorlopige hechtenis toegelaten, waardoor de ISD-maatregel niet voor dit feit kan worden opgelegd. Het is vaste rechtspraak dat de combinatie van de ISD-maatregel met straffen niet mogelijk is. Om die reden zal het hof bepalen dat aan de verdachte ter zake het onder 5 bewezenverklaarde geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Beslag
Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven hennep vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door
verdachte begane misdrijf werd aangetroffen en dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. Op grond hiervan zal het hof de hennep onttrekken aan het verkeer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 56, 57, 63, 138, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 6 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
verklaart het onder 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
bepaalt dat ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;
legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde maatregel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 2 STK Hennep (Omschrijving: Wit).
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp en mr. N. van der Meer, griffiers,
en op 13 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. R. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.